Reactie president gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op open brief Wim Faber

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksGerechtshof Arnhem-Leeuwarden > Nieuws > Reactie president gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op open brief Wim Faber
Arnhem, 30 mei 2018
Iedereen, die in de Volkskrant van zaterdag 25 mei jl het aangrijpend verslag leest van het onderzoek van Wim Faber naar zijn vermiste dochter Anne, zal diep medeleven voelen voor het verdriet dat hem in 2017 getroffen heeft. Ook ik ben daardoor geraakt en onder de indruk.

In zijn open brief aan het gerechtshof lees ik dat deze tragedie misschien voorkomen had kunnen worden, als in 2012 de rechtsgang in een strafzaak tegen dezelfde verdachte niet ‘gefaald’ zou hebben. Het gerechtshof Arnhem heeft die verdachte toen in hoger beroep veroordeeld tot (in totaal) 12 jaar gevangenisstraf voor (vooral) ernstige verkrachtingen. Door de duur van die straf bevond hij zich in 2017 in de zogenaamde detentiefasering, voorafgaande aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hij was in het kader van die detentiefasering opgenomen in een kliniek en het was hem toegestaan zich buiten de kliniek te begeven. De heer Faber maakt de rechter, die de terechtzitting in hoger beroep voorzat, ernstige verwijten: waarom is toen geen tbs opgelegd, waarom is de gevangenisstraf zoveel lager dan de rechtbank had opgelegd, waarom geeft het hof geen inzicht in zijn gedachtegang? En bovenal: de voorzitter was bevooroordeeld en het hof leunde achterover.

Rechters spreken via hun beslissing en moeten er daarna verder over zwijgen. Het is een rechter niet toegestaan zelf een nadere uitleg of toelichting te geven over zijn beslissing, hoe graag hij dat misschien soms ook zou willen. Ook de president van het rechterlijke college, in dit geval het gerechtshof mag dat niet. Alleen de persrechter heeft een beperkte ruimte om een toelichting over een rechterlijke beslissing te geven. De Hoge Raad heeft dat in 2013 (zie uitspraak onderaan) nog eens benadrukt. Maar de verwijten van de heer Faber overstijgen de beslissingen in de individuele strafzaak uit 2012. Daarom vind ik het mijn taak als president van het hof - voor zover mogelijk - klaarheid te brengen. Niet alleen in dit bericht, maar in dit geval ook in een persoonlijk gesprek met de briefschrijver, de heer Faber. De uitnodiging daarvoor is inmiddels uitgegaan.

Rechters doen hun werk met hun hoofd, hart en ziel, zoals elke rechtgeaarde professional. Natuurlijk hebben rechters ook persoonlijke opvattingen. Het behoort echter tot de professie van de rechter te oordelen op basis van de wet, ongeacht zijn persoonlijke opvattingen. De publicatie van een standpunt in een academisch debat over - in dit geval - het antwoord op de vraag of een verslaving de oplegging van de maatregel van tbs zelfstandig kan dragen, betekent daarom helemaal niet dat die rechter vervolgens vooringenomen is in zaken, waarin die vraag aan de orde is. Bovendien zullen ook de collega’s in een meervoudige strafkamer daarop toezien.

In het maatschappelijk debat wordt nogal eens te gemakkelijk gedacht over de harde voorwaarden, die de wet stelt aan oplegging van tbs. De rechter moet daartoe - onder meer - vaststellen dat er sprake is van een psychische stoornis. De rechter moet zijn tbs-beslissing met valide argumenten motiveren. In de strafzaak in 2012 ontbrak, ondanks tevergeefse pogingen tot onderzoek door het Pieter Baan Centrum bij zowel de verdachte als zijn omgeving, een gedragskundige rapportage waarmee oplegging van tbs kon worden onderbouwd. De ernst van de misdrijven en/of de manier waarop deze zijn gepleegd, zijn op zich zelf ontoereikend voor het opleggen van tbs, als niet tevens een stoornis is vastgesteld. Het zelfde geldt voor het feit dat enkele medeverdachten in de onderhavige strafzaak hadden verklaard dat verdachte trots op zijn daden was.  Aldus bleef in de strafzaak de maatregel van tbs voor het openbaar ministerie, de rechtbank en het hof buiten bereik en resteerde het opleggen van een straf.

Uitgaande van de wettelijke bepalingen kijken rechters voor de straf naar alle feiten en omstandigheden van het geval. De rechtbank en het hof hebben in hun uitspraken aandacht besteed aan de ernst van de misdrijven, waarvoor de verdachte in 2012 terechtstond. Zowel de rechtbank als het hof heeft een hogere straf opgelegd dan door het openbaar ministerie werd gevorderd. Het gerechtshof heeft over de hoogte van de straf overwogen dat mede gelet op straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd, en ondanks de aard en ernst van de afzonderlijk bewezenverklaarde feiten, ook als deze in samenhang worden beschouwd, de door de rechtbank opgelegde straf (-een maximaal mogelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar-) niet in verhouding staat tot de aard en de ernst van die feiten, en komt alles afwegend tot een gevangenisstraf voor de duur van (in totaal) 12 jaar.
Dat was inderdaad aanzienlijk lager dan de eerdere straf van de rechtbank. In het licht van de landelijke oriëntatiepunten van strafrechters, het beperkte strafblad van de veroordeelde en zijn leeftijd van 20 jaar, was echter ook de 12 jaar gevangenisstraf van het gerechtshof een relatief hoge straf.

Deze in 2012 veroordeelde man wordt nu verdacht van het plegen van een levensdelict, waarvan Anne Faber het slachtoffer is geworden. Het is logisch dat haar vader zich afvraagt of door een andere beslissing van het gerechtshof in 2012 deze tragedie voorkomen had kunnen worden. Binnen de beperkingen die daarvoor ook voor mij gelden, heb ik getracht op zijn vragen een antwoord te geven.


Fred van der Winkel
president
  

Uitspraken

Meest gelezen berichten