Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie

Nummer 8, gepubliceerde uitspraken 2e helft april jaargang 2022

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de tweede helft van april 2022 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.

Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 Inhoud nieuwsbrief ‭[2]‬

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2022:879

    Beroepen tegen uitblijven besluiten terecht niet-ontvankelijk verklaard. Besluiten al genomen. Met gedrag kenbaar maken langs elektronische weg bereikbaar te zijn. Bekendmaking besluiten.

    Awb art. 2:14 lid 1, 3:41 lid 1, 4:17, 4:18, 6:2, 6:12, 8:55c

    De rechtbank heeft de beroepen tegen het uitblijven van besluiten op aanvragen en bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard, omdat de besluiten al genomen waren op het moment dat appellant het beroep instelde. Weliswaar blijkt niet van een expliciete toestemming van appellant tot het verzenden van stukken (waaronder besluiten) via e-mail, maar hij heeft met zijn gedrag wel kenbaar gemaakt langs elektronische weg bereikbaar te zijn, ook voor het ontvangen van besluiten. Appellant heeft ook niet ontkend de besluiten per e-mail te hebben ontvangen. Daarmee wordt vastgesteld dat bekendmaking heeft plaatsgevonden, en de besluiten in werking zijn getreden. De beroepen tegen het uitblijven van besluiten zijn dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

    ECLI:NL:CRVB:2022:852

    Aanvraag WIA. Bewijslast.

    Awb art. 4:2

    Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Op grond van de Wet WIA en de daarop gebaseerde regelgeving liggen het verzekeringsgeneeskundig en het arbeidskundig onderzoek naar aanleiding van een WIA-aanvraag evenwel volledig in handen van het UWV. Dit betekent dat de resultaten van deze onderzoeken niet vallen onder de aanvraaggegevens, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, en dat het UWV in zoverre de bewijslast draagt. De rechtbank heeft op zichzelf beschouwd dus ten onrechte overwogen dat het in geval van een WIA-aanvraag aan de aanvrager is om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die moeten leiden tot inwilliging van die aanvraag. 

    ECLI:NL:CRVB:2022:841

    Procesbelang. Pensioen(premie).

    Awb art. 8:1

    Op grond van vaste rechtspraak (zie ECLI:NL:CRVB:2015:1669) wordt procesbelang ook aangenomen indien de betrokkene stelt dat het bestreden besluit een rechtstreeks feitelijk gevolg heeft waarvan hij in een andere rechtsverhouding nadeel zal ondervinden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is. Nu de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op een datum gelegen in de werkzame periode van appellant rechtstreeks gevolg kan hebben voor de door appellant te betalen pensioenpremie dan wel zijn pensioen en niet in geschil is dat het oordeel over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag in de huidige procedure voor de hoogte van die premie een bepalende factor is, heeft appellant voldoende procesbelang bij de beoordeling van zijn hoger beroep.

    ECLI:NL:CRVB:2022:791

    Misbruik van recht. Misbruik gemaakt van bevoegdheid om bezwaar te maken.

    BW art. 3:13 lid 1, 3:15

    Nadat de Raad in zijn uitspraak van 8 juli 1993 had geoordeeld dat het ontslagbesluit niet onrechtmatig is, heeft appellant herhaaldelijk verzocht om vergoeding van de door hem in verband met het verlies van zijn werk geleden schade. Over de afwijzing van deze verzoeken heeft hij herhaaldelijk geprocedeerd tot aan de Raad.

    Op 10 april 2019 heeft appellant andermaal een verzoek om schadevergoeding ingediend zonder daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te noemen. Daarmee ligt opnieuw de rechtsvraag voor die al keer op keer door de Raad is beantwoord. Dit betekent dat het appellant met het instellen van bezwaar niet daadwerkelijk te doen kan zijn om het verkrijgen van duidelijkheid over zijn rechtspositie, want die duidelijkheid is er al vele jaren. Het ontbreekt dan ook aan een reëel, in de zin van nog niet beslecht, geschilpunt in de rechtsverhouding tussen appellant en het college. Hieruit volgt dat appellant de bevoegdheid om bezwaar te maken zodanig evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft hiermee misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid om bezwaar te maken.

    ECLI:NL:CRVB:2022:873

    Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

    BW art. 3:13 lid 1, 3:15

    Appellant heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht voor een Wob-procedure bij de rechtbank. In de Wob-procedure heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De Raad is van oordeel dat appellant ook de bevoegdheid om een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen voor de kosten van griffierecht in de Wob-procedure heeft gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw.

    ECLI:NL:CRVB:2022:876

    Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht.

    BW art. 3:13 lid 1, 3:15

    Appellant heeft de bevoegdheid om een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen voor de kosten van griffierecht in voornoemde procedure gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Daarom heeft appellant misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het enkele gegeven dat het beroep op betalingsonmacht op voorhand is gehonoreerd door de griffier van de rechtbank betekent niet dat appellant het nagestreefde resultaat (te weten: bijzondere bijstand voor griffierecht) niet meer kon bereiken. De rechtbank kon het beroep op betalingsonmacht immers nog (definitief) afwijzen.

    ECLI:NL:CRVB:2022:880

    Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. Vooronderstelde misbruikintentie.

    BW art. 3:13 lid 1, 3:15

    Het dagelijks bestuur heeft 26 bezwaren van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten en het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. De civiele rechter heeft appellant verboden om meer dan twee keer per maand contact met de ISD te zoeken. Uit de processtukken blijkt dat eiser zich stelselmatig niet houdt aan voormeld verbod. In eerdere procedures is misbruik van recht vastgesteld. Appellant heeft dit niet weersproken. Hiervan uitgaande kan de misbruikintentie van appellant worden voorondersteld. Gelet hierop kan bij de beoordeling of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant in de voorliggende gevallen de bevoegdheid om een geschrift bij het college in te dienen heeft misbruikt, worden aangenomen dat dit het geval is, tenzij aannemelijk is dat een concreet en valide belang bij het indienen hiervan bestaat. Appellant hoeft niet met bewijsstukken aan te tonen dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan.

    ECLI:NL:CRVB:2022:828.

    Beroep op uitspraak van de Afdeling over evenredigheidsbeginsel. Bepaling van dwingend recht.

    WAO art. 43a

    Ter zitting heeft appellante verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285). De Raad ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het beoordelingskader van genoemde uitspraak ziet op de uitoefening van bestuursbevoegdheden met beleidsruimte. Aangezien artikel 43a van de WAO een bepaling van dwingend recht is, is van zo'n bestuursbevoegdheid in dit geval geen sprake. Bij de rechterlijke benoeming van een deskundige gaat het niet om de uitoefening van een bevoegdheid zoals in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak bedoeld is. De benoeming van de deskundige dient ter vaststelling van de feiten, namelijk de vaststelling of de medische beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak al dan niet zijn toegenomen gedurende de periode van vijf jaar.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:471

    Onvoorwaardelijk strafontslag. Straf is niet onevenredig aan aard en ernst van het plichtsverzuim.

    Cao VO art. 10.b.3 lid 11

    Appellant is terecht verweten dat hij onvoldoende (professionele) afstand heeft gehouden tot met name één leerling. In 2013 is hij berispt en heeft hij de opdracht gekregen niet meer één-op-ééncontact met leerlingen te hebben en de gedragscode van de school na te leven. Hier heeft hij zich niet aan gehouden. Regelmatig Whatsappen op late tijdstippen gaat verder dan normaal contact tussen een leerling en docent. De leerling heeft achteraf (via zijn ouders) een klacht ingediend bij de school en verklaard dat hij zich ongemakkelijk voelde door de gedragingen van appellant. Ook het eten met de leerlingen bij de McDonald's is in strijd met de aan appellant gegeven opdracht.

    De maatregel is, gezien de aard en de ernst van de gedragingen, en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant op de school, niet onevenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim. Appellant heeft door zijn gedrag het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en aldus het belang van de school en van de leerlingen ten onrechte niet zwaarder laten wegen dan zijn eigen belang. Appellant was een gewaarschuwd man en op de hoogte van de gedragscode waarop jaarlijks aan het begin van elk schooljaar werd gewezen. Hij was er ook van op de hoogte dat hij bij serieuze problemen van een leerling contact moest zoeken met de zorgcoördinator en niet zelf in actie moest komen.

    ECLI:NL:CRVB:2022:473

    Onvoldoende grondslag voor buitengewoon verlof en ontslag op andere gronden.

    CAR/UWO art. 8:8

    De algemeen directeur a.i. heeft de signalen dat personen zich door de wijze van aansturing van betrokkene onveilig of bedreigd voelen niet concreet kunnen maken en heeft hierover evenmin met betrokkene een gesprek gevoerd. In plaats daarvan is ervoor gekozen direct een onderzoek naar het gedrag van betrokkene te laten verrichten. Het college heeft betoogd dat sprake was van een angstcultuur en dat dit bleek uit verklaringen van medewerkers aan de algemeen directeur a.i. De algemeen directeur a.i. had in deze gesprekken vertrouwelijkheid toegezegd, zodat zij hierover niet met betrokkene kon spreken. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het buitengewoon verlof en de ordemaatregelen noodzakelijk waren en dat een gesprek met betrokkene hierover niet mogelijk zou zijn geweest. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.
    Aan het ontslag op andere gronden is het onderzoek van BING ten grondslag gelegd. Voor zover uit dit onderzoek al blijkt van een verstoorde arbeidsverhouding, blijkt hieruit niet dat al van een verstoorde arbeidsverhouding sprake was ten tijde van het ontslag. Volgens het college was de aanleiding voor het ontslag een breed gedragen gevoel van onveiligheid op de werkvloer. Het college heeft het breed gedragen gevoel niet concreet kunnen maken, maar heeft volstaan met een verwijzing naar het onderzoek van BING. Andere bronnen of verklaringen zijn er niet. Het ontslagbesluit houdt daarom geen stand.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:829

    Functieduiding CBBS. Algemene stelling dat werkgevers mogelijk failliet zijn.  

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9

    Uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat een betrokkene de mogelijkheid heeft om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard gemotiveerd te bestrijden. Als op basis daarvan twijfel ontstaat, of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens, kan van het UWV worden verlangd dat het de gegevens die zijn gebruikt in de beschrijvingen nader verduidelijkt en onderbouwt. In uitzonderlijke gevallen is denkbaar dat een voldoende motivering van een besluit met zich brengt dat het UWV namen en adressen van werkgevers verstrekt. De algemene stelling dat elk jaar zoveel bedrijven failliet gaan dat het redelijkerwijs te verwachten valt dat daar ook een bedrijf bij zal zijn dat geënquêteerd is voor het CBBS, is te weinig concreet om nadere gegevens bij het UWV op te vragen.

    ECLI:NL:CRVB:2022:857

    Hersteldmelding met terugwerkende kracht.

    ZW art. 19

    Appellant is eerst op het spreekuur van 12 maart 2020 meegedeeld dat hij met ingang van die dag niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn werk als datamedewerker. Aangezien dit is gebeurd met terugwerkende kracht en appellant eerder niet redelijkerwijs kon hebben begrepen weer hersteld te zijn, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid – en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb – tot stand gekomen. De hersteldverklaring kon naar het oordeel van de Raad niet eerder dan per 13 maart 2020 worden geëffectueerd. In aanmerking nemend dat er geen reden is om aan te nemen dat appellants gezondheidstoestand op 13 maart 2020 verschilde van die op 12 maart 2020 ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:794
    Aanvraag om bijstand ten onrechte afgewezen. Financiële situatie.
    Pw art. 17
    Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat appellanten niet hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of zij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Voor twijfel of de twee bijschrijvingen van VCN Verzekeringen schadevergoedingen betreft bestaat geen grond. Ook het standpunt van het college dat uit de door appellanten ingeleverde stukken niet blijkt hoe en waarop het salaris van appellant is uitbetaald en dat daaruit zou volgen dat het inkomen van appellant onduidelijk was, wordt niet gevolgd.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:811

    Wijziging maximering buitenlandbijdrage na inwerkingtreding Vo 883/2004. Schending informatieverplichting door CAK.

    Verordening (EG) nr. 883/2004 art. 87 lid 11; ZVW art. 69

    Als gevolg van de inwerkingtreding van Vo 883/2004 per 1 mei 2010 geldt niet langer de maximering van de buitenlandbijdrage tot het bedrag van het Nederlandse pensioen, maar moet de buitenlandbijdrage over het hele wereldinkomen worden betaald. CAK heeft deze wijziging pas in 2016 toegepast, maar appellant daarover niet geïnformeerd. Aan de niet nakoming van de in art. 87 lid 11 van Vo 883/2004 neergelegde informatieverplichting verbindt de Raad in dit geval geen consequenties.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:815

    Samenloop. Uitbetaling kinderbijslag. Co-ouderschap. In gelijke mate verzorgen en onderhouden. Gezinsplan. Hoogste bijdrage.

    AKW art. 18 lid 5, 7; Beluit uitvoering kinderbijslag (BUK) art. 10 lid 1

    Er is geen sprake van co-ouderschap in de zin van artikel 10, eerste lid, van het BUK omdat in het gezinsplan niets is opgenomen over het onderhoud van het kind. Het gezinsplan is dan ook niet een overeenkomst die ertoe strekt dat partijen het kind in overwegend gelijke mate zullen verzorgen en onderhouden. Nu het kind behoorde tot het huishouden van zowel appellant als de derde-partij maar er geen sprake is van co-ouderschap in de zin van artikel 10 van het BUK, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan wie de hoogste bijdrage in het onderhoud van het kind levert.

    ECLI:NL:CRVB:2022:821

    Herziening AOW-pensioen. Norm gehuwden. Duurzaam gescheiden leven. Rechtszekerheidsbeginsel. Overgangstermijn.

    AOW art. 1 lid 3 onder b, 17 lid 1

    De SVB heeft het ouderdomspensioen terecht omgezet naar een gehuwdenpensioen omdat geen sprake was van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Het rauwelijks herzien van het AOW-pensioen acht de Raad in dit geval in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad acht een overgangstermijn van drie maanden redelijk.