Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Deze nieuwsbrief komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd.

Nummer 3, gepubliceerde uitspraken maart, jaargang 2026

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in februari 2026 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak. 

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl

Inhoud nieuwsbrief

Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht

 

ECLI:NL:CRVB:2026:340- U verlaat Rechtspraak.nl

Niet aanmerken als gerede kandidaat. Bevoegdheid Raad. Geen sprake van een besluit of andere handeling.

Het voorliggende geschil gaat in inhoudelijke zin over de vraag of verweerder terecht appellante niet heeft aangemerkt als gerede kandidaat voor de functie van raadsheer in opleiding, wat volgens appellante een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb dat haar raakt in haar hoedanigheid van rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast. De Raad is, mede gelet op artikel 1:1, derde lid, van de Awb, bevoegd hierover te oordelen. Het aanmerken als gerede kandidaat houdt geen beslissing in over de benoeming tot rechter in opleiding dan wel raadsheer in opleiding. Nog steeds moet de kandidaat een selectieprocedure doorlopen en wordt deze beoordeeld op geschiktheid. De aanmerking van een rechter-plaatsvervanger of raadsheer-plaatsvervanger als gerede kandidaat vergroot weliswaar de kans op benoeming in de functie van rechter in opleiding dan wel raadsheer in opleiding, maar brengt geen verandering in de rechten en plichten van de desbetreffende kandidaat als rechterlijk ambtenaar teweeg. Dat geldt evenzeer voor de spiegelbeeldige situatie waarin sprake is van een (procedurele) beslissing die een gereduceerde kans tot benoeming teweeg brengt in een sollicitatieprocedure. De desbetreffende schriftelijke mededeling is dus niet op rechtsgevolg gericht en is daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ook is geen sprake van een andere handeling zoals bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Awb art. 1:1 lid 3, 1:3, 8:2 lid 1 onder a

Ambtenaren

 

ECLI:NL:CRVB:2026:252- U verlaat Rechtspraak.nl

Ontslag wegens wangedrag. Vonnis politierechter geldt als bewijs. Geen reden voor uitzondering daarop.

Aan appellant is ontslag wegens wangedrag opgelegd, bestaande uit het in bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs. De militaire politierechter heeft wettig en overtuigend bewezen geacht dat appellant ongeveer 100 gram softdrugs in zijn bezit had en heeft appellant een geldboete opgelegd van € 200,-. Het hoger beroep tegen dit vonnis is niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat die niet-ontvankelijkverklaring het gevolg is van een procedurele fout van zijn toenmalige advocaat. Aan appellant is daardoor de kans ontnomen om in hoger beroep in de strafzaak zijn onschuld te bewijzen. Daarom moet volgens hem in deze zaak rekening worden gehouden met zijn argumenten die zien op de verweten gedraging. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis door de politierechter schuldig verklaard aan het in bezit hebben van een meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs. Op grond van artikel 8 van de WAD geldt dat vonnis ook in deze zaak als bewijs van dat feit. Het handelen of nalaten van een advocaat komt voor rekening en risico van de betrokkene. Dat geldt ook indien deze, zoals door appellant is betoogd, een fout heeft gemaakt.

WAD art. 8; AMAR art. 39 lid 2 onder l

 

ECLI:NL:CRVB:2026:330- U verlaat Rechtspraak.nl

Ontslag wegens verregaande nalatigheid. De gevolgen van het ontslag zijn niet onevenredig. 

Aan appellant is ontslag verleend wegens verregaande nalatigheid, bestaande uit, kort gezegd, onterechte declaraties. Een aantal van de verweten gedragingen merkt de Raad aan als verregaande nalatigheid. De Raad acht de gevolgen van het ontslag niet onevenredig. Weliswaar heeft appellant een zekere openheid betracht door over de wijze van declareren (deels) contact te hebben met zijn leidinggevende, maar van appellant had zeker gezien zijn voorbeeldfunctie verlangd mogen worden dat hij een duidelijke toestemming had gevraagd alvorens de declaraties in te dienen zoals ze zijn ingediend, te weten in strijd met de daarvoor bestaande regels. Verder heeft te gelden dat appellant een eigen verantwoordelijkheid heeft om declaraties op een juiste wijze en naar waarheid in te dienen. Mede gelet op de Gedragscode Defensie moet worden geconcludeerd dat appellant zich niet heeft gedragen overeenkomstig de hoge eisen van betrouwbaarheid, integriteit en verantwoordelijkheid, die de defensieorganisatie aan zijn ambtenaren stelt. Dat de aangevoerde persoonlijke en financiële gevolgen van het ontslag groot zijn, maakt onder de gegeven omstandigheden nog niet dat het gegeven ontslag onevenredig zou zijn, omdat zij daarvoor onvoldoende gewicht in de schaal leggen.

AMAR art. 39 lid 2 onder k

 

ECLI:NL:CRVB:2026:225- U verlaat Rechtspraak.nl

Geen recht op OVW-periodieken vanwege hogere persoonlijke schaal.

Appellant is aangesteld in een functie, gewaardeerd op schaal 9, die recht geeft op Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW)-periodieken ter hoogte van de volgende schaal. Hij is echter ingeschaald in de afwijkende en hogere persoonlijke schaal 10. Het bedrag dat appellant vanuit zijn inschaling in schaal 10, trede 14, ontvangt, is even hoog als het bedrag dat hij zou hebben ontvangen als hij zou zijn ingeschaald in functieschaal 9, trede 14, vermeerderd met de OVW-periodieken ter hoogte van de volgende schaal. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen recht heeft op aan schaal 10 gekoppelde OVW-periodieken, ter hoogte van schaal 11.

Bbp art. 1 onder m, ww en xx, 9a lid 1

 

ECLI:NL:CRVB:2026:119- U verlaat Rechtspraak.nl

Overgangsbeleid voor zittende generalisten. Voor n3-generalisten is succesvolle afronding overgangstraject voorwaarde voor benoeming in een seniorfunctie.

Appellant heeft als n3-generalist gesolliciteerd op een seniorfunctie. De korpschef heeft conform het overgangsbeleid de seniorvacature voorlopig aan appellant toegewezen onder de voorwaarde van het binnen een jaar behalen van het overgangstraject n3-generalist (overgangstraject). Bij de voorlopige toewijzing is gelet op het overgangsbeleid terecht vermeld dat de benoeming in de seniorfunctie pas plaatsvindt nadat het overgangstraject met succes is afgerond. Dit is niet in strijd met de toepasselijke regelgeving, waaronder artikel 6 van het Besluit bezoldiging politie. Verder is niet gebleken dat aan appellant is opgedragen om de seniorfunctie alvast te vervullen. De korpschef heeft dit ook betwist. Zelfs als hiervan wél sprake zou zijn, zou dit echter niet tot een eerdere benoeming tot senior hebben geleid. Appellant zou immers ook onder die omstandigheid nog niet hebben voldaan aan de voorwaarde om benoemd te worden in de seniorfunctie, namelijk het met succes behalen van het overgangstraject.

Bbp art. 6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:281- U verlaat Rechtspraak.nl

Weigering toelating tot pré-Management Development-programma. Terughoudende toets. Weigering moet voldoende feitelijk zijn onderbouwd. Peildatum.

De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris bij de beslissing om iemand al dan niet toe te laten tot het pré-MD-programma een ruime mate van vrijheid toekomt. Daarbij past een terughoudende toets. Die terughoudendheid betekent echter niet dat de rechtbank niet zou moeten toetsen of er voldoende feitelijke onderbouwing is voor de standpunten die de staatssecretaris aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, indien de juistheid daarvan door een betrokkene wordt betwist. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris dat in dit geval onvoldoende had gedaan en dat het bestreden besluit daarmee niet op een deugdelijke motivering berustte. De beroepsgrond van de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij bij een nieuw te nemen beslissing op bezwaar moet uitgaan van de feiten en omstandigheden op dat moment (ex-nunc toetsing), slaagt. In dit geding gaat het om de vaststelling van de rechtspositie van betrokkene naar de situatie op een bepaald tijdstip. Bepalend is of betrokkene ten tijde van het nemen van het (primaire) besluit op 1 december 2022 (peildatum) basisgeschikt was voor verdere ontwikkeling richting mogelijke selectie voor het MD-schap. Bij het in hoger beroep genomen nadere besluit is de afwijzing alsnog voldoende feitelijk onderbouwd.

Arbeidsongeschiktheid

 

ECLI:NL:CRVB:2026:319- U verlaat Rechtspraak.nl

Begeleiding tijdens vervoer naar werk. Rapport eerste deskundige overtuigt meer dan rapport tweede deskundige.

De deskundige van de Raad, een psychiater, heeft voor appellant aanvullende beperkingen aangenomen. Appellant heeft psychische klachten en voor het vervoer naar het werk geldt volgens deze deskundige dat alleen familie of eventueel medisch deskundigen (huisarts, SPV e.a.) die appellant vertrouwt in aanmerking komen om hem te begeleiden. De tweede door de Raad benoemde deskundige (een verzekeringsarts) heeft een andersluidende opvatting over de beperking voor vervoer. De Raad acht beide deskundigenonderzoeken zorgvuldig, maar komt tot de conclusie dat het rapport van de psychiater meer overtuigt. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het Uwv wordt opgedragen een nieuwe FML op te stellen. Zo zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep – in ieder geval – moeten vaststellen dat appellant slechts in staat is te reizen middels een auto onder begeleiding van familie of een medisch deskundige die hij vertrouwt.

Wet WIA art. 5, 6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:149- U verlaat Rechtspraak.nl

PostCOVID. Deskundige.

De deskundige van de Raad gaat uit van een status na COVID-19 infectie met mogelijkheid van een postCOVID syndroom en stelt voor appellante beperkingen vast. Deze deskundige heeft voor appellant lichamelijke beperkingen aangenomen en kan zich verenigen met de urenbeperking van vier uur per dag, twintig uur per week. Volgens de deskundige heeft niet iedere post-COVID patiënt alle gerelateerde klachten heeft en ook niet in dezelfde forse mate. Er is in deze patiëntengroep een grote variatie in het klachtenbeeld en ook in het verloop. Voor wat betreft de ervaren klachten en belemmeringen op datum in geding moet rekening gehouden worden met hetgeen appellante destijds daarover heeft gemeld aan de behandelend artsen en de (verzekerings-)artsen van het Uwv. Er zijn geen aanwijzingen voor belangrijke cognitieve belemmeringen dan wel PEM. De Raad volgt zijn deskundige. De verwijzing van appellante naar klachten die vaak voorkomen bij mensen met postinfectieuze ziektes treft geen doel.

Wet WIA art. 5, 6; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3

 

ECLI:NL:CRVB:2026:294- U verlaat Rechtspraak.nl

60-plusregeling. Begrip ‘einde wachttijd’. 

Werkneemster heeft zich op 18 oktober 2019 ziekgemeld en bij besluit van 13 oktober 2021 heeft het Uwv een loonsanctie opgelegd. De Raad volgt niet het betoog van appellante dat het einde van de wachttijd als gevolg van het opleggen van een loonsanctie met 52 weken wordt opgeschoven. De bewoordingen in artikel 23 van de WIA zijn duidelijk. Ter aanvulling hierop wordt het volgende opgemerkt. In artikel 43, onder b, van de Wet WIA is bepaald dat de loonsanctie een uitsluitingsgrond is en in artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA is als voorwaarde voor het recht op een WGA-uitkering onder meer gesteld dat de verzekerde de wachttijd (van 104 weken) heeft doorlopen en dat geen uitsluitingsgrond van toepassing is. De laatste dag van de wachttijd blijft dus staan tijdens de duur van een uitsluitingsgrond. Ook hierin wordt steun gevonden voor het oordeel dat het betoog van appellante niet slaagt.

Wet WIA art. 23, 43, 54

 

ECLI:NL:CRVB:2026:246- U verlaat Rechtspraak.nl

Aanvraagtermijn. Dwingendrechtelijke bepaling. Geen niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:918- U verlaat Rechtspraak.nl overwogen dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wtl een dwingendrechtelijke bepaling betreft voor wat betreft de termijn waarbinnen een aanvraag doelgroepverklaring moet worden ingediend. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, er voor het Uwv geen – al dan niet discretionaire – ruimte is om een belangenafweging te maken en eventueel van deze bepaling af te wijken. In dit geval zijn er geen bijzondere omstandigheden af te leiden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de termijnstelling een bewuste keuze is geweest van de wetgever met als doel om te voorkomen dat achteraf een loonkostenvoordeel wordt toegekend in gevallen waarin aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst ook zonder vooruitzicht op loonkostenvoordeel tot stand zou zijn gekomen.
Wtl art. 2.7 lid 1

Bijstand

 

ECLI:NL:CRVB:2026:183- U verlaat Rechtspraak.nl

Verdeelmodel. Toekenning definitief budget gebundelde uitkering. Bewijslast. Toekenning vangnetuitkering. Toepassing normbedrag onevenredig.
Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verdeelmodellen over de jaren 2017 tot en met 2022 tekortkomingen bevatten. De omstandigheid dat de gemeente Den Haag een uitbijter is op verschillende kenmerken die niet in het verdeelmodel zijn opgenomen terwijl er wel een systematisch verband bestaat tussen die kenmerken en meerjarige tekorten, brengt niet zonder meer mee dat die tekorten zijn ontstaan door het ontbreken van die kenmerken in het objectieve verdeelmodel. Het college heeft verder ook niet onderbouwd dat een dergelijke causale relatie wel bestaat.
Voor de vangnetuitkeringen over de jaren 2018 en 2019 heeft de staatssecretaris erkend dat door het gebruik van een absoluut normbedrag grotere gemeenten harder worden geraakt en hij daarin aanleiding heeft gezien om die norm met ingang van 1 januari 2021 aan te passen, is de Raad van oordeel dat het vasthouden aan die absolute norm in dit geval tot een onevenredig resultaat leidt. De staatssecretaris had om die reden artikel 1, onder l, van het Besluit PW buiten toepassing moeten laten over die jaren en uit moeten gaan van de inmiddels aangepaste norm.

Besluit Pw art. 1, 6, 10 , 10a

 

ECLI:NL:CRVB:2026:267- U verlaat Rechtspraak.nl

Terugvordering van bijstand. Toekenning WIA-uitkering met terugwerkende kracht. Discretionaire bevoegdheid. Beroep op evenredigheidsbeginsel. Geen toetsing van dringende redenen.
Bij de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel in deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van een evenwichtige belangenafweging. Dat is het geval. Het college heeft een zwaarwegend belang om gemeenschapsgeld goed te besteden. Appellante heeft daar tegenover gesteld dat haar financiële situatie precair is en dat zij veel schulden heeft gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire. Maar zij heeft dit op geen enkele wijze toegelicht en onderbouwd. Hiermee zijn alle belangen en alle relevante feiten en omstandigheid betrokken. De belangenafweging en de toetsing daarvan in het kader van de dringende redenentoets kunnen niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe voornoemde evenredigheidstoets heeft geleid. De grond dat er in het geval van appellante dringende redenen zijn, hoeft daarom niet afzonderlijk te worden besproken.

Pw art. 58 lid 2

 

ECLI:NL:CRVB:2026:312- U verlaat Rechtspraak.nl

Bijzondere bijstand. Voorliggende voorziening. Draagkracht. Procesbelang.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant heeft namelijk geen stukken overgelegd die zijn ingediende kostenoverzicht onderbouwen en dat had gelet op het door het college verrichte onderzoek en de op hem rustende bewijslast wel van hem mogen worden verwacht. Dat appellant in dit geval bewust geen bewijsstukken heeft overgelegd, komt voor zijn rekening en risico.

Pw art. 9, 35

 

ECLI:NL:CRVB:2026:314- U verlaat Rechtspraak.nl

Bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten jongmeerderjarige.

Bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige rust op het bijstandverlenend orgaan de plicht om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager. Hierbij is een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvrager nodig. Het college heeft dit ten onrechte nagelaten en bij de afwijzing ten onrechte gewezen op de in dit geval niet toepasselijke beleidsregels.

Pw art. 12 (oud)

 

ECLI:NL:CRVB:2026:299- U verlaat Rechtspraak.nl

Voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Reële dreiging uithuiszetting. Intrekking van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Inschrijving(en) KvK.

Met het college is ter zitting besproken dat de enkele registratie van een of meerdere ondernemingen in de KvK nog niet betekent dat daarmee ook aannemelijk is gemaakt dat verzoeker in te de beoordelen periode op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht dan wel in verband daarmee inkomsten heeft genoten waardoor verzoeker geen of minder recht op bijstand heeft, althans het recht niet kan worden vastgesteld. Het college heeft ter zitting niet kunnen toelichten op grond van welke feiten en omstandigheden in de te beoordelen periode aannemelijk is dat er sprake is geweest van inkomsten dan wel van op geld waardeerbare activiteiten. Als er al sprake is van schending van de inlichtingenverplichting heeft het college nog niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Pw art. 54

Internationaal

 

ECLI:NL:CRVB:2026:177- U verlaat Rechtspraak.nl

Hoogte verdragsbijdrage. Ontbreken werelddekking. Gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Exceptieve toets. Evenredigheidsbeginsel.

Betrokkene woont in Frankrijk en ontvangt AOW-pensioen. Als verdragsgerechtigde heeft hij recht op zorg in Frankrijk ten laste van Nederland. Hij is hiervoor een verdragsbijdrage verschuldigd. Betrokkene vindt de verdragsbijdrage te hoog omdat hij, anders dan in Nederland verzekerden geen werelddekking heeft, terwijl hij wel evenveel premie betaalt. De Raad is van oordeel artikel 6.3.1 van de Regeling zorgverzekering, in samenhang met Bijlage 4 daarbij, ten opzichte van verdragsgerechtigden die in het woonland geen werelddekking hebben, niet in strijd is met de discriminatiebepalingen van het EVRM. Er is geen sprake van een verboden gelijke behandeling van ongelijke gevallen. Verder is geen sprake van een in aanmerking te nemen disproportionaliteit bij de berekening van de verdragsbijdrage. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 Grondwet slaagt niet. De hoogte van de verdragsbijdrage is in het geval van betrokkene niet onevenredig.

Vo 883/2004 art. 24, 30; Zorgverzekeringswet art. 69; Regeling zorgverzekering art. 6.3.1, bijlage 4

 

ECLI:NL:CRVB:2026:283- U verlaat Rechtspraak.nl

AOW. Niet verzekerde tijdvakken. Europees of nationaal toetsingskader. Personele werkingssfeer Vo 1408/71.

De Svb heeft appellant terecht niet verzekerd geacht voor de AOW in de periodes waarin hij in Jamaica, Schotland en het Verenigd Koninkrijk heeft verbleven en/of gewerkt. In periode van 2 februari 1982 tot en met 30 april 1982 verbleef en werkte appellant in Jamaica. Vo 1408/71 was niet van toepassing, omdat appellant buiten de toenmalige EEG werkte. Op grond van het nationale toetsingskader was appellant niet verzekerd omdat hij geen ingezetene van Nederland was. In de periode van 1 mei 1982 tot en met 5 april 1983 verbleef en studeerde appellant in Schotland. Vo 1408/71 was niet van toepassing omdat hij niet onder de personele werkingssfeer van die verordening viel. In de derde periode die viel tussen 6 april 1983 en 5 april 1997 werkte appellant in loondienst voor de National Health Service in het VK. Hij viel toen onder de personele werkingssfeer van Vo 1408/71 op grond waarvan uitsluitend de sociale zekerheidswetgeving van het VK op hem van toepassing was. Hierbij is niet relevant of appellant in Nederland of in het VK woonde. Hij was dus niet onderworpen aan Nederlandse wetgeving en daarom niet verzekerd voor de AOW.

Vo 1408/71 art. 1, 2, 13; AOW art. 2, 6; SB1027

Sociale voorzieningen

 

ECLI:NL:CRVB:2026:282- U verlaat Rechtspraak.nl

Aanpassing tuin. Reikwijdte Wmo 2015. Hardheidsclausule.

De Verordening is gebaseerd op artikel 2.1.3, eerste lid, van de Wmo 2015 en strekt tot uitvoering van de aldaar gegeven opdracht tot nadere normstelling in medebewind. De hardheidsclausule uit de Verordening is derhalve niet bedoeld om die wettelijke reikwijdte te wijzigen. Dit valt ook af te leiden uit de tekst van de hardheidsclausule, waarin wordt bepaald dat deze slechts toepassing kan hebben in situaties van een ‘vastgestelde ondersteuningsbehoefte’. Bij het ontbreken van een definitie van dit begrip in de Verordening moet het er immers voor worden gehouden dat daarmee bedoeld is dat er een behoefte bestaat aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015. In dit geval is niet in geding dat de gevraagde voorziening, een aanpassing van de tuin, niet kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in de Wmo 2015. Van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de zin van de Wmo 2015 is dan ook geen sprake. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank bij het zelf voorzien in de zaak de gevraagde voorziening niet heeft kunnen verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule.

Wmo 2015 art. 2.1.3 lid 1, 2.3.5 lid 3

 

ECLI:NL:CRVB:2026:290- U verlaat Rechtspraak.nl

Gehandicaptenparkeerplaats. Parkeerplaats op eigen terrein. Bijzondere omstandigheden. Verkeersveiligheid. Toegang.

Het college heeft de aanvraag om een gehandicaptenparkeerplaats afgewezen omdat appellant een parkeermogelijkheid op eigen terrein heeft. Volgens het beleid moet appellant daarom zijn auto op het eigen terrein parkeren. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat hiervan moet worden afgeweken. Vaststaat dat appellant de auto daadwerkelijk kan parkeren op de eigen parkeerplaats voor de garage. Dat appellant om de parkeerplaats op het eigen terrein te kunnen bereiken “heen en weer” moet steken op een plek waar anderen langs kunnen komen of uit hun tuindeuren kunnen stappen levert niet een bijzondere omstandigheid op. Het “heen en weer” steken bij het parkeren komt namelijk ook voor bij parkeren op de openbare weg. De omstandigheid dat sprake is van krappe toegangswegen naar de parkeerplaats op eigen terrein is ook niet aan te merken als bijzonder, omdat beide toegangswegen volgens de verkeersregels toegankelijk zijn voor auto’s van eenieder.

BABW art. 12; Beleidsregels voor parkeervoorzieningen gehandicapten Alkmaar

Overige nieuwsbrieven

Nieuwsbrieven 2026

Nieuwsbrieven 2025

Nieuwsbrieven 2024

Nieuwsbrieven 2023

Nieuwsbrieven 2022

Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.

Rechtspraak archiefweb- U verlaat Rechtspraak.nl