Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie

Nummer 10, jaargang 2020

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de maand oktober 2020 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2020:2348

    Brief over wijziging rechtspositie en maatwerkafspraken. Geen besluit of andere handeling.

    Awb 1:3, 8:2 lid 1 onder a

    De brief verschaft slechts informatie over de gewijzigde rechtspositie van appellant en is daarom niet op rechtsgevolg gericht. Er is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen ingevolge artikel 7:1 en 8:1 van de Awb bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld, en evenmin van een voor bezwaar en beroep vatbare andere handeling als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtspositie van appellant wordt immers niet gewijzigd door inhoud van de brief, maar door de wijziging van artikel 88a van het Barp, door de wijziging van artikel 11 van de Regeling en door de in het CGOP gemaakte en door de korpschef vastgestelde maatwerkafspraken. Met de maatwerkafspraken wordt appellant de mogelijkheid gegeven om in afwijking van het gewijzigde artikel 88a van het Barp en onder de in de maatwerkafspraken weergegeven restricties toch eerder met ontslag te gaan en de ontslaguitkering te ontvangen. Indien appellant ervoor kiest om van die afspraken gebruik te maken, wordt een vaststellingsovereenkomst gesloten. Dat de brief behalve aan appellant slechts aan tien andere functionarissen is verstuurd, en dus sprake is van een beperkte groep politieambtenaren, leidt niet tot een andere juridische duiding van de brief.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2525

    Dwangsom. Hoogte. Samenhangende zaken. Verschil in oorsprong en wettelijk kader.

    Awb art. 4:17

    Appellant heeft het college verzocht om beëindiging met terugwerkende kracht van de reservering van zijn vakantietoeslag en om maandelijkse terugbetaling van deze toeslag met terugwerkende kracht (aanvraag 1). Daarnaast heeft appellant bij aanvraag 2 verzocht om beëindiging met terugwerkende kracht van de maandelijkse inhouding op zijn bijstand ter aflossing van een terugvordering en om terugbetaling van de ingevorderde bedragen. Met deze aanvragen beoogt appellant te bewerkstelligen dat hem feitelijk meer bijstand wordt uitbetaald om daarmee boven de beslagvrije voet uit te komen. Deze aanvragen zijn gelijktijdig in één brief gedaan en appellant heeft het college in één brief in verband met niet tijdig beslissen in gebreke gesteld. De aanvragen hangen voorts inhoudelijk zodanig samen dat het college voor het niet tijdig nemen van besluiten op die aanvragen één dwangsom is verschuldigd. Dat de aanvragen zien op geldbedragen die een verschillende oorsprong hebben en hun grondslag vinden in verschillende wettelijke bepalingen maakt dat niet anders. Het bij aanvraag 3 gedane verzoek om beëindiging van de verlaging van de bijstandsnorm in verband met ontbreken van woonkosten vergt een andere (inhoudelijke) beoordeling dan de aanvragen 1 en 2, terwijl de beoordeling van deze aanvragen niet verschilt.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2534

    Grondslag nader besluit gehandhaafd met andere motivering. Afgewezen verzoek om individuele inkomenstoeslag. Schending hoorplicht.

    Awb art. 7:2 lid 1, 6:22

    Ter uitvoering van aangevallen uitspraak 1 heeft het college bij het nader besluit het bezwaar tegen de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag kennelijk ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat appellante en X langdurig een laag inkomen hebben gehad. Weliswaar wilde het college de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag handhaven op dezelfde, eerder gehanteerde grondslag, namelijk dat appellante en X niet langdurig een laag inkomen hebben gehad, maar niet meer op de grond dat het inkomen in februari 2016 hoger was dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Gelet op de gewijzigde grondslag, dat het inkomen over de periode van 2013 tot en met 2015 hoger was dan die norm, kan niet worden gezegd dat het opnieuw horen van appellante in redelijkheid niet meer zou kunnen zijn dan een herhaling van de al eerder naar voren gebrachte bezwaren. Dit brengt mee dat het college bij het nemen van het nader besluit de in artikel 7:2, eerste lid 1, van de Awb opgenomen hoorplicht heeft geschonden. Dit gebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2431

    Verzoek om herziening uitspraak van voorzieningenrechter van de Raad.

    Awb art. 8:119

    Voor zover het verzoek om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, is de Raad niet bevoegd om daarover te oordelen. Zie de uitspraak van 18 juni 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7689.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2609

    A1-verklaring Rijnvarenden. Procedurevoorschriften. Bewijslastverdeling.

    Verordening (EG) nr. 883/2004 art. 13; Verordening (EG) nr. 987/2009 art. 16

    De SVB heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan door bij betrokkenen en [appellant 1] meerdere malen de benodigde documentatie op te vragen. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen moeten de betrokkene zelf en diens werkgever aan de SVB alle gegevens en inlichtingen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de aan de SVB opgedragen taken jegens de betrokkene. Werknemers en werkgevers in de internationale Rijnvaart moeten desgevraagd aannemelijk maken hoe hun werkzaamheden zijn onderverdeeld in arbeidstijd en arbeidsverrichtingen in de EU-lidstaat waar zij wonen en arbeidstijd en arbeidsverrichtingen in andere staten.

    De SVB heeft de bindende werking van de door het Liechtensteinse orgaan voor betrokkenen afgegeven A1-verklaringen gerespecteerd voor zover zij eerder zijn afgegeven dan de A1-verklaringen die de SVB heeft verstrekt. Daarom hebben de door de SVB afgegeven A1-verklaringen niet geleid tot dubbele heffingen. Voor zover vanaf eind 2018 sprake is van dubbele heffingen, is dit een gevolg van het feit dat het Liechtensteinse orgaan de bindende kracht van de door de SVB afgegeven A1-verklaringen, met welke verklaringen het bekend was, niet heeft gerespecteerd, zoals vereist in constante rechtspraak van het HvJ EU.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2607

    Recht op kinderbijslag vervallen omdat recht op studiefinanciering bestaat. Geen redenen om bepaling buiten toepassing te laten.

    AKW art. 7aa lid 1

    In het kader van de invoering van het leenstelsel in de WSF 2000 heeft de wetgever zich uitdrukkelijk de vraag gesteld of uitsluiting van het recht op kinderbijslag voor een kind dat recht heeft op studiefinanciering na invoering van het leenstelsel nog langer gerechtvaardigd was. Over het wegvallen van de met het recht op kinderbijslag samenhangende aanspraken op kindgebonden budget en de ALO-kop, stelt de Raad voorop dat noch uit de parlementaire geschiedenis van de Wet hervorming kindregelingen, noch uit het debat over het subamendement, kan worden afgeleid dat de gevolgen van handhaving van (oorspronkelijk) artikel 7a van de AKW per 1 januari 2015 en per 1 september 2015 in alle opzichten volledig zijn overzien. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden als bedoeld in het Harmonisatiewetarrest.

    Dat artikel 7aa van de AKW met name in verband met de door appellante geschetste nadelige financiële gevolgen met de Verzamelwet SZW 2020 (Stb. 2019, 483) per 1 januari 2020 is vervallen, maakt het voorgaande niet anders. In dat verband merkt de Raad op dat de wetgever geen aanleiding heeft gezien om terugwerkende kracht aan de wetswijziging toe te kennen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2608

    Onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

    AOW art. 8c lid 2

    Appellant heeft zich op en na 20 juni 2018 onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Het CJIB heeft immers een of meer pogingen ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen, doch zonder resultaat. Door langs te gaan bij het adres waar appellant in de basisregistratie personen stond ingeschreven en een zelfmeldbrief naar ditzelfde adres te sturen, zijn pogingen ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf. Appellant heeft weliswaar contact gehad met de Divisie Individuele Zaken om uitstel te vragen, maar dit was na de melddatum van 11 juni 2018 en is niet succesvol geweest. Deze handelingen zijn daarom niet van invloed geweest op de vermelding in het opsporingsregister. Sinds de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming krijgt de SVB bij het verrichten van nader onderzoek van het CJIB geen inzage meer in de onderliggende stukken over de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, het CJIB verstrekt slechts op verzoek telefonisch de nodige informatie. Zowel de zorgvuldigheid van het onderzoek van de SVB als de inhoudelijke juistheid van de beslissing moeten voor de rechter controleerbaar zijn. Vanuit een oogpunt van controleerbaarheid verdient schriftelijke informatieverstrekking duidelijk de voorkeur boven telefonische informatieverstrekking.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2326

    Relevantie van in beroep overgelegde medische informatie in relatie tot de te beoordelen periode. Retrospectieve beoordeling.

    Wlz art. 3.2.1

    Uit de in beroep overgelegde informatie en het hierop gevolgde medisch advies van CIZ volgt dat het ontwikkelingsniveau van betrokkene over de periode vanaf 2015/2016 tot en met 17 september 2018 steeds rond het niveau van een driejarige is geweest. Van datzelfde niveau was dus ook sprake ten tijde van de periode in geding. Daarmee was, retrospectief oordelend, ook destijds al sprake van een ernstige verstandelijke beperking en een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2443

    Alsnog verlenen gezinsbijstand. Afgeleid verblijfsrecht. Reeds aan minderjarig kind verleende bijstand in aanmerking nemen. Hoogte na te betalen bijstand.

    PW art. 4 aanhef c ten derde, 16, 31

    Appellanten vormen een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c ten derde, van de PW. Appellante had over de periode vanaf 11 januari 2016 tot 26 juli 2017 geen recht op bijstand in verband met haar verblijfsstatus. Aan appellant, de minderjarige zoon van appellante, heeft het college met toepassing van artikel 16 van de PW bijstand verleend, waarbij het college heeft gekozen voor de vorm van kinderbijstand en bijzondere bijstand voor de woonkosten. Deze bijstand strekte tot voldoening van de algemene kosten van levensonderhoud, zoals huisvesting en bijbehorende nutsvoorzieningen, en had daarmee de functie van algemene bijstand. Het college heeft een afgeleid recht op bijstand van appellante erkend en aan haar gezinsbijstand verleend met ingang van 11 januari 2016. Gelet op de eerdere bijstandsverlening zoals dat in dit geval heeft plaatsgevonden, heeft het college bij de vaststelling van het na te betalen bedrag aan bijstand terecht rekening gehouden met de al aan het gezin verstrekte en uitbetaalde bijstand over de periode vanaf 1 januari 2016 tot 26 juli 2017. Artikel 31 van de PW is, anders dan appellanten betogen, hier niet aan de orde.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2245

    Schending inlichtingenverplichting. Herzien en terugvorderen bijstand. Inwonende dochter. Afgelegde verklaring. Alsnog toepassen kostendelersnorm. Ontbreken cautie. Onvoldoende grondslag voor schending inlichtingenverplichting voor boete.

    PW art. 17 lid 1, 18a; Awb art. 5:10a lid 2

    De door appellante afgelegde verklaring kan niet aan de boete ten grondslag worden gelegd, omdat appellante voorafgaand aan het afleggen van haar verklaring ten onrechte de cautie niet is gegeven. De bevindingen van het huisbezoek bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat de dochter van appellante haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Uit het huisbezoek blijkt dat er veel persoonlijke spullen van de dochter op het uitkeringsadres aanwezig waren, alsmede recente administratie, maar dat op zich is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de dochter zich op het uitkeringsadres bevond. Zo kan daaruit bijvoorbeeld niet worden afgeleid hoe vaak de dochter feitelijk verbleef op het uitkeringsadres. Aan het hoge waterverbruik op het uitkeringsadres komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat appellante gastouder is. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was een boete op te leggen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2315

    Meerkosten ten gevolge van chronische ziekte. Vervallen Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en Compensatieregeling Eigen Risico. Gevolgen beleidsvrijheid. Bijzondere bijstand. Onvoldoende onderbouwing.

    PW art. 35 lid 1

    In verband met haar medische situatie ontving appellante tot en met 2014 van het CAK een tegemoetkoming van € 824,- op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatieregeling Eigen Risico  (CER). De Wtcg en de CER zijn per 1 januari 2014 vervallen. In plaats daarvan hebben gemeenten de beleidsvrijheid gekregen om voor meerkosten van chronisch zieken en gehandicapten ondersteuning op maat te regelen via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of via de (individuele) bijzondere bijstand ingevolge de PW. Het college heeft gekozen voor ondersteuning op maat via de bijzondere bijstand ingevolge de PW. Hiermee heeft het college een toegestane invulling gegeven van de door de wetgever geboden (beleids)vrijheid voor ondersteuning op maat. Dat appellante met de afgewezen aanvraag voor de meerkosten onevenredig wordt benadeeld doordat in (de meeste) andere gemeentes een (meer) begunstigend beleid voor chronisch zieken wordt gehanteerd is inherent aan de beleidsvrijheid van gemeenten.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2316

    Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand kosten curator. Met terugwerkende kracht machtiging verleend tot toekennen loon tot hoge beloningstarief. Datum opkomen kosten. Beleid. Reguliere kosten of extra en eenmalige kosten.

    PW art. 35 lid 1

    Uit rechtspraak van de Raad volgt dat entreekosten voor een bewindvoerder opkomen op de dag waarop de bewindvoerder door de kantonrechter wordt benoemd en dat in het verlengde daarvan eenmalige extra kosten van bewindvoering geacht worden te zijn opgekomen op de datum dat de kantonrechter de daarvoor benodigde machtiging verleent. Dit dient ook te gelden voor de kosten van curatele. Uit de machtiging van de kantonrechter blijkt niet dat de kosten als eenmalige extra kosten dienen te worden aangemerkt. Hetgeen de kantonrechter heeft toegewezen betreft namelijk 'het verzoek tot toekenning van het hoge beloningstarief met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015'. Het feit dat het om het hoge beloningstarief gaat, maakt niet dat de kosten het karakter hebben van 'extra en eenmalig'. Bij de verdere beoordeling wordt er dan ook vanuit gegaan dat de totale kosten, waarvoor machtiging is verleend en bijstand is aangevraagd, reguliere kosten betreffen. Nu sprake is van reguliere kosten zijn deze kosten periodiek opgekomen vanaf 1 januari 2015 tot en met 5 oktober 2016. Deze kosten zijn dus opgekomen buiten de termijn van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag. Dit betekent dat het besluit om de aanvraag van bijzondere bijstand af te wijzen in overeenstemming is met het gevoerde beleid.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2378

    Bijzondere bijstand. Aanvangskosten eerste bewindvoerder. Geen ruimte beoordeling noodzaak kosten.

    PW art. 35 lid 1; Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren art. 3 lid 5; BW art. 1:435

    De grond dat het dagelijks bestuur wel degelijk ruimte heeft om te beoordelen of in dit geval de kosten van de aanvangswerkzaamheden van de bewindvoerder Y als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW kunnen worden aangemerkt, slaagt niet. De noodzaak van de (aanvangs)kosten van de werkzaamheden van bewindvoerder Y volgt uit de beschikking van de kantonrechter. Het betreft hier, na opheffing van de ondercuratelestelling, de kosten van een eerste bewindvoerder. De aanstelling van Y als bewindvoerder volgt niet enkel uit de wens van de betrokkene. De kantonrechter komt pas na beoordeling van alle feiten en omstandigheden tot de meest passende maatregel bij de benoeming van een bewindvoerder. Niet is gebleken dat dat hier niet is gebeurd. Dit is niet vergelijkbaar met het geval waarin wel ruimte bestaat voor het bestuursorgaan om de noodzaak van de vermijdbare kosten van het beheer van een pgb te beoordelen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2322

    Weigering mee te werken aan huisbezoek. Onvoldoende gemotiveerde intrekking. Geen redelijke grond voor huisbezoek. Geen noodzaak om direct woning te onderzoeken.

    PW art. 53a

    Voorafgaand aan het huisbezoek ontbrak een redelijke grond om een huisbezoek af te leggen omdat er geen concrete objectieve feiten waren om redelijkerwijs te kunnen twijfelen aan de woon- en leefsituatie. Het college kon redelijkerwijs wel twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over inkomsten uit exploitatie van een kennel. Het college had dit echter op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze dan een huisbezoek kunnen verifiëren. Tot aan het huisbezoek is er geen onderzoek verricht naar de kennel, of de exploitatie daarvan. Er waren geen aanwijzingen dat de kennel vanuit de woning van appellante werd geëxploiteerd of zich in die woning administratie van de kennel bevond. Daar komt bij dat er geen noodzaak was om onmiddellijk, dus voorafgaand aan ander onderzoek, de situatie in de woning van appellante te onderzoeken in verband met de exploitatie van de kennel. Hieruit volgt dat een redelijke grond voor het huisbezoek ontbrak en het appellante niet kan worden tegengeworpen dat zij haar medewerking aan het huisbezoek heeft geweigerd.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2518

    Ten onrechte afgewezen aanvraag. Onvoldoende grondslag. Onzorgvuldig onderzoek naar de financiële situatie. Opgevraagde gegevens over onroerende zaak. Onlosmakelijk verbonden met discriminatoir vermogensonderzoek. Onrechtmatig.

    PW art. 53a; Awb art. 3:2

    Hoewel er in het kader van de beoordeling van de aanvraag onduidelijkheid blijft over de financiële situatie van appellante, kan het risico daarvan onder de gegeven omstandigheden niet volledig voor rekening van appellante komen. Het had hier op de weg van het college gelegen nader onderzoek te doen naar de financiële omstandigheden van appellante en zo nodig de bijdragen van de meerderjarige kinderen en van de familie, voor zover deze niet als leningen kunnen worden beschouwd, als inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Daarbij is van belang dat de bankafschriften geen stortingen of overschrijvingen laten zien waarvan de herkomst onduidelijk is, dat geen concrete aanwijzingen bestaan voor een andere onbekende bron van inkomsten, dat appellante vanaf 10 oktober 2014 geen bijstand ontvangt, dat zij de afgelopen jaren reeds zevenmaal vergeefs een aanvraag om bijstand heeft ingediend en dat het college tot op heden nooit een onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van de aanvragen van appellante, maar steeds een afwachtende houding heeft ingenomen.

    Voor wat betreft het incidenteel hoger beroep van het college overweegt de Raad als volgt. Vaststaat dat het vermogensonderzoek, dat aan de voorafgaande intrekking van bijstand van appellante ten grondslag lag, discriminatoir was zodat de bevindingen daarvan buiten aanmerking bleven. De opvraag van financiële gegevens over de onroerende zaak door het college bij appellante is uitsluitend een vervolg op en onlosmakelijk verweven is met de bevindingen van dit eerdere onrechtmatige vermogensonderzoek en was daarom onrechtmatig.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2365

    Afgewezen verzoek om kwijtschelding. Overgangsrecht. Toepassing beleidsregels.

    WWB art. 58; Beleidsregels PW

    Voor het verzoek om kwijtschelding van een in 2004 ontstane vordering moet in beginsel gekeken worden naar artikel 58 van de WWB en het beleid van het college zoals dat luidde op 31 december 2012. Hieruit vloeit voort dat het college in overeenstemming met de Beleidsregels heeft gehandeld door het verzoek om kwijtschelding af te wijzen op de grond dat sprake is van recidive. De beroepsgrond van appellant dat de beleidsregels zoals die luidden op 13 juli 2004 gunstiger voor hem zouden zijn geweest en dat het college daarom gehouden is in zijn geval dat gunstiger beleid toe te passen, mist feitelijke grondslag en slaagt alleen al daarom niet. Niet gebleken is dat in de loop van de tijd sprake is geweest van een verandering in het beleid van het college ten nadele van appellant. Er zijn geen dringende redenen om van verdere terugvordering af te zien.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2396

    Verrekening door rechtbank uitgesproken proceskosten met schuld. Schorsende werking hoger beroep. Vaststaande vordering. Verrekening vergoeding kosten bezwaar met schuld. Bevoegdheid niet tijdig betaalde proceskosten.

    PW art. 60a; Awb art. 4:125, 6:16, 8:76, 8:106 lid 1a; Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak

    College is gelet op de schorsende werking van het hoger beroep niet bevoegd hangende hoger beroep de door rechtbank in de aangevallen uitspraak uitgesproken proceskostenveroordeling te verrekenen met de op appellant openstaande schuld. Zolang de werking van de aangevallen uitspraak is opgeschort, in dit geval zolang de Raad niet heeft beslist op het hoger beroep van appellant, is namelijk nog geen sprake van een vordering van appellant op het college waarmee verrekend kan worden. De schorsende werking van het hoger beroep staat niet in de weg aan de in het nader besluit neergelegde verrekening van de door het college aan appellant toegekende vergoeding voor de door hem in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Op grond van artikel 6:16 van de Awb leidt het instellen van beroep namelijk niet tot schorsing van het besluit waartegen het beroep is gericht. Voor zover het beroep tegen het nader besluit slaagt en de schade ziet op het niet tijdig betalen van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, zal de Raad zich gelet op het bepaalde in artikel 8:76 van de Awb onbevoegd verklaren om van dit verzoek kennis te nemen. Appellant dient zich daarvoor te wenden tot de civiele rechter.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2457

    Arbeidsvermogen. Beperkte levensverwachting.

    Wet WIA art. 2 lid 2 onder c

    Appellante stelt dat zij na haar dubbele longtransplantatie in 2012 een beperkte levensverwachting heeft van gemiddeld acht á tien jaar. Appellante wordt er niet in gevolgd dat hierdoor sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid en onder c, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Gelet op de nota van toelichting bij het Sb (Stb. 2000, 307) is in het algemeen bij dit artikel gedacht aan een periode van ongeveer een jaar waarin een verslechtering van mogelijkheden als gevolg van een terminale ziekte valt te verwachten. In dergelijke gevallen wordt een arbeidskundige toetsing zinloos geacht en wordt het voor de hand liggend geacht om de verzekeringsarts, die de cliënt als eerste ziet, te laten vaststellen dat van arbeidskundige toetsing kan worden afgezien waarna de verzekeringsarts de betrokkene volledig arbeidsongeschikt kan verklaren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn standpunt dat bij appellante op de datum in geding geen sprake is van de situatie dat zij binnen afzienbare tijd de aanwezige benutbare mogelijkheden zal verliezen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2570

    Benodigde begeleiding. Geen arbeidsvermogen.

    Wajong art. 2:4, eerste lid; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 1a:1

    Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1461) staat de noodzaak van voortdurend toezicht en intensieve begeleiding in beginsel niet in de weg aan het aannemen van arbeidsvermogen, als bedoeld in artikel 1a van het Schattingsbesluit. De thans geschetste intensieve en persoonlijke begeleiding door daartoe gekwalificeerde begeleiders reikt verder dan de kaders die in een arbeidsorganisatie door de aanwezigheid van een leidinggevende en/of inzet van een jobcoach bij het verrichten van een taak kunnen worden geboden, ook als hierbij de mogelijkheid van een beschutte werkomgeving als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet wordt betrokken.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2478

    Herbeoordeling hoofdstuk 2 gerechtigde per 1 januari 2018. Korte onderbrekingen.

    Wajong art. 2:45; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 1a lid 1

    Het UWV heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat appellante niet als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:45 van de Wajong is aan te merken. De omstandigheid dat appellante het werk soms korte tijd zal moeten onderbreken voor het meten van haar glucosewaarden of het toilet dient te bezoeken in verband met braakneigingen dient niet te worden betrokken bij de voorwaarde van een uur aaneengesloten werken. Genoemde aspecten kunnen wel een rol spelen bij de zogeheten taakspecifieke eisen, dat zijn de eisen die het uitoefenen van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde taak met zich brengt. Door de arbeidsdeskundige is genoegzaam gemotiveerd dat bij de taak 'invoeren van gegevensʼ voor appellante de mogelijkheid bestaat tot het meten van glucosewaarden of toiletbezoek. De gedingstukken bieden geen steun voor de stelling dat deze tussentijdse onderbrekingen zich bij appellante dermate frequent voor zullen doen dat van een economische loonwaarde bij het verrichten van de taak geen sprake meer zal zijn.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2616

    Periodeloonvergelijking in plaats van uurloonvergelijking. Geen strijd met nationaal recht. Individueel kan sprake zijn van een onevenredig zware last.

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 10a; EP EVRM art. 1

    Het is een bewuste keuze van de regelgever geweest om naast deregulering en besparing op de uitvoeringskosten, door de overstap naar een periodeloonvergelijking tot een correctere toepassing van de inkomstenverrekening te komen. De Raad volgt betrokkene niet in haar stelling dat deze nieuwe systematiek niet verenigbaar is met de grondslagen van de WAO. De WAO biedt een verzekering tegen inkomensderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Niet kan worden gezegd dat de keuze voor de periodeloonvergelijking zoals neergelegd in het Schattingsbesluit niet past binnen de systematiek van de WAO. Door de compensatie van een jaar uitgestelde inwerkingtreding, samen met de tijdige informatie over de wetswijzigingen, is op afdoende wijze rekening gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel. De invoering van de periodeloonvergelijking leidt in het algemeen niet tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. De vraag of in concrete gevallen sprake is van een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM, moet van geval tot geval op basis van deugdelijk individueel feitenonderzoek worden beantwoord.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2589

    Berekening arbeidsverleden. Directeur-grootaandeelhouder. Loon uit dienstbetrekking.

    WW art. 6 lid 1 aanhef en onder d, 42 lid 2

    Met loon in artikel 42, tweede lid, van de WW wordt bedoeld 'loon dat uit dienstbetrekking wordt genoten' (vgl. CRvB 7 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2113). Bij het bepalen van de uitkeringsduur dient enkel in aanmerking te worden genomen het loon dat de betrokkene als werknemer in de zin van de WW heeft ontvangen. Bij het bepalen van de uitkeringsduur is terecht geen rekening gehouden met de periode waarin appellant als directeur loon ontving van [BV]. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat toch sprake was van een dienstbetrekking tussen [BV] en appellant, waaraan appellant een verzekering voor de WW ontleent. 

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2397
    Voorziening prestatiebeurs. Dyslexie. Psychische klachten. Niet voldoende studieduur. Geen direct causaal verband.
    WSF 2000 art. 5.16
    Op basis van de beschikbare gegevens heeft de door de minister ingeschakelde medisch adviseur geconcludeerd dat appellante in de periode van september 2006 tot medio maart 2010 als gevolg van medische omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat was een opleiding te volgen. Omdat aan het eind van deze periode nog zes jaar resteerden om binnen de diplomatermijn het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs te behalen, staan de bijzondere medische omstandigheden van tijdelijke aard niet in een direct causaal verband met de overschrijding van de diplomatermijn. Uitgaande van een nominale studieduur was het voor appellante bij een aanvang van een hbo-bacheloropleiding op 1 september 2013 en een aanvang van een wo-bacheloropleiding op 1 september 2014 niet mogelijk om voor 1 september 2016, en dus binnen de diplomatermijn hoger onderwijs, het afsluitend examen te behalen van (een van) die opleidingen. Ook de dyslexie van appellante, voor zover die geduid kan worden als een bijzondere omstandigheid van structurele aard, staat niet in een direct causaal verband met de overschrijding van de diplomatermijn. Hieruit volgt dat de door de onderwijsinstelling gegeven motivering niet dragend kan zijn voor de conclusie dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn. De minister heeft deze verklaring dan ook kunnen passeren.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2436
    Beperkte kennisneming. Bevoegdheid controleurs. zzp'ers nu werkzaam op arbeidsovereenkomst.
    WSF 2000 art. 1.5, 9.1a; Awb art. 8:29
    De gegevens uit de loonadministratie van Investiga B.V. in de vorm van betalingsgegevens en een bewijs van loonaangifte alsook de salarisspecificaties van de betreffende controleurs raken direct de privacy van deze derden die niet als partij bij de procedure betrokken zijn. Kennisneming van deze gegevens door appellant zou het belang van deze derden onevenredig schaden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van een gefingeerd dienstverband van de controleurs geen sprake is. De minister heeft met de door hem overgelegde gegevens aangetoond dat de controleurs ten tijde van het huisbezoek op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam waren bij Investiga B.V. en in die hoedanigheid waren de controleurs bevoegd tot het door hen verrichte onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Dat deze arbeidsverhouding eerst, en louter, is aangegaan naar aanleiding van de rechtspraak van de Raad, inhoudende dat personen die als zzp'er werkzaamheden verrichten voor een privaat bedrijf niet bevoegd zijn tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de WSF 2000 (onder meer de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943), maakt het voorgaande niet anders. Dat de minister in de praktijk ook daadwerkelijk sturing geeft aan de controleurs, en de wijze waarop dat is vormgegeven, staat beschreven in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, waarnaar hier wordt verwezen.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2292 (zie ook het persbericht)
    Werken met ziekmakende stof. Causaal verband. Hardheidsclausule.
    Tijdelijke regeling tegemoetkoming en ondersteuning slachtoffers blootstelling chroom VI-houdende stoffen Defensie art. 1.2, 1.4, 5.1
    Appellant, oud-militair, heeft een financiële vergoeding aangevraagd op grond van de zogenoemde chroom-VI regeling van Defensie. Deze regeling is bestemd voor (oud-)medewerkers van Defensie met een aandoening waarvan kan worden aangenomen dat die verband houdt met het werken met stoffen met chroom-VI. Appellant heeft een vrij zeldzame vorm van kanker die hij toeschrijft aan de blootstelling aan chroom-VI. Zijn aandoening is echter niet opgenomen in de bijlage bij de Coulanceregeling waarin de ziektes zijn opgenomen waarvan een causaal verband tussen die ziektes en het werken met chroom-VI is aangenomen. Deze bijlage is tot stand gekomen op basis van onderzoek van het RIVM en in 2019 geactualiseerd. Van de aandoening van betrokkene is (nog) niet wetenschappelijk bewezen dat deze kan zijn veroorzaakt door blootstelling aan chroom-VI en zij komt daarom niet voor in de bijlage. Dat betekent dat de staatssecretaris de aanvraag van appellant heeft mogen afwijzen. Dat wetenschappelijk bewijs ontbreekt voor het al dan niet bestaan van het door appellant gestelde causaal verband, is geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2293 (zie ook het persbericht)
    Werken met ziekmakende stof. Causaal verband. Deskundigenadvies. Hardheidsclausule.
    Regeling uitkering chroom-VI Defensie art. 3, 15
    Nadat hem een uitkering op grond van de Coulanceregeling Chroom-VI was toegekend heeft appellant een uitkering op grond van de Regeling uitkering chroom-VI Defensie aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen op de grond dat geen sprake is van een aandoening die voorkomt op de bijlage bij deze regeling. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen afgaan op de bevindingen van het RIVM, die als onafhankelijk deskundige betrokken is geweest bij de totstandkoming van de bijlage. Dat de door appellant aangehaalde deskundigen een andere mening hebben, hoefde voor de staatssecretaris op zichzelf geen reden te zijn om het RIVM niet te volgen. De omstandigheid dat aan appellant op grond van de Coulanceregeling wel een tegemoetkoming is toegekend brengt niet mee dat hij ook in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling. Het gaat immers om een andere regeling, waarbij van belang is dat de bijlage bij de Regeling die hier aan de orde is, tot stand is gekomen naar aanleiding van een diepgaander onderzoek van het RIVM in 2019 naar het verband tussen aandoeningen en werken met chroom-VI. De conclusie van het rapport van dat onderzoek is dat het nog onvoldoende duidelijk is of chroom-VI andere irreversibele ziekten door een verstoord immuunsysteem kan veroorzaken (anders dan allergisch contacteczeem, allergische astma, allergische rhinitis en chronische longziekten). Dat (vooralsnog) onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing aanwezig is, behoeft geen aanleiding te vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2020:2294.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2659

    Beëindiging bovenwettelijke uitkering bij bereiken AOW-gerechtigde leeftijd. Leeftijdsonderscheid.

    BWNU 2014 art. 22a; Wgbla

    Er is geen aanleiding voor een ander oordeel dan het oordeel in de uitspraken van 18 juli 2016 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2614) inzake de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad. De hier in geding zijnde bovenwettelijke werkloosheidsuitkering heeft dezelfde doelstelling als het hiervoor beschreven wachtgeld op grond van het Wbad. Dat de in het geval van betrokkene toegepaste compensatieregeling tot stand is gekomen na overleg met en met instemming van cao-partijen maakt dat niet anders. Dat de kantonrechter in een uitspraak van 1 april 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:2395) op grond van dezelfde cao heeft geoordeeld dat een ex-werkneemster van de Vrije Universiteit, geboren in 1956, geen beroep kan doen op de overgangsregeling en als zij dat wel had gekund ook de versoberde voorwaarden van de huidige BWNU van toepassing zouden moeten zijn, doet niet af aan het oordeel dat geen rechtvaardiging bestaat voor het leeftijdsonderscheid. Dat het financiële nadeel van betrokkene door fiscale gevolgen minder groot is dan aanvankelijk door hem is berekend, kan ten slotte evenmin tot een ander oordeel leiden. 

  • ECLI:NL:CRVB:2020:2471

    Niet afsluiten zorgverzekering. Draagkracht.

    Zvw art. 9b; Awb art. 5:46 lid 3

    Appellant kan worden verweten dat hij niet tijdig een zorgverzekering heeft afgesloten. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3134) is het ook in een geval waarin sprake is van het vrijwel ontbreken van draagkracht, toch geboden een boete op te leggen vanwege de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten die, ook gelet op het belang van de volksgezondheid, daarvan moet uitgaan. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant (na de boeteoplegging, maar voor de beslissing op bezwaar) een bijstandsuitkering is toegekend. Daarmee bestaat er geen grond voor het oordeel dat sprake is (geweest) van een situatie waarin de draagkracht vrijwel geheel ontbreekt. Er is gelet op deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat CAK op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb een lagere boete dan € 382,50 had moeten opleggen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:2578

    Niet melden werkzaamheden als zelfstandige. Wel melding contacten investeerders. Oplopen benadelingsbedrag mede aan UWV te wijten.

    WW art. 27a; Boetebesluit socialezekerheidswetten art. 2a, tweede lid, aanhef en onder d

    Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting overtreden door het UWV geen mededeling te doen van zijn activiteiten als zelfstandige. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat appellant aan het UWV melding heeft gemaakt van gesprekken met investeerders, wat bij het UWV twijfels had moeten doen rijzen over de rechtmatigheid van de WW-uitkering. Het UWV heeft op deze melding niet gereageerd. Nu daarom ook door het niet handelen van het UWV het benadelingsbedrag is opgelopen, wordt aanleiding gezien voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder d, van het Boetebesluit. Over de periode van 29 juni 2015 tot 4 maart 2016 bedraagt de boete (177/263 uitkeringsdagen * 50/75 * € 8.100,- =) € 3.634,22. Over de periode van 4 maart 2016 tot en met 3 juli 2016 bedraagt de boete (86/263 uitkeringsdagen * 25/75 * € 8.100,- =) € 882,88. De hoogte van de boete over de periode van 29 juni 2015 tot en met 3 juli 2016 moet dan worden vastgesteld op in totaal € 4.517,10.