Nieuwsbrief Jurisprudentie

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie
Header afbeelding

Nummer 1, jaargang 2019

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit eerste nummer bevat een selectie van uitspraken die in de maanden januari en februari 2019 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 

 Inhoud

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2019:506

    Buiten behandeling laten van de aanvraag. Nadere beoordeling. Besluit.

    Awb art. 1:3, 4:5, 6:19

    Indien het college kennis neemt van stukken die na het primaire besluit tot buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand zijn overgelegd en daarbij schriftelijk beoordeelt of deze stukken van invloed zijn op het besluit tot buiten behandeling laten van de aanvraag, is sprake van een besluit. Dit besluit moet betrokken moet worden bij het bezwaar tegen de buiten behandeling laten van de aanvraag.


    ECLI:NL:CRVB:2019:101

    Buiten behandeling laten aanvraag niet toegestaan in verband met onvoldoende duidelijkheid over de hersteltermijn

    Awb art. 4:5

    Het college heeft in de uitnodigingsbrief onvoldoende duidelijkheid gegeven over de exacte afloop van de hersteltermijn. Appellant heeft daaruit niet hoeven afleiden dat hij op 14 januari 2016 ná 09:00 uur te laat zou zijn met het indienen van stukken. Mede gezien de gevolgen van een buitenbehandelingstelling dient daarom de inhoud van de uitnodigingsbrief ten gunste van appellant te worden uitgelegd. Dat betekent dat appellant op 14 januari 2016 nog de hele dag de tijd had om ofwel de gevraagde stukken die dag alsnog af te geven, ofwel om uitstel van de hem geboden termijn te vragen.


    ECLI:NL:CRVB:2019:210

    Termijnoverschrijding bij indienen bezwaarschrift verschoonbaar

    Awb art. 6:11

    De minister heeft door op dezelfde dag zowel een besluit aan betrokkene te sturen dat een boete is opgelegd als een brief te zenden dat de beslissing over de boete wordt opgeschort geenszins het door hem beoogde signaal afgegeven dat de boete niet was opgeschort. Anders dan de minister ziet de Raad dan ook geen grond voor het oordeel dat betrokkene had moeten begrijpen dat het boetebesluit niet was opgeschort, dan wel de minister om nadere informatie had moeten vragen. De minister had aanleiding behoren te zien de termijnoverschrijding niet aan betrokkene tegen te werpen en het bezwaar tegen het boetebesluit ontvankelijk te achten.


    ECLI:NL:CRVB:2019:488

    Procesbelang behouden in verband met toekomstige besluitvorming

    Awb art. 8:1

    Van (voldoende) procesbelang is sprake als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of [naam hulp 2] als zogenoemde gewaarborgde hulp voor appellant kan functioneren. Bij beantwoording van deze vraag heeft appellant gelet op de tussen partijen nog bestaande relatie belang. Bij de jaarlijkse besluitvorming rondom de verlening van een pgb zal immers steeds aan de orde kunnen zijn of [naam hulp 2] als gewaarborgde hulp kan worden geaccepteerd. Dat in 2016 door appellant – noodgedwongen – van een andere gewaarborgde hulp gebruik is gemaakt, maakt dit niet anders.


    ECLI:NL:CRVB:2019:98

    Bestuursrechter onbevoegd, dan het betaalde griffierecht terugbetalen

    Awb art. 8:41

    De rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. Op grond van het artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Niet-Kei-zaken) 2017 wordt, indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift geen griffierecht geheven. Is wel griffierecht betaald, dan wordt dit terugbetaald. Uit de aangevallen uitspraak blijkt niet dat de rechtbank het griffierecht aan appellante heeft terugbetaald.


    ECLI:NL:CRVB:2019:209

    Schadevergoeding. Loonsanctie ten onrechte.

    Awb art. 8:88 onder a; BW art. 6:98, 6:162; Wet WIA art. 61

    Verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat het dienstverband veel langer heeft geduurd dan zou zijn voortgevloeid uit de door het UWV ten onrechte genomen besluiten tot loondoorbetalingsverplichting.


    ECLI:NL:CRVB:2019:392

    Schadebeperkingsplicht niet geschonden

    BW art. 6:101

    Als appellante niet te kennen had gegeven ziek te zijn en op een daarna door het UWV gestelde vraag had geantwoord dat zij beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, had zij voor die uitkering in aanmerking kunnen komen. Een dergelijke opstelling van appellante had er misschien toe geleid dat zij van het UWV over een periode van elf maanden WW-uitkering zou hebben ontvangen, maar is geen gedrag dat redelijkerwijs van appellante had kunnen worden verwacht in het kader van de verplichting haar schade te beperken. Appellante had immers gebruik gemaakt van haar recht om bezwaar te maken tegen de weigering om haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Dat zij geschikt was voor fysiek lichte werkzaamheden was hangende de bezwaarprocedure nog geen vaststaand gegeven. Dat zij meende verdergaande beperkingen te hebben voor het verrichten van arbeid dan het UWV bij het besluit van 14 november 2013 had aangenomen, is geen omstandigheid die ertoe kan leiden dat de schade niet aan appellante moet worden toegerekend.


    ECLI:NL:CRVB:2019:307

    Geen misbruik van recht

    BW art. 3:13

    Met de uitspraken van 20 maart 2018 heeft de Raad een oordeel gegeven over het standpunt van appellante dat zij niet een door haar ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Minimaregeling met de in dit formulier gevraagde bewijsstukken bij het college hoefde in te leveren. De uitspraken van 20 maart 2018 zijn gedaan ruim na het instellen van de onderhavige beroepen en hoger beroepen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de bevoegdheid tot het instellen van beroep zodanig evident is aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven is, dat het aanwenden van dat rechtsmiddel blijk geeft van kwade trouw.


    ECLI:NL:CRVB:2019:271

    Ambtshalve beoordeling of de redelijke termijn is overschreden

    EVRM art. 6

    In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in beroep en/of hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat de Raad het onderzoek op 7 juni 2017 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar. Er was dus op 7 juni 2017 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor betrokkene ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:143

    Onderzoek naar onevenredig zware last tijdens het AOW-gat

    AOW art. 7a; Eerste Protocol bij het EVRM art. 1

    De enkele toetsing of de betrokkene aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW voldoet, waartoe de Svb zich doorgaans in de bezwaarfase heeft beperkt, is niet aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last tijdens het AOW-gat. Inmiddels wordt ook de inkomens- en vermogenspositie van een betrokkene tijdens het AOW-gat in ogenschouw genomen. Hierbij worden de diverse door een betrokkene aangedragen individuele financiële omstandigheden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van een onevenredig zware last tijdens het AOW-gat. Met de uitvoering van een dergelijke toetsing is naar het oordeel van de Raad voldaan aan het vereiste van een deugdelijk en individueel feitenonderzoek.


    ECLI:NL:CRVB:2019:510

    Wet herziening export kinderbijslag, uitleg art. 33 NTV, woonplaatseis kind, geen verboden onderscheid naar nationaliteit

    AKW art. 7b; Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid art. 33; Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije art. 3; Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije art. 9; EVRM art. 14
    De werkingssfeer van artikel 33, eerste lid, van het NTV is beperkt tot werknemers met uitsluitend de Turkse nationaliteit. De vraag of deze personen ook daadwerkelijk in Nederland werkzaam moeten zijn om onder het toepassingsbereik van deze bepaling te kunnen vallen wordt bevestigend beantwoord, zij het dat personen die een kortdurende uitkering op grond van één van de werknemersverzekeringen ontvangen, ook moeten worden aangemerkt als werknemer die werkzaam is in Nederland. De voorwaarde van artikel 7b, eerste lid, van de AKW, dat een kind van de verzekerde in Nederland dient te wonen, ten aanzien van Turkse werknemers die niet tevens de Nederlandse nationaliteit bezitten, en die in Nederland werkzaam zijn, is in strijd met artikel 33, eerste lid, van het NTV. Indien er sprake zou zijn van indirecte discriminatie naar nationaliteit, dan bestaat voor deze ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:488

    Gewaarborgde hulp. Gedragslijn van zorgkantoor.

    Rlz art. 5.11

    Het zorgkantoor heeft niet kunnen motiveren of anderszins kunnen verklaren hoe tot de inhoud van de gedragslijn dat de gewaarborgde hulp voor maximaal drie budgethouders mag optreden is gekomen en waarom per gewaarborgde hulp maximaal drie budgethouders mogelijk zijn. Gelet op de beperkte rol van een gewaarborgde hulp en de tijdsbesteding die dit naar verwachting zal meebrengen kan deze maximering, die bovendien niet geldt voor professionals zoals bewindvoerders en curatoren, niet worden gevolgd.


    ECLI:NL:CRVB:2019:397

    Glazenwasser is een algemeen gebruikelijke dienst. Was- en strijkservice als algemene voorziening.

    Wmo 2015 art. 1.1.1, 2.3.5 lid 3

    De glazenwasser kan in het geval van appellante worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke dienst die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. De kosten hiervan zijn niet zodanig dat deze door een persoon met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum financieel niet kunnen worden gedragen, ook als deze worden opgeteld bij de kosten van de boodschappendienst. ROGplus heeft niet aannemelijk gemaakt dat de was- en strijkservice een algemene voorziening is in de zin van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015


    ECLI:NL:CRVB:2019:467

    Hoogte pgb-tarief ten opzichte van door gemeente gecontracteerde natura-tarief.

    Wmo 2015 art. 2.1.3, 2.3.6 lid 1

    De geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 biedt geen steun voor het standpunt dat het voor het pgb vastgestelde uurtarief voor professionele ondersteuning even hoog moet zijn als het uurtarief voor door de gemeente gecontracteerde HH1. Wel moet het uurtarief voor een pgb zodanig zijn dat de cliënt met het pgb redelijkerwijs in staat is tot zelfredzaamheid en participatie.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:37

    Afgewezen bijzondere bijstand. Ziekenhuiskosten. Gemoedsbezwaarde. Voorliggende voorziening.

    PW art. 15, 16, 35

    Voor de ziekenhuiskosten van een gemoedsbezwaarde vormt de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Regeling Zorgverzekering een voorliggende voorziening. De Svb heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor ziekenhuiskosten terecht afgewezen op de grond dat de Zvw voor deze kosten een voorliggende voorziening vormt als bedoeld in artikel 15 van de PW.


    ECLI:NL:CRVB:2019:50

    Maatregel. Bewijslast. Verklaring. Negatief uitlaten tijdens sollicitatie.

    PW art. 9 lid 1a, 18 lid 1, 18 lid 4 onder g

    Met de verklaring van het bedrijf waar appellant heeft gesolliciteerd en waarin is vermeld dat appellant zich negatief heeft uitgelaten over de werkzaamheden bij het bedrijf, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant het verkrijgen van werk heeft belemmerd. Evenmin vormt de uitlating van appellant dat hij was gestuurd in verband met zijn uitkering daarvoor een voldoende onderbouwing. Er bestond voor het college dan ook geen aanleiding om de bijstand bij wijze van maatregel te verlagen met 100% gedurende een maand.


    ECLI:NL:CRVB:2019:102

    Herziening. Te hoge toeslag. Rechtszekerheidsbeginsel.

    PW art. 54 lid 3 tweede volzin, 58 lid 2 onder a

    Appellante heeft het college bij aanvraag om bijstand correct geïnformeerd over de inkomsten van haar inwonende, meerderjarige dochter. Appellante heeft niet hoeven te begrijpen dat haar in verband met deze inkomsten een te hoge toeslag, namelijk 20% in plaats van 10%, op de bijstand werd verleend. Het rechtszekerheidsbeginsel staat in dit geval in de weg aan een herziening van de toeslag naar 10%.


    ECLI:NL:CRVB:2019:338

    Niet wonen op uitkeringsadres. Onderzoeksbevoegdheid. Verrichten van waarnemingen. Geen stelselmatige observaties. Geen onrechtmatig verkregen bewijs. Boete. Fictieve draagkracht.

    PW art. 17 lid 1, 53a lid 6, 54 lid 3, 58 lid 1; EVRM art. 8

    Voor de 80 kortdurende waarnemingen over in totaal 9 weken, verricht vanaf de openbare weg op de toegangsdeur van de woning en op de aanwezigheid van de auto, vormt artikel 53a lid 6 van de PW in dit geval een toereikende grondslag. Er bestaat ten aanzien van de boete geen reden bij fictieve draagkracht uit te gaan van een lager inkomen dan een inkomen op bijstandsniveau.


    ECLI:NL:CRVB:2019:340

    Verzwegen huren safeloket bij bank. Geen duidelijkheid over waarde inhoud safeloket. Aanvullend recht niet aannemelijk gemaakt. Schending medewerkingsverplichting. Safeloket tegen afspraken in zelf openen.

    PW art. 17 lid 1, 17 lid 2, 54 lid 3, 58 lid 1

    Indien geen melding is gemaakt van een bij de bank gehuurd safeloket en de waarde van de inhoud is door betrokkene niet aannemelijk gemaakt, vormt dat een grond voor intrekking en terugvordering van de bijstand omdat het recht niet is vast te stellen. Het weigeren om het safeloket in het bijzijn van medewerkers van het college te openen en de inhoud te laten zien, betreft schending van de medewerkingsverplichting.


    ECLI:NL:CRVB:2019:430

    Vergoeden kosten bezwaar. Voor intrekkingsbesluit geen grondslag. Terugvordering bij achteraf verkregen middelen. Schadevergoeding in verband met ongeval. Peildatum. Vermogen.

    Awb art. 7:11, 7:15 lid 2; PW art. 58 lid 2 f1

    Het tijdens de bezwaarprocedure genomen besluit tot intrekken van het besluit tot intrekken van de bijstand op de grond dat hiervoor geen bevoegdheid was gelet op de van toepassing zijnde zelfstandige terugvorderingsgrond betreft geen louter formeel gebrek zodat kosten van bezwaar voor vergoeding in aanmerking komen.

    Bij aanspraak op middelen in verband met een schade-uitkering na een ongeval wordt een lumpsum schadevergoeding als vermogen vanaf de datum van de bijstandsverlening in zijn geheel in aanmerking genomen nu de ingangsdatum van de bijstandsverlening ligt na de datum van het ongeval.


    ECLI:NL:CRVB:2019:433

    Verzwegen onroerend goed. Terugvordering over 12 jaar. Onevenwichtig. Overschrijding vermogensgrens. Geen relatief korte periode.

    PW art. 58 lid 1

    De periode van meer dan 12 jaar waarop de terugvordering ziet, is in grote mate onevenwichtig aan de periode waarover geen recht op bijstand bestond indien wel was voldaan aan de inlichtingenverplichting, ook al was dit geen relatief korte periode.


    ECLI:NL:CRVB:2019:480 (met persbericht)

    Maatregel. Opleiding tot asbestverwijderaar. Voorziening tot arbeidsinschakeling. Weigering afscheren baard. Inbreuk op vrijheid godsdienst.

    PW art. 18 lid 4h, 18 lid 5, 18 lid 9; EVRM art. 9

    De inbreuk op het recht op vrijheid van godsdienst in verband met het verbod op het dragen van een baard bij de opleiding Deskundige Asbestverwijderaar en met de oplegging van een maatregel toen appellant weigerde deze opleiding te gaan volgen, levert geen schending op van de vrijheid op godsdienst, als bedoeld in artikel 9 van het EVRM.


    ECLI:NL:CRVB:2019:481 (met persbericht)

    Maatregel. Weigering om op vrijdagmiddag te werken in verband met moskeebezoek. Weigering zaterdagmiddag te werken in verband met omgangsregeling minderjarige kinderen. Inbreuk recht van godsdienstvrijheid. Inbreuk recht op gezinsleven. Niet noodzakelijke inbreuk

    PW art. 18 lid 4h, 18 lid 5, 18 lid 9; EVRM art. 8, 9

    De opgelegde verplichting om in het kader van een werkstage op vrijdagmiddag en op zaterdagmiddag te werken, waardoor appellant de moskee niet kon bezoeken respectievelijk de omgangsregeling met zijn kinderen niet kon nakomen, vormt een inbreuk op het recht op godsdienstvrijheid respectievelijk op het recht op gezinsleven. Deze inbreuk was niet noodzakelijk omdat inroostering van de werkzaamheden in de winkel op andere dagen mogelijk was.


    ECLI:NL:CRVB:2019:529

    Verzoek om kwijtschelding. Einduitspraak na tussenuitspraak. Gebrek niet hersteld. Beleid. Dringende redenen.

    WWB art. 58 lid 1a

    In het licht van alle in het beleid genoemde uitgangspunten, heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom het in dit geval geen aanleiding heeft gezien om op grond van dringende redenen het resterende gedeelte van de terugvordering kwijt te schelden. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat de resterende vordering wordt kwijtgescholden.


    ECLI:NL:CRVB:2019:541

    Niet gehandhaafd boetebesluit. Grondslag voor intrekking en terugvordering. Periode intrekking na ontmanteling.

    PW art. 17 lid 1, 18a, 54 lid 3, 58 lid 1

    Het enkele feit dat het college het boetebesluit niet heeft gehandhaafd omdat er geen benadelingsbedrag is als bedoeld in artikel 18a van de PW, betekent niet dat er geen grondslag is voor de intrekking en terugvordering van bijstand in verband met betrokkenheid bij een hennepkwekerij. In dit geval strekt de intrekking van de bijstand zich ook uit over een periode na de ontmanteling van de hennepkwekerij.


    ECLI:NL:CRVB:2019:570

    Verlaging bijstand. Bijstand in vorm lening. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Afstand doen van vermogen. Saldo op en/of rekening.

    PW art. 18 lid 2, 34, 48 lid 2b

    Met het opgeven van de en/of rekening met zijn moeder heeft appellant zelf zijn vermogen prijsgegeven waarmee hij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van bestaan heeft betoond. Dat het prijsgegeven vermogen toebehoorde aan de moeder van appellant maakt dit niet anders.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:51

    Ongeschiktheidsontslag docent UvA. Houding en gedrag. Geen reële mogelijkheid tot herplaatsing.

    CAO Nederlandse Universiteiten art. 8.4
    De gedingstukken bieden geen steun voor de stelling van appellant dat de echte reden voor zijn ontslag is dat hij heeft meegedaan aan de bezettingen van het Bungehuis en het Maagdenhuis. Wel is appellant erop aangesproken dat hij tijdens de bezetting zijn onderwijstaken heeft verwaarloosd. De academische vrijheid gaat niet zo ver dat appellant zich niet hoeft te houden aan het door de faculteit in overleg en op zorgvuldige wijze vastgestelde onderwijsprogramma. Geen reële mogelijkheden tot herplaatsing.


    ECLI:NL:CRVB:2019:191

    Inpassing in generieke functie. Toetsingskader.

    Het betoog dat het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader ontoereikend is voor zover dit ziet op de kwalificatie “onhoudbaar”, als plaatsing in een andere, hoger gewaardeerd functieprofiel achterwege blijft terwijl die plaatsing daarin wel denkbaar en verdedigbaar zou zijn, slaagt niet. Het bestuursorgaan komt een grote mate van vrijheid toe bij het naar eigen inzicht inrichten van zijn ambtelijke organisatie. Daarbij past een terughoudende toetsing door de bestuursrechter.


    ECLI:NL:CRVB:2019:170

    Geen strafwaardig plichtsverzuim, maar gebreken in functioneren.

    Barp art. 77 lid 1 onder f, . 78 lid 1

    De verweten gedraging moet in dit geval geheel in de sleutel worden gezet van gebreken in het functioneren van appellant. Het appellant verweten plichtsverzuim bestaat er in de kern in dat de administratieve afwerking van zaken door hem niet of niet tijdig plaatsvond. Dit ligt zozeer in het verlengde van een juiste taakvervulling dat appellant wel een verbetertraject mocht verwachten maar geen disciplinaire maatregel.


    ECLI:NL:CRVB:2019:244

    Weigering ziekteverlof

    Barp Hoofdstuk VII
    Bbp Hoofdstuk 10

    De op de politieambtenaren toepasselijke regelgeving geeft geen grondslag voor het door de korpschef gemaakte onderscheid tussen een ziekmelding, die door de leidinggevende altijd wordt aanvaard, en de toekenning dan wel weigering van ziekteverlof op basis van het oordeel van de bedrijfsarts. In de regelgeving ontbreekt enige aanwijzing voor het door de korpschef veronderstelde in een ziekmelding gelegen impliciete verzoek van de politieambtenaar om ziekteverlof toe te kennen. De korpschef was dus niet bevoegd om appellante ziekteverlof te weigeren.


    ECLI:NL:CRVB:2019:201

    Ongeschiktheidsontslag. Belang consistente bejegening van militairen en burgerambtenaren.

    Bard art. 121 lid 1 onder g, art. 77 lid 2
    Ofschoon het kennelijk wel de intentie van de staatssecretaris was om zo min mogelijk verschil te laten ontstaan tussen de afdoening ten aanzien van militairen en burgerambtenaren is de staatssecretaris te weinig consistent geweest in de uitvoering van deze intentie. Met name is de staatssecretaris tekortgeschoten in het onderzoek naar de mogelijkheid om appellant op een andere functie te plaatsen.


    ECLI:NL:CRVB:2019:532

    Beroepsziekte. Circulaire PTSS Politie. Geen beleidsregel, maar vaste gedragslijn.

    Barp art. 1 lid 1 onder y
    Circulaire PTSS Politie 

    1. De Raad is met de korpschef van oordeel dat de Circulaire niet kwalificeert als beleidsregel in de zin van de Awb. Dit neemt niet weg dat de Circulaire wel als vaste gedragslijn van de korpschef geldt. De Circulaire en het Protocol vormen samen de uitwerking van de afspraken in het Akkoord Arbeidsvoorwaarden Politie van 31 mei 2012 en zijn daarom samen aan te merken als de vaste gedragslijn die de korpschef hanteert bij de afhandeling van verzoeken om erkenning van PTSS als beroepsziekte. 
    2. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de landelijke Adviescommissie PTSS Politie zich had moeten beperken tot een advies over de beroepsgerelateerdheid en zich om die reden had moeten onthouden van een oordeel over de (onderbouwing van de) diagnose.

    ECLI:NL:CRVB:2019:482

    Verzoek om toekenning Arrangement C. Verzoek om ontslag. Vergewisplicht.

    Tijdelijke regeling overstap naar een niet SB-functie
    AW art. 125ter

    De e-mail van appellante van 18 januari 2016 bevat geen verzoek om intrekking van het ontslag. Wel had deze e-mail voor de minister, op grond van de in artikel 125ter van de Ambtenarenwet genoemde verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, aanleiding moeten zijn om, alvorens op de aanvragen te beslissen, zich ervan te vergewissen of appellante zich ten volle bewust was van haar (rechts)positie, of zij haar aanvragen wenste te handhaven en of zij voldoende gelegenheid heeft gehad tot een afgewogen beslissing te komen.


    ECLI:NL:CRVB:2019:578

    Roosterwijziging. Gelijkstelling besluit.

    Awb art. 8:2 lid 1

    Ambtshalve wordt overwogen dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de roosterwijziging op grond van artikel 8:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden gelijkgesteld met een besluit. Aangezien de roosterwijziging tot gevolg had dat appellant weer op woensdagen arbeid moest gaan verrichten, is appellant hierdoor rechtstreeks in zijn belang als ambtenaar geraakt.


    ECLI:NL:CRVB:2019:609 (met persbericht)

    Coulanceregeling Chroom VI.  Financiële vergoeding.

    Tijdelijke regeling tegemoetkoming en ondersteuning slachtoffers blootstelling chroom VI houdende stoffen defensie

    De Raad is tot de conclusie gekomen dat het aannemelijk is dat de oud-militair bij het schoonmaken van loodsen is blootgesteld aan chroom VI houdende stoffen. Defensie heeft de aanvraag van de oud-militair dan ook ten onrechte afgewezen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:105

    Onvoldoende sollicitatie-activiteiten overheidswerknemer.

    WW art. 4 lid 1 onder b ten eerste
    Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten art. 6

    Appellant heeft getekend voor de ontvangst van het rechten- en plichtenformulier, waarin (onder meer) is vermeld dat hij de verplichting heeft mee te werken aan activiteiten die de re-integratie bevorderen, dat hij viermaal per vier weken dient te solliciteren en dat hij zijn sollicitaties zowel bij het UWV als bij het Concern Mobiliteitscentrum (CMc; dat de re-integratietaken voor de voormalig werkgever uitvoert) moet melden. Gebleken is dat appellant bij herhaling niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Zo heeft hij in de periode tot 8 september 2015 maar één sollicitatie-activiteit verricht en bleef zijn – door zijn voormalig werkgever gehanteerde - portfolio leeg.


    ECLI:NL:CRVB:2019:291

    Centrum van belangen (en dus woonplaats) niet in Nederland. Oud WW-recht kan niet meer herleven.

    Vo 883/2004 art. 1, 65
    WW art. 16, 20, 21

    Voor de beantwoording van de vraag of appellant op grond Vo 883/2004 aanspraak kan maken op een Nederlandse WW-uitkering, is van belang of hij tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden in Nederland woonde. Appellant had ten tijde van zijn vertrek naar Zwitserland de intentie om daar voor onbepaalde tijd te gaan werken en wonen. Wat appellant heeft aangevoerd ten betoge dat hij in de periode waarin hij in Zwitserland werkte en verbleef in Nederland pleegde te wonen, is van algemene aard en levert onvoldoende aanknopingspunten op om te oordelen dat het centrum van zijn belangen in die periode in Nederland lag. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellant geen eigen woonruimte in Nederland meer had.
    De periode tussen het eindigen van het WW-recht en het vervallen van alle omstandigheden die tot het eindigen van het recht hebben geleid, heeft langer dan zes maanden geduurd. Daarom herleeft het recht op WW-uitkering niet.


    ECLI:NL:CRVB:2019:318

    Verrekening inkomen bij twee WW-uitkeringen

    WW art. 47; AIB art. 3:2, 3:3

    In de maanden dat de hoogte van het inkomen van appellant niet leidt tot beëindiging van een recht op uitkering (augustus 2016), is sprake van de in artikel 3:2, twaalfde lid, van het AIB bedoelde situatie van een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op twee reguliere WW-uitkeringen en daarnaast inkomen uit arbeid ontvangt. Uit de berekening blijkt dat het UWV in die situatie in overeenstemming met artikel 3:2, twaalfde lid, van het AIB de inkomsten in aanmerking heeft genomen bij de berekening van recht 2. Vervolgens heeft het UWV in overeenstemming met artikel 3:3, zevende lid, van het AIB het maandloon van recht 2 aangemerkt als inkomen voor recht 1. In de maanden waarin de hoogte van het inkomen van appellant meer bedraagt dan 87,5 % van het maandloon van recht 2 (oktober 2015), eindigt recht 2 en wordt het inkomen conform de hoofdregel neergelegd in de formule van in artikel 47 van de WW gekort op recht 1.


    ECLI:NL:CRVB:2019:473

    Geen overname loondoorbetalingsverplichting in geval van overgang van onderneming.

    WW art. 61; BW art. 7:662, 7:663

    Uit het oordeel dat per 28 november 2014 sprake is geweest van een overgang van de onderneming [bedrijf A] naar de onderneming [naam holding 1], volgt dat op grond van artikel 7:663 van het BW de aanspraken van appellant op grond van zijn arbeidsovereenkomst met [bedrijf A] zijn overgegaan op [naam holding 1]. Voor een toewijzing van het verzoek van appellant om een faillissementsuitkering diende daarom [naam holding 1] ten tijde van die aanvraag te verkeren in de toestand van blijvende betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61 van WW. Appellant heeft niet aangetoond dat daarvan sprake was. Gelet hierop heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden is de betalingsverplichtingen van [bedrijf A] over te nemen en dat het UWV terecht de aanvraag om een faillissementsuitkering heeft afgewezen.


    ECLI:NL:CRVB:2019:601

    Overname loondoorbetalingsverplichting. Geen sprake is van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie

    WW art. 62 lid 1 onder b

    Geoordeeld wordt dat geen sprake is van een tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie van appellante om werkgever ertoe te brengen de loonvordering alsnog te voldoen. Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van appellante verwacht had mogen worden dat zij, nadat haar loonvordering bij beschikking van 31 juli 2014 was vast komen te staan, over zou gaan tot het inschakelen van een deurwaarder om haar loonvordering geldend te maken. Dat werkgever voor appellante moeilijk te bereiken was, hetgeen appellante ter zitting heeft gesteld, doet hier niet aan af, nu werkgever een bestaand adres had waarop een deurwaarder het vonnis had kunnen laten betekenen. Appellante heeft daarom geen tijdige, voldoende voortvarende en gerichte actie ondernomen om haar loonvordering op werkgever geldend te maken. Het is daarom niet aannemelijk dat de achterstallige loonbetalingen uitsluitend wegens het bestaan van betalingsonmacht van werkgever niet geldend gemaakt konden worden.


    ECLI:NL:CRVB:2019:628

    Verrekening pensioen. Niet anticiperen op wijziging AIB. Exceptieve toets.

    WW art. 47; AIB art. 3:5 lid 4, 7, 8

    In artikel 3:5, vierde lid, van het AIB, gelezen in samenhang met artikel 47 van de WW, is de hoofdregel opgenomen dat een pensioenuitkering tot inkomen in verband met arbeid wordt gerekend en in mindering wordt gebracht op de WW-uitkering. De bepalingen uit artikel 3:5 die uitzonderingen op die hoofdregel bevatten dienen, zo is geoordeeld in bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3504, restrictief te worden uitgelegd. Gegeven de vaste rechtspraak en mede gelet op de omstandigheid dat sprake is van een aanvullende uitzondering op de hoofdregel en in aanmerking genomen de gevolgen van inwerkingtreding daarvan voor de uitvoeringspraktijk, komt de besluitgever bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding van de wijziging van regelgeving als bedoeld in artikel 3:5, zevende en achtste lid, een ruime beslissingsruimte toe. Gebleken is dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de materiële wetgever de datum van inwerkingtreding uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien. Daarbij is inwerkingtreding op een korte termijn overwogen, maar de niet-uitvoerbaarheid van een eerdere invoering in verband met de bij het UWV beschikbare capaciteit heeft ertoe geleid dat welbewust is gekozen voor een inwerkingtreding in de toekomst. De regering is op dat punt door het parlement niet gecorrigeerd of opgeroepen tot een andere benadering. Er is geen grond om te oordelen dat de materiële wetgever niet in redelijkheid tot het besluit tot latere inwerkingtreding heeft kunnen besluiten.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:69

    Behandeling voorgeschreven door een BIG-geregistreerde arts

    Wet WIA art. 5, 6

    Niet in geschil is dat de gevolgde medische behandeling plaatsvond op indicatie van een medisch beroepsbeoefenaar en dat de betrokken arts BIG-geregistreerd is. Appellante was door deze behandeling feitelijk niet beschikbaar om voltijds, althans in de omvang van de haar voorgehouden combinatie van functies, te werken. Gelet op de tekst van de Standaard verminderde arbeidsduur is in een dergelijke situatie een urenbeperking geïndiceerd. In de Standaard zijn ook overigens geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt van het UWV dat het objectief medisch niet aangewezen zijn van de door een BIG-geregistreerd arts voorgeschreven behandeling, dan wel vermeende anti-revaliderende aspecten daarvan, een rol kunnen spelen bij de indicatie ‘beschikbaarheid’.


    ECLI:NL:CRVB:2019:129

    Maatregel. Benadelingshandeling. Loonaanspraken prijsgegeven.

    ZW art. 45 lid 1 onder j; Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten art. 2 lid 1 onder d, 7 lid 1 onder a

    Appellant heeft het aanwenden van rechtsmiddelen tegen zijn ontslag en het instellen van een loonvordering afhankelijk gesteld van de strafzaak. Hoewel appellant de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet had ingeroepen, heeft hij die procedure niet voortgezet omdat eerst de uitkomst van de strafzaak zou worden afgewacht. Na de vrijspraak, in augustus 2014, heeft het echter nog tot februari 2015 geduurd alvorens hij de werkgeefster dagvaardde. Dat hij instemde met de vaststellingsovereenkomst, heeft appellant, zoals hij diverse malen heeft gesteld, gedaan op advies van zijn toenmalige advocaat. Door aldus te handelen heeft appellant loonaanspraken prijsgegeven en niet alle juridische mogelijkheden benut. Appellant heeft daarbij bewust gehandeld. Dat het niet mogelijk zou zijn geweest om hangende de strafzaak tevens de werkgeefster aan te spreken op het nakomen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen is niet gebleken.


    ECLI:NL:CRVB:2019:183

    Positie werkgever als belanghebbende in ZW-zaken. Juistheid gegevens CBBS

    Awb art. 1:2; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9

    De vaste rechtspraak in arbeidsongeschiktheidswetten over positie werkgever als belanghebbende in procedure en belang van zorgvuldige besluitvorming door UWV heeft ook zijn gelding in ZW-geschillen. Het is ook vaste rechtspraak dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem en ondersteunende methode bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Hierin ligt besloten dat geen sprake is van strijd met het uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende vereiste van equality of arms en met het beginsel van fair play.


    ECLI:NL:CRVB:2019:211

    Geen arbeidskundige herbeoordeling bij toepassing van art. 56 lid 3 Wet WIA

    Wet WIA art. 56 lid 3

    Bij de toepassing van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA is er geen wettelijke basis voor een arbeidskundige herbeoordeling als de verzekerde al een jaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is op basis van de feitelijke verdiencapaciteit bij de eigen werkgever. Uit artikel 56, derde lid, volgt dat de enige voorwaarde voor het intreden van het rechtsgevolg, dat het recht op uitkering eindigt, is of de betrokkene met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. Voor de vraag of die arbeid passend is in arbeidskundig opzicht is dan geen plaats. Het feit dat iemand die verdiensten genereert, maakt dat de arbeid passend is.


    ECLI:NL:CRVB:2019:220

    Nieuwe uitlooptermijn bij beëindiging WIA-uitkering. Datum in geding.

    Wet WIA art. 56 lid 1, 56 lid 2

    In verband met de nieuwe aanzegging is bij beslissing op bezwaar de intrekkingsdatum van de WIA-uitkering verschoven van 20 oktober 2015 naar 16 mei 2016. Anders dan het UWV aanvoert is 20 oktober 2015 niet de datum in geding gebleven. Het is vaste rechtspraak dat de datum in geding de datum is waarop aan het einde van de uitlooptermijn de uitkering wordt beëindigd. Hierbij wordt aangetekend dat er situaties zijn waarin uit de toepasselijke wettelijke bepaling volgt dat er een verschil is tussen de datum per wanneer de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld en de datum met ingang waarvan de uitkering wordt beëindigd. Een voorbeeld hiervan is artikel 56, derde lid, van de Wet WIA. Zie ECLI:NL:CRVB:2019:211.


    ECLI:NL:CRVB:2019:275

    Advies Gezondheidsraad

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3,  4

    De in het naar aanleiding van het Advies Gezondheidsraad tot stand gebrachte UWV-uitvoeringsbericht beschreven beoordeling van ME/CVS is in overeenstemming met de eisen die in het Schattingsbesluit worden gesteld aan de beoordeling van de beperkingen in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:450

    Beoordeling buitenlandse opleiding hoger onderwijs (VS)

    WSF 2000 art. 2.14

    Appellant volgt een opleiding in de Verenigde Staten waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd. De accreditatie van deze opleiding is, gelet op ECLI:NL:CRVB:2017:3538, toereikend om tot een nadere beoordeling van de opleiding over te gaan op basis van de  in artikel 2.14, tweede lid, aanhef en onder a, van de WSF 2000 opgenomen criteria. De Nuffic, vaste adviseur van de minister in dit soort zaken, heeft zich beperkt tot het onderzoek naar de accreditatie en het nadere onderzoek ten onrechte achterwege gelaten. De minister kon het bestreden besluit dan ook niet op het advies van Nuffic baseren.