Intrekking bijstand na intrekking van verblijfsrecht met terugwerkende kracht

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksCentrale Raad van Beroep > Nieuws > Intrekking bijstand na intrekking van verblijfsrecht met terugwerkende kracht
Utrecht, 06 januari 2016

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 22 december 2015 dat de intrekking met terugwerkende kracht van een toelating van een vreemdeling niet mee brengt dat de over de aan dat besluit voorafgaande periode verleende bijstand reeds op die grond kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd.

De IND trekt verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht in op grond van het openbare orde beleid. Betrokkene is een ISD-maatregel opgelegd. Het college trekt de bijstand in over de periode waarover (achteraf gezien) betrokkene geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van toelating. De rechtbank volgt het college: nu betrokkene in de te beoordelen periode geen rechtmatig verblijf had, had hij ook geen recht op bijstand. Er is tot aan het besluit van de IND geen schending van de inlichtingenverplichting.

Hier is geen sprake van "ten onrechte of tot een hoog bedrag verleende bijstand" (artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van WWB, thans 54, derde lid, tweede volzin, van de PW) vanwege het rechtszekerheidsbeginsel en het actualiteitsbeginsel. Wijziging achteraf van omstandigheden tast het recht op bijstand niet aan, maar geeft in aangewezen gevallen hooguit een bijzondere terugvordering (achteraf verkregen middelen die betrekking hebben op de te beoordelen periode, art 58.1.f) die hier ontbreekt. Voorts is de vraag of de gelijkstellingsbepaling tijdens procedureel rechtmatig verblijf na intrekking van de toelating niet a fortiori betekent dat intrekking van het toelating met terugwerkende kracht geen gevolgen heeft voor het recht op bijstand over die voorafgaande periode.

De intrekking met terugwerkende kracht van een toelating van een vreemdeling brengt niet mee dat de over de aan dat besluit voorafgaande periode verleende bijstand reeds op die grond kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Dit is in strijd met het in de bepalingen van de WWB tot uitdrukking komende beginsel van materiële rechtszekerheid, inhoudende dat een ten tijde van de betaling rechtmatig ontvangen bijstand nadien in beginsel niet kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Van belang is dat de betrokkene niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat bijstand ten onrechte werd verleend. In de geschiedenis van de totstandkoming van de bijstandswetgeving, in het bijzonder bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, is dit beginsel ook tot uitdrukking gebracht (EK 1995-96, 23 909, nr. 114d, p. 4).

Daarbij komt dat de betrokkene de bijstand moet aanwenden om in zijn bestaan te voorzien en geen rekening kan houden met, of van die middelen kan reserveren voor, de kans dat in de toekomst, niet door wijziging van bijstandbehoevende omstandigheden, maar door verandering met terugwerkende kracht van het verblijfsrecht van de betrokkene, het recht op bijstand met terugwerkende kracht zou kunnen komen te vervallen. Een intrekking van bijstand in gevallen als deze is daarmee samenhangend ook in strijd met het aan de bijstandswetgeving ten grondslag liggende en onder meer in artikel 11, eerste lid van de WWB tot uitdrukking komende, actualiteitsbeginsel, inhoudende dat bij vaststelling van het recht op bijstand zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de feitelijke situatie. Vergelijk de uitspraak van 5 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4429. Latere wijzigingen van omstandigheden tasten dat recht niet aan, doch geven hoogstens aanleiding voor specifieke mogelijkheden van terugvordering voor bijvoorbeeld achteraf verkregen middelen die zien op de periode waarover bijstand is verleend. Een dergelijke specifieke terugvordering voor het hier beoordeelde geval bestaat niet.

Ten slotte is de kennelijke bedoeling van de zogenoemde Koppelingswet (Stb. 1998, 203) van belang. Vergelijk de uitspraak van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5036. Het is ongerijmd dat enerzijds de vreemdeling na beëindiging van zijn toelating recht op bijstand wordt toegekend in geval hij rechtmatig verblijf heeft tijdens een aanvraag om verlenging van die toelating of tijdens een rechtsmiddel tegen de beëindiging van die toelating, maar dat anderzijds het recht op bijstand voorafgaande aan die beëindiging zou kunnen worden ingetrokken wegens verlies van die toelating met terugwerkende kracht. Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1495.

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Dit is een nieuwsbericht op basis van de genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Bij verschil tussen dit nieuwsbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

Meest gelezen berichten