Ontslag van rechtsvervolging voor hulp bij zelfdoding

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Arnhem-Leeuwarden > Nieuws > Ontslag van rechtsvervolging voor hulp bij zelfdoding
Arnhem, 13 mei 2015

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft vandaag uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die in de zomer van 2008 zijn 99-jarige moeder behulpzaam was bij het maken van een einde aan haar leven. 

Bij de rechtbank

De rechtbank (ECLI:NL:RBGEL:2013:3976) had de verdachte schuldig verklaard aan dat feit maar had (met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht) de verdachte daarvoor geen straf opgelegd.

Het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof bewezenverklaring van het feit gevraagd en gevorderd dat verdachte daarvoor een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden zou worden opgelegd.
 
Het hof is van oordeel dat de verdachte het feit wel heeft gepleegd, maar dat het feit niet strafbaar is gezien de zeer bijzondere omstandigheden die zich in dit specifieke geval hebben voorgedaan. Die omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof mee dat een beroep op noodtoestand gerechtvaardigd is, zoals werd bepleit door de raadslieden van verdachte.
 
De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Verdachte moest kiezen tussen onderling strijdende plichten en belangen, te weten enerzijds de plicht om de wet (artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, dat hulp bij zelfdoding strafbaar stelt) na te leven en anderzijds de ongeschreven morele plicht/maatschappelijke plicht/zorgplicht om zijn 99-jarige moeder te helpen bij het realiseren van haar wens tot een pijnloze, vredige en waardige dood.
 
Verdachte heeft het laatste als het zwaarst wegende laten voorgaan.
Bij de afweging van deze belangen hebben voor verdachte blijkens de door hem afgelegde verklaringen de volgende punten een gewichtige rol gespeeld:
 
- Zijn moeder was 99 jaar en wilde absoluut geen 100 jaar meer worden. Zij was hierin volstrekt helder en duidelijk;
- Haar besluit was vrijwillig, weloverwogen en persistent;
- De laatste jaren was verdachte haar enige vertrouwenspersoon. Derhalve was verdachte de enige die handelend zou kunnen optreden bij het realiseren van haar doodswens;
- Zijn moeder had voortdurend de regie. Dit vloeide mede voort uit haar persoon, persoonlijkheid en karakter;
Verdachte zag haar lijden, haar wanhoop, haar pijn en haar machteloosheid. Zij had het gevoel in deze situatie door iedereen in de steek te worden gelaten;
- Zijn moeder was grotendeels afhankelijk van anderen en gebonden aan kamer en bed;
- Zij was zelf absoluut niet in staat de voor een geslaagde zelfdoding benodigde medicijnen te verzamelen terwijl de pillen die zij reeds had verzameld, onvoldoende en volstrekt ongeschikt waren om de dood te realiseren;
Verdachte voelde een zorgplicht ten opzichte van zijn moeder, die zelf juist altijd zo goed voor hem had gezorgd;
- Er ontstond bij verdachte aldus een conflict tussen hoofd en hart;
Verdachte kon in deze situatie niet passief blijven, achterover leunen en nietsdoen en tegelijkertijd haar lijden aanschouwen; dit zou bij hem zijn leven lang grote schuldgevoelens veroorzaken.
 
Het hof gebruikt voor het toetsen van het handelen van verdachte het referentiekader van de zorgvuldigheidseisen en de mededelingsplicht uit de Wet Toetsing Levensbeëindiging (de zgn. Euthanasiewet), nu daarin de verschillende aspecten van nood, proportionaliteit en subsidiariteit bij hulp bij zelfdoding tot uitdrukking komen. Het hof verliest daarbij echter niet de bijzondere positie van verdachte uit het oog, te weten die van niet-medicus en bovendien zoon van de hulpvraagster.
 
Het hof loopt in zijn arrest al die zorgvuldigheidseisen langs en haalt daarbij in zijn uitspraak passages aan uit de vele verklaringen die door getuigen en deskundigen tijdens het onderzoek zijn afgelegd. Het hof komt tot de conclusie dat op grond van de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval het beroep op noodtoestand gegrond is.
Het hof plaatst bij dit oordeel de kanttekening dat de onderhavige zaak gezien moet worden in het licht van de euthanasiepraktijk zoals deze was in 2008, het jaar waarin dit feit werd gepleegd. Die lijkt een striktere te zijn geweest dan nu het geval is.
 
In juni 2011 is het KNMG-rapport “De rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde” verschenen. Gelet op de daarin verwoorde ontwikkeling is het hof van oordeel dat er in de huidige tijd minder snel sprake zal kunnen zijn van een noodtoestand indien de hulpverlener in een geval als het onderhavige geen (tweede) arts heeft geconsulteerd. 

Uitspraken

Meest gelezen berichten