Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Deze nieuwsbrief komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd.

Nummer 6/7, gepubliceerde uitspraken juni en juli, jaargang 2026

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in juni en juli 2026 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak. 

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl

Inhoud nieuwsbrief

Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CRVB:2026:722- U verlaat Rechtspraak.nl

Weigering benoeming tot lid van een cliëntenraad. Geen bezwaar en (hoger) beroep mogelijk.

Appellant heeft verzocht te worden benoemd tot lid van een gemeentelijke cliëntenraad. Dit heeft het dagelijks bestuur geweigerd. Het bezwaar daartegen is niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft overwogen dat de beslissing tot het wel of niet benoemen van een lid van de cliëntenraad een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen besluiten waarbij iemand door een bestuursorgaan wordt benoemd, of juist niet wordt benoemd, is geen bezwaar en beroep mogelijk. Dat is bepaald in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Omdat niet is gebleken dat appellant een ambtenaar is als bedoeld in dat artikel, valt hij volgens de rechtbank niet onder de uitzondering van die bepaling. Het bezwaar is daarom niet-ontvankelijk. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.

Awb art. 1:3, 8:4 lid 3 onder a

ECLI:NL:CRVB:2026:861- U verlaat Rechtspraak.nl

Verzoek terugkomen van. Terugwerkende kracht. Toerekeningsbesluit.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de uitspraak van 20 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2178) zijn beleid gewijzigd. De Raad is van oordeel dat het Uwv met de in dit beleid gemaakte keuze om de periode van terugwerkende kracht in beginsel te beperken tot vijf jaar een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan. Het Uwv heeft toegelicht dat met de keuze voor deze termijn onder andere is aangesloten bij de rechtspraak van de Raad over de verjaring van aanspraken jegens de overheid na vijf jaar. Appellante heeft niet onderbouwd waarom het financiële belang van ongeveer € 35.000,- voor haar dermate groot en zwaarwegend is dat het Uwv op grond van evidente onredelijkheid een langere terugwerkende kracht dan vijf jaar had moeten verlenen. Evenmin vormt het argument dat re-integratiekansen zouden zijn gemist, omdat appellante pas achteraf is geïnformeerd over de toerekening, een reden dat toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 10, tweede lid, van de Beleidsregel.

Awb art. 4:6

ECLI:NL:CRVB:2026:932- U verlaat Rechtspraak.nl

Wlz-pgb. Intrekking verlening. Belangenafweging.

Bij de intrekking van de verlening moet een belangenafweging worden gemaakt waarbij het belang van het zorgkantoor moet worden afgewogen tegen de gevolgen van de intrekking voor appellant. Bij deze afweging kan worden betrokken of de controle aan de voorkant deugdelijk is geschied en of betrokkene voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat de zorg daadwerkelijk is geleverd, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat deze zorg daadwerkelijk is of moet worden betaald. Gebleken is dat het zorgkantoor al sinds begin 2016 op de hoogte was van het faillissement van appellant. Toch heeft het zorgkantoor voor het jaar 2017 opnieuw een pgb verleend en pas op de hoorzitting in 2020 aan de orde gesteld dat appellant persoonlijk failliet is verklaard. Dit had eerder aan het licht kunnen en moeten komen. Ook rondom de constructie met de B.V., die appellant al sinds langere tijd gebruikte voor de inkoop van zorg, heeft het zorgkantoor steken laten vallen. Het is daarom niet redelijk dat de verlening van het pgb over geheel 2017 is ingetrokken.

Awb art. 4:48 lid 1; Rlz art. 5.9 onder d, 5.20 lid 2 onder b

ECLI:NL:CRVB:2026:748- U verlaat Rechtspraak.nl
Wijziging subsidievaststelling. Subsidieontvanger wist of behoorde te weten.
De minister was bevoegd de subsidievaststelling NOW-3 te wijzigen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb op de grond dat de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Daartoe geldt dat de besluiten waarbij de subsidie eerder was vastgesteld dateren van na de datum van het Onderzoeksrapport, waarin het Uwv heeft geconcludeerd dat betrokkene niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. Appellanten waren er, door de op het Onderzoeksrapport gevolgde besluitvorming inzake de ZW-, WAZO- en WIA-uitkering van betrokkene, van op de hoogte dat het Uwv zich inmiddels op het standpunt stelde dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen appellanten en betrokkene. Nu de minister appellanten subsidie op grond van de NOW-3, derde tranche, had verleend op basis van een loonsom waarin (toen nog onbetwist) betrokkene was opgenomen en in de vaststellingsbesluiten de in aanmerking genomen loonsom (nagenoeg) niet was gewijzigd, wisten appellanten dat de subsidievaststelling wat betreft de NOW-3, derde tranche, onjuist was of behoorden zij dat te weten.
Awb art. 4:49

ECLI:NL:CRVB:2026:749- U verlaat Rechtspraak.nl

Geen procesbelang Stichtingen. Geen sprake van privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De Stichtingen hebben, na vragen van de Raad, niet duidelijk kunnen maken wat hun specifieke belang is bij een oordeel over de vraag of sprake was van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen van de Stichtingen met appellante op grond waarvan zij verplicht verzekerd was, of welke feitelijke betekenis dat oordeel zou kunnen hebben. Hieruit volgt dat de Stichtingen geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. De hoger beroepen van de Stichtingen zijn niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De Raad is van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellante en de Stichtingen geen sprake is van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een gezagsverhouding. Het Uwv was gehouden de ZW, WAZO in te trekken (en te herzien wat betreft de Wet WIA) en terug te vorderen.

Awb art. 8:1; ZW art. 3, 20; WAZO art. 3:6, 1:1; Wet WIA art. 8

ECLI:NL:CRVB:2026:894- U verlaat Rechtspraak.nl

Weigering pgb te verlenen. Overlijden budgethouder. Procesbelang erven bij beneficiaire aanvaarding nalatenschap.

De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellanten, erven van de budgethouder, procesbelang hebben. Vaststaat dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard door appellanten. De nalatenschap omvat geen baten. Als het pgb alsnog verleend zou worden, kan daaruit alleen de verleende zorg worden betaald tot het bedrag van het maximaal beschikbare pgb. Deze betalingen kunnen hooguit leiden tot een situatie dat de nalatenschap geen of minder schulden omvat, maar, omdat er geen baten zijn, nooit tot een situatie waarin de baten van de nalatenschap de schulden overtreffen. Dit betekent dat de uitkomst van het hoger beroep voor de erven feitelijk geen betekenis kan hebben en er dus geen procesbelang is.

Awb art. 8:1

Ambtenaren

 

ECLI:NL:CRVB:2026:699- U verlaat Rechtspraak.nl

Vaststelling hoogte waarnemingstoelage. Invoering nieuwe salaristabel.

Appellant, destijds eerste luitenant, heeft van 14 november 2022 tot 15 februari 2023 een functie met de rang van kapitein waargenomen. Per 1 januari 2023 is een nieuwe salaristabel ingevoerd voor alle krijgsmachtonderdelen, met een bijbehorende transitietabel. De staatssecretaris heeft bij de berekening van de waarnemingstoelage gekeken op welke bezoldiging appellant met ingang van 1 januari 2023 aanspraak heeft als eerste luitenant, door middel van toepassing van de transitietabel. Vervolgens is bekeken in welke trede van de salaristabel appellant ingeschaald zou moeten worden indien aan appellant de waargenomen functie per 1 januari 2023 zou zijn toegewezen en hij dientengevolge zou zijn bevorderd tot de aan die functie verbonden rang.
De Raad is van oordeel dat de staatssecretaris op deze wijze de hoogte van de waarnemingstoelage met ingang van 1 januari 2023 juist heeft vastgesteld. Appellant heeft betoogd dat de staatssecretaris bij de berekening zo had moet handelen als ware hij met ingang van 14 november 2022 daadwerkelijk bevorderd naar een kapiteinsrang. Dat betoog slaagt niet. Het bedrag van de waarnemingstoelage per maand compenseert, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 11 van het IBM, enkel het verschil tussen de bezoldiging die behoort bij de rang van de aan de appellant toegewezen functie en de bezoldiging waarop hij aanspraak zou hebben als ware hij in de desbetreffende maand bevorderd tot de aan de waargenomen functie verbonden rang. De staatssecretaris is niet gehouden het aanvangsmoment van de waarneming te hanteren als een fictieve bevorderingsdatum.

AMAR art. 22; IBM art. 11

ECLI:NL:CRVB:2026:823- U verlaat Rechtspraak.nl

Ongeval militair tijdens stapavond. Geen bedrijfsongeval.

Appellant is als militair in dienst van Defensie en heeft deelgenomen aan een militaire oefening in het buitenland. Tijdens een weekend-break is hij na een stapavond door een collega mishandeld op de aangewezen verzamelplaats voor de busreis terug naar de kazerne.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat geen sprake is van een bedrijfsongeval. Deelname aan de stapavond had een vrijwillig karakter en is niet gelijk te stellen met het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden. Dat de militairen die hieraan deelnamen wel werden geacht tijdig te verzamelen om terug te gaan aan het einde van de avond, maakt niet dat appellant op dat moment wel weer in de uitoefening van de militaire dienst was omdat hij gehoor zou hebben gegeven aan een dienstbevel. Het incident heeft niet plaatsgevonden tijdens de dienstuitoefening en stond ook niet in verband met enigerlei dienstverrichting.

Besluit AO/IV art. 2

ECLI:NL:CRVB:2026:934- U verlaat Rechtspraak.nl

Ongeval tijdens ambulancewerkzaamheden. Geen schending zorgplicht. Voldoende maatregelen getroffen.

Betrokkene was sinds maart 2009 werkzaam bij de GGD Brabant-Zuidoost. In 2010 heeft een incident plaatsgevonden terwijl betrokkene hielp om een zware patiënt op een brancard de ambulance in te duwen. Hierbij heeft zij rugletsel opgelopen. Kort hierna is zij arbeidsongeschikt geworden. In geschil is of het dagelijks bestuur aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.

Betrokkene heeft niet weersproken dat zij gedurende haar loopbaan op verschillende momenten tilinstructies heeft gekregen. Het dagelijks bestuur heeft er daarnaast op gewezen dat de landelijke brancheorganisatie Ambulancezorg Nederland onderzoek heeft gedaan naar mogelijke technische oplossingen, maar dat het gebruik van alternatieven grote nadelen had. Bovendien waren deze alternatieven destijds nog niet beschikbaar en konden zij systeemtechnisch en functioneel nog niet worden gebruikt in het destijds gangbare type ambulance. Ten tijde van het ongeval in 2010 waren er ook nog geen andere systemen goedgekeurd voor de Europese markt en de GGD Brabant-Zuidoost heeft als één van de eerste GGD’s elektrische brancards aangeschaft, nadat deze in 2012 wel waren goedgekeurd voor de Europese markt. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in aanvulling op de al bestaande (landelijke) onderzoeken zelf nog nader onderzoek had moeten doen naar alternatieve hulpmiddelen.

Arbeidsongeschiktheid

ECLI:NL:CRVB:2026:819- U verlaat Rechtspraak.nl

Duurzaamheid. Niertransplantatie.

De Raad volgt het standpunt van het Uwv dat van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen geen sprake is. De Raad erkent dat de uitkomst van een niertransplantatie bij trombotische microangiopathie onzeker is en dat, gelet op de bestaande wachtlijst op het moment van de Wajong-aanvraag, van een verbetering in het functioneren wellicht pas na jaren sprake zal kunnen zijn. Voor de toepassing van de Wajong kan in een situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat geen duurzaamheid worden aangenomen. Ook als sprake is van een geringe kans op herstel op lange termijn, is immers niet uitgesloten dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst nog kunnen ontwikkelen. De wetgever heeft ervoor gekozen dat in een dergelijke situatie eerst na een periode van tien jaar wordt aangenomen dat het arbeidsvermogen duurzaam ontbreekt.

Wajong art. 1a:1

ECLI:NL:CRVB:2026:841- U verlaat Rechtspraak.nl

Beoordeling 10-jaarsperiode. Bewijslastverdeling.

Betrokkene heeft zijn aanvraag meer dan tien jaar na afloop van de Wajong-relevante periode ingediend, zodat de Raad toekomt aan een beoordeling op grond van artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong. De Raad ziet geen aanleiding de rechtspraak over laattijdige aanvragen onverkort toe te passen. Het Uwv hoeft de duurzaamheid na tien jaar niet te onderzoeken maar moet nagaan of een betrokkene in de 10-jaarsperiode arbeidsvermogen heeft gehad. Periodes waarin een betrokkene gedurende de 10-jaarsperiode werkzaamheden van enige omvang heeft verricht, kunnen als zodanig een indicatie vormen dat niet onafgebroken sprake is geweest van verlies van arbeidsvermogen. Mede gelet op wat in het Compendium daarover staat vermeld, zal het Uwv in zo’n geval niet kunnen volstaan met de enkele constatering dat er in de 10-jaarsperiode werkzame periodes zijn geweest. Er zal dan nader onderzoek moeten worden verricht door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar wat dit werk precies inhield, en of de betrokkene op basis van zijn functioneren tijdens het werk voldoet aan de criteria voor arbeidsvermogen. Dit stemt overeen met de werkwijze van het Uwv, zoals neergelegd in de interne notitie ‘aannemen duurzaamheid na tien jaar aaneengesloten geen arbeidsvermogen bij Wajong 2015’.

Wajong art. 1a:1 lid 3

ECLI:NL:CRVB:2026:838- U verlaat Rechtspraak.nl

Recht op loon. Einde arbeidsovereenkomst.

Appellant heeft aangevoerd dat hij uit de houding en het gedrag van werkgever direct na het ongeval gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat is opgezegd. Appellant heeft een beroep gedaan op conclusie van A-G De Bock van 8 september 2023, waaruit volgt dat de ‘duidelijk- en ondubbelzinnigheids-maatstaf’ bij opzeggen niet geldt voor de werkgever. Dit betoog slaagt niet. Verklaringen of mededelingen van de werkgever moeten worden uitgelegd aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 van het BW. Uit de stukken in het dossier blijkt echter niet dat werkgever heeft verklaard of meegedeeld de arbeidsovereenkomst met appellant te willen opzeggen. Een dergelijke wilsverklaring kan niet worden opgemaakt uit het bezoek na het ongeval en het verder stilzitten van de werkgever. Daarmee staat vast dat ten tijde van de ziekmelding van 28 december 2020 nog sprake was van een arbeidsovereenkomst. Geen recht bestaat op een ZW-uitkering.

ZW art. 29

ECLI:NL:CRVB:2026:740- U verlaat Rechtspraak.nl

Benadelingshandeling. Handelen in strijd met corona-richtlijnen. Eis van voeren van verweer.

Ex-werknemer is in de corona-periode verkouden op zijn werk verschenen en is, ondanks aandringen van collega’s, niet naar huis gegaan. Evenals de kantonrechter is de Raad van oordeel dat de gedragingen van ex-werknemer weliswaar verwijtbaar waren, maar niet zodanig ernstig dat deze – mede gelet op het langdurige dienstverband van ex-werknemer bij appellante – een einde van het dienstverband voorzienbaar deden zijn. Dat het verweer van ex-werknemer tijdens de procedure bij de kantonrechter de arbeidsverhouding nog verder heeft verstoord waardoor die volgens de kantonrechter onherstelbaar is beschadigd, maakt dit niet anders. Op grond van artikel 45, zevende lid, van de ZW was ex-werknemer immers gehouden zich inhoudelijk te verweren tegen het ontbindingsverzoek van appellante. Ex-werknemer heeft zich aan die verplichting gehouden door de verklaringen van zijn collega’s te weerspreken. Anders dan appellante meent, gaat de verplichting van artikel 45, zevende lid, van de ZW daarbij niet zover dat van ex-werknemer kon worden gevergd dat hij hoger beroep instelde tegen de beschikking van de kantonrechter.

ZW art. 45 lid 1 onder j, lid 7

ECLI:NL:CRVB:2026:833- U verlaat Rechtspraak.nl

Benadelingshandeling. Verslaving. Verminderde verwijtbaarheid.

Niet in geschil is dat appellant met het wegnemen van geld bij zijn werkgever een benadelingshandeling heeft gepleegd en dat ten tijde hiervan sprake was van een verslaving en dat dit is aan te merken als een ziekte. Appellant heeft een rapport van een psychiater overgelegd waarin is geconcludeerd dat de gedragingen appellant in verminderde mate zijn toe te rekenen. De Raad volgt de conclusies van deze psychiater en acht sprake van een motiveringsgebrek. Het Uwv is op geen enkele wijze kenbaar ingegaan op artikel 3 van de Beleidsregel maatregelen Uwv en de daarbij gegeven toelichting. Het Uwv heeft niet te kennen gegeven of en zo ja op welke wijze met de (persoonlijke) omstandigheden van appellant rekening is gehouden. Ook heeft het Uwv niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken dat appellant het geld een aantal keer uit eigen beweging heeft teruggelegd en in zoverre het verzuim uit eigen beweging heeft gerepareerd. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat appellant in aanmerking komt voor een ZW-uitkering en dat een maatregel van 50% wordt opgelegd.

ZW art. 45; Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten art. 2, 7; Beleidsregel maatregelen Uwv art. 3

ECLI:NL:CRVB:2026:803- U verlaat Rechtspraak.nl

Werken ‘ohne Zeitdruck’. Vertalen naar FML.

Een Duitse zenuwarts/psychiater heeft gerapporteerd dat appellant nog licht tot middelzware fysieke arbeid kan verrichten, maar onder meer wel zonder tijdsdruk (‘ohne Zeitdruck’). Deze arts heeft op vragen van het Uwv toegelicht dat de Duitse rechter tijdsdruk definieert als een ‘activiteit of taak die op een vast moment moet zijn beëindigd’. De door deze arts gegeven definitie is duidelijk en het voorbeeld dat hij heeft gegeven is helder. Cruciaal is of het gaat om werkzaamheden die op een bepaald moment klaar moeten zijn. Is dit het geval, dan is er tijdsdruk. Volgens deze arts is appellant aangewezen op werkzaamheden zonder tijdsdruk. Hij heeft niet gezegd dat een lichte/beperkte tijdsdruk wel mogelijk was en in zijn nadere toelichting heeft hij zijn standpunt niet in die zin genuanceerd. Dat de omschrijving van tijdsdruk als ‘activiteit of taak die op een vast moment moet zijn beëindigd’ mogelijk niet eenvoudig is te vertalen naar een FML, ontslaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er niet van dat wel te doen.

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3, 4

ECLI:NL:CRVB:2026:945 - U verlaat Rechtspraak.nl

Zorgvuldigheid onderzoek. Aantekeningen medisch secretaresse.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen grond was de aantekeningen van de medisch secretaresse aan appellant te verstrekken. De stelling van appellant dat het Uwv heeft toegezegd deze aantekeningen ter beschikking te stellen, maakt dit niet anders. Ter zitting heeft appellant een stuk overgelegd, waaruit volgens appellant deze toezegging van het Uwv blijkt. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank kan worden gevolgd in het oordeel dat de aantekeningen zijn bedoeld als hulpmiddel voor het opstellen van het medisch rapport en daarom niet zelfstandig kunnen worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbend stuk. Het Uwv was daarom niet gehouden deze aantekeningen te verstrekken. Het Uwv heeft daarnaast het medisch rapport, waarin de aantekeningen zijn verwerkt, wel aan appellant verstrekt.

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3, 4

ECLI:NL:CRVB:2026:817- U verlaat Rechtspraak.nl

Overschrijding duurbelasting. Interne opleiding.

In de functie medior soldering operator (SBC-code 111180) moet tijdens een week een interne opleiding worden gevolgd, met een duur van vier dagen achtereen en een omvang van acht uren per dag. De motivering van het Uwv dat van een overschrijding van de urenbeperking geen sprake is, wordt niet gevolgd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet een beperking tot zes uur per dag, 30 uur per week afdoende zijn om rekening te houden met de beperkte energetische vermogens van appellante en hij heeft daarbij geen marge of nuancering aangegeven. Tijdens de opleiding is sprake van een overschrijding van de duurbelasting per dag van twee uur gedurende vier dagen in diezelfde week. Ook al zou de vastgestelde urenbeperking een zeker marge inhouden, kan deze overschrijding niet worden aangemerkt als een marginale overschrijding van de belastbaarheid of als een incidentele piekbelasting.

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9

Bijstand

 

ECLI:NL:CRVB:2026:807- U verlaat Rechtspraak.nl

Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten. Opvraag bankafschriften over periode van twee jaar. Ongerechtvaardigde inbreuk op privéleven.

Vaststaat dat het college – na dossieronderzoek en raadpleging van de RDW – als eerstvolgend onderzoeksmiddel zowel informatie over de drie auto’s als de bankafschriften over periode 1 bij appellante heeft opgevraagd en naar aanleiding van de uit die bankafschriften naar voren gekomen bijschrijvingen ook bankafschriften over periode 2. Ter zitting heeft het college toegelicht dat direct is overgegaan tot het opvragen van bankafschriften over een langere periode dan drie maanden omdat op grond van de anonieme melding, de registratie van drie kentekens op naam van appellante en een in 2018 langer dan toegestaan verblijf in het buitenland twijfel bestond over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Anders dan het college stelt, zijn deze feiten en omstandigheden noch op zichzelf noch in samenhang bezien voldoende om redelijkerwijs te kunnen twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door appellante vanaf 1 januari 2020 verstrekte inlichtingen over haar financiële situatie.

PW art. 17, 53a, 58

ECLI:NL:CRVB:2026:779- U verlaat Rechtspraak.nl

Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2023. Toekenning energietoeslag door DUO. Gelijke gevallen. Geen discriminatie.
De doelmatige besteding van middelen en het voorkomen van overcompensatie heeft de Raad al als legitieme doelen beschouwd. Daarnaast heeft de wetgever het uitgangspunt willen hanteren dat inkomensondersteuning voor studenten, anders dan voor andere minima, een gedeelde verantwoordelijkheid is. Dat is ook een legitiem doel. De Raad is verder van oordeel dat het middel, het treffen van verschillende regelingen voor studenten en andere minima, redelijk en geschikt is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de wetgever studenten niet categorisch van enige tegemoetkoming heeft uitgesloten. De hoogte van de energietoeslag voor studenten (zoals die wordt verstrekt door DUO) is ook niet zodanig laag dat het om die reden niet redelijk en geschikt moet worden geacht. In deze omstandigheden heeft de wetgever de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden door studenten categorisch uit te sluiten van de energietoeslag (in de vorm van bijzondere bijstand). Het is vaste rechtspraak dat artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol van het EVRM niet vereisen dat zodanig uitgewerkte regelingen worden getroffen dat voor de toepassing van elke afzonderlijke regeling elke onevenwichtigheid in elke denkbare situatie wordt voorkomen. Dit betekent dat de ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Voor het buiten toepassing laten van artikel 35, vijfde lid, onder b PW is geen grond.

PW art. 35 lid 5

ECLI:NL:CRVB:2026:941- U verlaat Rechtspraak.nl

Intrekking en terugvordering van bijstand. Huren van een bankkluis. Schending inlichtingenverplichting.

Niet in geschil is dat appellante een kluis heeft gehuurd. De kluis stond op naam van appellante, zij betaalde de huurprijs en zij had als enige toegang tot de kluis. Ook niet in geschil is dat appellante aan het college geen mededeling heeft gedaan van het huren van de kluis of van de inhoud daarvan. De Raad heeft eerder overwogen dat het bezit van een bankkluis een omstandigheid is waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op het recht op bijstand Appellante had van het huren van de kluis dan ook onverwijld mededeling moeten doen aan het college. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Door de kluis niet te melden en vervolgens ook het college de toegang te weigeren, heeft appellante het college de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat er in de kluis lag, of van wie de inhoud van de kluis afkomstig was.
PW art. 58

ECLI:NL:CRVB:2026:821- U verlaat Rechtspraak.nl

Toekenning budget voor gebundelde uitkering. Verdeelmodel 2023. Gebruik herberekende gegevens. Bewijsnood college. Onvoldoende onderzoek door minister.

Het college heeft aannemelijk gemaakt dat er verschillen zijn opgetreden door het gebruik van de herberekende gegevens voor het kenmerk ‘Werken onder niveau’ in het verdeelmodel. Het kenmerk ‘Werken onder niveau’ in het verdeelmodel brengt de verhouding in beeld tussen het (bereikbare) aantal banen met een laag beroepsniveau vervuld door mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau (teller) en de (bereikbare) beroepsbevolking met een laag opleidingsniveau in een regionale arbeidsmarkt (noemer). De kans op bijstand is naar verwachting groter in een gemeente waar relatief veel beschikbare banen met een laag beroepsniveau worden vervuld door mensen met een middelbaar of hoog opleidingsniveau. De minister heeft besloten om het gewicht van het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ te bepalen op basis van de door het CBS over 2020 niet oorspronkelijke, maar herberekende gegevens. Het college heeft voldoende aangevoerd om aan te nemen dat er een vertekening in zijn gemeente is opgetreden. Hiervoor is van belang dat het CBS heeft gemeld dat er bij verdere detaillering van de herberekende cijfers van 2020 vertekening kan ontstaan, zoals ook blijkt uit het in opdracht van de minister door SEO en Atlas opgestelde rapport van 4 april 2024. Daarnaast heeft het college te maken gekregen met een aanzienlijk lager budget in 2023 vergeleken met 2022, namelijk ongeveer € 20 miljoen lager. Uit het vermelde onderzoek, dat op verzoek van de minister is uitgevoerd, is gebleken dat het regiokenmerk ‘Werken onder niveau’ de belangrijkste factor is voor deze daling. Dit samen is voldoende om aan te nemen dat er een zodanige vertekening heeft plaatsgevonden dat niet uitgesloten kan worden dat Rotterdam door een tekortkoming in het verdeelmodel een nadeel ondervindt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet over de gegevens kan beschikken om te onderzoeken wat de daadwerkelijke invloed van het gebruik van deze cijfers op het budget van het college is, terwijl de minister wel over deze gegevens kan beschikken. De minister heeft dat niet betwist. Het college verkeert dus in bewijsnood. Het was onder deze omstandigheden aan de minister om te onderzoeken of en, zo nee, te motiveren waarom door het gebruik van de herberekende gegevens geen sprake is van een tekortkoming in het model. Hierbij is ook van belang dat de minister niet het standpunt heeft ingenomen dat het tekort in de begroting wordt veroorzaakt door falend beleid van de gemeente Rotterdam.
PW art. 69, 71, 74; Besluit participatiewet art. 6

Dagloon

ECLI:NL:CRVB:2026:742- U verlaat Rechtspraak.nl

Dagloon. Verzoek terugkomen van. Vaststelling ZW-dagloon conform WW‑dagloon.

Uit artikel 29, zevende lid, van de ZW volgt dat de systematiek voor de vaststelling van het dagloon dezelfde is. Bij een juiste vaststelling van het WW‑dagloon volgt daaruit dat de ZW‑dagloon wordt vastgesteld conform het eerder vastgestelde WW‑dagloon. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het ZW‑dagloon moet worden gekoppeld aan het WW‑dagloon als dit WW‑dagloon onjuist – dat wil zeggen: niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen – is vastgesteld. Uit het feit dat het Uwv in dit geval uitsluitend vanwege het vertrouwensbeginsel de verhoging van het WW‑dagloon is stand heeft gelaten, volgt daarom niet dat ook het ZW‑dagloon moet worden verhoogd.
ZW art. 29 lid 7

ECLI:NL:CRVB:2026:744- U verlaat Rechtspraak.nl

Dagloon. Arbeidstijd. Onbetaald verlof. Nul-urencontract. Rechtsvermoeden.
Voor het aannemen van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van het Dagloonbesluit is niet voldoende dat gedurende een bepaalde periode minder of niet is gewerkt en doorbetaald. Vereist is ook dat er een overeenkomst is tussen de werkgever en de werknemer waarin de afspraken over de periode en het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd. Aan dit laatste vereiste is niet voldaan. Alleen daarop al stuit het beroep van appellante op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b van het BW af.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 1 onder l; BW art. 7:610b
ECLI:NL:CRVB:2026:869- U verlaat Rechtspraak.nl
Dagloon. Arbeidsvoorwaardenbedrag. Opbouw en uitbetaling.
Ingevolge de destijds geldende CAO had appellante iedere maand recht op een bedrag van ongeveer 20% van haar maandsalaris aan Mijn Keuze Budget (Budget). Dit Budget bestond uit een bedrag aan vakantiegeld, dertiende maand en een Bijdrage Individueel Sparen. Het Budget betreft dus een arbeidsvoorwaardenbedrag in de zin van het Dagloonbesluit. In de CAO is bepaald dat het opgebouwde arbeidsvoorwaardenbedrag maandelijks wordt uitbetaald als de werknemer geen (andere) keuze heeft gemaakt ter besteding van het opgebouwde bedrag. Anders dan appellante heeft aangevoerd, komen de maandelijkse uitbetaalde bedragen aan vakantiegeld, de dertiende maand en de bijdrage Individueel Sparen ten laste van een opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag. Dat het bedrag dat appellante in een maand heeft opgebouwd aan arbeidsvoorwaardenbedrag in diezelfde maand wordt uitbetaald, maakt niet dat er geen maandelijkse opbouw plaatsvindt.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 5

ECLI:NL:CRVB:2026:756- U verlaat Rechtspraak.nl
Vorderbaar, niet inbaar. ‘Other status’.
Het (vermeende) onderscheid dat hier centraal staat - het verschil in behandeling dat op grond van artikel 15 van het Dagloonbesluit wordt gemaakt tussen personen die niet op niet mis te verstane wijze de werkgever in de referteperiode hebben gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren ten opzichte van personen die dit wel hebben gedaan, is geen onderscheid op grond van een inherent verdacht criterium. Gerede twijfel kan rijzen over de vraag of in dit geval sprake is van een onderscheid op grond van de in artikel 14 van het EVRM dan wel artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM genoemde grond “andere status”. Het gaat hier immers niet om een hoedanigheid van betrokkene maar slechts om het feit dat zij op een bepaald moment een bepaalde (rechts)handeling (al dan niet) heeft verricht. Voor zover echter wel sprake is van een onderscheid op grond van “andere status”, leidt dit naar het oordeel van de Raad niet tot een verboden onderscheid. Niet gezegd kan dus worden dat deze regeling van redelijke grond is ontbloot.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 15

Internationaal

ECLI:NL:CRVB:2026:975- U verlaat Rechtspraak.nl

AOW. Korting. Niet verzekerde tijdvakken. Werkzaamheden buiten de EU voor in Zwitserland gevestigde onderneming.

De Svb heeft terecht een korting toegepast op het AOW-pensioen van appellant in verband met niet-verzekerde tijdvakken. Appellant was onder meer niet verzekerd voor de AOW in de periode waarin hij in Nederland woonde en buiten de Europese Unie werkte voor een in Zwitserland gevestigde onderneming. Op grond van Vo 1408/71, Vo 883/2004 en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie was op appellant in deze periode niet de Nederlandse maar de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing.

AOW art. 6, 6a; Vo 1408/71 art. 13; Vo 883/2004 art. 11, 87 lid 8

Sociale voorzieningen

ECLI:NL:CRVB:2026:789- U verlaat Rechtspraak.nl

Jeugdhulp. Uitwerking ‘eigen kracht’ in Verordening in overeenstemming met artikel 2.9 Jeugdwet.

In artikel 6 van de Verordening 2025 is opgenomen wat de criteria en afwegingsfactoren zijn bij het beoordelen of sprake is van gebruikelijke hulp en eigen mogelijkheden (eigen kracht). Los van de vraag of de financiële situatie onderdeel is van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, is met het zesde en zevende lid in deze bepaling voor het overige met betrekking tot de criteria die in deze zaak aan de orde zijn een voldoende uitwerking gegeven aan artikel 2.9 van de Jw. Uit de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde adviezen van JPH-Consult blijkt niet van problemen bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van die hulp en bij de belasting van de ouders. Appellanten komen niet in aanmerking voor een voorziening voor jeugdhulp.

Vervolg op ECLI:NL:CRVB:2025:408- U verlaat Rechtspraak.nl

Jeugdwet art. 2.3, 2.9; Verordening Jeugdhulp van de gemeente Súdwest-Fryslân 2025 art. 6

ECLI:NL:CRVB:2026:790- U verlaat Rechtspraak.nl

Weigering pgb. Eerdere schending verplichtingen. Evenredigheidsbeginsel. Bedoeling wetgever. In regelgeving voorzien in verblijf in buitenland en pgb. Geen bijzondere omstandigheden.

Appellante heeft een aanvraag gedaan voor een pgb omdat zij tijdens haar vakantie in het buitenland zorg wil inkopen bij onder meer haar moeder. Het zorgkantoor heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat bij een eerder verleend pgb de verplichtingen niet zijn nagekomen als bedoeld in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz. De Raad overweegt dat het doel van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz is het voorkomen van fraude en oneigenlijk gebruik van zorggelden. De wetgever heeft geen uitzondering op deze bepaling gemaakt voor periodes dat een verzekerde tijdelijk in het buitenland verblijft. Daarnaast heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzien in een regeling voor Wlz-geïndiceerden die (tijdelijk) in het buitenland verblijven en daarmee met een dergelijke situatie juist wel rekening gehouden. Appellante heeft niet aangevoerd of onderbouwd dat zij van deze wettelijk voorziene mogelijkheden geen gebruik zou kunnen maken. Er is in dit geval geen sprake is van een situatie waarin de toepassing van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, buiten toepassing moet blijven.

Wlz art. 3.3.3 lid 5 onder a

ECLI:NL:CRVB:2026:949- U verlaat Rechtspraak.nl

Vervoersvoorziening. Duofiets. Recreatieve doelstelling. Onjuist criterium. Eigen kracht. Redelijke mate van participatie.

De grond dat een duofiets noodzakelijk is als vervoersmiddel slaagt niet. Uit het onderzoek is gebleken dat appellante zich lopend kan verplaatsen en over lange afstanden door haar familie vervoerd wordt met de auto. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij met een duofiets een recreatieve fietstocht in het bos kan maken en op die manier kan participeren. Het standpunt van het college dat belemmeringen bij activiteiten die primair recreatief of ontspanningsgericht zijn buiten de Wmo 2015 vallen, miskent artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Criterium is niet het al of niet aanwezig zijn van een recreatieve doelstelling, maar de mate waarin een voorziening een passende bijdrage vormt aan de zelfredzaamheid en participatie. Uit het dossier blijkt verder dat appellante ook zonder duofiets in redelijke mate kan participeren. Dit betekent dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante de beperkingen in de participatie op eigen kracht voldoende kan verminderen.

Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3

ECLI:NL:CRVB:2026:737- U verlaat Rechtspraak.nl

Meerzorg. Wijze van beoordeling. Geen controleerbare en gekwantificeerde vergelijking. Instandlating rechtsgevolgen.

De Raad stelt vast dat het zorgkantoor zich – na opsomming van de zorg die is beschreven in het zorgprofiel waarvoor appellante geïndiceerd is en de mededeling dat geen pgb kan worden verleend voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, indirecte tijd, regie en overhead – in de bestreden besluiten zonder kenbare onderbouwing op het standpunt heeft gesteld dat bij appellante geen sprake is van een zorgbehoefte die ertoe leidt dat meer zorg nodig is dan in het geïndiceerde zorgprofiel is opgenomen. Het standpunt dat appellante niet in aanmerking komt voor meerzorg berust niet op het vereiste onderzoek en is niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad acht het in de bijzondere omstandigheden van dit geval niet opportuun het zorgkantoor een nieuwe beoordeling te laten verrichten naar (de omvang van) de aanspraak op meerzorg van appellante. Niet alleen is de gezondheidssituatie van appellante sindsdien opnieuw gewijzigd, ook heeft het zorgkantoor ter zitting toegezegd dat de door appellante gestelde geleden schade zal worden vergoed. Gelet hierop worden de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand gelaten.

Blz art. 3.1.1; Rlz art. 2.2, 5.1e

ECLI:NL:CRVB:2026:739- U verlaat Rechtspraak.nl

Gehandicaptenparkeerkaart. Richtlijn gehandicaptenparkeerkaart 2022.

In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat een gehandicaptenparkeerkaart niet wordt afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad. Om de uniformiteit te bevorderen wordt bij deze medische advisering gebruik gemaakt van de Richtlijn gehandicaptenparkeerkaart 2022. Deze Richtlijn vervangt het VIA-Protocol. Net als het VIA-protocol is de Richtlijn geen algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Bepalend bij de beoordeling van een aanvraag voor een GPK is de Regeling zelf.

Het college heeft beoordelingsruimte ten aanzien van de wijze waarop hij het in artikel 1, eerste lid, aanhef onder b, van de Regeling genoemde criterium invult, maar het is daarbij wel gebonden aan het doel en de strekking van de Regeling. Deze worden niet overschreden door de voorwaarde dat de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk moet zijn van de hulp van de bestuurder zo uit te leggen dat hij door zijn aandoening of gebrek niet in staat moet worden geacht om op de plaats van bestemming, al dan niet zittend, alleen te wachten totdat de bestuurder de auto heeft weggebracht. Anders dan appellant meent, zien de woorden “in redelijkheid” in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling niet op deze voorwaarde. De afwijzing van de GPK voor een passagier is voor appellant niet onredelijk bezwarend.

Regeling gehandicaptenparkeerkaart art. 1 lid 1 onder b, 2 lid 1; Richtlijn gehandicaptenparkeerkaart 2022

Volksverzekeringen

ECLI:NL:CRVB:2026:799- U verlaat Rechtspraak.nl

AOW. Korting. Vaststelling verzekerde tijdvakken. Afwijking van pensioenoverzicht. Toereikende en deugdelijke motivering. Vertrouwensbeginsel.

Volgens vaste rechtspraak staat een in een pensioenoverzicht vastgesteld aantal verzekerde jaren niet ook voor de toekomst definitief vast. Nu het feitelijke rechtsgevolg pas intreedt bij het besluit over het AOW-pensioen, moet de Svb op dat moment opnieuw onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Voor zover dit onderzoek ziet op jaren waarover via een pensioenoverzicht reeds een standpunt was bepaald, moet wel deugdelijk en toereikend worden gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb in dit geval niet toereikend en deugdelijk gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was. Van een evidente fout is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Ter zitting van de Raad heeft de Svb bevestigd dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken in het nadeel van het aannemen van een verzekerd tijdvak, doch dat de overgelegde informatie nu anders wordt gewogen dan ten tijde van het verstrekken van het pensioenoverzicht. Hoewel het nadere standpunt van de SVB op basis van de aanwezige informatie rechtens aanvaardbaar zou zijn geweest, is de conclusie die in 2016 aan de overgelegde stukken is verbonden niet klaarblijkelijk onjuist. Onder deze omstandigheden moet de Svb op grond van het vertrouwensbeginsel bij de vaststelling van het AOW-pensioen van appellant uitgaan van de in het pensioenoverzicht vermelde tijdvakken van verzekering.

AOW art. 6, 13

ECLI:NL:CRVB:2026:672- U verlaat Rechtspraak.nl

AOW. Herziening ten nadele naar de toekomst. Fout SVB. Toepassing beleid. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt de Raad dat de Svb het AOW-pensioen van betrokkene heeft mogen herzien naar de toekomst toe. Door een fout van de Svb is bijna 20 jaar lang een AOW-pensioen betaald zonder dat een korting van 4% is toegepast vanwege niet-verzekerde jaren, welke fout betrokkene volgens de Svb niet heeft kunnen begrijpen. Dat betrokkene tot het besluit van 9 maart 2023 de fout niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen, wil echter niet zeggen dat om die reden ook voor de toekomst een met de wet strijdige situatie moet blijven voorbestaan en de betrokkene ongerechtvaardigde voordelen moet blijven behouden. Door de herziening van het ouderdomspensioen in te laten gaan per 1 juni 2023, heeft de Svb op juiste wijze toepassing gegeven aan zijn beleid SB1407 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur voldoende in acht genomen. Niet is gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden dat de Svb van herziening naar de toekomst toe had moeten afzien of een verdergaande afbouwregeling had moeten toepassen. Het AOW-pensioen van betrokkene is verlaagd met ongeveer € 30,- per maand. Van een voor betrokkene onredelijk bezwarend besluit is ook niet gebleken.

AOW art. 17a; SB1407

Werkloosheid

ECLI:NL:CRVB:2026:994- U verlaat Rechtspraak.nl
Verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie. Geen verboden onderscheid. Beschikbaarheid Europees Nederlandse arbeidsmarkt. Caribisch deel van Nederland.
Niet in geschil is dat art. 19, eerste lid, aanhef en onder e van de WW een onderscheid maakt tussen werknemers die verblijven in het Europese deel van Nederland, en werknemers die verblijven buiten het Europese deel van Nederland, waaronder het Caribisch deel van Nederland. Er is sprake van een onderscheid naar verblijfplaats. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM en de Raad is een onderscheid naar woon- of verblijfplaats geen verdacht criterium. Verder heeft de wetgever in sociale zekerheidszaken een ruime ‘margin of appreciation’. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid met daarin een niet verdacht onderscheid, kan de keuze van de wetgever daarom worden gevolgd, tenzij deze van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste wordt niet snel aanvaard. Het Uwv heeft toegelicht dat de ratio voor de uitsluitingsgrond ligt in de beschikbaarheid voor de Europees Nederlandse arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt op de BES-eilanden verschilt van de Nederlandse arbeidsmarkt, waardoor voor re-integratie van en dienstverlening aan werklozen op de BES-eilanden andere kennis nodig is dan voor de Europees Nederlandse arbeidsmarkt. Ook is van belang dat het Uwv de rechtmatigheid van de WW-uitkering niet kan controleren bij een verblijf op de BES-eilanden omdat aldaar een systeem dat gegevens over inkomens, lonen en dienstverbanden eenduidig en betrouwbaar registreert ontbreekt. Daarmee is er een objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen werknemers in het Caribisch en het Europees deel van Nederland. Het verschil tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland wat betreft de mogelijkheid om een WW-uitkering te exporteren is niet in strijd met de doelstelling van de Invoeringswet BES. Hoewel uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet BES blijkt dat door de wetgever niet expliciet is afgewogen of export van een WW-uitkering naar Caribisch Nederland mogelijk zou moeten zijn, is er wel expliciet voor gekozen om de WW niet van toepassing te laten zijn in Caribisch Nederland. Uit het voorgaande blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd door de wetgever. Het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
WW art. 19 lid 1 onder e; EVRM art. 14; IVPBR art. 26; Invoeringswet BES art. 2, 4

Overige nieuwsbrieven

Nieuwsbrieven 2026
Nieuwsbrieven 2025
Nieuwsbrieven 2024
Nieuwsbrieven 2023
Nieuwsbrieven 2022
Hint van type informatie
Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.

Rechtspraak archiefweb - U verlaat Rechtspraak.nl