Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Deze nieuwsbrief komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd.

Nummer 2, gepubliceerde uitspraken februari, jaargang 2026

De Nieuwsbrief JurisprudentieGeheel van uitspraken van rechters. De jurisprudentie vormt een richtlijn voor de rechtspraak in latere, soortgelijke gevallen. van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in februari 2026 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak. 

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl

Inhoud nieuwsbrief

Ambtenaren

ECLI:NL:CRVB:2026:114- U verlaat Rechtspraak.nl
Ongelijke behandeling cadetten KOO en MWO. Beleid ter compensatie daarvan. Peildatum gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.
Deze uitspraak is een vervolg op eerdere uitspraken van de Raad over de bevordering van cadetten tot tweede luitenant. Cadetten die de KOO hadden gevolgd werden op een later moment bevorderd tot tweede luitenant dan cadetten die de MWO hadden gevolgd. Dit is bij die eerdere uitspraken in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Vervolgens heeft de staatssecretaris beleid ontwikkeld (compensatieregeling) om cadetten die de KOO hadden gevolgd te compenserenVerrekening van de proceskosten.. Bij deze uitspraak is geoordeeld dat de in dit beleid opgenomen peildatum van 23 oktober 2018 de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.
AMAR art. 24b; Awb art. 4:6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:121- U verlaat Rechtspraak.nl
Ongelijke behandeling cadetten KOO en MWO. Beleid ter compensatie daarvan. Bedrag behorend bij categorie 1 is in het algemeen toereikend. Bij bijzondere omstandigheden kan afwijking nodig zijn.
Deze uitspraak is een vervolg op eerdere uitspraken van de Raad over de bevordering van cadetten tot tweede luitenant. Cadetten die de KOO hadden gevolgd werden op een later moment bevorderd tot tweede luitenant dan cadetten die de MWO hadden gevolgd. Dit is bij die eerdere uitspraken in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Vervolgens heeft de staatssecretaris beleid ontwikkeld (compensatieregeling) om cadetten die de KOO hadden gevolgd te compenseren. In deze uitspraak is geoordeeld dat het bedrag behorende bij categorie 1 van de compensatieregeling in zijn algemeenheid toereikend is. Er kunnen echter bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bedrag te laag is. In deze zaak geldt dat appellantDegene die in hoger beroep gaat. aanzienlijk langer dan gemiddeld vaandrig is geweest. De staatssecretaris heeft niet onderzocht of dat reden is om van het bedrag behorende bij categorie 1 af te wijken. Geoordeeld is dat de staatssecretaris dat alsnog zal moeten doen.
AMAR art. 24b; Awb art. 4:6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:130- U verlaat Rechtspraak.nl
Ontslag wegens wangedrag is onterecht. Op basis van de beschikbare gegevens kan niet worden geconcludeerd dat appellant zich heeft ingelaten met harddrugs.
In de eerste plaats overweegt de Raad dat de testresultaten op zichzelf bezien onvoldoende zijn om de overtuiging te verkrijgen dat appellant zich heeft ingelaten met harddrugs, gelet op de toelichtingen bij die resultaten. Zoals namens de staatssecretaris ter zitting is toegelicht, heeft hij de testresultaten beoordeeld in combinatie met de Whatsapp-gesprekken, foto’s en geluidsfragmenten die op de telefoon van appellant zijn aangetroffen. Er zijn op de telefoon van appellant enkele Whatsapp-berichten aangetroffen waarin wordt verwezen naar drugs dan wel het gebruik ervan. Appellant heeft steeds ontkend dat hij zich met harddrugs heeft ingelaten en in de stukken en ter zitting heeft hij nader toegelicht in welke context de desbetreffende berichten moeten worden bezien. Mede gelet daarop kan op basis van de Whatsapp-berichten niet de overtuiging worden verkregen dat appellant zich met harddrugs heeft ingelaten. Dat geldt ook voor de aangetroffen foto’s en geluidsfragmenten. De conclusie is dat het ontslag geen stand houdt.
AMAR art. 39 lid 2 onder l

 

ECLI:NL:CRVB:2026:118- U verlaat Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigd betaald salaris. BeroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een rechter. op zesmaandenjurisprudentie en evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
Appellante heeft van 2 december 2019 tot en met 12 september 2021 ouderschapsverlof genoten. Daarnaast heeft zij in die periode roostervrije uren genoten (vermindering contracturen). Voor het ouderschapsverlof heeft appellante een (formeel) rekestVerzoekschrift. ingediend, dat is goedgekeurd en verwerkt. Voor de opname van de roostervrije uren heeft appellante toen geen (formeel) rekest ingediend.

De e-mail van 7 januari 2020 kan niet worden beschouwd als een voor de toepassing van de zesmaandenjurisprudentie relevant signaal. Daarin vraagt appellante na of alles voor haar roostervrije uren en ouderschapsverlof is geregeld en merkt zij op dat ze op dat moment nog haar volledige salaris en vakantiedagen krijgt en dat ze aanneemt dat dit nog aangepast gaat worden. Ten tijde van deze e-mail lag er nog geen formeel rekest met betrekking tot de roostervrije uren. Appellante had kunnen en moeten weten dat zo’n rekest wel noodzakelijk was. Door het ontbreken ervan was de vraag van appellante prematuur. Tegen deze achtergrond kan de e-mail niet worden aangemerkt als een voldoende concreet signaal dat te veel salaris werd verstrekt vanwege het niet of onjuist verwerken van de opname van de roostervrije uren. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De onverschuldigde betaling is in feite ontstaan doordat appellante al minder is gaan werken, terwijl zij daarvoor nog geen formele toestemming had van het bevoegd gezagHet recht en de plicht van een persoon (meestal een ouder) om een kind jonger dan 18 jaar op te voeden en te verzorgen en belangrijke beslissingen te nemen over het kind. Een of twee personen kunnen het gezag hebben.. Er is dus geen sprake geweest van een administratieve fout. Er is ook geen sprake van een schrijnende financiële situatie of van andere bijzondere omstandigheden.
WAD art. 10b, 10c lid 1

Arbeidsongeschiktheid

ECLI:NL:CRVB:2026:82- U verlaat Rechtspraak.nl
Nabetaling pensioen. Herziening en terugvordering. Dringende reden. Geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel
Het Uwv heeft zijn primaire standpunt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in aanmerking had kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP en geen recht had op toeslag op grond van de TW, niet langer gehandhaafd. De artikelen 3 en 4 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herzieningBuitengewoon rechtsmiddel tegen onherroepelijke veroordelingen in strafzaken. Kan bij de Hoge Raad worden aangevraagd wanneer zich een nieuw gegeven (zgn. novum) zich heeft geopenbaard, dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was. uitkeringen 2006 zijn niet van toepassing. Het Uwv heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. Zowel appellant als het Uwv hebben geen aandeel gehad in ontstaan van de intrekking en terugvordering. Van strijd met het rechtzekerheidsbeginsel is geen sprake. Daarbij is van belang dat appellant door de intrekking van de toeslag met terugwerkende kracht niet in een financieel nadeliger positie terecht is gekomen. De (financiële) gevolgen van de intrekking en terugvordering en daarmee de uitkomst van de gemaakte belangenafweging acht de Raad niet onevenredig.
TW art. 11a, 20; Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 art. 3, 4

 

ECLI:NL:CRVB:2026:90- U verlaat Rechtspraak.nl
Externe factoren. Geen negatieve invloed op ziekte zelf.
Geweigerd is aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat is aangenomen dat hij over arbeidsvermogen beschikt. Het Uwv heeft met juistheid gesteld dat externe factoren bij het vaststellen van de belastbaarheid in het kader van de Wajong niet worden meegewogen tenzij deze een directe negatieve invloed hebben op de aandoening of ziekte zelf. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake. De factoren: uit huis gaan, eigen woonplek, gezin en scheiding van partner een jaar eerder waardoor de zorg van het dochter en huishouden grotendeels door appellante worden verricht zijn allen te scharen onder externe factoren. Bij geen van de beschreven externe factoren is namelijk te stellen deze een invloed uitoefenen op de aandoening/ziekte zelf, oftewel dat deze 'ziekmakend' zijn.
Wajong art. 1a:1

 

ECLI:NL:CRVB:2026:95- U verlaat Rechtspraak.nl
Loonsanctie. De Raad volgt rechtbank niet in vasthouden aan nuancering op ‘voor rekening en risico-benadering’.
Na de uitspraak van de Raad van 23 november 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:2216- U verlaat Rechtspraak.nl) is de rechtbankRechtsprekend orgaan dat in eerste aanleg oordeelt over zaken zoals echtscheidingen, misdrijven, geldvorderingen, en de meeste bestuursrechtelijke geschillen. Ook wordt met het begrip rechtbank het gebouw aangeduid waarin de rechtbank zetelt. blijven vasthouden aan haar nuancering op de ‘voor rekening en risico’-benadering. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 23 november 2023 is neergelegd. De rechtbank gaat uit van een ‘vergewis’-plicht, maar hiermee wordt het risico van een onjuist medisch advies van een door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts verlegd van werkgever naar werknemer. Uit de artikelen 25, negende lid, en 65 van de Wet WIA vloeit voort dat dit risico op de werkgever rust en dat dit blijkens de wetsgeschiedenis een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om deze risicoverdeling ten nadele van werknemers te wijzigen. Dat de (demissionaire) minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inmiddels voornemens is het medisch advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets leidend te maken, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. 
Wet WIA art. 25, 65

 

ECLI:NL:CRVB:2026:84- U verlaat Rechtspraak.nl
Startdatum uitlooptermijn van 24 kalendermaanden. Gelijksoortige functie.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA genoemde uitlooptermijn van 24 kalendermaanden gaat lopen vanaf de datum waarop de functies aan de betrokkene zijn aangezegd. De functie bloemkwekerij is vervangen door de functie champignonplukker. Dit heeft geen gevolgen voor de startdatum van de uitlooptermijn. Het gaat om gelijksoortige functies binnen dezelfde SBC-code. De arbeidsdeskundige bezwaarProtest van een particulier of organisatie tegen bepaald overheidshandelen. en beroep heeft afdoende toegelicht dat beide functies in essentie oogstwerkzaamheden betreffen en voor tenminste 65% uit hetzelfde soort werk bestaan.
Wet WIA art. 60

 

ECLI:NL:CRVB:2026:71- U verlaat Rechtspraak.nl
Toegenomen beperkingen na WIA-beoordeling. Integrale beoordeling of destijds geselecteerde functies geschikt zijn.
Beëindiging ZW-uitkering per 2 juni 2010 na WIA-beoordeling. Wanneer – zoals bij appellante het geval is – sprake is van toegenomen beperkingen, dient het Uwv de medische geschiktheid van de eerder geduide functies opnieuw integraal te beoordelen. Het Uwv heeft ten onrechte alleen beoordeeld of de aanvullende beperkingen die per 2 juni 2010 voor appellante gelden ten opzichte van die uit de FML van 13 februari 2007, gevolgen hebben voor de geschiktheid van de eerder in 2007 geselecteerde functies. Rekening moet worden gehouden met het voortschrijdend inzicht van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat zij een van de in 2007 geselecteerde functies niet geschikt acht in verband met twijfel over een – in 2007 door de arbeidsdeskundige nog wél akkoord bevonden – signalering. Gezien de gronden van appellante had bovendien ook de arbeidskundige geschiktheid van de functies moeten worden beoordeeld. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellante op 2 juni 2010 geschikt is voor ‘zijn arbeid’, als bedoeld in artikel 19 van de ZW.
ZW art. 19

Bijstand

ECLI:NL:CRVB:2025:1910- U verlaat Rechtspraak.nl
Herziening, intrekking en terugvordering van bijstand. Afwijzing aanvraag. Buitenbehandelingstelling aanvraag. Afstemming. Schending inlichtingenverplichting. Vermogen boven de grens. Eigendom caravan. Geen belangenafweging. Leningen voor levensonderhoud. Huurbetalingen door broer. Geen substantiële besparing.
Niet in geschil is dat de broer van appellant in de periode van 8 april 2021 tot en met 7 november 2021 de huur rechtstreeks betaalde aan de verhuurder. Doordat appellant deze (algemeen noodzakelijke) kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm, kon dit hem een substantiële besparing opleveren. In dit geval heeft appellant echter geen substantiële besparing gehad. Appellant heeft met zijn verklaring en overgelegde bankafschriften aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de huurbetalingen sprake is van een lening. Het college heeft de bijstand dan ook ten onrechte afgestemd door de huurbetalingen op de bijstand in mindering te brengen.
PW art. 18 lid 1

 

ECLI:NL:CRVB:2026:124- U verlaat Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van bijstand. Afwijzing aanvraag. Niet-meewerken aan huisbezoek. Geen redelijke grond. Zelf voorzien.
De melding van de gemeente Den Haag dat de dochter van appellante veel in de gemeente Rijswijk pint en vermoedelijk ook bij haar moeder verblijft alsook het daarop gevolgde contact met die gemeente bieden geen concrete feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om eraan te twijfelen of de woonsituatie van appellante wel die van een alleenstaande was. Het betreft niet meer dan vermoedens. De verklaring van appellante roept mogelijk de vraag op of de dochter op het adres van appellante ook haar hoofdverblijf heeft en daarmee twijfel of appellante wel alleenstaande is, maar zo er met die verklaring al sprake is van voldoende concrete feiten en omstandigheden om te twijfelen aan de door haar opgegeven woonsituatie, heeft in ieder geval te gelden dat het college zich er drie-en-een-halve maand na de verklaring rekenschap van had moeten geven hoe de feitelijke situatie op dat moment was en daar eerst onderzoek naar had moeten doen. Er bestond aldus geen redelijke grond voor een huisbezoek. Om die reden kan aan de weigering van appellante om hieraan mee te werken niet het gevolg worden verbonden dat de bijstand wordt ingetrokken (en teruggevorderd). Dit brengt ook mee dat aan de afwijzing van de aanvraag de grond is komen te ontvallen.
PW art. 17 lid 2 

 

ECLI:NL:CRVB:2026:132- U verlaat Rechtspraak.nl
Intrekking, beëindiging en terugvordering van bijstand. Ontvangst immateriële schadevergoeding. Vrijlating. Geen vermogen. Statistische eindleeftijd.
Niet in geschil is dat A als gevolg van een medische fout ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen en in verband daarmee een immateriële letselschadevergoeding van € 65.000,- heeft ontvangen. A was ten tijde van de medische fout 42 jaar en 10 maanden oud. Zij heeft een statistische eindleeftijd van 86,3 jaar. Dit betekent dat zij met het bedrag van € 65.000,- een periode van 43 jaar en ruim vijf maanden moet overbruggen. Dit komt neer op (afgerond) € 1.498,- per jaar en € 125,- per maand. De (beperkte) hoogte van dit bedrag, de aard en bijzondere bestemming van de ontvangen immateriële schadevergoeding, afgezet tegen de aan betrokkenen toegekende bijstand naar de norm voor gehuwden, maken dat het college in redelijkheid niet tot het oordeel kan komen dat de immateriële schadevergoeding in geval van betrokkenen uit het oogpunt van bijstandsverlening niet onverantwoord is. Het college had dus het gehele bedrag aan immateriële schadevergoeding moeten vrijlaten.
Awb art. 3:4; PW art. 31

Dagloon

ECLI:NL:CRVB:2026:159- U verlaat Rechtspraak.nl
Verhoging uitkering. Twee dienstbetrekkingen in referteperiode. Contra legem toepassing evenredigheidsbeginsel.
Appellant wordt gevolgd in zijn standpunt dat in de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 13a van de Wet WIA niet is terug te vinden waarom de wetgever de mogelijkheid tot verhoging van het dagloon alleen heeft geïntroduceerd voor de situatie dat een betrokkene al een WIA-uitkering ontvangt. De Raad heeft op grond van de wetsgeschiedenis en beantwoording van vragen door de minister geconcludeerd dat de wetgever bij de invoering van artikel 13a van de Wet WIA niet de situatie heeft onderkend dat een werknemer in het refertejaar slechts kort, zoals appellant, dan wel geen werkzaamheden heeft verricht in dienstbetrekking B op het moment van uitval uit dienstbetrekking A, maar na zijn uitval uit dienstbetrekking A (nog) geruime tijd werkzaamheden in dienstbetrekking B heeft verricht. De Raad concludeert dan ook dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd bij het vaststellen van artikel 13a van de Wet WIA, waardoor toepassing van artikel 13a van de Wet WIA, voor zover daarin de voorwaarde is opgenomen dat voor het opnieuw kunnen vaststellen van het dagloon geldt dat een betrokkene na het ontstaan van het recht op een WIA‑uitkering ziek is geworden, zo zeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.
Wet WIA art. 13, 13a

Sociale voorzieningen

ECLI:NL:CRVB:2026:117- U verlaat Rechtspraak.nl
Jeugdhulp. Procesbelang. Schade. Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in plaats van onderzoek door het college. Gebruik bevoegdheidDe vraag welke rechter de zaak mag behandelen. art. 2.4 Jw.
Niet in geschil is dat het college na de aanvraag om jeugdhulp geen onderzoek heeft verricht, terwijl dit wel had gemoeten. Het is op voorhand niet onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het uitblijven van het brede onderzoek en de juiste jeugdhulp. Dat betekent dat appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering omdat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Bij een aanvraag op grond van de Jw maakt het niet meewerken aan onderzoek of het ontbreken van overeenstemming over de hulpvraag of het in te zetten hulpaanbod niet dat louter om die reden de Raad voor de KinderbeschermingOrgaan van het ministerie van Justitie en Veiligheid, gevestigd in elke arrondissementshoofdplaats. De raad behartigt de belangen van minderjarigen die dat nodig hebben en adviseert de kinderrechter bijvoorbeeld bij verzoeken om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De raad heeft een adviserende rol of treedt op als procespartij in zaken over gezag, omgang, ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. moet worden verzocht onderzoek te doen als bedoeld in artikel 2.4 Jw. Door dat in dit geval wel te doen heeft het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit deze bevoegdheid voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij is verleend. De Raad volstaat in dit geval met de vernietiging van het bestreden besluit.
Jeugdwet art. 2.3, 2.4

 

ECLI:NL:CRVB:2026:101- U verlaat Rechtspraak.nl
Maatwerkvoorziening. Procesbelang. Immateriële schade.
Vaststaat dat in verband met de psychische problematiek van appellant extra kennis en kunde nodig is om appellant passende ondersteuning te bieden op alle resultaatgebieden waarop hij beperkingen ondervindt. Niet in geschil is dat het advies om in verband hiermee een ondersteuner in te zetten met minimaal een HBO-social work-diploma, met vijf jaar GGZ-ervaring en met kennis van en ervaring met de diagnose van appellant, niet is opgevolgd. Ook is onbestreden dat de zorgwekkende en schrijnende situatie van appellant niet is veranderd met de ingezette ondersteuning en dat ten tijde van het bestreden besluit geen van de resultaten en doelen uit het primaire besluit was behaald. Appellant is kort na afloop van de looptijd van de maatwerkvoorziening opgenomen geweest in een behandelcentrum van een ggz-instelling. De aanleiding voor deze opname was een toename van depressieve klachten en suïcidaliteit. Vermeld is dat appellant een toename van klachten heeft ondervonden doordat hij gevoelens van onrecht heeft ervaren als gevolg van het tekortschieten van zorg vanuit de gemeente. Onder de omstandigheden acht de Raad in dit geval het bestaan van psychisch leed in de vorm van geestelijk letsel als gevolg van het primaire besluit in het kader van de beoordeling van het procesbelang voldoende onderbouwd. Dit betekent dat op voorhand niet onaannemelijk is dat appellant immateriële schadeSchade die veroorzaakt is door verdriet, smart of geestelijk gemis. Deze schade is (in tegenstelling tot materiële schade) niet direct in geld uit te drukken. De vergoeding die wordt uitgekeerd om immateriële schade te vergoeden heet smartengeld. heeft geleden. De rechtbank heeft ten onrechte het college gevolgd dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.
Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3

 

ECLI:NL:CRVB:2026:46- U verlaat Rechtspraak.nl
Weigering maatwerkvoorziening. Procesbelang. Geen aangevangen en verstreken periode.
Met het instellen van beroep en hoger beroepHet opnieuw behandelen van een zaak door een hogere rechter. wil appellante bereiken dat aan haar alsnog een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Dit resultaat kan zij bereiken en het realiseren van dat resultaat zou voor haar ook feitelijk betekenis hebben. In dit geval is geen sprake van een periode die al verstreken is. Omdat het college heeft geweigerd aan appellante een maatwerkvoorziening te verstrekken is er geen voor de beoordeling van het procesbelang relevante periode aangevangen. Dit betekent dat appellante procesbelang heeft en dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijkNiet vatbaar voor berechting. De niet-ontvankelijkheid wordt bepaald door de rechter. Een zaak is niet-ontvankelijk als het niet tot een inhoudelijke behandeling komt omdat er niet is voldaan aan formele vereisten. In het strafrecht kan ook het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zijn als bijvoorbeeld de opsporing en vervolging niet fatsoenlijk zijn verlopen. heeft verklaard.
Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3, 2.3.6 lid 5 onder b, 2.3.10 lid 1 onder d

Studiefinanciering

ECLI:NL:CRVB:2026:185- U verlaat Rechtspraak.nl
Studielening. Rente. Vergelijking met consumentenkrediet.
Volgens appellant valt Nederlandse studiefinanciering onder de Richtlijn Consumentenkrediet. Zijn betoog dat hij geen rente is verschuldigd over zijn studielening, omdat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht op grond van die Richtlijn, slaagt niet. Studieleningen verstrekt op grond van de Wsf 2000 vallen niet onder de reikwijdte van deze richtlijn. De Raad acht niet voor redelijke twijfel vatbaar dat een numerieke of kwantitatieve uitleg van het begrip van artikel 2 van de Richtlijn onjuist is. De Raad acht evenmin voor redelijke twijfel vatbaar dat de zinsnede “lagere dan op de markt gebruikelijk rentevoet” betekent: lager dan de rentevoet waartegen een consument in vergelijkbare omstandigheden een lening van vergelijkbare omvang en met een vergelijkbare looptijd op de markt zou kunnen krijgen. De voorwaarden bij de studielening, zeker in hun onderlinge samenhang, zijn gunstiger dan de voorwaarden voor consumentenkredieten op de vrije markt. De Raad wijst in het bijzonder op de mogelijkheid van het pauzeren van de afbetaling, het feit dat na afloop van de aflosfase een eventuele restschuld wordt kwijtgescholden en het feit dat ook zonder verzekeringZie: Inverzekeringstelling de restschuld vervalt in geval van overlijden. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de Raad geen aanleiding.
Richtlijn Consumentenkrediet art. 2

 

ECLI:NL:CRVB:2026:186- U verlaat Rechtspraak.nl
Omzetting prestatiebeurs. Hardheidsclausule. Alles-of-niets-benadering.
Betrokkene heeft achtereenvolgens een prestatiebeurs ontvangen voor een (door hem gestaakte) hbo-opleiding Accountancy, een technische mbo-opleiding en een technische hbo-opleiding. Daarbij heeft betrokkene de diplomatermijn hoger onderwijs overschreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule door de diplomatermijn hoger onderwijs niet aan betrokkene tegen te werpen. De Raad volgt dat oordeel niet. In de eerste plaats wordt daarvoor opgemerkt dat de termijn van tien jaar ook voor de afgebroken studie en twee voltooide studies van betrokkene voldoende zou zijn geweest, als betrokkene er niet voor zou hebben gekozen een jaar tussendoor te werken en niet te studeren. Betrokkene heeft wel stukken overgelegd met betrekking tot een medisch probleem, maar de gevolgen daarvan voor zijn studieverloop niet nader met verifieerbare gegevens onderbouwd. Ook heeft hij geen verzoek ingediend om toepassing van artikel 5.16 van de Wsf 2000. Een wettelijk systeem dat voor atypische situaties met betrekking tot de diplomatermijn, zoals hier aan de orde, bij de omzetting van de prestatiebeurs in een gift afwijkt van de hoofdregel van “alles-of-niets”, zou ook denkbaar zijn. Het is echter aan de wetgever om op dit punt al dan niet stappen te zetten.
Wsf 2000 art. 5.16, 11.5

 

ECLI:NL:CRVB:2026:182- U verlaat Rechtspraak.nl
Peildatum. Belemmeringenverbod. Geen indirecte discriminatie.
Volgens appellant leidt de peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 tot een verboden indirecte discriminatie in de zin van het Unierecht. Verder is het hanteren van de peildatum volgens hem in strijd met het belemmeringenverbod van artikel 56 van het VWEU. De peildatum maakt het voor EU-studenten namelijk minder aantrekkelijk om arbeidsovereenkomsten aan te gaan met een ingangsdatum kort na de eerste van de maand, omdat zij dan niet meteen de vruchten van het migrerend werknemerschap kunnen plukken. Omdat appellant pas in de loop van de maand is toegetreden tot de Nederlandse arbeidsmarkt, loopt hij een maand studiefinanciering mis. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de minister aan appellant geen studiefinanciering hoefde toe te kennen over de maand mei 2022, omdat hij op de eerste dag van die maand nog geen migrerend werknemer was. Van indirecte discriminatie naar nationaliteit is geen sprake. De peildatum van artikel 1.2 van de Wsf 2000 levert, anders dan appellant heeft gesteld, geen belemmering op om toe te treden tot de arbeidsmarkt in Nederland. Er bestaat geen aanleiding om onder toepassing van de hardheidsclausule de peildatum buiten toepassing te laten.
VWEU art. 56, Wsf 2000 art. 1.2

Overige nieuwsbrieven

Nieuwsbrieven 2026

Nieuwsbrieven 2025

Nieuwsbrieven 2024

Nieuwsbrieven 2023

Nieuwsbrieven 2022

Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.

Rechtspraak archiefweb- U verlaat Rechtspraak.nl