Gevangenisstraf voor seksueel misbruik van twee jonge meisjes

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Amsterdam > Nieuws > Gevangenisstraf voor seksueel misbruik van twee jonge meisjes
Amsterdam, 29 april 2015

Het gerechtshof Amsterdam heeft vandaag in hoger beroep een man veroordeeld wegens seksueel misbruik van twee jonge meisjes en overtreding van de Wet Wapens en Munitie (WWM). Het hof heeft hem daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar.

De rechtbank Amsterdam had het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor de feiten 4 en 5 wegens verjaring en had de verdachte vrijgesproken voor de overigens tenlastegelegde feiten betreffende seksueel misbruik. De rechtbank had de verdachte wel veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk voor overtreding van de WWM.

Zowel het Openbaar Ministerie als de verdachte hadden tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De feiten

Anders dan de rechtbank acht het hof wel bewezen dat de verdachte ongeveer drie jaar lang zijn zeer jonge stiefdochter seksueel heeft misbruikt. Daarnaast acht het hof bewezen dat de verdachte, als zwemleraar, een aan zijn opleiding toevertrouwde zeer jonge leerling, tijdens de zwemles, seksueel heeft betast. Voor het, tijdens de zwemlessen, seksueel betasten van twee andere zeer jonge leerlingen heeft het hof de verdachte vrijgesproken.

De straf

Het zijn zeer ernstige feiten die de verdachte heeft begaan. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook op zijn plaats, naast een voorwaardelijke gevangenisstraf met een aanzienlijke proeftijd van vijf jaar. Het hof acht die langere proeftijd geboden gelet op het feit dat de verdachte geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in zijn strafwaardige gedrag. Het hof acht de kans op herhaling zeker aanwezig.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, geen gronden de verdachte te ontzetten uit het recht tot uitoefening van het beroep van zwemleraar. Enerzijds betreft het een te beperkte ontzetting omdat het zou moeten gaan om elk toekomstig beroep waarbij de verdachte met kleine kinderen om zou gaan die aan zijn zorg en opleiding worden toevertrouwd en anderzijds omdat in de huidige maatschappelijke context meer dan voldoende controlemechanismen beschikbaar zijn en ook worden gebruikt (denk aan de verklaring omtrent het gedrag) die verhinderen dat de verdachte ooit nog dergelijke beroepen zou kunnen uitoefenen.

Uitspraken

Meest gelezen berichten