Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Deze nieuwsbrief komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd.

Nummer 5, gepubliceerde uitspraken mei, jaargang 2026

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in mei 2026 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak. 

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl

Inhoud nieuwsbrief

Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht

 

ECLI:NL:CRVB:2026:602- U verlaat Rechtspraak.nl   
Toekenning immateriële schadevergoeding. Overschrijding redelijke termijn. In hoofdzaak hetzelfde onderwerp. Proceskosten. Samenhangende zaken.  
Hoewel het boetebesluit is ingetrokken, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 9 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:700- U verlaat Rechtspraak.nl, aanleiding gezien om bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding bij deze matiging aansluiting te zoeken. Appellant heeft terecht aangevoerd dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak waarin de Raad op 9 april 2024 uitspraak heeft gedaan. Omdat in de onderhavige zaak de boete is herroepen, kan compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn worden verleend in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op dezelfde wijze als in een zaak waarin geen boete aan de orde is. Dit zou in de boetezaak leiden tot een schadevergoeding van € 1.000,-. De Raad ziet niettemin geen grond voor een aanvullende schadevergoeding. De rechtbank had kunnen volstaan met een schadevergoeding van in totaal € 2.000,- (€ 1.000,- voor de zaken over de intrekking, beëindiging, terugvordering en brutering en € 1.000,- voor de zaak over de boete). Omdat aan appellant een schadevergoeding van in totaal € 2.065,- is toegekend, is hij daarmee niet tekortgedaan en is er geen grond voor een aanvullende schadevergoeding.
EVRM art. 6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:596- U verlaat Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Niet tijdig beslissen. Geen sprake van onrechtmatig handelen. 
Geen aanleiding bestaat om het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag als onrechtmatig aan te merken. Verder is de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar en niet onrechtmatig tegenover appellant. Uit rechtspraak van de Hoge Raad over de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van het BW bij overschrijding van beslistermijnen volgt dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet voldoende is voor het oordeel dat onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. De Raad sluit zich aan bij deze rechtspraak van de Hoge Raad. In dit geval is wel sprake van overschrijding van de wettelijke beslistermijn, maar niet is gebleken van bijkomende omstandigheden.  
Awb art. 4:17; BW art. 6:162

 

ECLI:NL:CRVB:2026:520- U verlaat Rechtspraak.nl

Misbruik van procesrecht. Beroep niet tijdig beslissen.

Appellanten 1, 2, 3 en 5 hebben in maart 2023 in twee tranches per persoon 155 dan wel 164 STAP-aanvragen op papier ingediend en appellant 4 heeft in één tranche 25 STAP-aanvragen op papier ingediend, terwijl op grond van de STAP-regeling per persoon slechts één keer per jaar een budget van € 1.000,- beschikbaar was voor scholing. De wijze van indiening van de aanvragen is zodanig, dat dit leidt tot de conclusie dat het appellanten in het geheel niet te doen is geweest de minister te stimuleren tot het nemen van inhoudelijke besluiten op de door hen ingediende STAP-aanvragen, maar dat zij uitsluitend procederen met het oogmerk om geldsommen te incasseren wegens gesteld niet-tijdig beslissen door de minister. Dit levert misbruik van recht op.
Bij de in hoger beroep ingebrachte besluiten heeft de minister de (in totaal 654) aanvragen van appellanten op grond van de STAP-regeling afgewezen, omdat deze aanvragen niet compleet zijn en omdat sprake is van misbruik van recht. De beroepen van appellanten tegen de besluiten van 5 februari 2025 worden niet-ontvankelijk verklaard in verband met misbruik van recht.
Awb art. 3:13, 3:15, 6:20, 6:24; Stap-regeling art. 3, 5, 7, 8, 10, 12

 

ECLI:NL:CRVB:2026:642- U verlaat Rechtspraak.nl

Proceskosten. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Geen schadevergoeding redelijke termijn. Gering financieel belang. Belangenafweging.

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat het financieel belang in deze zaak € 105,- bedraagt. Met deze uitspraak is de overschrijding van de redelijke termijn na de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 maart 2020, ruim 26 maanden. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt, is de Raad na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. In dit geval weegt zwaar dat het financieel belang van appellant zeer gering is en dat hij van de rechtbank al een schadevergoeding van € 500,- heeft toegekend gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

EVRM art. 6

Ambtenaren

ECLI:NL:CRVB:2026:661- U verlaat Rechtspraak.nl

Berekening tegemoetkoming woon-werkverkeer.

Betrokkene ontving op grond van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie een vaste tegemoetkoming in de kosten van woon-werkverkeer. Daarbij werd uitgegaan van een reisafstand van 46 kilometer per dag, berekend op basis van de snelste route volgens de routeplanner Here.com. Vanaf mei 2023 geeft deze routeplanner na een update een andere snelste route aan met een afstand van 34 kilometer per dag. Daarop is besloten vanaf augustus 2023 een tegemoetkoming te verstrekken berekend op basis van die reisafstand.

Voorop staat dat het hier gaat om een wettelijke tegemoetkoming in de kosten van het woon-werkverkeer en dus niet om een vergoeding van de werkelijke reiskosten. Bij de wijze waarop die tegemoetkoming wordt bepaald, komt de wetgever veel vrijheid toe. De Minister heeft de routeplanner Here.com aangewezen als routeplanner die voor de berekening bepalend is en deze routeplanner geeft na mei 2023 de route van 34 kilometer als de snelste route aan. In beginsel mag de korpschef van deze informatie uitgaan en is hij niet gehouden dit nader te onderbouwen of te motiveren, ook niet als het, zoals hier, gaat om een wijziging in de reisafstand na een update. Integendeel, het is aan de betrokken ambtenaar om aannemelijk te maken waarom in zijn situatie niet van de door de routeplanner aangegeven snelste route zou mogen worden uitgegaan. Wat betrokkene heeft aangevoerd is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de na mei 2023 door de routeplanner aangegeven snelste route. Ook is er geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule.

Brvvp art. 3, 36, 37

 

ECLI:NL:CRVB:2026:648- U verlaat Rechtspraak.nl

Incident tijdens uitgaan is privéaangelegenheid en geen dienstongeval.

Appellant heeft deelgenomen aan een missie. Aansluitend vond recuperatie plaats. In die periode is appellant ’s nachts na een avond uitgaan door een onbekend persoon aangevallen, terwijl hij over straat liep. Hij heeft hierbij een schedelbasisfractuur, gehoortrauma en een bilaterale hersencontusie opgelopen. Van dit ongeval is een proces-verbaal van ongeval opgemaakt. De staatssecretaris heeft dit ongeval aangemerkt als bedrijfsongeval en niet als dienstongeval.

De Raad deelt het standpunt van de staatssecretaris dat bij beschouwing van de concrete omstandigheden van het ongeval geen sprake is geweest van een uitoefening van de militaire dienst als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit AO/IV. Blijkens het onderliggende proces-verbaal van ongeval is appellant uit vrije wil en op eigen initiatief een avond gaan stappen in het centrum en is hij bij een taxi door een onbekende geslagen. De Raad oordeelt dat hier sprake is van een privé-activiteit. Dat betekent dat geen sprake is van een incident dat heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de militaire dienst. De (vrijwillige) uitgaansavond is immers niet gelijk te stellen met het uitvoeren van opgedragen werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder a, van het Besluit AO/IV, of met dienstgerelateerde handelingen of activiteiten als bedoeld in artikel 2, vierde lid, onder b en c, van het Besluit AO/IV. Appellant heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat wel sprake zou zijn van een militaire dienstuitoefening. Het ongeval kan dan ook niet aangemerkt worden als dienstongeval.

Besluit AO/IV art. 2 lid 4

Arbeidsongeschiktheid

 

ECLI:NL:CRVB:2026:626- U verlaat Rechtspraak.nl

Belgisch rustpensioen terecht in mindering gebracht op WAO-uitkering. 

Appellant heeft niet bestreden dat het Belgisch rustpensioen aan hem is toegekend in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Belgisch rustpensioen daarom moet worden aangemerkt als een ouderdomsuitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid. Indien het Uwv in deze situatie niet tot herziening zou zijn overgegaan, zou dat betekenen dat appellant een inkomen zou genieten dat hoger is dan zijn oorspronkelijke loon waarvoor de WAO-uitkering compensatie biedt. De samenloopregeling voorkomt dat een dergelijke situatie kan ontstaan. 

WAO art. 36a, 65; Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid art. 1, eerste lid, aanhef en onder c

 

ECLI:NL:CRVB:2026:635 - U verlaat Rechtspraak.nl

Berekening inkomen. Fiscale uitruil reiskosten.

In eerdere uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2019:1835- U verlaat Rechtspraak.nl en ECLI:NL:CRVB:2022:391- U verlaat Rechtspraak.nl) heeft de Raad overwogen dat op grond van artikel 4:1, achtste lid, van het AIB, voor vakantietoeslag (VT) en arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) wordt uitgegaan van de per tijdvak opgebouwde bedragen, in plaats van de uitbetaalde bedragen. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de omstandigheid dat aan de betrokkenen in die zaken een lager bedrag aan AVWB is uitbetaald dan het totaal van het opgebouwde bedrag, het gevolg is van de keuze die betrokkenen hebben gemaakt om dat bestanddeel in te zetten voor een ander doel. Ook appellante heeft een dergelijke keuze gemaakt. Appellante heeft voor het ingezette bedrag van € 263,96 extra reiskostenvergoeding ontvangen in de vorm van een fiscaal onbelaste uitruil van reiskosten. Deze uitruil heeft geleid tot een lager SV-loon. Er is vervolgens geen aanleiding het inkomen nog lager vast te stellen door dit bedrag ook op te tellen bij het niet in aanmerking te nemen uitbetaalde AVWB.

Wet WIA art. 56 lid 3; AIB art. 4:1 lid 8

 

ECLI:NL:CRVB:2026:549- U verlaat Rechtspraak.nl

Benadelingshandeling. Ingangsdatum maatregel. 

Door in de civiele procedures te kiezen voor het vorderen van schadevergoeding in plaats van het aanvechten van het aan hem gegeven ontslag, heeft appellant zich neergelegd bij de beëindiging van zijn dienstbetrekking. Daarmee is sprake van een benadelingshandeling. Over de ingangsdatum van de maatregel heeft appellant aangevoerd dat tot in ieder geval 14 maart 2022 (datum van de beschikking van de kantonrechter) geen maatregel kan worden opgelegd. Appellant heeft namelijk pas bij de zitting van de kantonrechter verklaard te berusten in zijn ontslag en dit is volgens hem de eerste datum waarop hem dit verwijt kan worden gemaakt. De Raad volgt appellant hierin niet. Door niet de nietigheid van het op 8 oktober 2021 gegeven ontslag op staande voet in te roepen heeft appellant uiteindelijk berust in het ontslag en zijn recht op loon prijs gegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico – appellant was immers al vanaf 13 juli 2021 ziek – al was ingetreden.

ZW art. 45, eerste lid, aanhef en onder

 

ECLI:NL:CRVB:2026:572- U verlaat Rechtspraak.nl

Geen benadelingshandeling. Arbeidsongeschikt ná einde dienstverband. 

Appellante is op 2 juli 2022 op staande voet is ontslagen. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld is het dienstverband van appellante daardoor niet geëindigd op 5 juli 2022, maar per 2 juli 2022. Hierna, op 4 juli 2022, heeft appellante zich bij het Uwv ziekgemeld. Deze datum is niet gewijzigd door de verzekeringsarts. Hieruit volgt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 4 juli 2022 is ingetreden, dus nadat het dienstverband per 2 juli 2022 is beëindigd. Hiermee is geen sprake van een situatie dat de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Gelet hierop is geen sprake van een benadelingshandeling en ontbreekt de grondslag voor het opleggen van een maatregel. 

ZW art. 45, eerste lid, aanhef en onder j

 

ECLI:NL:CRVB:2026:575- U verlaat Rechtspraak.nl

Combineren deeltijdfuncties. 

De beroepsgrond van werkgever dat deeltijdfuncties hadden moeten worden gecombineerd, slaagt niet. Uit de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat sprake moet zijn van een voldoende realiteitsgehalte van de claimbeoordeling. Een specifieke combinatie van functies dient daarmee, naast dat een betrokkene daartoe medisch in staat dient te zijn, op voldoende schaal voor te komen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd toegelicht dat, als het standpunt van werkgever op dit punt wordt gevolgd, dit niet kan worden gewaarborgd. Er zou dan sprake zijn van een unieke combinatiebaan waarbij met meer (individuele) factoren rekening dient te worden gehouden, zoals bijvoorbeeld de reistijd tussen de twee functies. Daarbij speelt ook de vraag of een combinatieschatting voldoende toetsbaar is op grond van objectieve en inzichtelijke gegevens voor een werknemer en een werkgever. Van belang zijn naast reistijd en -afstand per regio immers ook aspecten als combinatiedruk en het per individu aangewezen vervoersmiddel.

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9

Bijstand

 

ECLI:NL:CRVB:2026:541- U verlaat Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand. Ingangsdatum. Bijzondere omstandigheden. Afgehouden van het doen van een aanvraag.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich in ieder geval op 25 januari 2022 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De melding is gevolgd door een brief waarin A appellant duidelijk heeft gemaakt dat de melding geen vervolg krijgt en waarin A appellant wijst op de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. Met de stellige woorden dat de melding niet leidt tot vervolggesprekken, is appellant afgehouden van het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de PW.

PW art. 41

 

ECLI:NL:CRVB:2026:521- U verlaat Rechtspraak.nl
Intrekking na opschorting. Niet verschijnen op gesprek. Geen onevenwichtige belangenafweging. Afwijzing aanvraag. Schending medewerkingsverplichting. Schadevergoeding redelijke termijn.
Vanwege de discretionaire bevoegdheid moet de bijstandverlenende instantie bij het besluit tot intrekking, maar ook bij de keuze om de intrekking na bezwaar te handhaven, een belangenafweging maken. Dat is niet anders als het verweten verzuim op het moment van de heroverweging nog steeds niet is hersteld en/of naar de aard van het verzuim niet hersteld kan worden. Op het college rust bij de belangenafweging echter niet de bewijslast en daarmee gepaard gaande onderzoeksplicht om aannemelijk te maken dat de betrokkene na opschorting geen recht op bijstand had.
PW art. 17 lid 2, 54 lid 1 en 4

 

ECLI:NL:CRVB:2026:597- U verlaat Rechtspraak.nl
Opleggen maatregelen. Tekortschietend besef. Verkoopwaarde woning niet te laag. Ingangsdatum ontheffing arbeidsverplichtingen. Geen procesbelang. Schadevergoeding redelijke termijn.  
Vaststaat dat appellant de woning onderhands heeft verkocht voor een bedrag van € 241.000,- en dat daarbij is afgesproken dat appellant in de woning kon blijven wonen door die te huren. Dit heeft appellant gedaan omdat een executieverkoop van zijn woning dreigde en hij wilde voorkomen dat hij – met zijn kwetsbare gezondheid en tijdens de coronapandemie – op straat kwam te staan. Onder deze omstandigheden kon van appellant niet worden verlangd dat hij zijn woning in lege staat en vrij van huur en gebruiksrechten zou verkopen zonder dat hij zicht had op een andere woning. Verder kan gelet op het taxatierapport niet worden gezegd dat appellant zijn woning voor een te laag bedrag heeft verkocht.  

PW art. 18 lid 2

 

ECLI:NL:CRVB:2026:610- U verlaat Rechtspraak.nl

Intrekking en terugvordering van bijstand. Te lang verblijf in buitenland. Schadevergoeding redelijke termijn. Opdracht nieuw besluit.

Uit art. 11 lid 1 PW volgt dat alleen iemand die in Nederland woont aanspraak kan maken op bijstand. Het begrip ‘woonachtig’ in die bepaling heeft in beginsel dezelfde strekking als het begrip ‘woonplaats’ in art. 40 PW. Mogelijk is dat iemand niet in Nederland een woonplaats heeft, maar daar toch woonachtig is in de hier bedoelde zin. Daarbij is met name van betekenis of tussen de betrokkene en Nederland een persoonlijke band van duurzame aard bestaat. De Raad stelt vast dat in het bestreden besluit op geen enkele wijze aan het criterium van art. 11 lid 1 PW is getoetst. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering.

 

ECLI:NL:CRVB:2026:605- U verlaat Rechtspraak.nl

Beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand. Afwijzing aanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg. Financiële verstrengeling. Zorgvuldig onderzoek. Medeterugvordering. Dringende redenen vanwege stilzitten bestuursorgaan. Zelf voorzien.

Het college moet weliswaar de tijd worden gegund om grondig onderzoek te doen, maar de Raad is van oordeel dat het onderzoek in dit geval te lang heeft geduurd. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van een melding op 16 januari 2020. Het onderzoek heeft na februari 2020 stilgelegen en is pas hervat op 1 en 2 september 2021. Op 6 oktober 2021 heeft appellante nog bankafschriften verstrekt en heeft een gesprek met haar plaatsgevonden. Nadien is tot 14 april 2022 niet gebleken van onderzoeksactiviteiten. Dat het onderzoek is vertraagd als gevolg van de belemmeringen in verband met de COVID 19-pandemie, kan worden aangenomen, maar die rechtvaardigen niet de lange duur van het onderzoek. Het onderzoek heeft dan ook te lang geduurd. Gelet op de totale vertraging in het twee jaar en vier maanden jaar durende onderzoek is het redelijk om de periode waarover de bijstand van appellante wordt teruggevorderd met één jaar te verminderen en de hoogte van de terugvordering dienovereenkomstig te verlagen.

PW art. 3, 17 lid 1, 54 lid 3, 58 lid 1 en 8

 

ECLI:NL:CRVB:2026:694- U verlaat Rechtspraak.nl

Afwijzing aanvraag om algemene bijstand en bedrijfskapitaal. Levensvatbaarheid. Procesbelang. 

De aanvraag van appellant om bedrijfskapitaal heeft uitsluitend betrekking op X B.V. en de daaraan gekoppelde financiële structuur. Nu X B.V. inmiddels is ontbonden, kan appellant met deze procedure niet meer bereiken dat aan hem alsnog bedrijfskapitaal voor die onderneming wordt verleend. Het betoog van appellant dat hij met de opgerichte eenmanszaak (nog steeds) dezelfde bedrijfsactiviteiten verricht maakt dit niet anders, alleen al omdat de aanvraag geen betrekking heeft op de eenmanszaak. 

Omdat de aanvraag om algemene bijstand ziet op een afgesloten periode in het verleden en een oordeel over de rechtmatigheid van de afwijzing van die aanvraag voor appellant nog feitelijke betekenis kan hebben, heeft appellant in zoverre nog wel procesbelang.

PW art. 78f; BBZ 2004 art 1, 2

Dagloon

 

ECLI:NL:CRVB:2026:644- U verlaat Rechtspraak.nl
Dagloon. Arbeidstijd. Onbetaald verlof. Min-max-contract.
Uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van het Dagloonbesluit volgt dat daarvan sprake is als tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. In de uitspraak van 7 september 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3328- U verlaat Rechtspraak.nl) wordt gesproken over een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarin de afspraken over de periode en de omvang van het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd. Deze overeenkomst is echter niet aan een bepaalde vorm gebonden, zolang maar tussen werkgever en werknemer afspraken zijn gemaakt over het minder werken dan de eerder overeengekomen arbeidstijd. Deze afspraken kunnen ook op andere wijze dan in een afzonderlijk geschrift worden gemaakt, zoals per email (ECLI:NL:CRVB:2021:390- U verlaat Rechtspraak.nl) of, zoals in het geval van appellante, door mondeling in te stemmen met de vraag van de bedrijfsleider of zij eerder naar huis wilde en daarmee minder wilde werken dan de in het rooster vastgestelde arbeidstijd.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 1 onder j

Internationaal

 

ECLI:NL:CRVB:2026:525- U verlaat Rechtspraak.nl

AOW. Korting. Niet verzekerde tijdvakken. Toepasselijke wetgeving. Ingezetene/woonplaats.  Geen strijd met vrij verkeer. Geen indirecte discriminatie van vrouwen.

Appellante is in 1989 met haar echtgenoot naar België verhuisd. Volgens de Raad heeft de Svb appellante op grond van de Nederlandse en Europese regelgeving vanaf die tijd terecht niet verzekerd geacht voor de AOW. Onder verwijzing naar de uitspraak van 6 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1293- U verlaat Rechtspraak.nl, oordeelt de Raad dat van een belemmering van het vrij verkeer van personen in de EU of indirecte discriminatie van vrouwen geen sprake is.

AOW art. 2, 6, 6a, 13; Vo 1408/71 art. 13; Vo 883/2004 art. 11, Awb art. 4:6

 

ECLI:NL:CRVB:2026:616- U verlaat Rechtspraak.nl

Tegemoetkoming Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Weigering tegemoetkoming. Uitleg term “met het oog op de Toescheidingsovereenkomst”. Geen sprake van gelijke gevallen. Geen ongeoorloofd onderscheid naar geboorteland.

Betrokkene had de Nederlandse nationaliteit en zou zijn Nederlanderschap hebben behouden, ongeacht of hij wel of niet in Suriname verbleef. Hierdoor verschilt zijn situatie in de kern van de situatie van de doelgroep van het TBSH. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de weigering van de tegemoetkoming niet in strijd is met art.14 EVRM. Bezien vanuit het doel en onderwerp van het TBSH is geen sprake van “gelijke gevallen”. Betrokkene hoefde geen keuze te maken tussen Nederland en Suriname. Dat de afbakening van de doelgroep van het TBSH, door de koppeling aan de Toescheidingsovereenkomst, indirect samenhangt met het land van geboorte, leidt niet tot het oordeel dat in het geval van betrokkene sprake is van een ongeoorloofd onderscheid.

Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst art. 2, 3, aanhef en onder a; Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname art. 3, 4

 

ECLI:NL:CRVB:2026:603- U verlaat Rechtspraak.nl

Tegemoetkoming Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Weigering tegemoetkoming. Uitleg, toepassing en exceptieve toetsing van art. 3 onderdeel a TBSH. Uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland wonen. Toetsingsintensiteit.

Uit de nota van toelichting volgt dat de regelgever met deze voorwaarde in het TBSH, het oog heeft gehad op personen die de Nederlandse nationaliteit hebben willen behouden en deze van rechtswege zouden hebben verloren als zij op dat moment in Suriname woonden of werkelijk verblijf hadden. Alleen deze personen voldoen dan ook aan het vereiste dat zij “met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst” naar Nederland zijn gekomen. Ouderen van Surinaamse herkomst die op een later moment dan 25 november 1975 naar Nederland zijn gekomen, vallen niet onder de doelgroep.

De Raad acht de wijze van toetsing door de minister, tegen deze achtergrond, geen onjuiste uitleg van art. 3 sub a in samenhang met art. 2 TBSH.

Betrokkene is vóór 25 november 1975 in Nederland komen wonen, maar is vóór 25 november 1975 weer naar Suriname teruggekeerd. Hij woonde op 25 november 1975 in Suriname en heeft op grond van art. 3 Toescheidingsovereenkomst van rechtswege de Surinaamse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren. In 1978 is betrokkene naar Nederland gekomen. Betrokkene voldoet dus niet aan art. 3 aanhef en sub a TBSH. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze bepaling de toets aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan. Het bestreden besluit is voor betrokkene niet onredelijk bezwarend.

Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst art. 2, 3, aanhef en onder a; Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname art. 3, 5, 7; Kaderwet SZW-subsidies art. 1, 2, 3, 9

 

ECLI:NL:CRVB:2026:617- U verlaat Rechtspraak.nl

Tegemoetkoming Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH). Weigering tegemoetkoming.  Uitleg, toepassing en exceptieve toetsing van art. 3 onderdeel a TBSH.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:603- U verlaat Rechtspraak.nl overweegt de Raad dat in Suriname geboren mensen die, zoals betrokkene, wel vóór 25 november 1975 in Nederland zijn gaan wonen, maar op 25 november 1975 (opnieuw) in Suriname woonden of verbleven en later weer naar Nederland zijn teruggekeerd, niet voldoen aan alle vereisten van art. 3 onderdeel a TBSH. Deze ouderen van Surinaamse herkomst behoren niet tot de doelgroep van het TBSH en worden om die reden niet in aanmerking gebracht voor de eenmalige TBSH-tegemoetkoming. Deze uitleg kan de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat de toepassing van de voorwaarde in het geval van betrokkene niet nadeliger uitpakt dan door de regelgever is beoogd en de voorwaarde is ook niet om andere redenen onredelijk bezwarend.

Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst art. 2, 3, aanhef en onder a; Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname art. 1; Kaderwet SZW-subsidies art. 1, 2, 3, 9

Sociale voorzieningen

 

ECLI:NL:CRVB:2026:513- U verlaat Rechtspraak.nl

Valys. Positie MedTadvies. Hoog pkb. Beoordeling uitzonderlijke situatie a.b.i. Indicatieprotocol.

MedTadvies vervult in het stelsel van het bovenregionaal sociaal recreatief vervoer voor reizigers met een mobiliteitsbeperking, Valys geheten, de rol die voorheen werd vervuld door FMMU Advies B.V. 

Voor reizigers met een Valys-pas die door medische en/of ergonomische beperkingen niet in staat zijn om met de trein te reizen en geen vervoersalternatief hebben, kan worden voorzien in een hoog persoonlijk kilometerbudget (pkb). Voor een hoog pkb komen alleen die reizigers met een beperking in aanmerking die daarvoor zijn geïndiceerd op grond van het Indicatieprotocol. De Raad oordeelt dat ook situaties die niet in het Indicatieprotocol staan beschreven als uitzonderlijk kunnen worden aangemerkt. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie acht de Raad van belang of toepassing van het Indicatieprotocol in het concrete geval leidt tot een uitkomst die voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. Niet gebleken is dat de toepassing van de criteria in het Indicatieprotocol in dit concrete geval leidt tot een uitkomst die onredelijk bezwarend voor betrokkene uitpakt. Betrokkene heeft niet onderbouwd welke trajecten of geplande reizen niet hebben kunnen plaatsvinden door het (tijdelijke) personeelstekort bij de NS. De omstandigheid dat er onvoldoende (schone) invalidetoiletten in de trein aanwezig zijn, geeft evenmin aanleiding om aan te nemen dat betrokkene, in afwijking van de criteria in het Indicatieprotocol, in aanmerking komt voor een hoog pkb.

Wetsverwijzing: Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget par 3

Zie ook ECLI:NL:CRVB:2026:514- U verlaat Rechtspraak.nl

 

ECLI:NL:CRVB:2026:618- U verlaat Rechtspraak.nl

Hulphond. Afbakening Wmo 2015 en Zvw. Doorkruisingsleer. Eigen kracht. Nuancering rechtspraak. Gehouden tot verstrekking hulphond bij zeer uitzonderlijke omstandigheden. D.w.z. zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie en hulphond is enige mogelijkheid tot passende bijdrage.

In de Wmo 2015 en de Zvw ontbreekt een bepaling waarin de afbakening wordt geregeld. In de Wmo 2015 is de afbakening wel tot uitdrukking gebracht door de term ‘eigen kracht’ in artikel 2.3.5, derde lid. Volgens vaste rechtspraak  bestaat geen recht op maatschappelijke ondersteuning indien de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de aan de orde zijnde kosten voorziet. Als in zo’n geval voor de overige kosten een beroep zou kunnen worden gedaan op de Wmo 2015 zou de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw worden doorkruist. Die afbakening wordt ook doorkruist als een beroep op de Wmo 2015 zou kunnen worden gedaan voor kosten waarvan onder de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om deze niet te vergoeden. In al deze gevallen is het uitgangspunt dat het college niet gehouden is de betreffende maatwerkvoorziening te verstrekken, maar het staat het college wel vrij om dit toch te doen als dat als het meest aangewezen wordt ervaren.

Voor hulphonden als door betrokkene aangeschaft staat vast dat de wetgever de bewuste keuze heeft gemaakt om de kosten daarvan niet te vergoeden. Daarmee geldt ook in dit geval dat de beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als voor de vergoeding van de kosten van de niet onder de Zvw vallende honden een beroep zou kunnen worden gedaan op de Wmo 2015. Het college is echter in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Deze omstandigheden deden zich in het geval van betrokkene niet voor.

Wetsverwijzing: Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3

Zie ook ECLI:NL:CRVB:2026:621- U verlaat Rechtspraak.nl

 

ECLI:NL:CRVB:2026:620- U verlaat Rechtspraak.nl

Hulphond. Geen onderzoek of hulphond enige passende bijdrage is. Onderzoek door tijdsverloop niet mogelijk. College gehouden tot vergoeding hulphond.

Niet in geschil is dat het college in het geval van appellante ten onrechte niet heeft onderzocht en gemotiveerd welke ondersteuning naast de te volgen behandeling naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en de participatie. Het college heeft aangegeven geen mogelijkheden te zien voor een nieuw onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode en alleen nog de huidige (medische) situatie te kunnen beoordelen. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Naar het oordeel van de Raad mag appellante hiervan niet de dupe worden. De Raad zal daarom alsnog aan appellante een maatwerkvoorziening verstrekken voor de kosten van de opleiding van haar hond tot hulphond.

Wetsverwijzing: Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3

Studiefinanciering

 

ECLI:NL:CRVB:2026:523- U verlaat Rechtspraak.nl

Studiefinanciering. Migrerend werknemer. Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Geleidelijke hervatting in werk. Bestendige band met de arbeidsmarkt.

De vraag is of betrokkene over de periode juni tot en met december 2022 (periode in geschil) kwalificeerde als migrerend werknemer. Betrokkene was voordien werknemer en had volgens de minister op grond van haar arbeidsongeschiktheid deze status behouden tot en met mei 2022. In de periode in geschil heeft betrokkene haar werk (geleidelijk) hervat, maar volgens de minister met te weinig uren om te kwalificeren als migrerend werknemer. De Raad volgt dit standpunt niet. Uit rechtspraak van het HvJEU (ECLI:EU:C:2014:2007- U verlaat Rechtspraak.nl, Saint Prix) leidt de Raad af dat moet worden beoordeeld of iemand genoodzaakt was zijn arbeidsactiviteiten op te geven voor de tijd die nodig is voor zijn herstel en vervolgens binnen een redelijke termijn na beëindiging van het werk, dat werk weer oppakt of ander werkt vindt. Gelet op het uitgangspunt dat het begrip werknemer ruim moet worden uitgelegd, moeten deze twee criteria voorts in samenhang en tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Als daaraan wordt voldaan moet iemand worden geacht zijn band met de arbeidsmarkt te hebben behouden. Deze uitgangspunten zijn naar het oordeel van de Raad ook van betekenis in een situatie waarin een werknemer na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid het werk weer (geleidelijk) hervat. De individuele omstandigheden van betrokkene, in samenhang bezien, wijzen op het voortbestaan van een bestendige band van betrokkene met de arbeidsmarkt en maken dat betrokkene in de periode in geschil als migrerend werknemer moet worden beschouwd.

VWEU art. 45; Richtlijn 2004/38 art. 7 lid 1, 3 aanhef en onder a; Wsf 2000 art. 2.2

Overige nieuwsbrieven

Nieuwsbrieven 2026
Nieuwsbrieven 2025
Nieuwsbrieven 2024
Nieuwsbrieven 2023
Nieuwsbrieven 2022
Hint van type informatie
Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.

Rechtspraak archiefweb - U verlaat Rechtspraak.nl