Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie

Nummer 17, gepubliceerde uitspraken 1e helft september jaargang 2022

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de eerste helft van september 2022 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.

Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl 

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2022:1905
    Zorgplicht werkgever. In het ambtenarenrecht wordt aansluiting gezocht bij artikel 7:658 BW.
    Appellant betoogt dat de door de rechtbank aangelegde maatstaf een andere is dan de norm uit artikel 7:658 van het BW, waaruit volgens hem volgt dat een werkgever alleen aansprakelijkheid kan afwenden bij grove schuld of roekeloosheid dan wel opzet van de werknemer. Dit betoog slaagt niet. In het ambtenarenrecht wordt in zaken als deze aansluiting gezocht bij het civiele recht. De Raad is van oordeel dat de maatstaf als genoemd in 4.2, waarvan ook de rechtbank is uitgegaan, niet wezenlijk verschilt van wat uit artikel 7:658, tweede lid, van het BW volgt, namelijk dat bij de vraag of de werkgever aansprakelijk is ook van belang is welke (veiligheids)maatregelen door de werkgever zijn getroffen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1862
    (Indirecte) kosten in verband met een buddyhond.

    Barp art. 53

    Appellante heeft de korpschef verzocht om vergoeding van de kosten voor het aanpassen van twee trappen in haar woning in verband met het gebruikmaken van een buddyhond. Dit verzoek is afgewezen. De korpschef voert als gedragslijn om de noodzakelijke kosten direct verbonden aan een verstrekte buddyhond te vergoeden. De kosten die buiten de buddyhond zelf gelegen zijn en meer liggen in de privésfeer van diegene die de hond heeft gekregen, zoals de kosten om de woning voor een hond geschikt te maken, laat de korpschef voor diens rekening komen. De Raad is van oordeel dat de korpschef met deze als beleid aan te merken vaste gedragslijn niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. De afwijzing is in overeenstemming met het door de korpschef gevoerde beleid. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de korpschef met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de vaste gedragslijn had moeten afwijken.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:1914

    Telefonisch spreekuur verzekeringsarts. Telefonische hoorzitting verzekeringsarts bezwaar en beroep. 

    Wet WIA art. 5, 6 

    Tussen partijen is in geschil of de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mogen afzien van een fysiek spreekuurcontact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke en toereikende wijze uiteengezet waarom een lichamelijk onderzoek in bezwaar in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie geen toegevoegde waarde had. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er blijk van heeft gegeven op de hoogte te zijn geweest van de aard van alle relevante door appellant geclaimde klachten, bij het onderzoek en de beoordeling alle aanwezige medische informatie inzichtelijk heeft betrokken en de conclusie navolgbaar heeft gemotiveerd. Voorts is in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op een telefonische hoorzitting heeft gesproken. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is door het UWV zorgvuldig verricht.  

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1951

    Laattijdige aanvraag. Geen spreekuur. 

    Wet WIA art. 23; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3

    Appellant heeft in verband met op 7 oktober 2009 ingetreden arbeidsongeschiktheid bijna tien jaar later een WIA-uitkering aangevraagd. In de door appellant genoemde uitspraken van 14 december 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BC0360), 23 juni 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1491) en 30 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3336) heeft de Raad geoordeeld over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek wanneer in de procedure geen spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. In dit geval is de beoordeling wel verricht door geregistreerde verzekeringsartsen, maar zonder spreekuurcontact. In deze zaak is sprake van beoordeling van een (afgesloten) periode in een ver verleden (2009/2011) en moet deze beoordeling plaatsvinden op grond van beschikbare medische gegevens. Evenals is geoordeeld in de uitspraak van 9 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2157 en de uitspraak van 30 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3537, is er geen aanleiding om in deze zaak het achterwege laten van een spreekuur onzorgvuldig te achten. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een spreekuurcontact acht tot tien jaar na de te beoordelen periode geen toegevoegde waarde heeft kan in deze zaak worden gevolgd.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1969

    Benadelingshandeling.

    ZW art. 45 lid 1 onder j, 63a

    Met het tekenen van de vaststellingsovereenkomst tijdens ziekte heeft appellante een benadelingshandeling gepleegd. Het UWV heeft voldoende onderzoek gedaan. Van belang is dat de ex-werkgever eigenrisicodrager is en dat het UWV en de ex-werkgever ieder hun eigen verantwoordelijkheden en taken hebben bij te nemen besluiten over de ZW. Hoewel gebreken in de voorbereiding van dergelijke besluiten volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2485) aan het UWV zijn toe te rekenen en de voorbereiding van het door de ex-werkgever gevraagde besluit in de primaire fase, met het enkele meezenden van de vaststellingsovereenkomst, heel summier was, wordt geoordeeld dat het UWV bij de volledige heroverweging in bezwaar voldoende onderzoek heeft verricht. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat geen sprake is van een benadelingshandeling omdat zij ten tijde van het tekenen van de vaststellingsovereenkomst dwaalde over haar gezondheidstoestand.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1939

    Praktische schatting. 

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9 onder h en i

    De schatting berust op de werkzaamheden die betrokkene bij werkgeefster op 12 augustus 2019 feitelijk verrichtte en het daarmee feitelijk verdiende loon. Niet in geschil is dat de werkzaamheden voor betrokkene passend zijn. Anders dan betrokkene heeft aangevoerd, kunnen zijn verdiensten als representatief voor zijn resterende verdiencapaciteit worden aangemerkt. Dat sprake zou zijn van sociaal loon is niet gebleken. Betrokkene voerde in elk geval sinds 1 mei 2017 een volwaardig takenpakket uit. Het werk is inhoudelijk passend en er zijn volgens de leidinggevende geen knelpunten. Nu niet anders blijkt dan dat de arbeidsverrichting duurzaam is te achten, heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat niet is voldaan aan de eisen die aan een praktische schatting worden gesteld. Het door betrokkene verrichte takenpakket is niet te beschouwen als een witte ravenbaan die niet aan de schatting ten grondslag mag worden gelegd. 

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1935

    Praktische schatting.

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9 onder h en i

    De schatting berust op de werkzaamheden die appellant bij zijn werkgever op 1 oktober 2018 feitelijk heeft verricht in de functie van netwerk- en systeembeheerder en het daarmee verdiende loon. Niet gebleken is dat deze functie moet worden gezien als een witte ravenbaan. Van een witte ravenbaan is volgens vaste rechtspraak sprake wanneer de betreffende arbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met een zelfde belasting en beloning op de arbeidsmarkt niet of nauwelijks voorhanden is. De kennis en kunde van appellant voor deze functie staan niet ter discussie. Dat in de betreffende periode thuiswerken zoals deze door appellant was afgesproken niet gebruikelijk was, dat appellant extra gelegenheid had om te pauzeren en dat de werkgever in verband met de grote reisafstand en de bekende vermoeidheidsklachten van appellant overnachtingen in de nabijheid van het bedrijf vergoedde, maakt niet dat de door appellant uitgeoefende functie niet mocht worden gehanteerd voor schatting met toepassing van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Sb.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1953

    Frequent ziekteverzuim.

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9 onder e 
    De rechtbank acht sprake van excessief ziekteverzuim en daarmee van een situatie als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit. De Raad volgt dit oordeel van de rechtbank niet. De deskundige van de rechtbank heeft aangegeven dat – ruim gerekend – er gemiddeld sprake is van ongeveer vier grote aanvallen per maand met twee postictale dagen waarop het verrichten van arbeid door betrokkene niet mogelijk is. Dit komt volgens de deskundige neer op acht verzuimdagen per maand. Daarbij heeft de deskundige opgemerkt dat in een werksituatie de zorgen ten aanzien van de financiën zullen afnemen waardoor er minder stress en spanningen zijn en de aanvalsfrequentie bij betrokkene zal afnemen. Het UWV wordt gevolgd in zijn standpunt dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet persoonsgebonden zijn en dat de werkgever voor adequate vervanging in die functies kan zorgen op momenten dat tijdens werkdagen ziekteverzuim optreedt.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:1900

    Beoordeling terugvordering van bijstand bij vaststaand intrekkingsbesluit. Geen schending inlichtingenverplichting. 

    PW art. 17

    Het intrekkingsbesluit heeft formele rechtskracht. De formele rechtskracht heeft geen betrekking op oordelen van feitelijke en juridische aard die aan het intrekkingsbesluit ten grondslag hebben gelegen. In het kader van de terugvordering moet alsnog het standpunt van het college dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting worden beoordeeld. Met de in het rapport neergelegde bevindingen heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Raad draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1928

    Maatregel wegens zeer ernstig misdragen.

    PW art. 18 lid 2

    Het dagelijks bestuur heeft appellant een maatregel opgelegd omdat hij een medewerker heeft bedreigd. Aan de verklaring van de medewerker, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de aangifte, komt doorslaggevende betekenis toe. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Appellant heeft deze verklaring namelijk niet overtuigend en op gedetailleerde wijze weersproken, maar heeft volstaan met een ongemotiveerde betwisting. Ook na vragen op de zitting is onduidelijk gebleven wat de lezing van appellant is. Van appellant kon worden gevergd dat hij ten minste zijn versie van het gebeurde zou verwoorden. Dat heeft hij echter nagelaten.