Recht op toeslag in Turkije na vrijwillige afstand van Nederlandse nationaliteit?

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Recht op toeslag in Turkije na vrijwillige afstand van Nederlandse nationaliteit?
Utrecht, 20 april 2018

De Centrale Raad van Beroep heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in twee zaken van uitkeringsgerechtigden die van Nederland naar Turkije zijn verhuisd, van wie de toeslag is geweigerd dan wel beëindigd op grond van wonen buiten Nederland en die vrijwillig afstand hebben gedaan van hun Nederlandse nationaliteit.

Feiten

Betrokkenen hadden zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontvangen een WIA-uitkering. Op enig moment zijn zij naar Turkije verhuisd met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet. In dat kader hebben zij vrijwillig afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit: betrokkene 1 voor zijn vertrek uit Nederland en betrokkene 2 vanuit Turkije. Betrokkene 1 ontving tijdens zijn verblijf in Nederland een toeslag in het kader van de Toeslagenwet (TW). Na zijn remigratie is zijn recht op toeslag beëindigd. Aan betrokkene 2 is tijdens zijn verblijf in Nederland nooit een recht op toeslag toegekend. Zijn aanvraag om toeslag vanuit Turkije is afgewezen. Op grond van artikel 4a van de TW heeft een uitkeringsgerechtigde die een inkomen heeft beneden het sociaal minimum, geen recht op toeslag gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.

Gestelde vragen

De vraag is of betrokkenen recht hebben op toeslag op grond van artikel 6 van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije. Op 1 december 2017 heeft de Raad al prejudiciële vragen aan het Hof gesteld (ECLI:NL:CRVB:2017:4338) over de export van toeslag op grond van de TW naar Turkije. Vanwege verschillende relevante verschillen met die zaak stelt de Raad in deze zaken nadere vragen aan het Hof.

In de zaak van betrokkene 1 zijn de volgende vragen gesteld:

1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit, en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich te onttrekken aan een woonplaatsvoorwaarde in nationale socialezekerheidswetgeving die wel kan worden tegengeworpen aan Unieburgers?

2. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten nadat hij de nationaliteit van een lidstaat vrijwillig heeft opgegeven, terwijl niet is gebleken dat hij niet meer tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behoort?

In de zaak van betrokkene 2 zijn de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich aan de woonplaatsvoorwaarde van de TW te onttrekken?

2. Zo ja, op welk moment moet deze Turkse onderdaan voldoen aan de voorwaarde dat hij geen Unieburger is, om aanspraken te ontlenen aan artikel 6 van Besluit 3/80: reeds op het moment van vertrek uit de ontvangende lidstaat, dan wel pas vanaf het latere moment waarop de te exporteren uitkering in het buitenland zou moeten worden betaald?

3. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aldus worden uitgelegd dat aan een Turkse onderdaan die op het moment van remigratie naar Turkije nog over de nationaliteit van een lidstaat beschikte, maar deze op een later moment vrijwillig heeft opgegeven, vanaf dit laatste moment de aanspraak op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering die ertoe strekt een minimuminkomen te waarborgen op basis van het sociaal minimum van de betreffende lidstaat, niet mag worden ontzegd om de enkele reden dat hij in Turkije woont, zelfs als hij tot het moment van vertrek uit de betreffende lidstaat geen aanspraak op deze bijzondere uitkering kon maken omdat toen nog niet aan de toekenningsvoorwaarden was voldaan?

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten