Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Deze nieuwsbrief komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd.

Nummer 9, gepubliceerde uitspraken september, jaargang 2026

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in september 2026 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak. 

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl

Inhoud nieuwsbrief

Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CRVB:2026:1149- U verlaat Rechtspraak.nl

Herzieningsverzoek. Reikwijdte vaststellingsovereenkomst. Niet beslissen op verzoek.

De Raad heeft in een uitspraak van 2 april 2026 in een andere zaak van appellant geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat er geen reden is om appellant hieraan niet gebonden te achten. Aangezien het verzoek om herziening van appellant ziet op periodes voorafgaand aan 1 mei 2020, heeft het Uwv terecht gesteld dat deze verzoeken onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst vallen. Echter, op dit verzoek had het Uwv, nu dit een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, een besluit moeten nemen. Uit de tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst vloeit ook voort dat het Uwv een verzoek dat ziet op periodes voorafgaand aan 1 mei 2020 – onder verwijzing naar deze overeenkomst – niet in behandeling zou nemen. De systematiek van de Awb brengt mee dat een dergelijke beslissing, ook als de inhoud daarvan reeds op voorhand door de vaststellingsovereenkomst is bepaald en bekend mag worden verondersteld, wordt neergelegd in een besluit.

Awb art. 1:3

 

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1221- U verlaat Rechtspraak.nl

Verzoek terugkomen van. Stukken inmiddels vernietigd op grond van Archiefwet.

Appellant heeft het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 12 maart 2001, waarbij is uitgegaan van een hersteldverklaring in 1982 waardoor de wachttijd voor de WAO niet is volgemaakt. De aan dit besluit ten grondslag liggende stukken heeft het Uwv op grond van de Archiefwet vernietigd. Appellant heeft zelf weliswaar stukken overgelegd waarover hij nog de beschikking had, maar duidelijk is dat deze stukken tezamen niet het volledige dossier van destijds vormen. Gelet op het tijdsverloop komt dit gebrek aan stukken, waardoor niet meer (verantwoord) is vast te stellen van welke medische situatie destijds is uitgegaan voor rekening van appellant. Appellant is er niet in geslaagd om aan te tonen dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Awb art. 4:6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1141- U verlaat Rechtspraak.nl

Opvragen machtiging bij advocaat. Aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten eigen bijdrage rechtsbijstand.

Het uitgangspunt is dat bij een advocaat niet om een machtiging wordt gevraagd. Dit uitgangspunt is niet beperkt tot het voeren van rechtsgedingen en geldt ook voor de aanvraagfase. Niet in geschil is dat het dagelijks bestuur wist dat mr. IJpelaar advocaat is. Aldus moet ervan worden uitgegaan dat mr. IJpelaar het verzoek om bijzondere bijstand namens appellant heeft gedaan. Dit laat onverlet dat het dagelijks bestuur van appellant een verklaring mag verlangen waaruit blijkt dat hij, bij inwilliging van de aanvraag, ermee instemt dat de bijzondere bijstand wordt overgemaakt aan mr. IJpelaar.
Zie ook de vergelijkbare uitspraak ECLI:NL:CRVB:2026:1143- U verlaat Rechtspraak.nl.

Ambtenaren

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1177- U verlaat Rechtspraak.nl

Beëindiging rio-opleiding en ontslag. Beroep op direct onderscheid op grond van chronische ziekte. Uitleg begrip “chronische ziekte”.

Het bestuur heeft de rio-opleiding van appellant per 14 maart 2024 beëindigd, omdat de opleiding niet met gunstig resultaat zal kunnen worden afgesloten. In verband daarmee is appellant per dezelfde datum ontslag verleend. Appellant was op die datum ziek.
De Raad is van oordeel dat in dit geval is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor beëindiging van de rio-opleiding en het ontslag. Volgens appellant heeft het bestuur een verboden onderscheid gemaakt op grond van een chronische ziekte. Het begrip “chronische ziekte” is in de Wgbh/cz niet nader gedefinieerd. De Wgbh/cz is mede tot stand gekomen naar aanleiding van de Europese Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 (Kaderrichtlijn). De Kaderrichtlijn gebruikt het begrip chronische ziekte niet. Het HvJ EU heeft voor het daar wel gehanteerde, maar niet gedefinieerde begrip handicap aansluiting gezocht bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In dit geval kan niet worden geconcludeerd dat er ten tijde van de ontslagverlening op 14 maart 2024 sprake was van een chronische ziekte. Er was op het moment van de ontslagverlening geen reden om te veronderstellen dat appellant door de aard van de aandoening langdurig zou worden belemmerd in het volledig deelnemen aan het beroepsleven als rechter.

Boro art. 7, 9; Brra art. 2da, 36a; Wgbh/cz art. 1, 4

   

ECLI:NL:CRVB:2026:1180- U verlaat Rechtspraak.nl

Disciplinaire maatregel van plaatsing van ploegchef in een andere functie met verlaging van het salaris is niet onevenredig. De financiële gevolgen daarvan voor de FLO- en pensioenuitkering maken dat niet anders.

Het dagelijks bestuur heeft aan de hand van het vastgestelde plichtsverzuim mogen concluderen dat appellant door zijn handelen het vertrouwen van het bestuur in zijn betrouwbaarheid en integriteit als medewerker en ploegchef ernstig heeft beschadigd. Appellant heeft naar aanleiding van zijn schorsing een suggestief en opruiend app-bericht verstuurd naar de leden van zijn ploeg. Nadat hem door zijn leidinggevenden was gevraagd openheid van zaken te geven over dit app-bericht, heeft hij het bewerkt en niet het originele maar het bewerkte bericht overgelegd aan zijn leidinggevenden. Verder heeft hij bij herhaling tegen zijn leidinggevenden gelogen en de voor eenieder geldende ziekteregels overtreden. Daarnaast heeft appellant nevenwerkzaamheden verricht terwijl hij bij de veiligheidsregio stond ingeroosterd. Deze niet integere en deels gezagsondermijnende gedragingen zijn appellant als medewerker en leidinggevende zwaar aan te rekenen. Dit alles leidt de Raad tot het oordeel dat de straf van plaatsing in een andere functie met verlaging van het salaris niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Dat de disciplinaire maatregel nadelige financiële gevolgen heeft voor zijn FLO- en pensioenuitkering maakt dat niet anders.

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1243- U verlaat Rechtspraak.nl

Verzoek om nadeelcompensatie. Beëindiging toestemming verrichten nevenwerkzaamheden met afbouwperiode. Geen sprake van schade die het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico overstijgt.

De korpschef heeft op basis van gewijzigd beleid de eerder aan appellant verleende toestemming om nevenwerkzaamheden als tolk/vertaler voor de politie te verrichten beëindigd. Zoals in de uitspraak van 27 oktober 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2320- U verlaat Rechtspraak.nl) is overwogen is de achtergrond daarvan dat, ongeacht welke functie de ambtenaar binnen de politie vervult, (de schijn van) belangenverstrengeling en (imago)schade voor de politie moet worden voorkomen en is dit onvoldoende gewaarborgd als nevenwerkzaamheden worden verricht als tolk/vertaler voor de politie. Hierbij spelen ook de maatschappelijke ontwikkelingen een rol. Dit zijn in het algemeen omstandigheden waar een ambtenaar rekening mee moet houden. Verder is in de uitspraak van 27 oktober 2022 overwogen dat appellant de nevenwerkzaamheden op oproepbasis en zonder werkgarantie verrichtte, en dat de wens van een opdrachtgever om niet langer van de diensten van een zzp’er gebruik te maken in beginsel tot het normale ondernemersrisico behoort. De bijzondere omstandigheden waaronder appellant zijn nevenwerkzaamheden verrichtte en de omvang daarvan maken dat niet anders.

Gelet op alle omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat de door appellant gestelde schade die hij na afloop van de afbouwperiode heeft geleden, het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico overstijgt. Daarom kan en zal de Raad in het midden laten of in dit geval is voldaan aan het vereiste van een speciale last.

Arbeidsongeschiktheid

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1109- U verlaat Rechtspraak.nl

Geen garantiebedrag. Negatief bedrijfsresultaat. 

De rechtbank wordt niet gevolgd in haar standpunt dat ook bij een negatief inkomen over 2020 door het Uwv een garantiebedrag moet worden vastgesteld. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een door de wetgever bedoelde achteruitgang als direct gevolg van de nieuwe rekenregels alleen sprake kan zijn als een jonggehandicapte in december 2020 inkomen genoot dat op grond van de oude rekenregels gekort werd op zijn Wajong-uitkering en toepassing van de nieuwe rekenregels per 1 januari 2021 tot een lager totaalinkomen zou leiden. Op de Wajong-uitkering van betrokkene zijn in december 2020 geen inkomsten gekort, omdat de Belastingdienst over het belastingjaar 2020 voor betrokkene een negatief bedrijfsresultaat heeft vastgesteld. Betrokkene ondervindt daarmee per 1 januari 2021 geen (direct) nadeel van invoering van de nieuwe rekenregels. Aangezien betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 8:8, eerste lid, onder a, van de Wajong heeft het Uwv voor hem terecht geen garantiebedrag vastgesteld.

Wajong art. 8:8

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1157- U verlaat Rechtspraak.nl

In bezwaar alsnog geschikt geacht voor maatgevend werk.

De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk en heeft theoretische functies geselecteerd. In bezwaar is een nieuwe FML opgesteld en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellante wel haar maatgevende arbeid kan verrichten. Het standpunt van appellante, dat de conclusies van de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tegenstrijdig zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt een volledige heroverweging plaats op grondslag van het bezwaar. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan dus op basis van eigen onderzoek tot een andere conclusie komen dan de primaire arbeidsdeskundige, zolang daar een deugdelijke motivering aan ten grondslag ligt. Die motivering is gegeven.

Wet WIA art. 5

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1114- U verlaat Rechtspraak.nl

Vergoedingen kosten auto. Inkomensafhankelijk. Algemeen gebruikelijk. Geen verboden onderscheid handicap.

Het Uwv heeft terecht geweigerd om appellant een vergoeding meerkosten verzekering, motorrijtuigenbelasting en een kilometervergoeding toe te kennen. De door appellante gewenste vervoersvoorzieningen zijn in beginsel inkomensafhankelijk. Dit is uitsluitend anders als het gaat om vervoersvoorzieningen die gezien de aard van die voorziening, ongeacht het inkomen, niet algemeen gebruikelijk zijn. In dit geval gaat het niet om een ‘bijzonder type auto’, zoals een rolstoelbus, maar om een auto die algemeen gebruikelijk is. Dat in de auto specifiek voor appellant aanpassingen zijn aangebracht, maakt niet dat daardoor sprake is van een ‘bijzonder type auto’. Omdat het (gezins)inkomen uitkomt boven de van toepassing zijnde inkomensgrens, heeft appellant geen recht op de vervoersvoorzieningen. Geen sprake is van een verboden onderscheid tussen verschillende soorten gehandicapten.

Wet WIA art. 35; Reïntegratiebesluit art. 5; Reïntegratieregeling art. 12;

Twaalfde protocol bij het EVRM art. 1; EVRM art. 14; VN-Gehandicaptenverdrag art. 5, 27

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1233- U verlaat Rechtspraak.nl

Appellant was niet in dienst bij het Uwv. Terechte toepassing art. 19aa en 19ab ZW.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij op het moment van ziekmelding in een publiekrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW stond tot het Uwv en dat daarom artikel 19aa van de ZW niet van toepassing is. Geen sprake was immers van een formeel arbeidscontract (burgerlijk recht) met het Uwv en hij was ook niet daadwerkelijk in dienst bij het Uwv, zodat hij niet kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017. Op het moment van de ziekmelding was appellant werkloos en ontving hij een WW-uitkering. Gelet daarop is appellant op grond van artikel 7 van de ZW, en dus niet op grond van artikel 3 van de ZW, als werknemer beschouwd en het Uwv is op grond van artikel 11 van de ZW, en dus niet op grond van artikel 9 van de ZW, als werkgever beschouwd. Het Uwv heeft dus terecht toepassing gegeven aan de artikelen 19aa en 19ab van de ZW.

ZW art. 19aa, 19ab

Bijstand

ECLI:NL:CRVB:2026:1091- U verlaat Rechtspraak.nl

Intrekking, herziening en terugvordering van bijstand. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Crypto-activiteiten. Inkomen uit vermogen. Recht vaststellen. Opdracht nieuw besluit.

Als een betrokkene incidenteel ten behoeve van zichzelf en met eigen middelen crypto’s koopt en deze nadien verkoopt is slechts sprake van een mutatie van eigen vermogen en niet van het verkrijgen van inkomsten. Het incidenteel aankopen of verkopen van crypto’s met eigen middelen valt onder het algemeen gangbaar vermogensbeheer van de betrokkene en kan niet worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten uit vermogen. Dergelijke incidentele crypto-activiteiten, die in beginsel slechts vermogensmutaties behelzen, zijn op zichzelf dan ook niet van invloed op het recht op bijstand. Daarvan hoeft dus ook geen mededeling te worden gedaan aan de bijstandverlenende instantie.

Als echter de aan- en verkoop van crypto’s met eigen middelen, gelet op de omvang, de duur en het terugkerende karakter ervan, het algemeen gangbaar vermogensbeheer van de betrokkene overstijgen, dan kunnen die crypto-activiteiten wel van invloed zijn op het recht op bijstand. Crypto-activiteiten die het algemeen gangbaar vermogensbeheer overstijgen kunnen immers worden geacht te zijn gericht op het verkrijgen van inkomsten uit vermogen en moeten daarom gemeld worden aan de bijstandverlenende instantie.

Uit het transactieoverzicht volgt dat de aan- en verkoop van crypto’s door appellant het algemeen gangbaar vermogensbeheer overstegen, o.m. doordat appellant op ongeveer 600 verschillende tijdstippen aan- of verkooptransacties van crypto’s heeft verricht. Van het incidenteel aan- en verkopen van crypto’s was in het geval van appellant dan ook geen sprake.

PW art. 17 lid 1, 32 lid 1, 34 lid 1 en 3

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1189- U verlaat Rechtspraak.nl

Vaststelling definitief budget 2022. Exceptieve toetsing verdeelmodel. Opdracht nieuw besluit.

Anders dan de Raad heeft geoordeeld in ECLI:NL:CRVB:2021:1608- U verlaat Rechtspraak.nl, kan de rechtmatigheid van het in het Besluit PW neergelegde verdeelmodel exceptief worden getoetst in de procedure over een besluit op grond van artikel 71, tweede lid, van de PW. Omdat de minister dit, ondanks de bezwaargronden die daarop zagen, heeft nagelaten, komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

PW 69 lid 1, 71

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1195- U verlaat Rechtspraak.nl

Herziening en terugvordering van bijstand. Lening. Geen inkomen.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene het bedrag van € 500,- contant had geleend van X. Alleen in geschil is of de lening als inkomen in mindering moet worden gebracht op de bijstand van betrokkene. Dat mocht het dagelijks bestuur niet, want in dit geval is het als lening ontvangen bedrag geen inkomen. Daarbij staat voorop dat het een eenmalig verkregen geleend bedrag betreft, dat niet voortkwam uit een bron die periodiek of bij herhaling middelen voor de voorziening in het levensonderhoud opleverde. Daarnaast is de eenmalige lening hier ook naar zijn aard niet gelijk te stellen met periodieke inkomsten.

PW art. 17 lid 1, 31 lid 1, 32 lid 1, 34 lid 1

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1196- U verlaat Rechtspraak.nl

Opgelegde maatregel. Niet meewerken aan voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Geen dringende redenen. Toetsing aan evenredigheidsbeginsel. Geen bijzondere omstandigheden. Geen exceptieve toetsing aan verordening. Schadevergoeding redelijke termijn.

Bij het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder h, in samenhang met artikel 18, vijfde lid, van de PW gaat het om een gebonden bevoegdheid. De uitoefening van die bevoegdheid kan niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Daarom moet eerst onderzocht worden of de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 18, tiende lid, van de PW moet worden afgestemd. Het college heeft tot het oordeel kunnen komen dat niet is gebleken van dringende redenen die ertoe noodzaken om de opgelegde maatregel af te stemmen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt ook niet. Appellant heeft gesteld noch onderbouwd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd en ook niet geconcretiseerd dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden waardoor toepassing van deze wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.

PW art. 18, lid 4, 5 en 10

 

Internationaal

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1075- U verlaat Rechtspraak.nl

Grensoverschrijdende situatie. Unierecht. Toepasselijke wetgeving. Weigering A1-verklaring af te geven. Werkzaamheden als zelfstandige en in loondienst. Marginale werkzaamheden. Bewijslast.

Deze uitspraak gaat over de vraag of de Svb terecht heeft geweigerd om een A1-verklaring af te geven waarin wordt bepaald dat over 2021 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op appellante van toepassing is. Op degene die in verschillende lidstaten werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst pleegt te verrichten, is de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar deze persoon werkzaamheden in loondienst verricht. Dit is bepaald in artikel 13, derde lid, van Vo 883/2004. Daarbij worden volgens artikel 14, lid 5 ter, van Vo 987/2009 marginale werkzaamheden buiten toepassing gelaten. Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt in gevallen als deze mee dat aanvragers de relevante feiten stellen en in geval van gemotiveerde betwisting door de Svb deze feiten ook aannemelijk maken. Dit heeft tot gevolg dat het risico van de twijfel voor rekening van appellante komt. De Svb heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan. Appellante heeft haar stelling dat zij in 2021 in Nederland woonde en daar meer dan marginale werkzaamheden in loondienst heeft verricht, niet aannemelijk gemaakt. De A1-verklaring is daarom terecht geweigerd.

Vo 883/2004 art. 11 lid 1, 13 lid 3; Vo 987/2009 art. 14 lid 5 ter

Sociale voorzieningen

ECLI:NL:CRVB:2026:1203- U verlaat Rechtspraak.nl

Jeugdhulp. Onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat voor jeugdhulp in de vorm van verblijf toestemming van de ouder niet nodig is. Schending artikel 8 EVRM. Toekenning schadevergoeding. 

Het college heeft aan een 17-jarige jeugdhulp met verblijf toegekend terwijl de ouder met gezag (appellante) de toestemming daarvoor had ingetrokken. Dit leidt tot een schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven van appellante (artikel 8 EVRM). Anders dan het college, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 7.3.5, eerste lid, van de Jw tevens ziet op jeugdhulp op grond van artikel 2.3 in de vorm van verblijf en dat toestemming van de ouder niet nodig is. Van belang is onder meer dat de wetgever specifieke rechterlijke procedures in het leven heeft geroepen voor een situatie waarin de Staat wil afwijken van de hoofdregel dat ouders met gezag de verblijfplaats bepalen.

De Raad oordeelt verder dat de ontstane schending van artikel 8 EVRM moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. De Raad acht het aannemelijk dat het in strijd met de Jw en het zonder rechterlijke machtiging toekennen van jeugdhulp met verblijf en het daarmee feitelijk mogelijk maken van het verblijf van de dochter van appellante bij een stichting een behoorlijke impact op appellante heeft gehad en wel zodanig dat dit bij haar ernstige onrust, spanning en frustratie heeft teweeggebracht. De Raad ziet daarin voldoende grond tot toekenning van een vergoeding van schade van € 5.000,- aan appellante.

Jw art. 2.3, 7.3.5 lid 1; EVRM art. 8; Awb art. 8:88

Volksverzekeringen

ECLI:NL:CRVB:2026:1134- U verlaat Rechtspraak.nl

Herziening en terugvordering AOW. Duurzaam gescheiden leven. Latrelatie.  Bewijslastverdeling. Onderzoeksplicht SVB.

Wat de bewijslastverdeling betreft is het bij de vaststelling van het recht op ouderdomspensioen aan de aanvrager om te stellen en een aannemelijk te maken dat sprake is van een uitzonderingssituatie waarin hij, hoewel hij gehuwd is, als ongehuwd moet worden aangemerkt omdat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenoot. Dat brengt mee dat als dit niet aannemelijk wordt gemaakt, dit voor risico komt van betrokkene. In gevallen waarin de betrokkene stelt dat direct vanaf de huwelijkssluiting sprake is van duurzaam gescheiden leven, moet de betrokkene feiten en omstandigheden aanvoeren waaruit dit ondubbelzinnig blijkt. De vraag die voorligt is of deze bewijslastverdeling ook opgaat in geval van een besluit waarbij de Svb het ouderdomspensioen ten nadele van de betrokkene herziet. Het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen van betrokkene is een voor hem belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de Svb. Dit betekent dat de Svb de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In geval van het achteraf bekend worden van een huwelijk hoeft de Svb, na een gericht onderzoek, alleen af te zien van herziening van het ouderdomspensioen ten nadele van de betrokkene, als uit de door betrokkene aangedragen feiten en omstandigheden ondubbelzinnig blijkt dat vanaf de huwelijksdatum sprake is geweest van duurzaam gescheiden leven. De Raad is van oordeel dat de Svb in de bezwaarfase voldoende onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten.

AOW art. 1 lid 3 aanhef onder b, 9 lid 1, 17 lid 4

Werkloosheid

ECLI:NL:CRVB:2026:1083 - U verlaat Rechtspraak.nl

Eerste werkloosheidsdag. Wekeneis.

Appellante is op 24 april 2024 vanuit de Verenigde Staten teruggekeerd naar Nederland. Uit artikel 16, tweede lid, van de WW volgt dat 25 april 2024 de eerste werkloosheidsdag is, omdat vanaf die datum de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW niet meer van toepassing was. Gelet op artikel 17, eerste lid, van de WW moet dan worden beoordeeld of appellante in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan 25 april 2024 in tenminste 26 kalenderweken ten minste één uur arbeidsuur per kalenderweek heeft. Dat is bij appellante niet het geval. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de wetgever met het doorschuiven van de eerste werkloosheidsdag naar het moment waarop geen uitsluitingsgrond meer van toepassing is heeft beoogd om ook de referteperiode voor de wekeneis door te schuiven.

WW art. 16, 16a lid 2, 17

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1082 - U verlaat Rechtspraak.nl

Verwijtbaar werkloos. Gelet op keuze wetgever, bestaat geen ruimte om andere/geen maatregel op te leggen. 

De wetgever heeft met de verplichte maatregel in artikel 27, eerste lid, van de WW beoogd een volledige afweging te maken met betrekking tot de evenredigheid van die maatregel. De wetgever heeft bedoeld en voorzien dat indien een werknemer de werkloosheid niet in overwegende mate valt te verwijten een maatregel wordt opgelegd waarbij op de WW-uitkering 50% in mindering wordt gebracht gedurende ten hoogste 26 weken. Er is dan voor het Uwv geen ruimte om een andere maatregel op te leggen of om geheel af te zien van het opleggen van een maatregel. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de zinsnede ‘over ten hoogste 26 weken’ in artikel 27, eerste lid, van de WW een maximale periode betreft die verkort mag worden indien daarvoor gegronde redenen zijn. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de Memorie van Toelichting bij de Wet wijziging WW-stelsel en ontslagrecht, waaruit blijkt dat de zinsnede ‘over ten hoogste 26 weken’ verband houdt met het feit dat vanaf 1 oktober 2006 ook recht kan bestaan op een WW-uitkering met een duur van minder dan zes maanden. De verlaging met de helft vindt plaats over de volledige uitkeringsduur, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

WW art. 27

 

ECLI:NL:CRVB:2026:1218- U verlaat Rechtspraak.nl

Hoofdstuk IV-uitkering. Pensioenfonds. Belanghebbende.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante als (bedrijfstak)pensioenfonds niet op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb als belanghebbende bij een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW kan worden aangemerkt, wordt onderschreven.

Uit deze gerichtheid van de artikelen 61 en 61a van de WW op de werknemer en zijn nagelaten betrekkingen volgt dat appellante bij toepassing van deze artikelen niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De verzoeken van 11 april 2023 worden dus op grond van artikel 1:3 van de Awb niet een als aanvraag beschouwd. Dat het Uwv na toekenning van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW de achterstallige pensioenpremies niet aan de werknemer maar rechtstreeks aan het pensioenfonds betaalt, maakt dat niet anders. Het doel van de Insolventierichtlijn is om een minimum aan bescherming te bieden aan werknemers tegen de financiële gevolgen van een faillissement van hun werkgever.

WW art. 61, 61a, 64

 

Archief nieuwsbrieven

Nieuwsbrieven 2026

Nieuwsbrieven 2025

Nieuwsbrieven 2024

Nieuwsbrieven 2023

Nieuwsbrieven 2022

Hint van type informatie
Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.

Rechtspraak archiefweb - U verlaat Rechtspraak.nl