Nummer 8, gepubliceerde uitspraken augustus, jaargang 2026
De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in augustus 2026 zijn gepubliceerd.
De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.
Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl
Inhoud nieuwsbrief
Ambtenaren
ECLI:NL:CRVB:2026:955- U verlaat Rechtspraak.nl
Ontslag (primair strafontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag) houdt geen stand. De bij een nieuw besluit opgelegde straf van plaatsing in een lagere schaal en de bijkomende maatregel van overplaatsing houden wel stand. Voor een rangverlaging bestaat geen wettelijke grondslag.
Betrokkene is ten onrechte verweten dat hij een relatie is aangegaan met een ondergeschikte medewerkster die kwetsbaar was. Op basis van de beschikbare stukken kan niet worden geconcludeerd dat de collega ten tijde van het aangaan van de relatie kwetsbaar of labiel was. Daarnaast golden er geen regels of richtlijnen, waarin bijvoorbeeld was bepaald dat een relatie met een ondergeschikte en/of arbeidsongeschikte collega niet is toegestaan. Ook het niet melden van de relatie levert in dit geval geen plichtsverzuim op. De overige verweten gedragingen, waaronder het hebben van seks op de werkvloer en het zichzelf in een chantabele positie brengen, zijn wel komen vast te staan. Het opgelegde ontslag (primair strafontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag) houdt geen stand. De bij een nieuw besluit opgelegde straf van plaatsing in een lagere salarisschaal (van schaal 12 naar schaal 10) houdt wel stand. Aan een politieambtenaar mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Van een politieambtenaar die een leidinggevende rol heeft, mag nog meer worden verwacht dat hij zich van gedragingen en uitlatingen zoals die hier aan de orde zijn, onthoudt. Ook de bijkomende overplaatsing houdt stand. Voor de toegepaste rangverlaging bestaat echter geen wettelijke grondslag.
Barp art. 64, 77 lid 1; Besluit rangen politie art. 3a onder a
ECLI:NL:CRVB:2026:955- U verlaat Rechtspraak.nl
Ontslag (primair strafontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag) houdt geen stand. De bij een nieuw besluit opgelegde straf van plaatsing in een lagere schaal en de bijkomende maatregel van overplaatsing houden wel stand. Voor een rangverlaging bestaat geen wettelijke grondslag.
Betrokkene is ten onrechte verweten dat hij een relatie is aangegaan met een ondergeschikte medewerkster die kwetsbaar was. Op basis van de beschikbare stukken kan niet worden geconcludeerd dat de collega ten tijde van het aangaan van de relatie kwetsbaar of labiel was. Daarnaast golden er geen regels of richtlijnen, waarin bijvoorbeeld was bepaald dat een relatie met een ondergeschikte en/of arbeidsongeschikte collega niet is toegestaan. Ook het niet melden van de relatie levert in dit geval geen plichtsverzuim op. De overige verweten gedragingen, waaronder het hebben van seks op de werkvloer en het zichzelf in een chantabele positie brengen, zijn wel komen vast te staan. Het opgelegde ontslag (primair strafontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag) houdt geen stand. De bij een nieuw besluit opgelegde straf van plaatsing in een lagere salarisschaal (van schaal 12 naar schaal 10) houdt wel stand. Aan een politieambtenaar mogen hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid worden gesteld. Van een politieambtenaar die een leidinggevende rol heeft, mag nog meer worden verwacht dat hij zich van gedragingen en uitlatingen zoals die hier aan de orde zijn, onthoudt. Ook de bijkomende overplaatsing houdt stand. Voor de toegepaste rangverlaging bestaat echter geen wettelijke grondslag.
Barp art. 64, 77 lid 1; Besluit rangen politie art. 3a onder a
Arbeidsongeschiktheid
ECLI:NL:CRVB:2026:1043- U verlaat Rechtspraak.nl
Export Wajong-uitkering. Zwaarwegende omstandigheden om buiten Nederland te wonen.
Volgens het behandelteam van verzoekster hebben de periodes die verzoekster gedurende de afgelopen tijd in Spanje heeft verbleven, een duidelijke en aantoonbare verbetering tot gevolg gehad in zowel het lichamelijk als psychisch functioneren van verzoekster. Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt, is voldoende onderbouwd dat door haar verblijf in Spanje bij verzoekster een aanzienlijke vermindering van lichamelijk en psychisch lijden optreedt. Deze verbetering is niet (uitsluitend) gebaseerd op de eigen subjectieve ervaringen van verzoekster, maar berust op concrete observaties van het medisch behandelteam en op de aanzienlijke vermindering van medicatie en ondersteuningsbehoefte. De voorzieningenrechter acht geen andere uitkomst denkbaar dan dat het Uwv – bij een juiste weging van de relevante feiten en omstandigheden – tot het oordeel komt dat zich in het geval van verzoekster zwaarwegende omstandigheden voordoen om buiten Nederland te gaan wonen.
Wajong art. 3:19; Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland art. 2
ECLI:NL:CRVB:2026:1044- U verlaat Rechtspraak.nl
Hoger beroep werkgever. Urenbeperking onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor werkneemster een urenbeperking aangenomen van maximaal zes uur per dag, dertig uur per week, mede vanwege een depressie met psychose in de voorgeschiedenis. De Raad acht deze urenbeperking onvoldoende gemotiveerd en acht daarbij (onder meer) van belang dat de psychose van ex-werkneemster reeds geruime tijd geleden was, dat onduidelijkheid bestaat over de duur en de ernst van die psychose en dat ex-werkneemster daarna jarenlang fulltime heeft gewerkt, waarvan de laatste jaren in een leidinggevende functie. Verder was ex-werkneemster ten tijde in geding niet in behandeling voor haar psychische klachten of gebruikte zij hiervoor medicatie en was zij op dat moment voldoende hersteld van de depressie. Deze omstandigheden zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende kenbaar meegewogen bij het aannemen van de urenbeperking. Het Uwv wordt opgedragen om het motiveringsgebrek te herstellen.
Wet WIA art. 5, 6
ECLI:NL:CRVB:2026:973- U verlaat Rechtspraak.nl
Geen arbeidskundige herbeoordeling bij toepassing artikel 56 lid 3 Wet WIA.
De Raad blijft bij zijn vaste rechtspraak dat voor de toepassing van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA geen ruimte bestaat voor een arbeidskundige herbeoordeling. De enige voorwaarde voor beëindiging van de uitkering is of betrokkene met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. De toepasselijkheid volgt geheel uit de feitelijke omstandigheden. Het Uwv wordt niet gevolgd in het standpunt dat artikel 56, derde lid, van de Wet WIA alleen ziet op een uitlooptermijn en dat ook in dat geval op grond van artikelen 5 en 6 van de Wet WIA dient te worden beoordeeld of een verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.
Wet WIA art. 56 lid 3
Bijstand
ECLI:NL:CRVB:2026:1000- U verlaat Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Dringende redenen. Stilzitten door college. Opdracht nieuw besluit.
Het getuigt niet van een evenwichtige belangenafweging om geen betekenis toe te kennen aan het aandeel van het college bij het ontstaan van de terugvordering. Hierbij is van belang dat sprake was van twee concrete meldingen die aanleiding gaven om onderzoek te verrichten. Het college moet weliswaar de tijd worden gegund om naar aanleiding van die meldingen een onderzoek te starten en grondig onderzoek te verrichten, maar de Raad is van oordeel dat in dit geval zodanig veel tijd is verstreken tussen de meldingen en de start van het onderzoek, dat dit gevolgen moet hebben voor de terugvordering.
PW art 3 lid 4; 58 lid 1, 8; EVRM art. 8
Sociale voorzieningen
ECLI:NL:CRVB:2026:1090- U verlaat Rechtspraak.nl
Herhaalde aanvraag jeugdhulp, tijdens ondertoezichtstelling niet college maar gecertificeerde instelling (GI) bevoegd tot vaststelling behoefte en omvang jeugdhulp, college wel bevoegd te beslissen over pgb voor jeugdhulp.
De aanvraag van appellant om jeugdhulp is een herhaling van de aanvragen waarop het college eerder heeft beslist met besluiten van 25 oktober 2024 en van 24 oktober 2024. Het college heeft hierop beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het college heeft destijds geen onderzoek gedaan naar de vraag welke jeugdhulp nodig was, omdat het college zich bij de eerdere aanvragen niet bevoegd achtte om de jeugdhulp vast te stellen vanwege de ondertoezichtstelling van appellant. Ten tijde van de aanvraag van 16 november 2024 en de hier in geding zijnde besluitvorming was er nog steeds sprake van een ondertoezichtstelling. Er was dus met betrekking tot die afwijzingsgrond geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden.
Als een ondertoezichtstelling is uitgesproken dient de GI te bepalen of, en zo ja, welke jeugdhulp aangewezen is. Pas nadat de GI bepaald heeft dat en welke jeugdhulp is aangewezen, rijst de vraag of daarin kan worden voorzien door zorg in natura of door een pgb. In het laatste geval dient het college te beoordelen of aan de toekenningsvoorwaarden van een pgb is voldaan en of een van de weigeringsgronden aan de orde is. De GI heeft in het geval van appellant niet bepaald dat jeugdhulp, zoals neergelegd in de aanvragen, aangewezen was. Dit betekent dat de afwijzing door het college van de aanvraag niet onmiskenbaar onjuist was en het college tot het standpunt kon komen dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is.
Awb art. 4:6; Jw art. 3.5, 8.1.1
ECLI:NL:CRVB:2026:1003- U verlaat Rechtspraak.nl
Tegemoetkoming in de meerkosten, verschillen, beleidsvrijheid.
Voor een gemeente bestaat er geen verplichting tot het verstrekken van een tegemoetkoming in de meerkosten van mensen met een beperking. De wetgever heeft gemeenten bewust de ruimte gegeven om zelf een politiek-bestuurlijke afweging te maken en heeft als voorwaarde voor de verstrekking van een tegemoetkoming gesteld dat de keuze bij verordening moet worden gemaakt. Door deze beleidsvrijheid kunnen er verschillen ontstaan tussen gemeenten bij het al dan niet verstrekken en de hoogte van de tegemoetkoming. Aan appellant is op de grond van de gemeentelijke regelgeving de maximale tegemoetkoming van € 200,- verstrekt in 2021 en 2022. Dat in de gemeente Amsterdam een hogere tegemoetkoming kan worden verstrekt maakt niet dat het college dat ook moet doen.
Wmo 2015 art. 2.1.7
ECLI:NL:CRVB:2026:997- U verlaat Rechtspraak.nl
Pgb, vergoeding voor loon zieke zorgverlener, buitenwettelijk beleid, toetsing beleid en besluit aan evenredigheidsbeginsel
De Svb verstrekt in geval van ziekte van een zorgverlener met een arbeidsovereenkomst van drie dagen of minder, aan de budgethouder een vergoeding voor het loon van de zieke zorgverlener voor de duur van maximaal 6 weken vanaf de eerste ziektedag. Deze vergoeding is uitsluitend gebaseerd op een passage in de toelichting bij het toenmalige artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Het gaat hier om beleid in de vorm van een vaste gedragslijn, die de Svb in haar uitvoeringspraktijk hanteert en dat is aan te merken als buitenwettelijk begunstigend beleid. De Raad ziet in wat betrokkene naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid om voor de aanvang van de verstrekking van de ziekengeldvergoeding aansluiting te zoeken bij de eerste ziektedag van de zorgverlener in plaats van de datum van de aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Svb heeft er gelet op de grote beleidsruimte die de Svb heeft voor mogen kiezen om de periode van 6 weken waarvoor de Svb een ziekengeldvergoeding kan toekennen, gelijk te stellen aan de periode waarvoor op grond van 7:629 BW een loondoorbetalingsverplichting geldt, welke periode aanvangt op eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Ook zijn het stellen van een termijn waarbinnen de ziekmelding moet zijn doorgegeven aan de Svb en de consequenties van een niet tijdige melding niet onevenredig. Niet in geschil is dat de Svb in het bestreden besluit heeft gehandeld overeenkomstig het beleid en dat betrokkene bekend was met dit beleid en de mogelijke gevolgen van toepassing daarvan. Betrokkene heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in haar geval tot een onevenredige uitkomst leidt.
Wmo 2015 art. 2.6.2 lid 1, 2; Uitvoeringsregeling Wmo 2015 art. 2b lid 1, 2, 3, 10
ECLI:NL:CRVB:2026:1097- U verlaat Rechtspraak.nl
Afwijzing Wlz-indicatie, thuis wonen, verhouding Wmo 2015 en Wlz bij substantiële zorgbehoefte.
De omstandigheid dat er naast de vanuit de Wmo 2015 verstrekte omvang van zeven uren begeleiding, veel extra persoonsgerichte begeleiding wordt gegeven door X om appellante niet te laten ontsporen, betekent niet dat een indicatie voor Wlz-zorg moet worden verleend. De Raad overweegt verder dat in de visie van de wetgever het van belang is dat mensen zo lang mogelijk met de juiste vorm(en) van ondersteuning thuis kunnen blijven wonen. De Wlz is in dit verband de laatste regeling die van toepassing is. Er zijn situaties denkbaar waarin iemand juist door gebruikmaking van hulp en ondersteuning (begeleiding) in zeer substantiële omvang via met name de Wmo 2015, blijvend – dat wil zeggen zonder reëel perspectief op vermindering van dat aantal uren – thuis kan blijven wonen. In dergelijke situaties is het onwenselijk, en ook niet passend, dat uitstroom uit de Wmo-ondersteuning nog steeds wordt nagestreefd. Bovendien is het in dergelijke situaties ongewenst dat zo iemand na relatief korte periodes dient mee te werken aan herindicaties die voor hem evident als zeer belastend voor dat precaire evenwicht zijn te beschouwen.
Wlz art. 3.2.1
ECLI:NL:CRVB:2026:999- U verlaat Rechtspraak.nl
Gpk, kortere geldigheidsduur dan vijf jaar, geen medische eindsituatie.
Een GPK wordt in beginsel voor vijf achtereenvolgende jaren verleend. Indien er echter een redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de termijn gedurende welke de gehandicapte in aanmerking komt voor een GPK, korter zal zijn dan vijf jaren, wordt de geldigheidsduur daarvan beperkt tot die termijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college aan verzoekster terecht een GPK voor een passagier heeft verstrekt voor de duur van twee jaar. Het college heeft zich hierbij mogen baseren op het medische advies van de arts van Trompetter & Partners. Deze arts heeft vastgesteld dat er nog geen sprake is van een medische eindsituatie. Het beloop in relatie tot het zelfstandig lopen moet worden afgewacht. De arts heeft vanwege de prognose geadviseerd een GPK voor een passagier voor twee jaar te verlenen. Dan is er een eindsituatie in de belastbaarheid van de rechterknie. De voorzieningenrechter ziet geen reden voor het oordeel dat het medisch advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer art. 51 lid 1, 2
Volksverzekeringen
ECLI:NL:CRVB:2026:1029- U verlaat Rechtspraak.nl
ANW. Intrekking. Nabestaande. Echtscheiding naar Marokkaans recht. Verplichting tot levensonderhoud.
De ANW-uitkering van betrokkene is met terugwerkende kracht ingetrokken omdat is gebleken dat zij op 25 juni 2015 van haar echtgenoot is gescheiden. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat ten tijde van het primaire besluit al voldoende was komen vast te staan dat de echtscheiding in het register van de rechtbank te Meknès was ingeschreven. Ten tijde van het overlijden van de echtgenoot van betrokkene was de echtscheiding naar Marokkaans recht voltooid. Deze echtscheiding wordt op grond van artikel 10:57 BW in Nederland erkend. Betrokkene kan niet worden aangemerkt als nabestaande omdat zij op de datum van overlijden geen gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot voerde en uit de echtscheidingsakte is gebleken dat haar ex-echtgenoot niet verplicht was tot het verstrekken van levensonderhoud aan betrokkene. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, eerste lid, van de ANW. De uitkering is daarom terecht ingetrokken.
ANW art. 1, 4, 34; BW art. 10:57
Overige nieuwsbrieven
Nieuwsbrieven 2026
Nieuwsbrieven 2025
Nieuwsbrieven 2024
Nieuwsbrieven 2023
- Nummer 1, 1e helft januari 2023
- Nummer 2, 2e helft januari 2023
- Nummer 3, 1e helft februari 2023
- Nummer 4, 2e helft februari 2023
- Nummer 5, 1e helft maart 2023
- Nummer 6, 2e helft maart 2023
- Nummer 7, 1e helft april 2023
- Nummer 8, 2e helft april 2023
- Nummer 9, 1e helft mei 2023
- Nummer 10, 2e helft mei 2023
- Nummer 11, 1e helft juni 2023
- Nummer 12, 2e helft juni 2023
- Nummer 13, 1e helft juli 2023
- Nummer 14, 2e helft juli 2023
- Nummer 15, 1e helft augustus 2023
- Nummer 16, 2e helft augustus 2023
- Nummer 17, 1e helft september 2023
- Nummer 18, 2e helft september 2023
- Nummer 19, 1e helft oktober 2023
- Nummer 20, 2e helft oktober 2023
- Nummer 21, 1e helft november 2023
- Nummer 22, 2e helft november 2023
- Nummer 23, 1e helft december 2023
- Nummer 24, 2e helft december 2023
Nieuwsbrieven 2022
- Nummer 1, 1e helft januari 2022
- Nummer 2, 2e helft januari 2022
- Nummer 3, 1e helft februari 2022
- Nummer 4, 2e helft februari 2022
- Nummer 5, 1e helft maart 2022
- Nummer 6, 2e helft maart 2022
- Nummer 7, 1e helft april 2022
- Nummer 8, 2e helft april 2022
- Nummer 9, 1e helft mei 2022
- Nummer 10, 2e helft mei 2022
- Nummer 11, 1e helft juni 2022
- Nummer 12, 2e helft juni 2022
- Nummer 13, 1e helft juli 2022
- Nummer 14, 2e helft juli 2022
- Nummer 15, 1e helft augustus 2022
- Nummer 16, 2e helft augustus 2022
- Nummer 17, 1e helft september 2022
- Nummer 18, 2e helft september 2022
- Nummer 19, 1e helft oktober 2022
- Nummer 20, 2e helft oktober 2022
- Nummer 21, 1e helft november 2022
- Nummer 22, 2e helft november 2022
- Nummer 23, 1e helft december 2022
- Nummer 24, 2e helft december 2022
Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.