Nummer 4, gepubliceerde uitspraken april, jaargang 2026
De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in april 2026 zijn gepubliceerd.
De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.
Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl
Inhoud nieuwsbrief
Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:386- U verlaat Rechtspraak.nl
Mededeling over ingangsdatum bezwarende jaren is geen besluit.
In de brief van 27 januari 2022 heeft het dagelijks bestuur de ingangsdatum van de bezwarende jaren vastgesteld op 1 augustus 2007 (waarmee impliciet te kennen is gegeven dat appellant onder het ’20 jaren beleid’ valt en niet onder het FLO-overgangsrecht). Deze brief is informatief van aard en is er niet op gericht om een wijziging in de bestaande rechtspositie van appellant te brengen. Met het aanstellingsbesluit van 2 juli 2007, waarbij appellant per 1 augustus 2007 is aangesteld in een bezwarende functie, is de ingangsdatum van de bezwarende jaren van appellant immers al als rechtsgevolg in het leven geroepen.
De brief van 27 januari 2022 kan evenmin aangemerkt worden als een rechtsvaststellend besluit over de rechtspositie van appellant, omdat de toepasselijkheid van het FLO-overgangsrecht rechtstreeks voortvloeit uit de wettelijke regels. Dat appellant, als gevolg van de onderbreking van zijn dienstverband, niet voldoet aan het vereiste vermeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder c van het BBF VRR om onder de werkingssfeer van het FLO-overgangsrecht te vallen, is duidelijk.
Awb art. 1:3 lid 1
ECLI:NL:CRVB:2026:507- U verlaat Rechtspraak.nl
Verzoek terugkomen van. Beleidsregel Uwv.
Met ingang van 1 oktober 2025 is de beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing (Stcrt. 2025, nr. 30050). in werking getreden, waarin het Uwv heeft bepaald hoe het omgaat met zijn bevoegdheid om terug te komen van vaststaande beslissingen. In artikel 12 van de beleidsregel is bepaald dat deze beleidsregel geldt voor primaire besluiten op grond van artikel 4:6 van de Awb die worden afgegeven na inwerkingtreding van dit besluit. Het primaire besluit dat in deze zaak in geding is, is weliswaar genomen op grond van artikel 4:6 van de Awb, maar dateert van 27 maart 2023. Dit betekent dat de beleidsregel hierop niet van toepassing is. Of toepassing van deze beleidsregel voor appellante een ruimer beoordelingskader zou inhouden en had moeten leiden tot een inhoudelijke beoordeling van haar aanvraag, kan daarom onbesproken blijven.
Awb art. 4:6
ECLI:NL:CRVB:2026:420- U verlaat Rechtspraak.nl
Verschoonbare termijnoverschrijding beroep. Bijzondere omstandigheden. Geringe verwijtbaarheid. Geringe overschrijding.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beroepstermijn met twee dagen is overschreden. De Raad is van oordeel dat de door appellant in diverse instanties geschetste situatie blijk geeft van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het beroepschrift slechts in geringe mate aan appellant kan worden verweten. Voorts is er naar het oordeel van de Raad in dit geval ruimte om de zeer geringe termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Awb art. 6:9, 6:11
ECLI:NL:CRVB:2026:384- U verlaat Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijke beroepen wegens niet tijdig beslissen. Ingebrekestelling. Niet onredelijk laat. Aan betaling ligt besluit ten grondslag. Zelf voorzien. Vaststelling dwangsom.
i. Van communicatie tussen appellant en het college, waaruit kon worden afgeleid dat vóór de indiening van het beroepschrift door appellant geen concreet uitzicht op besluitvorming over het al dan niet verbeuren van een dwangsom meer bestond, is niet gebleken. Ook voor het overige kan niet worden gezegd dat het uitzicht op besluitvorming daarover verloren is gegaan voordat het beroep werd ingesteld. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat appellant onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn beroepschrift.
ii. Het toekenningsbesluit is zichtbaar geworden in de uitbetaling op de bankrekening van appellant. Gelet op het telefoongesprek en op het feit dat de in dat gesprek aangekondigde uitbetaling vervolgens enkele dagen later ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is er aanleiding om in dit specifieke geval aansluiting te zoeken bij de rechtspraak dat aan een betaling van een uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag ligt. Dit betekent dat op het moment dat appellant beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag, het college al een besluit op die aanvraag had genomen.
Awb art 6:12; PW art. 35
ECLI:NL:CRVB:2026:372- U verlaat Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid vaststellingsovereenkomst.
De inhoud van de afspraken die partijen in een vaststellingsovereenkomst maken, mag afwijken van de wet (zie het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7728- U verlaat Rechtspraak.nl). Dit is slechts anders als de vaststellingsovereenkomst in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde, wat inhoudt dat de vaststellingsovereenkomst zozeer in strijd is met hetgeen de wettelijke regeling – over het geheel bezien – ter zake bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen. De Raad is van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en er geen reden is appellant daaraan niet gebonden te achten.
BW art. 3:40, 7:900,
ECLI:NL:CRVB:2026:494- U verlaat Rechtspraak.nl
Vertrouwensbeginsel. Belangenafweging.
Appellant mocht de gerechtvaardigde verwachting hebben dat het Uwv hem conform het voornemen een vervolguitkering op grond van de Wet WIA zou toekennen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,22%. Het belang van appellant bij nakoming van de toezegging weegt zwaar. Daartegenover staat weliswaar het door het Uwv genoemde algemeen belang, namelijk het voorkomen van een (mogelijke) toekenning van een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel, maar dit belang weegt bij afwezigheid van concrete bedreigde belangen van enige betekenis minder zwaar dan dat van appellant. Dat sprake is van een WIA-uitkering over een lange(re) periode is daarbij niet doorslaggevend. Dat appellant, zoals hij ter zitting heeft toegelicht, op basis van de gewekte verwachting geen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden, is bij deze belangenafweging niet doorslaggevend.
Ambtenaren
ECLI:NL:CRVB:2026:438- U verlaat Rechtspraak.nl
Ongeval tijdens een militaire oefening. Terecht is het ongeval als een bedrijfsongeval aangemerkt en niet als een dienstongeval. Geen sprake van een beroepsincident.
Betrokkene is tijdens het varen met een vlot in een snel stromende, ondiepe rivier van het vlot afgevallen. Volgens de Raad is niet gebleken dat de omstandigheden waaronder het vlotbouwen- en varen moest worden uitgevoerd in bijzondere mate afweken van de normale omstandigheden waarbinnen betrokkene zijn militaire vaardigheden dient te oefenen. Alle normaal gebruikelijke veiligheidsmaatregelen waren getroffen en gebruikelijke voorschriften dienden te worden nageleefd. Er was geen sprake van oorlogsnabootsende omstandigheden, zodat de staatssecretaris terecht geen dienstongeval heeft aangenomen. Evenmin was sprake van een beroepsincident. Dan moet het gaan om werkzaamheden waarbij het gevaar per definitie onderdeel van het werk is en waaraan de betrokken (militair) ambtenaar zich niet kan onttrekken. De Raad oordeelt dat daar in dit geval geen sprake van was, omdat de (oefen)situatie werd uitgevoerd onder toezicht van een instructeur, die vooraf en tijdens het varen instructies heeft gegeven, en betrokkene beschermende kleding in de vorm van een neopreen pak droeg. Betrokkene heeft de Raad er dan ook niet van kunnen overtuigen dat desondanks gezegd moet worden dat hij zich in een situatie met verhoogd risico heeft moeten begeven. Op basis van de stukken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het ongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden met onvoorziene gevolgen voor betrokkene.
Besluit AO/IV art. 2 lid 3, 6 en 7
ECLI:NL:CRVB:2026:435- U verlaat Rechtspraak.nl
Verzoek om aanvullend bedrag om smartengeld wegens later ingetreden arbeidsongeschiktheid. In dit geval is de afwijzing van het verzoek terecht, gelet op de inhoud en systematiek van de Rvbp.
De Raad volgt de rechtbank in haar conclusie dat er, gelet op de inhoud en systematiek van de Rvbp (zie ook ECLI:NL:CRVB:2018:2477- U verlaat Rechtspraak.nl), in de gegeven omstandigheden geen ruimte is voor toekenning van een aanvullend bedrag aan smartengeld. Daarbij is van belang dat ten tijde van de aanvraag van 12 april 2023 de eerdere beoordeling met het besluit van 30 januari 2017 al was afgerond. Ten tijde van die eerdere beoordeling was nog geen sprake van arbeidsongeschiktheid. Anders dan appellant heeft betoogd, voorziet de Rvbp er niet in dat in een geval als dit nog een nieuwe, zelfstandige, aanvraag om smartengeld kan worden ingediend, ditmaal op basis van veel later ingetreden arbeidsongeschiktheid. De artikelen 3 en 4 van de Rvbp moeten in onderlinge samenhang worden bezien en ook in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Rvbp. Heeft de toekenning van smartengeld eenmaal plaatsgevonden dan is de zaak daarmee afgedaan.
Rvbp art. 3, 4, 5 lid 1
ECLI:NL:CRVB:2026:409- U verlaat Rechtspraak.nl
Verzoek om schadevergoeding wegens verminderd arbeidsvermogen in verband met een PTSS. Begroting schade. Bewijslast.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen als gevolg van een aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder die gebeurtenis (de hypothetische situatie) zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten in beginsel op de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in het kader van de vergelijking tussen de feitelijke en de hypothetische situatie echter geen strenge eisen worden gesteld. In deze zaak oordeelt de Raad, net als de rechtbank, dat het door de staatssecretaris toegekende bedrag toereikend is.
Arbeidsongeschiktheid
ECLI:NL:CRVB:2026:497- U verlaat Rechtspraak.nl
Inkomsten uit arbeid. Indirecte verrijking. Schatten inkomsten.
Een kortingsartikel als artikel 44 van de WAO kan in beginsel slechts worden toegepast in geval van inkomsten uit arbeid die de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk zelf heeft genoten (zie ECLI:NL:CRVB:2008:BD7034). In bijzondere gevallen kan, ondanks het feit dat de betrokkene zelf uit arbeid geen inkomsten heeft genoten, hiervan voor de toepassing van de wet toch sprake zijn. Hierbij is met name gedacht aan gevallen waarin de betrokkene arbeid van economische waarde en aantoonbare loonwaarde heeft verricht, waarvoor hij weliswaar niet zelf is beloond, maar in verband waarmee hij zichzelf toch direct of indirect heeft verrijkt. Evenals de rechtbank acht de Raad het aannemelijk dat appellant van de positieve resultaten van het bedrijf heeft geprofiteerd en dat gesproken kan worden van indirecte verrijking door appellant. Door het ontbreken van betrouwbare schriftelijke gegevens over de omvang van de genoten inkomsten mocht het Uwv deze inkomsten schatten.
WAO art. 44
ECLI:NL:CRVB:2026:442 - U verlaat Rechtspraak.nl
Inkomsten. Vrijspraak.
Appellanten zijn door het gerechtshof vrijgesproken van het ten laste gelegde ‘genieten van inkomsten uit het verrichten van bestuurswerkzaamheden’. Volgens appellanten volgt uit de (partiële) vrijspraak dat in rechte is komen vast te staan dat zij geen inkomsten hebben genoten en moet deze conclusie worden overgenomen door de bestuursrechter. De Raad volgt het standpunt van appellanten niet. In de bestuursrechtelijke procedure worden minder strenge eisen gesteld aan het bewijs dan in de strafrechtelijke procedure. Voor de besluiten tot herziening en terugvordering van de WIA-uitkering en WAO-uitkering is slechts vereist dat het Uwv aannemelijk maakt dat appellanten, zonder hiervan mededeling te doen aan het Uwv, inkomsten hebben genoten uit bestuurswerkzaamheden. Enige mate van twijfel hoeft daaraan, anders dan in het strafrecht, niet in de weg te staan. Aan die bestuursrechtelijke maatstaf is in het geval van appellanten voldaan.
WAO art. 44, WIA art. 61
ECLI:NL:CRVB:2026:377- U verlaat Rechtspraak.nl
Begeleiding door leidinggevende. Kwalitatieve eisen.
De deskundige van de Raad acht het in dit geval noodzakelijk dat appellante begeleid wordt door een bij voorkeur vaste, laagdrempelige coachende leidinggevende die begrip en kennis van haar problematiek heeft. Naar het oordeel van de Raad zijn dit kwalitatieve eisen, zoals bedoeld in de uitspraken van de Raad van 15 juni 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1339- U verlaat Rechtspraak.nl) en 8 april 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:892- U verlaat Rechtspraak.nl). De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar aanleiding van het rapport van de deskundige, vastgestelde beperkingen zijn onvoldoende. Het bestaan van kwalitatieve eisen kan ertoe leiden dat voor appellante geen theoretische schatting mogelijk is, en dat zij aangewezen is op werk onder beschutte omstandigheden. Het argument dat een jobcoach kan worden ingezet, treft geen doel aangezien dit re-integratie-instrument in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen rol speelt.
Wet WIA art 4, 5
ECLI:NL:CRVB:2026:483- U verlaat Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht. Uitzendkracht.
Alvorens kan worden gesproken van uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 van het BW, moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 van het BW tussen appellant en de VOF. Dat betekent dat als de VOF geen gezag over appellant als uitzendkracht kan uitoefenen er geen sprake is van een uitzendovereenkomst, op grond waarvan appellant verplicht verzekerd zou zijn voor de werknemersverzekeringen. Uit de vennootschapsovereenkomst volgt dat appellant betrokken was bij de aanstelling en voorwaarden van de uitzendovereenkomsten, waarbij hij als veiligheidskundige werd uitgeleend aan respectievelijk [naam B.V. 5] en [x], en dat hij de beëindiging van deze uitzendovereenkomsten kon tegenhouden. Appellant kon dus via [naam B.V. 3] en [naam B.V. 1] invloed uitoefenen op zichzelf als uitzendkracht van de VOF. Zoals het Uwv daarbij terecht heeft opgemerkt, is ook niet gebleken dat appellant zich als werknemer heeft moeten verantwoorden ten opzichte van de VOF en dat hij daadwerkelijk onder gezag stond van de VOF. Daarnaast blijkt uit het dossier dat appellant zich veelvuldig namens de VOF als werkgever heeft opgesteld.
WIA art. 8; ZW art. 7; WW art. 3; BW art. 7:610, 7:690
ECLI:NL:CRVB:2026:500- U verlaat Rechtspraak.nl
Werkzaamheden op geld waardeerbaar. Direct voordeel.
Aannemelijk is dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en deze werkzaamheden heeft hij niet bij het Uwv heeft gemeld. Door schending van de inlichtingenverplichting is de uitkering van appellant te hoog vastgesteld. De door appellant verrichte werkzaamheden zijn, mede gelet op de aard ervan, op geld waardeerbaar. Uit de op 15 augustus 2022 afgelegde verklaring blijkt dat appellant weliswaar geen geld verdiende met deze werkzaamheden, maar wel bijvoorbeeld eten of een overhemd kreeg, en dat zijn neef hem ook op een andere manier hielp. Appellant heeft direct voordeel gehad dat als inkomen zoals bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA kan worden aangemerkt. Het Uwv mocht het inkomen van appellant schatten. Geoordeeld wordt dat de schatting van het Uwv, waarbij is uitgegaan van tien uur per week en het wettelijk minimumloon, voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
Wet WIA art. 61, 76, 77
Bijstand
ECLI:NL:CRVB:2026:385- U verlaat Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvragen. Bijzondere bijstand voor de kosten van een smartphone/mobiele telefoon. Noodzakelijke kosten. Geen bijzondere omstandigheden Proceskosten.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 PW volgt dat het bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand gaat om de vraag of de gevraagde kosten in het concrete individuele geval van de aanvrager als noodzakelijk moeten worden aangemerkt. Anders dan appellant lijkt te betogen, gaat het dus niet om de vraag of bepaalde kosten in het algemeen gangbaar zijn.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval het kunnen beschikken over een smartphone noodzakelijk is, maar wel aannemelijk gemaakt dat een gewone mobiele telefoon noodzakelijk is. Van bijzondere omstandigheden is evenwel geen sprake. Appellant heeft zijn standpunt dat hij niet kon reserveren voor de kosten van € 25,- namelijk niet gespecificeerd en niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd.
PW art 14, 35
ECLI:NL:CRVB:2026:407- U verlaat Rechtspraak.nl
Intrekking van bijstand na opschorting. Niet verschenen op gesprek. Intrekking en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Hoofdverblijf. Extreem laag waterverbruik. Vooronderstelling. Schadevergoeding redelijke termijn.
De vooronderstelling bij extreem laag waterverbruik is gebaseerd op het uitgangspunt dat hoofdverblijf altijd gepaard gaat met gebruik van water voor onder meer douchen en toiletgang, het wassen van kleding en koken. Hierbij wijst de Raad erop dat eenmaal per dag doorspoelen van het toilet en eenmaal per week douchen op zichzelf – dus nog los van alle andere waterverbruikende handelingen die doorgaans in een woning plaatsvinden – een waterverbruik oplevert dat niet ver af zit van het verbruik waarvoor de vooronderstelling geldt.
PW art 17, 54
ECLI:NL:CRVB:2026:406- U verlaat Rechtspraak.nl
Verlaging van bijstand. Ontbreken woonkosten. Beleid. Geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel. Geen bijzondere omstandigheden. Geen individuele afstemming.
Niet kan worden gezegd dat het college door aansluiting te zoeken bij het bedrag dat iedere huurder minimaal zelf moet dragen, met dit beleid buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden: degene zonder woonkosten heeft immers daarvoor minimaal dit bedrag aan bijstand minder nodig. Daarbij komt dat wel rekening wordt gehouden met kosten die vergelijkbaar zijn met huur.
PW art 5, 21, 27
ECLI:NL:CRVB:2026:404- U verlaat Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor eigen bijdrage orthopedische schoenen, kosten oogmeetkundig onderzoek en brillenglazen. Voorliggende voorziening. Geen zeer dringende redenen. Geen strijd met VN-Gehandicaptenverdrag. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de hier in geschil zijnde kosten alleen om financiële redenen niet of niet geheel op grond van de Zvw worden vergoed, heeft zij voor haar standpunt geen enkele onderbouwing gegeven. Daarnaast kan in het midden blijven of cumulatie van eigen bijdragen ertoe leidt dat geen sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening, aangezien appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake is.
PW art 15 lid 1, 16 lid 1
ECLI:NL:CRVB:2026:398- U verlaat Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand. Detentie. Uitsluitingsgrond. Beroep op evenredigheidsbeginsel. Toetsingsverbod. Geen bijzondere omstandigheden voor contra-legemtoepassing.
Appellant heeft aangevoerd dat de toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, PW op grond van onaanvaardbare financiële gevolgen achterwege moet blijven. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de PW is dwingend geformuleerd. De stelling dat sprake is van onaanvaardbare financiële consequenties omdat de kosten van bewindvoering ook tijdens detentie doorlopen, terwijl hij tijdens de detentie geen geld had om deze kosten te voldoen, vormt geen bijzondere omstandigheid die ertoe kan leiden dat de toepassing van deze bepaling achterwege moet blijven.
PW art 13 lid 1 onder a
ECLI:NL:CRVB:2026:389- U verlaat Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Huurkosten onzelfstandige woonruimte. Wet op de huurtoeslag is een voorliggende voorziening. Bewuste keuze wetgever.
Betrokkene had deze bijzondere bijstand aangevraagd voor een deel van de huur van zijn onzelfstandige woonruimte omdat hij niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. De vraag in deze zaak is of de wetgever in de Wet op de huurtoeslag (Wht) een bewuste beslissing heeft genomen over de noodzaak van vergoeding van huurkosten van een onzelfstandige woonruimte. Anders dan de rechtbank, volgt de Raad het standpunt van het college dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om de gevraagde kosten niet te vergoeden. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de voorlopers van die wet. Het college krijgt gelijk en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand blijft dan ook in stand.
PW 15 lid 1; Wht 11 lid 1
Dagloon
ECLI:NL:CRVB:2026:443- U verlaat Rechtspraak.nl
Dagloon. Geen onderscheid naar handicap maar naar inkomensstatus. Niet onredelijk bezwarend.
Het onderscheid dat volgens appellante wordt gemaakt bestaat eruit dat de rekenregel van artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit tot verschillende uitkomsten leidt bij aan de ene kant een verzekerde met een WW-uitkering in de referteperiode naar een gemaximeerd dagloon en bij aan de andere kant een verzekerde met een WW-uitkering naar een dagloon dat lager is dan het maximum dagloon. In het geval van een verzekerde met een WW-dagloon dat hoger is dan het maximum dagloon, leidt het omrekenen van de in een tijdvak genoten bruto-uitkering naar een loonbedrag dat lager is dan het voorheen genoten loon. Dit betreft naar het oordeel van de Raad geen onderscheid op basis van handicap, maar een onderscheid op basis van inkomensstatus. Hierbij is geen sprake van een verdacht onderscheid. De wetgever heeft in socialezekerheidszaken een ruime ‘margin of appreciation’. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid met daarin een niet verdacht onderscheid, kan de keuze van de wetgever gevolgd worden tenzij deze van redelijke grond is ontbloot. Hiervan is geen sprake. De begrenzing van het dagloon tot het maximum dagloon is neergelegd in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA. Het is een bewuste keuze geweest van de wetgever om de hoogte van de uitkering te koppelen aan het maximumpremieloon. Deze keuze is bezien vanuit de verzekeringsgedachte (equivalentiebeginsel) ook logisch; men is verzekerd tot een bepaald bedrag en betaalt daarnaar premie en wanneer het risico intreedt wordt de uitkering ook op dit bedrag gebaseerd.
Wet WIA art. 13; Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 13, 14, 16 lid 3
ECLI:NL:CRVB:2026:466- U verlaat Rechtspraak.nl
Dagloon. Storingsdienst. Onbetaald verlof. Corona. Niet onredelijk bezwarend.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat door het wegvallen van de storingsdiensten vanaf april 2020 sprake is geweest van (onbetaald) verlof zoals bedoeld in artikel 17 van het Dagloonbesluit. De Raad heeft al eerder overwogen dat uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’ in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l (voorheen: i), van het Dagloonbesluit volgt dat daarvan slechts sprake kan zijn indien tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. Voor het aannemen van ‘onbetaald verlof’ is niet voldoende dat gedurende een periode feitelijk niet is gewerkt en niet is doorbetaald. Er moet daarnaast een overeenkomst zijn tussen werkgever en werknemer waarin de afspraken over de periode en de omvang van het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd. Niet gebleken is dat in dit geval sprake is geweest van een dergelijke overeenkomst.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 1, 17
Internationaal
ECLI:NL:CRVB:2026:359- U verlaat Rechtspraak.nl
Tegemoetkoming Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Weigering tegemoetkoming. Leeftijdsvoorwaarde. Exceptieve toetsing. Toetsingsintensiteit.
De leeftijdsvoorwaarde in de TBSH, dat een betrokkene 18 jaar of ouder moet zijn op het moment van verhuizing van Suriname naar Nederland, kan de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan en is niet onredelijk bezwarend voor appellant.
Zie voor een vergelijkbare uitspraak ECLI:NL:CRVB:2026:360- U verlaat Rechtspraak.nl
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst art. 2, 3, aanhef en onder c; Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname art. 1, 2, 5, 7; Kaderwet SZW-subsidies art. 2, 3, 9
ECLI:NL:CRVB:2026:362- U verlaat Rechtspraak.nl
Tegemoetkoming Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Weigering tegemoetkoming. Leeftijdsvoorwaarde. Meerderjarigheid. Gehuwde. Gelijkheidsbeginsel.
De toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in de TBSH is bij een persoon die voor zijn 18e verjaardag in het huwelijk is getreden, in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Artikel 3, aanhef en onder c van het TBSH moet daarom voor die personen buiten toepassing worden gelaten.
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst art. 2, 3, aanhef en onder c; Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname art. 1, 2, 5, 7; Kaderwet SZW-subsidies art. 2, 3, 9
ECLI:NL:CRVB:2026:361- U verlaat Rechtspraak.nl
Tegemoetkoming Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Weigering tegemoetkoming. Woonduurcriterium. Unierecht. Vrijheid van vestiging.
Het woonduurcriterium in de TBSH, dat een betrokkene ten minste twintig jaar in Nederland moet hebben gewoond, is in het geval van appellante geen belemmering van de door het Unierecht gewaarborgde vrijheid van vestiging.
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst art. 2, 3, aanhef en onder d; Kaderwet SZW-subsidies art. 2, 3, 9; VWEU art. 49
ECLI:NL:CRVB:2026:421- U verlaat Rechtspraak.nl
AOW. Pensioenoverzicht. Nieuwe vaststelling niet-verzekerde periode. Unierecht. Rechtszekerheidsbeginsel. Vertrouwensbeginsel.
Wat het vertrouwensbeginsel betreft oordeelt de Raad dat in het pensioenoverzicht van 2016 sprake was van een aan de Svb toe te rekenen toezegging waaruit appellante redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Svb er bij de berekening van haar AOW-pensioen van zou uitgaan dat zij verzekert is geweest in de als zodanig aangemerkte periode. Dit kan appellante echter niet baten. Aan een belangenafweging wordt niet toegekomen omdat, als de Svb de verwachting zou honoreren, sprake zou zijn van schending van duidelijke dwingende bepalingen uit het Unierecht. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het (nationale) vertrouwensbeginsel niet tot gevolg kan hebben dat iemand een behandeling geniet die in strijd is met duidelijke bepalingen van het Unierecht. De Svb is dus niet bevoegd de verzekeringspositie van appellante anders vast te stellen dan uit het Unierecht voortvloeit.
Vo 1408/71 art. 1, 13, Bijlage V, VI; Vo 883/2004 art. 1, 11, 87; AOW art. 6 lid 1, 7a; KB 164 art. 3; KB 746 art. 3
Sociale voorzieningen
ECLI:NL:CRVB:2026:414- U verlaat Rechtspraak.nl
Jeugdhulp. Later bekend geworden medische informatie. Pgb-tarief informele hulp.
Het college heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het toekennen van een pgb voor meer uren per week niet relevant is voor de periode in geding, omdat het gewijzigde standpunt is gebaseerd op nieuwe, later bekend geworden, informatie. De Raad overweegt dat er geen algemene regel is aan te wijzen die in de weg staat aan het meewegen van (medische) informatie die dateert van na een primair besluit en dus ook nadien wordt toegezonden en bekend wordt aan een bestuursorgaan. Tot in hoger beroep kan bewijs, uitzonderingen daargelaten, worden ingediend. Uitzonderingen kunnen zijn gelegen in de goede procesorde en wettelijke of jurisprudentiële beperkingen. Een voorwaarde om van invloed te kunnen zijn op eerdere besluitvorming is wel dat die informatie ziet op de periode die daar in geding is. Het college heeft zich in deze zaak op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat de later bekend geworden (medische) gegevens niet ook zien op de periode in geding. Het standpunt over de aanvankelijke omvang van de toegekende jeugdhulp heeft het college daarom niet langer gehandhaafd en er had 32 uur per week jeugdhulp moeten worden toegekend in de vorm van een pgb voor individuele begeleiding. De grond dat het in de Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023 bepaalde informele tarief van € 18,11 per uur voor begeleiding te laag is vastgesteld, slaagt niet. Het is niet gesteld en ook niet gebleken dat appellant met dit pgb-tarief niet in staat is om de jeugdhulp in te kopen.
Jw art. 2.3
ECLI:NL:CRVB:2026:387- U verlaat Rechtspraak.nl
Wlz-indicatie. Blijvendheid. Aanvullend onderzoek. Nog behandeling mogelijk.
Het standpunt dat nog niet kan worden vastgesteld of de behoefte van appellante aan Wlz-zorg blijvend is, is gebaseerd op twee medische adviezen. De algemeen gestelde, weinig concrete onderbouwing van de medisch adviseurs kan het standpunt van het CIZ over de blijvendheid niet dragen, omdat niet is gebleken dat is beoordeeld of een situatie zal kunnen ontstaan waarin appellante geen behoefte meer heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Dit gebrek in de motivering heeft het CIZ in hoger beroep hersteld met een aanvullend medisch advies. Daarin heeft de medisch adviseur toegelicht dat uit de GGZ-standaarden blijkt dat behandeling bij volwassenen met ADHD kan bestaan uit psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie, vaardigheidstraining en medicatie. Uit de ontvangen informatie blijkt niet dat deze behandelopties zijn uitgeput. Ook is appellante leerbaar gebleken, zoals blijkt uit eerdere stukken en uit het feit dat zij een diploma heeft behaald. Daarmee mag ervan uitgegaan worden dat het inzetten van cognitieve gedragstherapie en/of vaardigheidstraining zinvol kan zijn. De door appellante overgelegde verklaring van haar zorgverlener en het samen met haar jobcoach opgestelde werkleerplan geven geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van het CIZ dat er nog behandelingen zijn die appellante kan volgen en dat deze behandelingen kunnen leiden tot de situatie dat appellante niet langer behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
Wlz art. 3.2.1 lid 1
ECLI:NL:CRVB:2026:388- U verlaat Rechtspraak.nl
Niet meer dan 40 uur zorg uit pgb betalen. Afwijken van dwingendrechtelijke regelgeving. Geen onredelijk bezwarende uitkomst.
Artikel 5.18, onder d, van de Rlz in samenhang met artikel 5.22, vijfde lid, van de Rlz, brengt mee dat het aantal door een zorgverlener als de echtgenote te werken en te betalen uren niet meer mag bedragen dan 40 uur per week. Appellant meent dat het zorgkantoor van deze dwingendrechtelijke bepalingen moet afwijken, omdat toepassing van deze bepalingen in zijn geval tot een onredelijk bezwarende uitkomst leidt. Van een dergelijke situatie is niet gebleken. De hoogte van het pgb van appellant is gebaseerd op het voor hem geïndiceerde zorgprofiel VV6 (beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging). Volgens vaste rechtspraak kan geen pgb worden verleend voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, voor zover daarin niet kan worden voorzien door de in het zorgprofiel begrepen begeleiding. De rechtbank heeft daarom al terecht overwogen dat niet bepalend is dat de door appellant geraadpleegde prof. dr. X heeft gemeld dat appellant is aangewezen op 24-uurs zorg aan huis. Ook is niet bepalend dat X een aanvraag voor zorgprofiel VV08 onderschrijft. Dat de voor appellant noodzakelijke zorg verder in het geding komt is ook niet gebleken.
Rlz art. 5.18 onder d, 5.22 lid 5
Volksverzekeringen
ECLI:NL:CRVB:2026:423- U verlaat Rechtspraak.nl
AOW. Duurzaam gescheiden leven. Norm gehuwde. Geregistreerde partners. Fiscale partners.
Bij de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven, mag niet meewegen dat appellante en haar geregistreerde partner gezamenlijk belastingaangifte doen, omdat deze omstandigheid uit de wet voortvloeit.
AOW art. 1, 9; Awir art. 2, 5
Werkloosheid
ECLI:NL:CRVB:2026:422- U verlaat Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid. Deelname aan opnames televisieprogramma. Werkzaamheden uit hoofde waarvan. Fictief inkomen.
Het begrip ‘beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden’ in artikel 16, van de WW, geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Het gaat er niet om of betrokkene beschikbaar is voor arbeid als werknemer, maar voor arbeid op de arbeidsmarkt, waaronder dus ook moet worden begrepen arbeid als zelfstandige of andere activiteiten die op verwerven van inkomsten zijn gericht. Dit betekent dat er ook werkloosheid intreedt in gevallen waarin sprake is van activiteiten die op het verwerven van inkomsten zijn gericht, direct na het wegvallen van arbeidsuren. Er is dan immers sprake van beschikbaarheid en arbeidsurenverlies. Het Uwv wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat appellante niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. De enkele omstandigheid dat appellante op basis van de deelnemersovereenkomst deelnam aan opnames van een televisieprogramma in Spanje is daarvoor onvoldoende.
WW art. 8, 16
Overige nieuwsbrieven
Nieuwsbrieven 2026
Nieuwsbrieven 2025
Nieuwsbrieven 2024
Nieuwsbrieven 2023
- Nummer 1, 1e helft januari 2023
- Nummer 2, 2e helft januari 2023
- Nummer 3, 1e helft februari 2023
- Nummer 4, 2e helft februari 2023
- Nummer 5, 1e helft maart 2023
- Nummer 6, 2e helft maart 2023
- Nummer 7, 1e helft april 2023
- Nummer 8, 2e helft april 2023
- Nummer 9, 1e helft mei 2023
- Nummer 10, 2e helft mei 2023
- Nummer 11, 1e helft juni 2023
- Nummer 12, 2e helft juni 2023
- Nummer 13, 1e helft juli 2023
- Nummer 14, 2e helft juli 2023
- Nummer 15, 1e helft augustus 2023
- Nummer 16, 2e helft augustus 2023
- Nummer 17, 1e helft september 2023
- Nummer 18, 2e helft september 2023
- Nummer 19, 1e helft oktober 2023
- Nummer 20, 2e helft oktober 2023
- Nummer 21, 1e helft november 2023
- Nummer 22, 2e helft november 2023
- Nummer 23, 1e helft december 2023
- Nummer 24, 2e helft december 2023
Nieuwsbrieven 2022
- Nummer 1, 1e helft januari 2022
- Nummer 2, 2e helft januari 2022
- Nummer 3, 1e helft februari 2022
- Nummer 4, 2e helft februari 2022
- Nummer 5, 1e helft maart 2022
- Nummer 6, 2e helft maart 2022
- Nummer 7, 1e helft april 2022
- Nummer 8, 2e helft april 2022
- Nummer 9, 1e helft mei 2022
- Nummer 10, 2e helft mei 2022
- Nummer 11, 1e helft juni 2022
- Nummer 12, 2e helft juni 2022
- Nummer 13, 1e helft juli 2022
- Nummer 14, 2e helft juli 2022
- Nummer 15, 1e helft augustus 2022
- Nummer 16, 2e helft augustus 2022
- Nummer 17, 1e helft september 2022
- Nummer 18, 2e helft september 2022
- Nummer 19, 1e helft oktober 2022
- Nummer 20, 2e helft oktober 2022
- Nummer 21, 1e helft november 2022
- Nummer 22, 2e helft november 2022
- Nummer 23, 1e helft december 2022
- Nummer 24, 2e helft december 2022
Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.