Financiering rechtspraak: 8 vragen en antwoorden

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Nieuws > Financiering rechtspraak: 8 vragen en antwoorden
Den Haag, 14 maart 2013

De Raad voor de rechtspraak en de minister van Veiligheid en Justitie hebben overeenstemming bereikt over de bekostiging van de Rechtspraak in de periode van 2014 tot 2017. Hoe wordt de Rechtspraak eigenlijk gefinancierd? Acht vragen en antwoorden.

De Rechtspraak neemt als derde staatsmacht een bijzondere positie in het staatsbestel in. Dat komt tot uitdrukking in het feit dat een apart hoofdstuk voor de Rechtspraak is ingeruimd in de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie (V en J). Het ministerie was tot 2002 wel direct verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de gerechten. Sinds dat jaar, toen de Raad voor de rechtspraak in het leven werd geroepen, is dat niet meer zo. Het budget van de Rechtspraak is een kleine miljard euro per jaar, dat komt neer op circa 60 euro per Nederlander. Per jaar zijn er zo’n 1,8 miljoen rechtszaken.

Hoe worden al die rechtszaken gefinancierd?

De Rechtspraak krijgt per vonnis een bedrag. Dus meer vonnissen, meer geld, minder vonnissen, minder geld. Hoeveel geld de Rechtspraak voor een vonnis krijgt, hangt af van het type zaak. Deze methode van financiering heet outputfinanciering.

Waarom is voor deze manier van financieren gekozen?

Het is een rechtvaardige manier. Wie meer zaken afdoet en dus werk verricht, maakt hogere kosten. Prijsverschillen tussen verschillende soorten zaken zijn logisch: de ene zaak duurt langer dan de andere. Zo kunnen rechters elke zaak de aandacht geven die nodig is. De Rechtspraak hecht aan het behouden van dit bekostigingssysteem. Het systeem beschermt tegen ingrepen, legt een relatie tussen de tijd die een zaak kost en het geld dat de gerechten krijgen en de hele instroom wordt betaald.

Hoe komen de prijzen tot stand?

De Raad voor de rechtspraak onderhandelt elke drie jaar met de minister van V en J. Per rechtsgebied worden afspraken gemaakt. Zo gelden er voor strafzaken andere bedragen dan voor belastingzaken of voor zaken die voor de kantonrechter komen. De Raad voor de rechtspraak maakt met het ministerie prijsafspraken over tien verschillende soorten zaken. Dat zijn gemiddelde prijzen. Circa 95 procent van de Rechtspraak wordt op deze manier gefinancierd. Het budget dat de Raad voor de rechtspraak ontvangt, verdeelt de Raad in grote lijnen volgens dezelfde systematiek als hierboven beschreven over de gerechten, alleen fijnmaziger: voor de bepaling van het budget van een gerecht worden 53 soorten zaken (zaakscategorieën) met bijbehorende prijzen onderscheiden.

​Is eigenlijk van tevoren bekend hoeveel zaken er jaarlijks worden afgedaan?

 Ja, ongeveer. De Raad voor de rechtspraak stelt elk jaar in januari aan de minister voor hoeveel zaken er dat jaar worden afgehandeld. Dit aantal is gebaseerd op de verwachting van het aantal zaken dat wordt aangedragen en hoeveel zaken nog op afhandeling wachten. Dit gebeurt in overleg met de gerechten, het openbaar ministerie, de immigratie- en naturalisatiedienst, et cetera. Ook hiervoor valt op grond van ervaring een indicatie te geven. De minister dient in september zijn begroting bij het parlement in. Daarin staat het aantal rechtszaken dat hij in het komende jaar gaat financieren. Als de minister en de Rechtspraak het niet eens zijn over het aantal af te handelen zaken, dan licht de minister dit toe in zijn begroting. Het parlement kan zich dan een oordeel vormen.

En als het totaal aantal afgedane zaken in werkelijkheid nou blijkt af te wijken van het aantal dat van tevoren werd verwacht?

Dan vindt verrekening plaats tegen 70 procent van de voor die zaken geldende prijzen. Het feitelijk aantal afgehandelde zaken wordt vermeld in het Jaarverslag van de Rechtspraak, dat elk jaar in mei verschijnt. Dat kunnen er dus meer, maar ook minder dan verwacht zijn. Als het er minder zijn, stort de Raad geld op de zogenaamde egalisatierekening van V en J, als er meer zaken worden afgehandeld krijgt de Rechtspraak geld uit die egalisatierekening.

Het klinkt nogal zakelijk, alsof er alleen maar aandacht is voor het aantal af te handelen zaken?

Terechte vraag. Recent heeft de Raad voor de rechtspraak na kritiek van rechters en raadsheren op de werkdruk en de focus op productiecijfers, besloten dat er minder op productie gestuurd gaat worden. De kwaliteit van de rechtspraak gaat boven alles. Als blijkt dat het, ondanks alle inspanningen van gerechten, voor het handhaven van de kwaliteit van rechtspraak nodig is om in de rode cijfers te gaan, zal de Raad daarvoor verantwoordelijkheid nemen. Verder zijn er al normen die ervoor zorgen dat er ook tijd voor reflectie is. Voorbeelden daarvan zijn het aantal gewenste uren voor (bij)scholing van rechters en raadsheren, het aantal vonnissen dat volgens een nieuwe methode moet worden gemotiveerd en het aantal zaken waarin een tweede rechter of raadsheer moet meelezen.

Gaat het volledige budget van de Rechtspraak naar de gerechten?

Nee. Ongeveer 25 procent van het budget is een centraal budget. De Raad voor de rechtspraak betaalt daarvan de huren van de gerechtsgebouwen, zijn eigen Bureau en verzorgt de overkoepelende bedrijfsvoering zoals de ict.

Hierboven staat dat 95 procent van de Rechtspraak volgens outputfinanciering wordt gefinancierd. Wat is er aan de hand met de overige 5 procent?

Dit betreft zaken die slechts in één of enkele gerechten voorkomen (bijzondere kamers, het College van Beroep voor het bedrijfsleven) of waarvan nog niet duidelijk is wat een redelijke gemiddelde prijs is. Daarnaast krijgt de Raad voor de rechtspraak geld van het ministerie van V en J voor werkzaamheden die hij verricht voor diverse tuchtcolleges. Dit zijn werkzaamheden die niet in de Wet op de Rechterlijke Organisatie staan omschreven.

Uitspraken

Meest gelezen berichten