Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 23, jaargang 2023

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 23, jaargang 2023

Nummer 23, gepubliceerde uitspraken 1e helft december, jaargang 2023

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de eerste helft van december 2023 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.

Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl 

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2023:2296
    Verzoek terugkomen van beëindiging WAO-uitkering. Motiveringsgebrek.
    Appellant heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 7 augustus 2006 waarbij de WAO-uitkering is beëindigd en daarbij gewezen op zijn psychische klachten. Het Uwv heeft het verzoek van appellant afwezen en gesteld dat al vanaf 1993/1994 bekend was dat sprake was van een persoonlijkheidsstoornis. De Raad acht de motivering van het Uwv onvoldoende. Uit het rapport dat aan het besluit van 7 augustus 2006 ten grondslag ligt, blijkt niet dat destijds met de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis rekening is gehouden. Het Uwv wordt opgedragen het gebrek te herstellen.
    Awb art. 4:6

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2276

    Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Verzending besluit niet aannemelijk gemaakt.

    Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit niet aangetekend, maar per reguliere post, aan appellant is verzonden. Evenmin is in geschil dat het college geen sluitende verzendregistratie heeft. Ook in een geval als het onderhavige – waarin het besluit weliswaar door appellant is ontvangen maar door hem wordt betwist dat het op het door het college gestelde datum ter post is bezorgd – moeten worden beoordeeld of het college aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op de aangegeven datum is verzonden. De omstandigheid dat appellant geen concrete datum van ontvangst kan noemen doet daar niet aan af.

    Awb art. 6:8, 6:9

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2273

    Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang meer.

    Het beoogde doel van appellant in hoger beroep is vergoeding van de kosten van bezwaar in een bezwaarprocedure tegen een nader besluit, dat door het college is genomen tijdens de procedure in hoger beroep. De Raad komt echter aan de beoordeling hiervan niet toe, omdat het nadere besluit niet bij de beoordeling in het hoger beroep wordt betrokken. Omdat het college in het nadere besluit volledig aan appellant is tegemoetgekomen en heeft aangegeven de proceskosten te zullen vergoeden, heeft appellant hier geen belang meer bij. Dit is ook de reden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

    Awb art. 6:19, 6:24, 8:1

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2266

    Schorsing in het belang van de dienst. Evenredigheidstoets.

    Met inachtneming van de recente rechtspraak over het evenredigheidsbeginsel is de Raad van oordeel dat de opgelegde schorsing niet berust op een onevenredige belangenafweging. De Raad is van oordeel dat de commandant voldoende heeft gemotiveerd dat schorsing in het belang van de dienst in dit geval een geschikte en noodzakelijke maatregel was. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, zij voorafgaand aan het schorsingsbesluit open kaart heeft gespeeld over het desbetreffende incident, maakt dat niet anders. Verder kan niet worden geoordeeld dat de schorsing voor appellante onredelijk bezwarend is. Hierbij is van belang dat een schorsing in het belang van de dienst in beginsel neutraal en niet diffamerend is voor de betrokken ambtenaar.

    AMAR art. 34 lid 2 onder c

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2216
    Loonsanctie. Toets van het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts door de verzekeringsarts. 
    De Raad ziet geen aanleiding de 'voor rekening en risico' -benadering bij loonsancties, zoals die in de rechtspraak van de Raad tot op heden is neergelegd, niet langer te volgen. Wel benadrukt de Raad dat de RIV-toets geen claimbeoordeling is en dat de bedrijfsarts een professionele marge dient te worden gegund. De verzekeringsarts van het UWV dient te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. In dit verband is onvoldoende dat de verzekeringsarts - achteraf oordelend - in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt.

    Wet WIA art 25 lid 9, 65; Beleidsregels beoordelingskader poortwachter

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2210

    Onschuldpresumptie. Schriftelijk sepot. 

    De politie heeft in de garage bij de woning van appellante een hennepkwekerij aangetroffen. Het UWV heeft vervolgens de WIA-uitkering herzien en teruggevorderd en een boete opgelegd. Bij schriftelijk sepot van 23 augustus 2021 heeft de officier van justitie in de strafzaak van appellante besloten appellante niet (verder) te vervolgen. Uit het sepot valt niet op te maken wat de redenen voor de officier van justitie zijn geweest om in het geval van appellante over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. De officier van justitie kan om verschillende redenen tot een sepot besluiten. Van belang is onder meer dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge eisen aan het bewijs worden gesteld dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een besluit tot herziening van een WIA-uitkering is slechts vereist dat aannemelijk is dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden, waaraan enige mate van twijfel, anders dan in het strafrecht, niet in de weg hoeft te staan. Het UWV wordt erin gevolgd dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden en dat de WIA-uitkering moet worden herzien en teruggevorderd. Ook de hoogte van de boete is juist. 

    Wet WIA art. 76, 77, 91 

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2263
    Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Reserveringsruimte. Schulden. Wijziging rechtspraak. Geen bijzondere omstandigheden.
    Het college heeft de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand gevraagd voor de kosten van een bankstel afgewezen. Net als het college en de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat appellante niet verkeerde in bijzondere omstandigheden en dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. De Raad is, anders dan voorheen, van oordeel dat onder bepaalde omstandigheden een gebrek aan reserveringsruimte als gevolg van schulden een bijzondere omstandigheid kan zijn die tot verlening van bijzondere bijstand moet leiden. Maar appellante heeft een gebrek aan reserveringsruimte niet aannemelijk gemaakt.
    PW art. 35

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2283
    Bijstand ten onrechte ingetrokken. Lage uitgaven voor levensonderhoud. Geen schending inlichtingenverplichting.

    Dat geen of geringe uitgaven voor levensonderhoud op de bankafschriften zichtbaar zijn, levert op zichzelf geen schending op van de inlichtingenverplichting. Dat is ook niet het geval, als de zichtbare uitgaven veel lager zijn dan de Nibud-referentiecijfers. Wel roept dit de vraag op hoe appellante in haar levensonderhoud heeft voorzien. Er zou immers sprake kunnen zijn van een verzwegen inkomstenbron of een verzwegen andere mogelijkheid om in het levensonderhoud te voorzien. Appellante heeft over de lagere uitgaven voor levensonderhoud een verklaring gegeven die niet op voorhand onaannemelijk of onwaarschijnlijk is. Het college heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat appellante de inlichtingenverplichting niet of niet naar behoren is nagekomen door geen, onvolledige of onjuiste mededeling te doen van feiten of omstandigheden die van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op bijstand.

    PW art. 17 lid 1 en 54 lid 3

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2272
    Intrekking en terugvordering van bijstand en boete. Niet melden bankrekening. Beschikken. Geen dringende reden voor afzien terugvordering en boete.
    Appellante kon over het saldo op de desbetreffende bankrekening beschikken. Dat, zoals zij heeft gesteld, het geld op de ABN-rekening bestemd was voor de bruiloft van haar zoon leidt niet tot de conclusie dat zij niet over dit saldo kon beschikken. De Raad heeft namelijk eerder in andere uitspraken al tot uitdrukking gebracht dat de bestemming van een banksaldo niet relevant is voor de beschikkingsmacht over dat saldo. Dat appellante, zoals zij stelt, de morele, culturele en emotionele plicht had om als ouder de kosten van de bruiloft van haar zoon te betalen, maakt dat niet anders. Met de enkele verwijzing naar haar persoonlijke problematiek en haar zeer benarde financiële situatie heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval zich dringende redenen voordoen.
    PW art. 17 lid 1, 18a, 31, 34, 54 lid 3, 58 lid 1

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2270
    Intrekking en terugvordering van bijstand. Inkomsten. Bijschrijvingen op bankrekening.
    Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen op zijn bankrekening van onder meer Trustly Group AB niet van derden afkomstig zijn, maar afkomstig waren van spaargeld van hemzelf. Daarbij is allereerst van belang dat hij niet heeft kunnen uitleggen en onderbouwen hoe hij – ondanks gesteld langdurig laag inkomen en forse schulden – een aanzienlijk vermogen heeft opgebouwd, waaruit hij de bijschrijvingen op zijn bankrekening kon doen.
    PW art. 17 lid 1, 31, 32, 34, 54 lid 3, 58 lid 1

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2286
    Intrekking en terugvordering van bijstand en boete. Bankrekeningen. Hennepkwekerij.
    Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden doordat hij twee bankrekeningen niet heeft gemeld. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat, als hij de bankrekeningen wel had gemeld, dit geen invloed op zijn recht op bijstand zou hebben gehad. Het niet melden van deze bankrekeningen biedt dus geen grondslag voor de intrekking van het recht op bijstand. Appellant heeft ook de inlichtingenverplichting geschonden door een hennepkwekerij niet te melden. Uit de zeer summiere informatie over de aangetroffen hennepkwekerij blijkt echter niet dat al vanaf 6 mei 2019 sprake is geweest van een schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot de hennepkwekerij. Nu een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen dient wel te worden uitgegaan van een voorbereidingsperiode van twee weken.
    PW art. 17 lid 1, 18a, 31, 32, 34, 54 lid 3, 58 lid 1

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2251
    Afwijzing aanvraag Wlz-zorg. Ontbreken blijvende behoefte aan Wlz-zorg wegens behandelmogelijkheden. Onjuist criterium.
    Uit het medisch advies blijkt niet dat de medisch adviseur heeft beoordeeld of de gestelde behandelingen leiden tot een situatie waarin appellante geen behoefte meer heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz. Dit, terwijl dit criterium de inhoudelijke maatstaf is van dat artikel en van paragraaf 2.1.4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz van het CIZ. De blijvendheid is daarin gekoppeld aan de vraag of behoefte bestaat aan deze zorg en kan hiervan niet los worden gezien. Alleen als een behandeling ertoe zou leiden dat deze zorg niet meer nodig is, kan de aanvraag op dit criterium worden afgewezen.
    Wlz art. 3.2.1 lid 1; Beleidsregels indicatiestelling Wlz par. 2.1.4

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2203
    NOW-subsidie. Vertrouwensbeginsel. Belangenafweging. Geen derde-belanghebbende.
    Omdat er geen belang van een derde (belanghebbende) in de weg staat aan honorering van het vertrouwensbeginsel moet in dit geval het belang van appellante bij nakoming van de toezegging worden afgewogen tegen het algemeen belang. Het belang van appellante bestaat uit een financieel belang doordat de tegemoetkoming op grond van de NOW-1 op een lager bedrag is vastgesteld dan het door appellante ontvangen voorschot, waardoor appellante een aanzienlijk bedrag moet terugbetalen. Het belang van appellante bij nakoming van de toezegging weegt zwaar. Het daartegenover staande belang van de minister weegt bij afwezigheid van concrete bedreigde belangen van enige betekenis minder zwaar dan dat van appellante. Daarbij geldt bovendien dat het in dit geval gaat om een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 over een in tijd beperkte en korte periode van drie maanden van een voor de minister relatief geringe omvang. Dat appellante op basis van de gewekte verwachting door de medewerker van het UWV geen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden, is in dit geval niet doorslaggevend. De minister is daarom gehouden aan de gerechtvaardigde verwachting te voldoen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2223
    Wekeneis. Loonstop. Niet verrichten door werkgever aangeboden passende arbeid. Uitsluitend als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid.
    Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Op basis van het deskundigenoordeel is de door werkgeefster aangeboden arbeid passend te achten. Dit betekent dat geen sprake is van de situatie dat appellante wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid in het geheel niet in staat was om voor werkgeefster te werken. Het ligt op de weg van appellante om haar standpunt te onderbouwen dat de feitelijk door werkgeefster aangeboden arbeid niet overeenkomt met de door het UWV als passend beoordeelde arbeid. Appellante heeft dit niet gedaan. Uitgaande van de juistheid van het deskundigenoordeel, is voor de maanden februari en maart 2019 geen sprake van de situatie dat appellante uitsluitend wegens ziekte geen arbeid kon verrichten.
    WW art. 17, 17a

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2232
    Arbeidsovereenkomst. Ontbreken gezagsverhouding. Andere voorwaarden dan andere werknemers.
    Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. De feiten en omstandigheden wijzen erop dat appellante als echtgenoot van de enig bestuurder van werkgeefster onder andere voorwaarden werkzaam was dan andere werknemers. Daarbij heeft het UWV terecht gewezen op de verhouding tussen de hoogte van het salaris van appellante en de door haar verrichte werkzaamheden en op de omstandigheid dat werkgeefster het loon van appellante na het einde van het dienstverband in februari 2019, tot en met 5 mei 2019 aan haar heeft doorbetaald en dat appellante haar werkzaamheden na het einde van het dienstverband heeft voortgezet. Daarbij komt dat uit de gedingstukken naar voren komt dat appellante vanaf 5 mei 2019 tot de datum van het faillissement (18 februari 2020) geen loon heeft ontvangen en dat zij werkgeefster niet heeft aangesproken op de verplichting tot doorbetaling van loon. Verder blijkt uit de stukken dat appellante en haar echtgenoot in gezamenlijk overleg op enig moment hebben besloten om in te stemmen met het voorstel van werkgeefster om hen leefgeld in plaats van loon als tegenprestatie voor hun werkzaamheden uit te keren.
    WW art. 3, 61; BW art. 7:610