Inleiding
1.1 Het jaar 2022 in cijfers
Dit jaarverslag beschrijft de werkzaamheden van de Ondernemingskamer in 2022. Aan de orde komen de belangrijkste procedures, de aantallen zaken en de doorlooptijden. Voor de interpretatie van de cijfers is van belang dat het aantal zaken dat de Ondernemingskamer behandelt, in absolute zin klein is. Een enkele uitzonderlijke uitschieter kan daarom al zorgen voor een vertekening van het beeld. Bij het opstellen van de jaarcijfers is gepoogd dit laatste zoveel mogelijk te voorkomen en is inzichtelijk gemaakt hoe dat is gebeurd.
In 2022 zijn er ten opzichte van zowel 2021 als 2020 minder zaken binnengekomen en ter zitting behandeld en zijn er minder uitspraken gedaan. Wel waren er in 2022 ten opzichte van de twee voorgaande jaren meer regelingen / interventies ter zitting.
Evenals in eerdere jaren bestond in 2022 het overgrote deel van de procedures uit enquêtezaken en zaken op grond van de Wet op de ondernemingsraden (WOR-zaken): 85% van de in 2022 ingekomen zaken en 89% van de in 2022 ter zitting behandelde zaken. Het is de enquêteprocedure die het overgrote deel van de bezigheid van de Ondernemingskamer verklaart. Dat heeft te maken met de verschillende verzoeken die in de eerste en tweede fase van die procedure kunnen en plegen te worden gedaan en waarop door de Ondernemingskamer moet worden beslist.
Zo betrof 71% van de nieuwe zaken in 2022 de enquêteprocedure; dit is iets lager dan in 2021 en 2020. Het aantal beschikkingen in eerstefase-enquêtezaken was in 2022 lager dan in beide voorgaande jaren. In deze zaken was de verhouding tussen beschikkingen met een toewijzend en een afwijzend karakter 63% tegen 37%. Deze verhouding heeft in de afgelopen jaren gefluctueerd (60% tegen 40% in 2021 en 71% tegen 29% in 2020). In het overgrote deel van de toewijzende beschikkingen zijn zowel een onderzoek bevolen als onmiddellijke voorzieningen getroffen. In 2022 zijn in enquêteprocedures minder bestuurders, commissarissen en beheerders van aandelen benoemd en aangewezen door de Ondernemingskamer. Ook zijn er aanzienlijk minder onderzoekers aangewezen door de Ondernemingskamer (12) dan in 2021 en 2020 (telkens 19). Het ligt voor de hand dat dit verband houdt met het kleinere aantal eerstefase-enquêtezaken waarin een onderzoek is bevolen en/of onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen. Daarmee is niet gezegd dat dit de enige oorzaak is. Opvallend is voorts het grote aantal behandelingen ter zitting in tweedefase-enquêtezaken in 2022: 10, ten opzichte van telkens 5 in 2021 en 2020. Ook zijn er in 2022 veel beschikkingen uitgesproken in deze zaken: 14, ten opzichte van 8 in 2021 en 12 in 2020. Vooral het aantal beschikkingen waarbij wanbeleid is toe- of afgewezen (en die dus niet een incidenteel karakter hadden) was ten opzichte van voorgaande jaren relatief fors.
In WOR-zaken was het aantal ingekomen verzoeken in 2022 (20) lager dan in 2021 (24) en 2020 (31). Wel is hetzelfde aantal van deze zaken ter zitting behandeld als in 2021.
Zowel in enquêtezaken als in WOR-zaken was in 2022 sprake van een – ten opzichte van 2021 – langere periode gelegen tussen de dag van indiening van het verzoek en de behandeling ter zitting. De periode gelegen tussen de mondelinge behandeling en de beschikking (de beslisperiode) was in deze zaken in 2022 ook iets langer dan in 2021. Vooral in tweedefase-enquêtezaken was de beslisperiode veel langer dan in het voorafgaande jaar (maar veel korter dan in 2020). Bedacht moet worden dat tweedefase-enquêtezaken veelal bewerkelijk zijn wat betreft zowel de voorbereiding als de behandeling ter zitting en vooral ook het opstellen van een beschikking. De omstandigheid dat in 2022 veel van deze zaken ter zitting zijn behandeld en daarin veel beschikkingen zijn gegeven waarin wanbeleid is toe- of afgewezen, laat zien dat de Ondernemingskamer het hiermee druk heeft gehad. Deze werkzaamheden hebben veel beslag gelegd op de capaciteit van de Ondernemingskamer.
Een heikel punt was dat in 2022 slechts in 42% van de behandelde zaken de door de Ondernemingskamer aangekondigde uitspraaktermijn is gehaald. Blijkbaar was de Ondernemingskamer in 2022 – ook ten opzichte van voorgaande jaren – minder goed in staat daarvan een reële inschatting te geven. De gemiddelde overschrijdingstermijn was in 2022 met 34 dagen niet opmerkelijk. Wel valt het grote aantal uitspraken op waarin de aangekondigde uitspraaktermijn met meer dan zes weken werd overschreden. Dat betreft voornamelijk tweedefase-enquêtezaken.
Tot slot werd het jaar 2022 gekenmerkt door een relatief groot aantal personele wisselingen bij de Ondernemingskamer. Als gevolg hiervan waren bij de Ondernemingskamer in 2022 gemiddeld minder raadsheren en secretarissen werkzaam dan gebruikelijk.
1.2 Vooruitblik 2023
Geschillenregeling
In de vooruitblik voor 2022 werd de wetgever oproepen een wetswijziging in gang te zetten die het mogelijk zou maken in het kader van de geschillenregeling een vordering tot uitstoting of uittreding in eerste aanleg bij de Ondernemingskamer aanhangig te maken. Het ziet ernaar uit dat dit in 2023 ook daadwerkelijk zijn beslag gaat krijgen. Dat is toe te juichen. Op termijn zal dit wellicht tot een toename van het aantal zaken bij de Ondernemingskamer leiden, maar de omvang daarvan laat zich lastig inschatten. Het is vooralsnog niet de verwachting dat dit tot problemen zal leiden.
Digitalisering
In 2022 is een forse stap gezet. Processtukken in verzoekschriftzaken worden inmiddels steeds ook digitaal aangeleverd in een voor de Ondernemingskamer werkbaar format. De raden werken sindsdien grotendeels met digitale dossiers. In de eerste helft van 2023 zullen ook de raadsheren en de secretarissen overstappen naar een digitaal dossier. De verwachting is dat de Ondernemingskamer in verzoekschriftzaken in de tweede helft van 2023 nagenoeg volledig digitaal zal werken. Daarmee kan dan afscheid worden genomen van een groot deel van de stapels papier die de Ondernemingskamer jaarlijks verwerkt. In dagvaardingszaken, die via de rol lopen, volgt de Ondernemingskamer de ontwikkelingen bij de afdeling civiel recht van het hof.
Kosten van de enquêteprocedure
De Ondernemingskamer ziet in enquêteprocedures de kosten van de gelaste onderzoeken en benoemde functionarissen jaar op jaar toenemen. Het gaat daarbij zowel om de hoogte van de tarieven als de omvang van de werkzaamheden en de daaraan te besteden tijd. De vrees bestaat dat dit op termijn afbreuk zal doen aan de effectiviteit van het enquêterecht; de kosten van het onderzoek en de voorzieningen kunnen een belemmering vormen voor de toegang tot de enquêteprocedure. Dat is een onwenselijke situatie. De rechtsbescherming die van de enquêtebevoegdheid uitgaat, dient ook beschikbaar te zijn voor stakeholders van kleinere en minder draagkrachtige ondernemingen. De Ondernemingskamer zal daarom in 2023, in overleg met de door haar te benoemen functionarissen en de stichting Rimari, kritisch kijken naar mogelijkheden om de kosten van de enquêteprocedure te beperken en waar nodig nog meer maatwerk te leveren.
Doorlooptijden
De Ondernemingskamer blijft ook in 2023 streven naar een snelle afhandeling van aangebrachte zaken met behoud van kwaliteit. De beoogde uitspraaktermijn bedraagt in beginsel zes weken na de mondelinge behandeling van een verzoekschrift. Waar nodig wordt uitspraak op een kortere termijn gedaan. De Ondernemingskamer is er in 2022 onvoldoende in geslaagd om de aan partijen toegezegde uitspraaktermijn te halen. De Ondernemingskamer wil dat in 2023 aanzienlijk beter doen.
mr. A.W.H. Vink
Voorzitter Ondernemingskamer
2. Belangwekkende uitspraken en ontwikkelingen
2.1 Enquêteprocedure
2.1.1 Grootaandeelhouder laat haar dochtervennootschap en de bij haar corporate governance betrokkenen te lang in het ongewisse
Funda B.V., 10 februari 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:302- U verlaat Rechtspraak.nl)
Deze zaak gaat over Funda B.V. (hierna: Funda) en de door haar geëxploiteerde gelijknamige website. Funda en haar aandeel- en certificaathouders verschillen van mening over de toekomst van Funda; zij worstelen al jaren met de deels tegengestelde belangen van de nog als makelaar actieve NVM-leden en certificaathouders, die geen belang hebben bij concurrentie door de website van Funda, en de niet meer als makelaar actieve certificaathouders, die belang hebben bij een optimaal gebruik van de kansen en mogelijkheden van de website.
De Ondernemingskamer overweegt dat het bestuur van Funda zich vooral dient te richten op het bevorderen van het bestendige succes van haar onderneming, met dien verstande dat het zich daarbij rekenschap dient te geven van het feit dat dit succes in hoge mate afhankelijk is van de samenwerking met haar (middellijk) 90%-grootaandeelhouder NVM Holding. Tegelijk dient zij zorgvuldigheid te betrachten jegens haar minderheidsaandeelhouder STAK Funda en de certificaathouders. Dat laatste geldt te meer naarmate de belangen van certificaathouders meer bekneld raken. Gelet op de verscheidenheid aan belangen waarmee het bestuur te maken heeft, komt het bestuur daarbij de nodige autonomie toe.
De op grond van artikel 2:8 BW op NVM Holding als (middellijk) meerderheidsaandeelhouder rustende zorgvuldigheidsplicht brengt mee dat als zij ten behoeve van de NVM-leden beperkingen wil stellen aan de vrijheid van het bestuur van Funda om een eigen strategie te bepalen en daarmee verhindert dat Funda optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden die haar platform biedt om nieuwe diensten aan te bieden, zij de certificaathouders een mogelijkheid zal moeten bieden om de reële waarde van hun certificaten te realiseren. Dit betekent dat NVM Holding een keuze moet maken. Of zij laat het bestuur van Funda de vrijheid om een eigen strategie te bepalen, ook als dit mogelijk strijdig is met de belangen van de NVM-leden, of zij biedt de certificaathouders een exit-mogelijkheid die recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. Daarbij geldt dat zolang NVM Holding die keuze niet maakt, zij de autonomie van het bestuur van Funda om een eigen strategie te bepalen en uit te voeren zal moeten respecteren.
Het al jaren durende onvermogen van NVM Holding om in de gegeven omstandigheden een helder besluit te nemen over de toekomst van de aandeelhoudersstructuur, de positie van Funda en een mogelijke exit voor de certificaathouders, in samenhang met de invloed die dat heeft (gehad) op de ontwikkeling en de uitvoering van de strategie van Funda en de door haar gedreven onderneming, levert een gegronde reden op om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. Voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer nog geen aanleiding.
2.1.2 Toewijzing noodzaakfinanciering bij joint venture in liquiditeitsnood als gevolg van de oorlog in Oekraïne
Cicerone Holding B.V., 15 juli 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:2081- U verlaat Rechtspraak.nl)
Cicerone is een joint venture tussen Shell en Todwick die zich via haar dochtervennootschap Alliance Holding Ltd. bezighoudt met de exploitatie van 132 tankstations in Oekraïne. Als gevolg van de oorlog in Oekraïne is Alliance Holding in ernstige liquiditeitsnood komen te verkeren. De UBO van Todwick staat op de EU-sanctielijst en de sancties treffen ook Todwick. Shell heeft de Ondernemingskamer verzocht in te grijpen en haar in staat te stellen onder voorwaarden de voor de continuïteit van de groep noodzakelijke financiering te verstrekken via uitgifte van aandelen. In verband met de spoedeisendheid heeft de Ondernemingskamer uitsluitend het verzoek van Shell tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandeld en deze in de beschikking van 15 juli 2022 gedeeltelijk toegewezen. Met het oog op de toestand van de vennootschap heeft de Ondernemingskamer onder meer een onafhankelijke bestuurder met beslissende stem bij Cicerone benoemd, één aandeel van de door Todwick gehouden aandelen overgedragen aan een beheerder en bepaalde bepalingen uit de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst buiten werking gesteld.
Cicerone Holding B.V., 15 december 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:3706- U verlaat Rechtspraak.nl)
In december 2022 heeft Shell om aanvullende onmiddellijke voorzieningen verzocht omdat de bij de eerdere beschikking mogelijk gemaakte uitgifte van aandelen alsnog niet blijkt te kunnen worden uitgevoerd omdat de notaris die de akte van levering zal verlijden er niet in is geslaagd een benodigde gelegaliseerde kopie van het paspoort van de UBO van Todwick te verkrijgen. De Ondernemingskamer heeft in de beschikking van 15 december 2022 geoordeeld dat de zwaarwegende omstandigheden die ten grondslag lagen aan het treffen van de eerdere onmiddellijke voorzieningen, nog onverkort bestaan. Met die onmiddellijke voorzieningen beoogde de Ondernemingskamer de noodzakelijke aanvullende financiering door Shell mogelijk te maken. Daarom vereist de toestand van de vennootschap dat aanvullende onmiddellijke voorzieningen worden getroffen die het alsnog mogelijk maken dat Shell de noodzakelijke financiering kan verstrekken. De Ondernemingskamer heeft daarom bepaald bij wijze van onmiddellijke voorziening dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 2:196 BW, door Cicerone aandelen aan Shell kunnen worden uitgegeven door middel van een tussen Cicerone en Shell opgemaakte onderhandse akte, overeenkomstig de door de algemene vergadering van Cicerone goedgekeurde uitgifteakte.
2.1.3 Enquêteverzoek van de advocaat-generaal bij het ressortsparket om redenen van openbaar belang (artikel 2:345 lid 2 BW)
Centric Holding B.V. c.s., 3 november 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:3139- U verlaat Rechtspraak.nl)
In deze zaak heeft de advocaat-generaal de Ondernemingskamer verzocht in te grijpen bij Centric Holding B.V. c.s. (hierna: Centric) om redenen van openbaar belang. Centric is een internationaal opererende IT-leverancier die vitale IT-diensten levert aan een groot aantal publieke en semi-publieke organisaties, waaronder DNB, Bank Nederlandse Gemeenten en 70% van de Nederlandse gemeenten. Bij Centric werken in Nederland circa 2.500 personen. De bestuurder van Centric Holding B.V. (hierna: Centric Holding) is al sinds langere tijd verwikkeld in een reeks van geschillen met zijn ex-partner. Voor die geschillen is in de media veel aandacht en deze negatieve publiciteit is schadelijk gebleken voor het vertrouwen in Centric. Het bestuur van Centric is niet in staat gebleken om voldoende zelfstandig en onafhankelijk te opereren en daarbij het belang van Centric en de door haar gedreven onderneming voldoende gescheiden te houden van de privébelangen van de bestuurder van Centric Holding en het conflict met zijn ex-partner, hetgeen geleid heeft tot grote onrust en onvrede onder het personeel, de klanten en de zakelijk dienstverleners van Centric. De Ondernemingskamer acht dit een directe en acute bedreiging voor de continuïteit van de onderneming.
Bij de mondelinge behandeling van 3 november 2022 waren alleen de verzochte onmiddellijke voorzieningen aan de orde. De Ondernemingskamer heeft bij mondelinge uitspraak voorshands geoordeeld dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Centric, de bestuurder van Centric Holding geschorst, een uitvoerende en een niet uitvoerende bestuurder van Centric Holding benoemd, aandelen in Centric Holding ten titel van beheer overgedragen aan een beheerder en een besluit tot schorsing van een niet uitvoerende bestuurder van Centric Holding geschorst.
2.1.4 Afwijzing verzoek tot vaststelling van wanbeleid bij SNS
SNS Reaal N.V. c.s., 30 november 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:3392- U verlaat Rechtspraak.nl)
Bij de beschikking van 26 juli 2018 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal c.s. over de periode vanaf 1 juli 2006 tot 1 februari 2013 en onderzoekers benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Op basis van het op 27 juli 2021 gedeponeerde onderzoeksverslag, hebben VEB c.s. de Ondernemingskamer kort gezegd verzocht vast te stellen dat sprake is van wanbeleid bij SNS Reaal c.s. in voormelde periode met betrekking tot bepaalde onderwerpen; deze onderwerpen zijn opgesomd in 5.1 van de beschikking van 30 november 2022. Daarnaast hebben VEB c.s. verzocht om een beperkte uitbreiding van het onderzoek.
De Ondernemingskamer heeft, na een beoordeling van elk van deze onderwerpen, het verzoek van VEB c.s. afgewezen. Bij die beoordeling is in aanmerking genomen dat het handelen van de raad van bestuur en de raad van commissarissen in de onderzoeksperiode niet los gezien kan worden van de zeer uitzonderlijke economische omstandigheden van die tijd. De Ondernemingskamer onderschrijft de conclusie van de onderzoekers dat het waarschijnlijk niet tot een nationalisatie van SNS Reaal c.s. zou zijn gekomen als Property Finance indertijd niet was gekocht. De Ondernemingskamer heeft er evenwel van uit te gaan dat de acquisitie van Property Finance als zodanig geen wanbeleid oplevert nu dat uitdrukkelijk geen onderwerp van onderzoek is geweest. Uit het onderzoeksverslag volgt evenmin dat ter zake van het door SNS Reaal c.s. gevoerde beleid met betrekking tot Property Finance in de eerste jaren na de acquisitie sprake is geweest van wanbeleid. Wel heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat uit het onderzoeksverslag blijkt dat in de onderzoeksperiode door SNS Reaal c.s. op onderdelen onnauwkeurige en zelfs onjuiste en misleidende mededelingen aan het publiek zijn gedaan, maar van opzet of ernstig verwijtbaar handelen is de Ondernemingskamer niet gebleken, terwijl evenmin is gebleken dat de geconstateerde gebreken tot voor de onderneming van SNS Reaal zeer nadelige gevolgen heeft geleid. De door SNS Reaal c.s. gemaakte fouten die in deze beschikking in kaart zijn gebracht betreffen een relatief beperkt aantal, in de kern op zichzelf staande, beleids- of inschattingsfouten die ieder voor zich, noch in onderling verband en samenhang beschouwd, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is geweest van een handelen of nalaten in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Al met al is de Ondernemingskamer van oordeel dat uit het onderzoeksverslag niet blijkt van wanbeleid bij SNS Reaal c.s.
2.2 Medezeggenschap (WOR)
2.2.1 Geen adviesrecht ondernemingsraad omdat geen sprake is van afwijking van het gebruikelijke beleid voor aantrekking van arbeidskrachten
OR AH Online, 1 september 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:2581- U verlaat Rechtspraak.nl)
AH eCommerce is een onderdeel van AH Online en exploiteert een online supermarkt. Sinds 2008 worden de werkzaamheden bij AH eCommerce voor het overgrote deel uitgevoerd door uitzendkrachten. Het is de gebruikelijke gang van zaken dat deze uitzendkrachten worden ingehuurd via uitzendbureaus die – na het doorlopen van een tenderprocedure – een raamovereenkomst sluiten met AH Online, telkens voor de duur van twee jaren. Volgens de ondernemingsraad betreft het besluit om raamovereenkomsten aan te gaan met uitzendbureaus een besluit in de zin van artikel 25 lid 1 aanhef en onder g WOR, omdat er sprake is van het groepsgewijze inlenen van arbeidskrachten. De ondernemingsraad is niet in de gelegenheid gesteld daarover advies uit te brengen en het besluit zou daarmee kennelijk onredelijk zijn.
De Ondernemingskamer oordeelt dat de ondernemingsraad in dit geval geen adviesrecht toekomt. Voor toepasselijkheid van het adviesrecht moet het gaan om een afwijking van het gebruikelijke aantrekkingsbeleid, dus een voor de onderneming ongewone groepsgewijze aantrekking van werknemers. Sinds 2008 is het de gebruikelijke gang van zaken bij AH eCommerce dat ongeveer 90% van de arbeid wordt geleverd door uitzendkrachten, die worden geworven op basis van telkens tweejarige raamovereenkomsten met de uitzendbureaus. De nieuwe raamovereenkomsten kennen geen materiële wijzigingen ten opzichte van de vorige. Het opnieuw, na twee jaar, sluiten van raamovereenkomsten met uitzendbureaus na het volgen van een tender daartoe vormt naar het oordeel van de Ondernemingskamer geen afwijking van het gebruikelijke aantrekkingsbeleid, maar is een voor deze onderneming gewone groepsgewijze aantrekking van arbeidskrachten.
2.3 Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
2.3.1 Op grond van irrevocable undertakings onder het openbaar bod aangemelde aandelen tellen slechts mee in de acceptatiegraad indien concreet onderbouwd is dat deze aandeelhouders geen wezenlijk andere positie hebben
Kiadis Pharma N.V., 10 mei 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:1416- U verlaat Rechtspraak.nl)
In deze uitkoopprocedure heeft Sanofi op de voet van art. 2:359c BW de uitkoop gevorderd van de gezamenlijke andere aandeelhouders van Kiadis Pharma N.V. Deze uitspraak bevat in het bijzonder overwegingen ten aanzien van zogenaamde irrevocable undertakings in het kader van het wettelijk prijsvermoeden (de acceptatiegraad) uit artikel 2:359c lid 6 BW.
In het arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1203, Royal Reesink) heeft de Ondernemingskamer een aantal uitgangspunten geformuleerd die zij in acht neemt bij de beoordeling of aan de in artikel 2:359c lid 6 BW bedoelde acceptatiegraad is voldaan. Eén daarvan is dat in de berekening van de acceptatiegraad van het bod niet meetellen de aandelen die worden of werden gehouden door (rechts)personen die in een wezenlijk andere positie verkeren dan houders van aandelen die door acceptatie van het bod slechts hun belang in de doelvennootschap verkopen tegen de onder het bod geboden tegenprestatie.
Regelmatig komt een uitkopende partij voorafgaand aan het uitbrengen van een openbaar bod met aandeelhouders regelingen overeen waarbij die aandeelhouders zich op voorhand onherroepelijk verplichten hun aandelen onder het nog uit te brengen bod aan te bieden. In dit arrest is bepaald dat indien een uitkopende partij in het kader van het wettelijk prijsvermoeden van artikel 2:359c lid 6 BW de aldus verworven aandelen wenst te betrekken in de berekening van de acceptatiegraad van het bod, op haar op grond van artikelen 149 en 150 Rv de verplichting rust om voldoende concreet te stellen en te onderbouwen dat met deze aandeelhouders geen regeling is getroffen die hen in een wezenlijk andere positie brengt dan andere houders van aandelen in de doelvennootschap.
2.4 Uitspraken van de Hoge Raad in 2022
In 2022 heeft de Hoge Raad geoordeeld over twee uitspraken van de Ondernemingskamer. Deze twee uitspraken van de Hoge Raad worden hieronder kort genoemd.
2.4.1 Enquêteverzoek is niet op redelijke grond gedaan
CreditAccess India N.V., uitspraak van de Hoge Raad van 4 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1580- U verlaat Rechtspraak.nl). Het betreft cassatieberoep tegen de uitspraak van de Ondernemingskamer van 21 april 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:1130)
Olympus ACF PTE. LTD. (hierna: Olympus) heeft in deze zaak cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de Ondernemingskamer waarbij zijn afgewezen de verzoeken van zowel Istituto Atesino di Sviluppo c.s. als Olympus tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van CreditAccess India N.V. en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ten aanzien van Olympus' verzoek heeft de Ondernemingskamer overwogen dat het berust op ongefundeerde veronderstellingen en speculaties. De Ondernemingskamer heeft beslist dat het verzoek van Olympus niet op redelijke grond is gedaan.
De Hoge Raad overweegt dat een verzoek tot enquête niet op redelijke grond is gedaan als het doen van dit verzoek in de verhouding tot de rechtspersoon misbruik van procesrecht oplevert. Van zodanig misbruik is pas sprake als het doen van het verzoek tot enquête, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de rechtspersoon achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de verzoeker zijn verzoek tot enquête baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het doen van een verzoek tot enquête past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. De motivering van de Ondernemingskamer komt erop neer dat Olympus haar enquêteverzoek heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, en dat zij op die grond misbruik van haar bevoegdheid tot het doen van een enquêteverzoek heeft gemaakt. De Ondernemingskamer heeft de in acht te nemen terughoudendheid niet miskend. Zij heeft de juiste maatstaf aangelegd. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden en de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
2.4.2 Onderzoek naar beleid en gang van zaken en benoemingen bij Esperaza Holding B.V.
Esperaza Holding B.V., uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:586- U verlaat Rechtspraak.nl). Het betreft cassatieberoep tegen de uitspraken van de Ondernemingskamer van 17 en 22 september 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:2474 en ECLI:NL:GHAMS:2020:2515).
Door de Ondernemingskamer was beslist dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken bij Esperaza Holding B.V. De Ondernemingskamer heeft een onderzoek bevolen en onder meer een bestuurder en een beheerder van aandelen benoemd. Exem Energy B.V. c.s. hebben tegen de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 17 en 22 september 2020 cassatieberoep ingesteld. De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen met een beroep op artikel 81 lid 1 Wet RO.
2.5 Ontwikkelingen
Mondelinge uitspraak in een proces-verbaal
Ingevolge het bepaalde in artikel 30p (lid 1) Rv kan de rechter, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen. De mondelinge uitspraak bestaat – in afwijking van de artikelen 230 en 287 Rv – uit de beslissing en de gronden van de beslissing (lid 2). Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt (lid 3).
In 2022 heeft de Ondernemingskamer in een vijftal zaken van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij het doen van uitspraak.
Mondelinge behandeling door raadsheer-commissaris
In 2022 heeft de Ondernemingskamer in een viertal zaken bepaald dat de mondelinge behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris in plaats van de voltallige kamer plaatsvindt. Het doel is de procedurele flexibiliteit van de Ondernemingskamer in specifieke situaties te vergroten. Het middel kan worden toegepast in onder meer de volgende gevallen:
- Een gemeenschappelijk verzoek van partijen tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, waarbij de mondelinge behandeling dient ter bespreking van de vraag welke voorzieningen effectief passend zijn in verschillende scenario's.
- Een voortzetting van de mondelinge behandeling bijvoorbeeld nadat partijen op de eerste zitting een schikking (op hoofdlijnen) hebben bereikt en bij de uitwerking stuiten op geschilpunten of indien een langdurige mediation is mislukt en recente ontwikkelingen van belang zijn voor de door de Ondernemingskamer te wijzen beschikking.
- Getroffen onmiddellijke voorzieningen blijken onvoldoende soelaas te bieden en de OK-functionaris(sen) en/of partijen willen wijziging van de voorzieningen.
- De OK-functionarissen staan op het punt een ingrijpend besluit met onomkeerbare gevolgen (verkoop van activiteiten, emissie, etc.) te nemen, waarmee een of meer betrokkenen niet kunnen leven.
Omdat het vrijwel steeds gaat om beslissingen die aan de volle kamer zijn voorbehouden, worden de door de Hoge Raad gegeven kaders gehanteerd. Dat wil zeggen dat slechts met instemming van partijen op de voet van artikel 16 lid 5 Rv een raadsheer-commissaris wordt aangewezen en dat, indien een beschikking moet volgen, de volle kamer daarover beslist aan de hand van de stukken en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
3. Jaarcijfers
3.1 Toelichting systematiek
De jaarcijfers betreffen de gebeurtenissen die vallen binnen het jaar 2022. Een verzoekschrift dat in 2021 is ingediend en in 2022 ter zitting is behandeld, telt voor 2022 derhalve niet mee bij de ingediende maar wel bij de ter zitting behandelde verzoekschriften. De intrekking van het desbetreffende verzoekschrift of de uitspraak wordt eveneens meegeteld indien zich dat nog in 2022 heeft voorgedaan. Door onder meer deze wijze van tellen kan het aantal uitspraken in een jaar hoger of lager liggen dan het aantal ingekomen zaken.
Indien op twee samenhangende verzoeken (niet zijnde een zelfstandig tegenverzoek, want dat wordt niet afzonderlijk geteld) of vorderingen wordt beslist in één beschikking of arrest, wordt die uitspraak geteld als twee uitspraken. Een voorbeeld hiervan is het geval van twee afzonderlijk ingediende verzoekschriften van een ondernemingsraad die vanwege de samenhang van de aangevochten besluiten in één schriftelijke beslissing worden afgedaan. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd bij de telling van alle soorten in- en uitstroom van zaken (ingekomen zaken, uitspraken en intrekkingen of doorhalingen). Dit uitgangspunt wordt niet gehanteerd bij de telling van zittingen, aanwijzingen van personen, getroffen voorzieningen en de berekening van doorlooptijden; daar geldt steeds dat verschillende zaken die één geschil vormen één keer in de betreffende telling of berekening worden meegenomen.
Wat regelingen / interventies ter zitting betreft, geldt dat schikkingen op slechts een enkel onderdeel van het geschil (bijvoorbeeld proceskosten) of de kale afspraak ter zitting om de zaak een bepaalde periode aan te houden niet worden geteld.
Voor het verkrijgen van een nadere toelichting op specifieke cijfers kan contact worden opgenomen met de Ondernemingskamer.
3.2 Totaaloverzicht
| | 2022 | 2021 | 2020 |
|---|---|---|---|
| Ingekomen zaken | 139 | 155 | 159 |
| Behandeling ter zitting | 93 | 109 | 95 |
| Minnelijke regeling ter zitting | 30 | 29 | 21 |
| Intrekking of doorhaling | 50 | 64 | 61 |
| Uitspraken | 188 | 212 | 207 |
| Totaal | Enquête | WOR | Uitkoop | Geschillen-regeling | Overige | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Ingekomen zaken | 139 | 98 (71%) | 20 (14%) | 8 (6%) | 3 (2%) | 10 (7%) |
| Intrekking of doorhaling | 50 | 30 (60%) | 15 (30%) | 0 (0%) | 2 (4%) | 3 (6%) |
| Behandeling ter zitting | 93 | 77 (83%) | 7 (8%) | 2 (2%) | 2 (2%) | 5 (5%) |
| Uitspraken | 188 | 159 (85%) | 5 (3%) | 10 (5%) | 6 (3%) | 8 (4%) |
3.3 Kerncijfers enquêteprocedure
De enquêteprocedure is veruit de meest voorkomende procedure bij de Ondernemingskamer (71% van de ingekomen zaken). Binnen de enquêteprocedure wordt gewoonlijk onderscheid gemaakt tussen de zogeheten eerste fase en de tweede fase. Ten behoeve van dit jaarverslag worden de verzoeken en beslissingen op de voet van artikel 2:345 tot en met 2:353 BW gerekend tot de eerste fase en verzoeken en beslissingen op de voet van artikel 2:354 tot en met 2:356 BW tot de tweede fase. Voor verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (artikel 2:349a lid 2 BW) en tot het regelen van de gevolgen van getroffen voorzieningen (art. 2:357 lid 2 BW) geldt (evenwel) dat die verzoeken worden gerekend tot de eerste fase voor zover gedaan voorafgaand aan de deponering van het onderzoeksverslag; nadien gedane verzoeken worden gerekend tot de tweede fase.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen verzoeken totaal | 98 | 113 | 113 |
| Eerste fase | 85 | 100 | 103 |
| Tweede fase | 13 | 13 | 10 |
| Beschikkingen totaal | 159 | 179 | 175 |
| Eerste fase | 145 | 171 | 163 |
| Tweede fase | 14 | 8 | 12 |
3.3.1 Eerstefase-enquêteprocedure
In de eerste fase van de enquêteprocedure worden niet alleen beslissingen gegeven op verzoeken tot het gelasten van een onderzoek en verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook veelvuldig op verzoeken met een incidenteel karakter. Van de verzoeken van de laatste categorie zijn de volgende afzonderlijk geteld als inkomende verzoeken: verzoeken aan de raadsheer-commissaris (r-c) tot het geven van een aanwijzing (artikel 2:350 lid 4 BW) of een bevel tot medewerking aan het onderzoek (artikel 2:352 BW), verzoeken tot het gelasten van een getuigenverhoor (artikel 2:352a BW), verzoeken tot uitbreiding van het bevolen onderzoek, verzoeken tot inzage en machtiging tot mededeling uit het verslag (artikel 2:353 lid 2 en 3 BW), verzoeken tot het regelen van de gevolgen van de getroffen onmiddellijke voorzieningen (artikel 2:357 lid 2 BW) en verzoeken tot het toekennen van een beloning aan een OK-functionaris. De volgende verzoeken, die veelal op informele wijze worden gedaan, zijn niet afzonderlijk geteld als inkomende verzoeken: verzoeken tot vaststelling of verhoging van het onderzoeksbudget (artikel 2:350 lid 3 BW), verzoeken tot het aanwijzen, ontheffen en vervangen van een benoemde onderzoeker of OK-functionaris en verzoeken tot het beëindigen van de procedure (meestal na het bereiken van een schikking) nadat onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen en/of een onderzoek is gelast.
Ten aanzien van alle voornoemde verzoeken geldt dat deze doorgaans in een schriftelijke beslissing worden afgedaan, die als zodanig geteld wordt.
Dit is een verzoek tot het horen van getuigen ex art. 2:352a BW en drie verzoeken tot het toekennen van een beloning aan een OK-functionaris ex art. 2:357 lid 4 BW.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen verzoeken totaal | 85 | 100 | 103 |
| Enquêteverzoek en/of verzoek onmiddellijke voorzieningen (2:345/349a lid 2 BW) | 77 | 91 | 98 |
| Verzoek tot aanwijzing of bevel r-c (2:350 lid 4/352 lid 1 BW) | 3 * | 2** | 1*** |
| Verzoek inzage/mededeling verslag (2:353 BW) | 1 | 6 | 2 |
| Overig | 4 **** | 1***** | 2****** |
* en ** Dit zijn verzoeken tot het geven van aanwijzingen over de uitvoering van het onderzoek ex art. 2:350 lid 4 BW.
*** Dit is een verzoek tot het geven van een bevel tot raadpleging/doen tonen ex art. 2:352 BW.
**** Dit zijn een verzoek tot het horen van een getuige ex art. 2:352a BW en drie verzoeken tot het toekennen van een beloning aan een OK-functionaris ex art. 2:357 lid 4 BW.
***** Dit is een verzoek tot het horen van getuigen ex art. 2:352a BW.
****** Dit zijn verzoeken tot het regelen van de gevolgen van getroffen voorzieningen.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Intrekking of doorhaling voor de zitting | 11 | 19 | 19 |
| Behandeling ter zitting | 67 | 88 | 73 |
| Intrekking of doorhaling ter/na zitting | 18 | 22 | 11 |
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Beschikkingen totaal | 145 | 171 | 163 |
| Geheel/gedeeltelijk toegewezen | 27 | 33 | 37 |
| Enquête toegewezen | 2 | 0 | 3 |
| Enquête en onmiddellijke voorzieningen toegewezen | 11 | 26 | 24 |
| Enquête toegewezen, onmiddellijke voorzieningen afgewezen | 4 | 3 | 2 |
| Onmiddellijke voorzieningen toegewezen | 10 | 4 | 8 |
| Afwijzingen totaal | 16 | 22 | 15 |
| Enquête afgewezen | 2 | 3 | 1 |
| Enquête en onmiddellijke voorzieningen afgewezen | 13 | 11 | 27 |
| Onmiddellijke voorzieningen afgewezen | 1 | 6 | 3 |
| Overige beschikkingen totaal | 102 | 116 | 111 |
| Afzonderlijke aanwijzing onderzoeker of functionaris | 28 | 38 | 39 |
| Inzage onderzoeksverslag | 1 | 0 | 0 |
| Machtiging mededeling uit verslag | 1 | 5 | 6 |
| Verhoging of vaststelling onderzoekskosten | 25 | 32 | 24 |
| Beslissing raadsheer-commissaris | 4 | 2 | 2 |
| Beëindiging na minnelijke regeling | 13 | 15 | 14 |
| Beëindiging overig | 11 | 6* | 7 |
| Terinzagelegging onderzoeksverslag | 10 | 8 | 7 |
| Niet-ontvankelijk | 4 | 9 | 6 |
| Kosten van verweer functionaris ten laste van de vennootschap | 0 | 0 | 2 |
| Toekenning beloning aan OK-functionarissen **Dit zijn beslissingen op verzoeken tot het toekennen van een beloning aan een OK-functionaris ex art. 2:357 lid 4 BW. | 2 | 0 | 0 |
| Overige | 3*** | 1**** | 4 |
* Waarvan één bij gebrek aan financiering van het onderzoek en de onmiddellijke voorzieningen en één waarbij de vennootschap als gevolg van een splitsing is opgehouden te bestaan.
**Dit zijn beslissingen op verzoeken tot het toekennen van een beloning aan een OK-functionaris ex art. 2:357 lid 4 BW.
*** Dit zijn een beslissing op een verzoek tot het horen van getuigen ex art. 2:352a BW, een beslissing op een verzoek tot ontheffing en vervanging van de onderzoeker en een beslissing tot ontheffing van een OK-bestuurder op diens eigen verzoek.
****Dit is een beslissing op een verzoek tot het horen van getuigen ex art. 2:352a BW.
3.3.2 Tweedefase-enquêteprocedure
In de tweede fase staat centraal de beslissing op het verzoek tot vaststelling van wanbeleid al dan niet vergezeld van of opgevolgd door een verzoek tot het gelasten van (onmiddellijke) voorzieningen. Ook in de tweede fase van de enquêteprocedure worden beslissingen gegeven op verzoeken met een incidenteel karakter, zij het veel minder dan in de eerste fase.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen verzoeken totaal | 13* | 13 | 10 |
* Waarvan één verzoek tot verlenging van getroffen tweedefase-enquêtevoorzieningen.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Intrekking of doorhaling voor de zitting | 1 | 2 | 2 |
| Behandeling ter zitting | 10 | 5 | 5 |
| Intrekking of doorhaling ter/na zitting | 0 | 1 | 0 |
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Beschikkingen totaal | 14 | 8 | 12 |
| Wanbeleid toegewezen | 6 | 4 | 2 |
| Wanbeleid afgewezen | 3 | 1 | 0 |
| Afzonderlijke beslissing (onmiddellijke) voorziening | 1 | 2 | 4 |
| Afzonderlijke aanwijzing functionaris | 1 | 0 | 3 |
| Beëindiging na minnelijke regeling | 1 | 1 | 2 |
| Niet-ontvankelijk | 0 | 0 | 1 |
| Kosten van verweer functionaris ten laste van de vennootschap | 0 | 0 | 0 |
| Overige | 2* | 0 | 0 |
* Dit zijn een beslissing op een verzoek tot verlenging van de getroffen tweedefasevoorzieningen en een beslissing tot vervanging van de raadsheer-commissaris die het getuigenverhoor gaat afnemen.
3.3.3 Getroffen (onmiddellijke) voorzieningen
Onderstaande tabel geeft weer het aantal keer dat een bepaald type (onmiddellijke) voorziening is getroffen, bij benoemingen ongeacht of daarop daadwerkelijk de aanwijzing van een specifiek persoon volgt en (zowel bij benoemingen als bij schorsingen) ongeacht het aantal personen. Bij meerdere voorzieningen van hetzelfde type in met elkaar samenhangende zaken is die voorziening slechts eenmaal geteld indien die zaken materieel één geschil vormen.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Benoeming bestuurder | 16 | 26 | 21 |
| Benoeming beheerder van aandelen | 10 | 12 | 12 |
| Schorsing/ontslag bestuurder | 11** | 10*** | 7 |
| Benoeming commissaris, niet-uitvoerend bestuurder of toezichthouder | 1 | 5 | 3 |
| Wijziging statuten of overeenkomst | 1 | 2 | 6 |
| Ontbinding rechtspersoon | 1 | 0 | 0 |
| Overig | 14**** | 9***** | 6****** |
* Waarvan eenmaal een benoeming van een vereffenaar in een tweedefase-enquêteprocedure. .
** Waarvan negenmaal schorsing in een eerstefase-enquêteprocedure, eenmaal schorsing in een tweedefase-enquêteprocedure en eenmaal ontslag in een tweedefase-enquêteprocedure
*** Waarvan negenmaal schorsing in een eerstefase-enquêteprocedure en eenmaal ontslag in een tweedefase-enquêteprocedure
**** Waarvan o.a. eenmaal een schorsing van de voorzitter van de raad van commissarissen, eenmaal de bepaling dat voor bepaalde besluiten goedkeuring van de algemene vergadering nodig is, eenmaal de vernietiging van een viertal besluiten van de algemene vergadering, tweemaal een verbod aan de algemene vergadering om over een bepaald onderwerp te beslissen, eenmaal de bepaling dat voor het nemen van bepaalde in de SHA genoemde besluiten geen unanimiteit is vereist, eenmaal een aanwijzing van een onafhankelijke bemiddelaar, eenmaal een schorsing van een besluit tot schorsing van een niet uitvoerende bestuurder, eenmaal de instelling en bemensing van een raad van toezicht en eenmaal een verbod om beledigende, smadelijke of lasterlijke uitlatingen te doen of zich te wenden tot of contact op te nemen met een OK-functionaris.
***** Waarvan o.a. driemaal een regeling voor kosten van verweer van OK-functionarissen in gerechtelijke procedures, eenmaal vernietiging dechargebesluiten en eenmaal verbod zich tot OK-commissaris te wenden.
****** Waarvan driemaal een verbod tot verrichten van bepaalde handelingen, tweemaal de vernietiging van een besluit en eenmaal de bepaling dat de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder bevoegd is gelden in escrow te storten ter bekostiging van verweer ter zake aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling.
3.4 Adviesrecht van de ondernemingsraad
Na de verzoekschriften in de enquêteprocedure, vormen de verzoekschriften op de voet van artikel 26 Wet op de ondernemingsraden (WOR) het grootste aandeel van de ingekomen zaken (14% van de ingekomen zaken). Deze verzoeken betreffen het beroep van een ondernemingsraad tegen een adviesplichtig besluit van een ondernemer. Een ruime meerderheid van de verzoeken wordt voorafgaand aan de zitting ingetrokken.
| | 2022 | 2021 | 2020 |
|---|---|---|---|
| Ingekomen verzoekschriften | 20 | 24 | 31 |
| Behandeling ter zitting | 7 | 7 | 8 |
| Intrekking of doorhaling totaal | 15 | 16 | 25 |
| Intrekking of doorhaling voor de zitting | 14 | 16 | 22 |
| Intrekking of doorhaling na de zitting | 1 | 0 | 3 |
| Beschikkingen totaal | 5 | 8 | 6 |
| Verzoek toegewezen | 0 | 1 | 1 |
| Verzoek afgewezen | 5 | 5 | 4 |
| Verzoek niet-ontvankelijk | 0 | 2 | 1 |
3.5 Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
De uitkoopprocedure betreft uitkoop van minderheidsaandeelhouders door de grootaandeelhouder die ten minste 95% van de aandelen in een NV of BV houdt. In de uitkoopprocedure wordt zelden een mondelinge behandeling gehouden.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen zaken totaal | 8 | 6 | 3 |
| Ex 2:92a BW | 1 | 1 | 0 |
| Ex 2:201a BW | 2 | 3 | 1 |
| Ex 2:359c BW | 5 | 2 | 2 |
| Ex 2:359d BW | 0 | 0 | 0 |
| Behandeling ter zitting | 2 | 1 | 1 |
| Intrekking of doorhaling | 0 | 2 | 2 |
| Arresten totaal | 10 | 6 | 8 |
| Tussenarrest | 5 | 3 | 3 |
| Eindarrest | 5 | 3 | 5 |
3.6 Geschillenregeling
De geschillenregeling biedt aandeelhouders de mogelijkheid om te vorderen dat een andere aandeelhouder wordt gedwongen zijn aandelen over te dragen (uitstoting; artikel 2:336 BW) en biedt een aandeelhouder de mogelijkheid te vorderen dat de andere aandeelhouder(s) of de vennootschap zijn aandelen overnemen (uittreding; artikel 2:343 BW). De geschillenregeling wordt in eerste aanleg door de rechtbank behandeld, tenzij partijen anders zijn overeengekomen (artikel 2:337 lid 2 BW).
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen zaken | 3 | 4 | 7 |
| Behandeling ter zitting | 2 | 1 | 2 |
| Intrekking of doorhaling | 2 | 2 | 2 |
| Arresten totaal | 6 | 9 | 10 |
| Tussenarrest | 4 | 5 | 8 |
| Eindarrest | 2 | 4 | 2 |
3.7 Overige procedures
Hierna volgen overzichten van een aantal andere procedures bij de Ondernemingskamer. Procedures waarin noch in 2022 noch in 2021 een procedurestap heeft plaatsgevonden zijn niet opgenomen.
3.7.1 Procedures op de voet van artikel 36 lid 3 Wet medezeggenschap op scholen (WMS)
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen beroepschriften | 1 | 0 | 2 |
| Behandeling ter zitting | 1 | 3 | 2 |
| Uitspraken | 1 | 1 | 3 |
| Intrekking of doorhaling | 0 | 0 | 0 |
3.7.2 Procedures op de voet van artikel 14 Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen beroepschriften | 3 | 3 | 0 |
| Behandeling ter zitting | 2 | 3 | 0 |
| Uitspraken | 1 | 2 | 0 |
3.7.3 Procedures op grond van de Wet financieel toezicht
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen verzoeken | 0 | 0 | 0 |
| Behandeling ter zitting | 0 | 1* | 1** |
| Uitspraken | 0 | 2*** | 0 |
* Dit is de behandeling van het verzoek tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud) inzake Conservatrix N.V.
** Dit is de behandeling van de procedure over onteigende effecten en vermogensbestanddelen SNS Bank en SNS Reaal.
*** Dit zijn uitspraken in beide hierboven genoemde procedures.
3.7.4 Beroep van een deelnemersraad tegen een adviesplichtig besluit van een pensioenfonds en verzoeken tot het treffen van voorzieningen (art. 217 PW)
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen beroepschriften | 0 | 0 | 3 |
| Behandeling ter zitting | 0 | 0 | 2 |
| Uitspraken | 0 | 0 | 3 |
| Intrekking of doorhaling | 0 | 0 | 0 |
3.7.5 Jaarrekeningprocedure, artikel 2:447 BW
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Ingekomen beroepschriften | 5 | 2 | 0 |
| Behandeling ter zitting | 2 | 2 | 0 |
| Uitspraken | 2 | 1 | 0 |
| Intrekking of doorhaling | 3 | 0 | 0 |
3.7.6 Herstel uitspraken 31 lid 2 Rv
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Herstel uitspraak | 4 | 1 | 3 |
3.8 Aanwijzing personen
Onderstaande tabel geeft inzicht in de aantallen personen die door de Ondernemingskamer in enig jaar in enige procedure worden benaderd en aangewezen. Het gaat dus steeds om de aanwijzing van een fysiek persoon. Bij de vervanging van een reeds aangewezen persoon door een ander persoon wordt de aanwijzing van de opvolgend functionaris afzonderlijk geteld. Indien meer personen in dezelfde hoedanigheid in één geschil worden aangewezen, worden ook zij afzonderlijk geteld.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Onderzoeker | 12 | 19 | 19 |
| Bestuurder | 17 | 27 | 24 |
| Commissaris, niet-uitvoerend bestuurder, toezichthouder | 3 | 6 | 3 |
| Beheerder van aandelen | 8 | 12 | 12 |
| Vereffenaar | 1 | 0 | 0 |
| (Waarderings)deskundige | 5 | 6 | 7 |
| Mediator | 7 | 7 | 4 |
| Overige | 5* | 4** | 4*** |
* Waarvan één bemiddelaar, één onderzoeker/financieel deskundige, één voorzitter raad van toezicht, één bindend adviseur en één procesbegeleider.
** Waarvan twee procesbegeleiders, één bindend adviseur en één registeraccountant.
*** Waarvan drie procesbegeleiders en één taxateur.
3.9 Doorlooptijden
3.9.1 Toelichting
De volgende toelichting dient ter vergroting van het inzicht in en de betekenis van de doorlooptijden.
Bij het geven van inzicht in de doorlooptijden moet onderscheid gemaakt worden tussen verzoekschriftprocedures en dagvaardingsprocedures.
Bij de berekening van doorlooptijden in de verzoekschriftprocedures zijn, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, alleen die zaken meegenomen waarin een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Op een uitspraak in een enkele zaak na is aan de uitspraken in de categorie 'Overige enquêtebeschikkingen' (zie 3.3.1) geen mondelinge behandeling voorafgegaan. De doorlooptijden van die uitspraken zijn dus niet meegenomen en zijn ook weinig relevant omdat het vaak regie-getinte beslissingen zijn waarvan de doorlooptijd doorgaans niet meer dan een of enkele weken is. Andersom is, een enkele uitzondering daargelaten, aan enquêtebeschikkingen in eerste en tweede fase steeds een mondelinge behandeling voorafgegaan. De doorlooptijden van die zaken zijn wel opgenomen en zijn ook relevant, omdat het materiële beslissingen betreft (toe- of afwijzing enquêteverzoek etc.). Alleen de eerste mondelinge behandeling en de eerste daaropvolgende beslissing worden gebruikt voor de berekening van doorlooptijden.
Hierna worden de gehanteerde categorieën van doorlooptijden weergegeven. De doorlooptijden zijn gemeten in kalenderdagen.
A. De behandelperiode van zaken ingeleid met een verzoekschrift waarin in 2022 een zitting heeft plaatsgevonden (3.9.2).
B. De beslisperiode van zaken waarin in 2022 uitspraak is gedaan (3.9.3).
C. De totale doorlooptijd per zaak van uitkoopzaken die in 2022 geëindigd zijn (3.9.4).
D. De mate waarin de ter zitting aangekondigde uitspraaktermijn is gehaald (3.9.5).
Aan voormelde categorieën liggen niet steeds dezelfde zaken ten grondslag. Bij de berekening van doorlooptijden is wel steeds vastgehouden aan de regel dat verschillende zaken die materieel één geschil vormen, gezamenlijk één keer in de desbetreffende berekening van de doorlooptijd worden geteld.
3.9.2 Behandelperiode verzoekschriftprocedures
Bij zaken die aanhangig worden gemaakt bij verzoekschrift bepaalt de Ondernemingskamer, met inachtneming van de spoedeisendheid van de zaak en de verhinderdata van partijen en de beschikbare zittingsdata, de datum en het tijdstip van de mondelinge behandeling. De tijd die verstrijkt tussen de dag van indiening van het verzoek en de behandeling ter zitting wordt hierna aangeduid als de behandelperiode.
In dagvaardingsprocedures heeft de Ondernemingskamer nauwelijks invloed op de termijn die verstrijkt tussen het aanbrengen van de zaak op de rol en het moment waarop partijen arrest vragen. De duur van die periode is onder meer afhankelijk van het tempo waarin partijen procederen en of gedaagden al dan niet in de procedure verschijnen (en zo niet, of tegen hen zonder meer verstek kan worden verleend).
Om bovenstaande redenen worden hieronder slechts gegevens weergegeven over de behandelperiode in verzoekschriftprocedures, niet ook in dagvaardingsprocedures. De betekenis die kan worden gehecht aan de (ontwikkeling van) de behandelperiode in verzoekschriftprocedures is niet eenvoudig vast te stellen. Het komt voor dat voor de mondelinge behandeling in overleg met partijen een langere termijn wordt gepland of dat de mondelinge behandeling op verzoek van partijen wordt uitgesteld. In algemene zin kan niet gesteld worden dat een kortere behandeltijd beter is; de ideale behandeltijd doet recht aan de spoedeisendheid van de concrete zaak en de belangen van partijen bij een voldragen debat voorafgaand aan de beslissing van de Ondernemingskamer. In welke mate de behandeltijd daaraan voldoet is niet uit de cijfers af te leiden.
De behandelperiode laat zien het aantal dagen tussen:
(i) de dag van indiening van het verzoekschrift en
(ii) de dag in 2022 waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
Daar zitten dus ook verzoekschriften bij die partijen vóór 2022 hebben ingediend en/of waarop de Ondernemingskamer na 2022 uitspraak heeft gedaan. Eveneens zitten daar dus zaken in die na de zitting in 2022 zijn ingetrokken en niet tot een uitspraak hebben geleid.
Soms wordt de behandeling van een zaak aangehouden, in het geval partijen met elkaar gaan praten over een minnelijke regeling of zij een mediation-/procesbegeleidingstraject met elkaar gaan volgen. Als de Ondernemingskamer vervolgens wordt gevraagd de behandeling voort te zetten en/of (alsnog) te beslissen op het verzoek, wordt die datum als aanvangsmoment (i) gehanteerd.
Let wel: in sommige gevallen wordt de behandelperiode per categorie van procedures in onderstaande tabel 17 berekend aan de hand van de totale behandelperiodes van verschillende subcategorieën van procedures. Zo wordt de categorie 'Enquête eerste fase' in die tabel gevormd door de subcategorieën 1) verzoeken om (uitsluitend) enquête, 2) verzoeken om zowel enquête als onmiddellijke voorzieningen en 3) zaken om aanvullende onmiddellijke voorzieningen. In 2020 (en daarvóór) is telkens het gemiddelde genomen van de totale behandelperiodes per subcategorie. Daarbij is er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat procedures van de ene subcategorie (veel) vaker kunnen voorkomen dan de andere. Zo is de categorie 'Enquête eerste fase' voor het overgrote deel opgebouwd uit verzoeken om zowel enquête als onmiddellijke voorzieningen. Aan deze (veel) vaker voorkomende subcategorieën behoort bij de berekening van het gemiddelde dan ook een (veel) groter gewicht te worden toegekend. Dit 'gewogen gemiddelde' geeft een realistischer beeld van de behandelperiode per categorie van procedures, vanwege de kleinere invloed die (veel) minder voorkomende subcategorieën van procedures daarop hebben. Tabel 17 laat voor 2021 en 2022 de gewogen gemiddelden zien. Onder 2020 zijn de behandelperiodes uit de vorige jaarverslagen vermeld, met – om vergelijking met 2021 en 2022 mogelijk te maken – in de voetnoot de behandelperiode op basis van een gewogen gemiddelde.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Enquête eerste fase | 56* | 51 | 75** |
| Enquête tweede fase | 109 | 78 | 89 |
| WOR | 62 | 45 | 79 |
| Overige | 66 | 250*** | 72 |
* Hierbij zijn twee zaken waarin een buitengewoon lange oproepingstermijn diende te worden gehanteerd vanwege oproeping conform het Haags Betekeningsverdrag 1965, buiten beschouwing gelaten.
** Indien gewogen gemiddelde: 52 dagen.
** Indien gewogen gemiddelde: 63 dagen.
*** Mede gebaseerd op de Wft-zaak inzake Conservatrix, met een uitzonderlijk lange behandelperiode van 1403 dagen; zonder deze zaak 58 dagen.
3.9.3 Beslisperiode
De beslisperiode is de periode die verstrijkt tussen de datum waarop partijen de Ondernemingskamer vragen uitspraak te doen en de datum waarop de Ondernemingskamer uitspraak doet. Die termijn is zowel in verzoekschriftprocedures als in dagvaardingsprocedures relevant. In het algemeen hebben partijen behoefte aan een zo kort mogelijke beslisperiode.
Doorgaans start de beslisperiode op de dag waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden of de dag waarop om arrest is gevraagd. Het komt in op zitting behandelde zaken voor dat partijen de Ondernemingskamer verzoeken de uitspraak aan te houden (bijvoorbeeld vanwege schikkingsonderhandelingen). Als partijen vervolgens de Ondernemingskamer vragen alsnog uitspraak te doen, dan wordt de dag waarop dit is gebeurd als het begin van de beslisperiode gehanteerd. In op zitting behandelde zaken kondigt de Ondernemingskamer in de regel aan op welke termijn zij naar verwachting uitspraak zal doen. Die termijn verschilt per zaak en houdt in de regel verband met de mate van spoedeisendheid. Ook wordt bijgehouden in welke mate die aangekondigde termijn wordt gerealiseerd (zie hierna 3.9.5).
De beslisperiode laat zien het aantal dagen tussen:
(i) de dag waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden dan wel de dag waarop de Ondernemingskamer is verzocht alsnog uitspraak te doen / de dag waarop om arrest is gevraagd en
(ii) de dag waarop de Ondernemingskamer in 2022 uitspraak heeft gedaan.
Let wel: wat betreft de beslisperiodes in tabel 18 geldt hetzelfde als hierboven in 3.9.2 is opgemerkt over de behandelperiodes in tabel 17. Tabel 18 laat voor 2022 en 2021 de gewogen gemiddelden zien. Onder 2020 zijn de beslisperiodes uit de vorige jaarverslagen vermeld, met – om vergelijking met 2022 en 2021 mogelijk te maken – in de voetnoot de beslisperiode op basis van een gewogen gemiddelde.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Enquête eerste fase | 52 | 46 | 61* |
| Enquête tweede fase | 151 | 113 | 192 |
| WOR | 64 | 47 | 51 |
| Overige | 66 | 71 | 31 |
| Uitkoop | 70 | 55 | 93 |
| Geschillenregeling | 193 | 142 | 98 |
* indien gewogen gemiddelde: 64 dagen.
3.9.4 Totale doorlooptijd van uitkoopzaken
De totale doorlooptijd per zaak is de gehele periode vanaf het aanbrengen tot de uitspraak waarmee een einde aan de procedure komt. Deze periode is in de afgelopen jaren slechts met betrekking tot de uitkoopprocedure in het jaarverslag vermeld.
In enquêtezaken is de totale doorlooptijd per zaak niet een goed hanteerbaar begrip. Een beschikking waarbij een enquêteverzoek wordt toegewezen, is een eindbeschikking waartegen cassatie openstaat, maar is niet het einde van de enquêteprocedure. Op toewijzing van het enquêteverzoek volgt immers het onderzoek en lopen eventueel getroffen onmiddellijke voorzieningen. In die periode kunnen nieuwe onmiddellijke voorzieningen worden getroffen en kunnen de onderzoeker en procespartijen verzoeken ten aanzien van het onderzoek doen. De duur van het onderzoek is mede afhankelijk van factoren waarop de Ondernemingskamer slechts geringe invloed heeft; de complexiteit van het onderzoek, problemen met de financiering van het onderzoek of schikkingsonderhandelingen.
In WOR-zaken heeft de totale doorlooptijd per zaak geen praktische betekenis naast de totale doorlooptijd per beslissing omdat in die zaken de procedure (vrijwel) altijd eindigt met de eerste beslissing na de mondelinge behandeling.
De totale doorlooptijd per uitkoopzaak toont het aantal dagen tussen:
(i) de dag van aanbrengen op de rol van een uitkoopprocedure en
(ii) de dag van de uitspraak in 2022 waarmee de procedure tot een einde komt.
Tabel 19 laat de gemiddelde totale doorlooptijd van uitkoopzaken zien.
| 2022 | 2021 | 2020 | |
|---|---|---|---|
| Uitkoop | 164 | 952* | 199 |
* Mede gebaseerd op de Xeikon-zaak, die in verband met een andere procedure is aangehouden; zonder deze zaak 112 dagen (op basis van slechts twee zaken).
In het jaarverslag over 2021 is hierbij de volgende kanttekening geplaatst. De totale doorlooptijd per uitkoopzaak kan meerdere behandel- en beslistermijnen omvatten, bijvoorbeeld indien eerst bij tussenarrest een waarderingsdeskundige wordt benoemd en na het deskundigenbericht een eindarrest wordt gewezen. Hierdoor kunnen de totale doorlooptijden van uitkoopzaken enorm van elkaar verschillen. Ook speelt een rol dat het aantal uitkoopzaken in absolute zin erg klein is (vijf eindarresten in 2022, drie eindarresten in 2021, vijf eindarresten in 2020). Het gemiddelde van deze totale doorlooptijden per jaar zegt dan ook niet zoveel, ook niet in vergelijking met de gemiddelde totale doorlooptijden van voorgaande jaren. Een zaak die bijzonder lang heeft gelopen, zorgt immers voor een forse vertekening van het gemiddelde. Het heeft ook geen zin om zo’n ‘vertekenende zaak’ buiten de berekening van het gemiddelde te houden, omdat dit dan op een miniem aantal zaken is gebaseerd. Hierom zijn hieronder de afzonderlijke doorlooptijden van uitkoopzaken waarin een eindarrest is gewezen vermeld.
De doorlooptijden van de vijf uitkoopzaken waarin in 2022 een eindarrest is uitgesproken waren: 56 dagen, 56 dagen, 105 dagen, 231 dagen en 371 dagen.
De doorlooptijden van de drie uitkoopzaken waarin in 2021 een eindarrest is uitgesproken waren: 56 dagen, 168 dagen en 2.632 dagen.
De doorlooptijden van de vijf uitkoopzaken waarin in 2020 een eindarrest is uitgesproken waren: 84 dagen, 126 dagen, 140 dagen, 140 dagen en 504 dagen.
3.9.5 Aangekondigde uitspraaktermijn ter zitting
De Ondernemingskamer houdt ook bij hoe vaak een ter zitting (of in geval van aanhouding van de zaak, nadien) aangekondigde uitspraaktermijn daadwerkelijk wordt gehaald, en in de gevallen van overschrijding hoe lang de gemiddelde overschrijding is. Voor 2022 geldt dat in 42% van de gevallen de ter zitting (of nadien) aangekondigde uitspraaktermijn werd gehaald (in 2021: 56%, in 2020: 63%). Als die niet werd gehaald, was de gemiddelde overschrijdingstermijn 34 dagen (in 2021: 29 dagen, in 2020: 38 dagen).
| Periode Overschrijving | Aantal uitspraken 2022 | Percentage 2022 | Percentage 2021 | Percentage 2020 |
|---|---|---|---|---|
| Minder dan 2 weken | 11 | 30% | 33% | 33% |
| 2-4 weken | 6 | 16% | 39% | 30% |
| 4-6 weken | 8 | 22% | 12% | 11% |
| Meer dan 6 weken | 12 | 32% | 15% | 26% |
3.10 Meerjarig overzicht
3.10.1 Tabel kerncijfers 2012-2022
| 2022 | 2021 | 2020 | 2019 | 2018 | 2017 | 2016 | 2015 | 2014 | 2013 | 2012 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Nieuwe zaken | 139 | 155 | 159 | 169 | 178 | 189 | 177 | 168 | 182 | 165 | 161 |
| Intrekking of doorhaling | 50 | 64 | 61 | 64 | 78 | 67 | 70 | 74 | 89 | 73 | 91 |
| Behandeling ter zitting | 93 | 109 | 95 | 97 | 100 | 105 | 96 | 95 | 104 | 99 | 87 |
| Uitspraken | 188 | 212 | 207 | 198 | 239 | 194 | 228 | 222 | 226 | 196 | 164 |
| Behandelperiode 1e fase enquête | 56 | 51 | 75 | 47 | 61 | 46 | 49 | 64 | 69 | 44 | 46 |
| Behandelperiode WOR | 62 | 45 | 79 | 67 | 54 | 70 | 44 | 70 | 90 | 59 | 53 |
| Beslisperiode 1e fase enquête | 52 | 46 | 61 | 47 | 61 | 44 | 46 | 53 | 64 | 37 | 25 |
| Beslisperiode WOR | 64 | 47 | 51 | 28 | 49 | 40 | 38 | 53 | 46 | 43 | 26 |
3.10.2 Grafiek kerncijfers 2003-2022

4. Organisatie en bezetting
4.1 Organisatie
De Ondernemingskamer houdt zitting met telkens drie raadsheren, van wie één als voorzitter, twee raden (deskundigen uit de praktijk die geen lid zijn van de rechterlijke macht) en ten minste één griffier. In 2022 is een aantal verzoeken mondeling behandeld ten overstaan van een door de Ondernemingskamer op de voet van artikel 16 lid 5 Rv uit haar midden aangewezen raadsheer-commissaris.
De voorzitter, de secretarissen en de administratief-juridisch medewerkers van de Ondernemingskamer vormen samen het bureau van de Ondernemingskamer. Het bureau is onder meer belast met de coördinatie van de lopende procedures, het onderhouden van de contacten met door de Ondernemingskamer benoemde personen (onderzoekers, bestuurders en anderen) en de externe representatie van de Ondernemingskamer.
De bezetting van de Ondernemingskamer was in het jaar 2022 als volgt:
Voorzitter:
- mr. A.W.H. Vink
Raadsheren:
- mr. M.M.M. Tillema (tot mei 2022)
- mr. C.C. Meijer
- mr. A.J. Wolfs
- mr. J.M. de Jongh
-
mr. A.P. Wessels (vanaf juli 2022)
-
mr. M.A.M. Vaessen (vanaf oktober 2022)
Plaatsvervangend-Raadsheren:
- prof. mr. M.P. Nieuwe Weme
Raden(-plaatsvervangers):
- prof. dr. mr. F. van der Wel RA
- prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA
- drs. M.A. Scheltema
- drs. P.G. Boumeester
- prof. drs. E. Eeftink RA
- drs. J.S.T. Tiemstra RA (tot december 2022)
- drs. C. Smits-Nusteling RC (tot juni 2022)
- mr. drs. G. Boon RA
- prof. dr. mr. S. ten Have
- mr. D.E.M. Aleman MBA
- W. Wind
- drs. V.G. Moolenaar
- prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen
- dr. M.J.R. Broekema RV
- drs. A. Thomassen RT REP
- drs. G. van Vollenhoven-Eikelenboom AAG
- mr. D. Koopmans
Secretarissen:
- mr. F.L.A. Straathof
- mr. S.C. Prins
- mr. B.J. Blok
- mr. N.E.M. Keereweer
- mr. D.I. Frans (vanaf februari 2022)
Administratief-juridisch medewerkers:
- C.M.M. van Vlaanderen
- I.E.G.M. Veerman-Tol
4.2 Bezetting
In 2022 was de bezetting van raadsheren en (plaatsvervangend-)raadsheren in de Ondernemingskamer effectief 4,1 fte. Er waren in 2022 17 raden(-plaatsvervangers). De effectieve bezetting aan secretarissen was 4,3 fte en aan administratieve ondersteuning 1,6 fte.
