Gewekte verwachtingen door toezeggingen, beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Gewekte verwachtingen door toezeggingen, beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt
Utrecht, 22 maart 2017

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 16 maart 2017 dat tegenover de belangen van appellanten de door de minister naar voren gebrachte belangen van onvoldoende gewicht zijn.

Is sprake van verwachtingen, gewekt door toezeggingen als hier aan de orde, dan zal moeten worden onderzocht of, en zo ja in welke mate, het beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden gehonoreerd. Terugkomen (of: intrekken) van een toezegging is rechtens toelaatbaar als een afweging van alle betrokken belangen daartoe noopt, bijvoorbeeld omdat een dwingend organisatiebelang aan inwilliging van de toezegging in de weg staat. De minister heeft in dit verband gewezen op het financiële belang van de organisatie en op het belang dat geen onvrede ontstaat onder personeelsleden in dezelfde functie die na 2015 zijn aangesteld in schaal 12 en niet voor inschaling in schaal 13 in aanmerking zouden komen.

Bij de weging van de belangen van appellanten acht de Raad allereerst van belang dat appellanten de functie van [B], klaarblijkelijk naar tevredenheid, gedurende langere periodes als waarnemer hebben vervuld. Zij zitten op het maximum van hun schaal en hebben in hun huidige functie geen doorgroeimogelijkheden. Appellanten hadden gelet op hun werkervaring in deze functie bovendien geen enkele reden om te vermoeden dat de toezegging op een fout berustte; zij ontleenden aan de toezegging dan ook gerechtvaardigde verwachtingen. De Raad acht verder van betekenis dat niet gebleken is dat de minister moeite heeft gedaan om de (op onjuiste informatie gebaseerde) mededeling na ontdekking van de fout op korte termijn te corrigeren.

Tegenover de belangen van appellanten acht de Raad, mede in het licht van de weinig voortvarende handelwijze van de minister, de door de minister naar voren gebrachte belangen van onvoldoende gewicht. Het financiële belang is betrekkelijk gering, nu het uitsluitend betreft het verschil in salarismaximum dat op termijn zal worden ontvangen door beide appellanten; dit verschil bedraagt ruim € 500,- bruto per maand per appellante. Gesteld noch gebleken is dat financiële uitstralingseffecten naar andere medewerkers zouden kunnen ontstaan. Wat betreft het belang van het voorkomen van mogelijke onvrede die zou kunnen ontstaan onder andere medewerkers hebben appellanten er op gewezen dat zij de functie van [B] al sinds 2009/2010 vervullen, dat alle collega’s die sindsdien zijn aangesteld als [B], zijn ingedeeld in schaal 13 en dat collega’s die na 2015 zijn aangesteld als [B] ook gesolliciteerd hebben naar een schaal 12-functie. De Raad volgt appellanten in hun stelling dat de minister, indien hun verzoek wordt gehonoreerd, desgevraagd met recht kan wijzen op de relevante verschillen in werkervaring en gedane toezeggingen tussen beide appellanten en de later aangestelde collega’s. Eventuele onvrede zou daarmee, naar het de Raad voorkomt, op goede gronden kunnen worden weerlegd. De slotsom luidt dat het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel slaagt.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten