Laden...

Jaarverslag 2018

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Jaarverslag 2018

2018 uitgelicht

Met genoegen bied ik dit digitale jaarverslag 2018 van de Centrale Raad van Beroep aan. Er wordt met veel elan, toewijding en voortvarendheid gewerkt aan goede, tijdige en begrijpelijke rechtspraak, toegankelijk voor burgers en bestuursorganen. De mooie prestaties, kwalitatief én kwantitatief, in het afgelopen jaar zijn daarvan het resultaat. In dit jaarverslag presenteren we een aantal ‘highlights’ uit 2018.

>Alles uitklappen
  • Het jaar 2018 kan worden gekenschetst als ‘omslagjaar’, een jaar waarin de nodige voorbereidingen zijn getroffen om aan onze hoofddoelstellingen invulling te geven, te weten: het verkorten van doorlooptijden, het wegwerken van achterstanden en het beheersbaar maken van de werkdruk. We zijn daartoe begonnen met het herinrichten van onze werkprocessen, met meer aandacht voor regie en maatwerk en versterking van de onderlinge samenwerking tussen raadsheren, juridische en administratieve ondersteuning. Daarmee gaan we het komende jaar verder, ook door de toepassing en verdere ontwikkeling van de Professionele Standaarden voor de drie bestuursrechtelijke appelcolleges (Centrale Raad van Beroep, College van Beroep voor het bedrijfsleven en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) die eind 2018 zijn vastgesteld en op 1 april 2019 in werking zijn getreden.

    Verder is veel energie gestoken in het borgen en uitbouwen van een hoogwaardige juridische ondersteuning. In mei 2018 is het zogenoemde Opleidingshuis van start gegaan, ons opleidings- en inwerktraject voor jonge, getalenteerde juristen. Dit Opleidingshuis voorziet ook in begeleiding van zittende juridisch medewerkers. Tegelijk is de formatie van de juridische ondersteuning fors uitgebreid. Daarmee zijn noodzakelijke randvoorwaarden geschapen voor de afdoening van zaken op verschillende niveaus. De rechters kunnen bouwen op een hoogwaardige juridische ondersteuning, waardoor zij nog beter aan hun kerntaak kunnen toekomen: behandelen van zaken, (principiële) rechtsvragen in complexe zaken beantwoorden en knopen doorhakken. Rol en verantwoordelijkheid van de juridische ondersteuning zijn vergroot.

    Ook hebben we onze externe oriëntatie vergroot. Om de blik van de buitenwereld naar binnen te halen, is een klankbordgroep samengesteld. De klankbordgroep is bedoeld als informele sparringpartner en denktank voor het bestuur en vormt als het ware de ‘ogen en oren’ van het bestuur in de maatschappij. Daarnaast zijn de contacten met de belangrijkste ketenpartners en professionele relaties van de Centrale Raad van Beroep aangehaald. Ten slotte is de onderlinge samenwerking met andere appelgerechten en met de eerstelijnsrechtspraak versterkt. Dat smaakt naar meer!

    Ook 2019 wordt weer een dynamisch jaar waarin wij doorgaan op de ingeslagen weg om doorlooptijden te verkorten en achterstanden weg te werken, met behoud van onze hoogwaardige kwaliteit en met een beheersbare werkdruk. Wij zullen samen verder vormgeven aan maatschappelijk relevante, effectieve en toekomstbestendige rechtspraak en onverminderd ten dienste blijven staan van de samenleving en bijdragen aan de rechtspraak als derde staatsmacht. Samen sneller voor burgers en bestuursorganen!

    Namens het bestuur,
    Takvor Avedissian
    President

  • Het streven naar inhoudelijke kwaliteit is sterk verankerd in de cultuur van de Centrale Raad van Beroep. Er wordt veel tijd en energie gestoken in de continue ontwikkeling van vakkennis en het delen van kennis. Twee mijlpalen uit 2018 zijn in het bijzonder het vermelden waard: het Opleidingshuis en de Professionele Standaarden.

    Opleidingshuis

    De afgelopen twee jaren is veel geïnvesteerd in het borgen en uitbouwen van een hoogwaardige juridische ondersteuning. Na een zorgvuldige voorbereiding is in mei 2018 het zogenoemde Opleidingshuis van start gegaan. Dit is een zes jaar durend opleidingstraject voor getalenteerde, pas afgestudeerde juristen met enige bestuursrechtelijke ervaring. Ook is toen een meer gestructureerde begeleiding van zittende juridisch medewerkers gestart.

    Een hoogwaardige juridische ondersteuning maakt het mogelijk dat rechters hun tijd en aandacht kunnen besteden aan hun kerntaak. De gedachte erachter is dat door het vergroten van de rol en de verantwoordelijkheid van de juridische ondersteuning de werkdruk van zowel de rechters als de medewerkers in de juridische ondersteuning naar een aanvaardbaar niveau kan worden verlaagd.


    Professionele standaarden

    Vermindering van werkdruk, meer professionele ruimte en dus meer ruimte voor kwaliteit zijn cruciaal. Met het oog op de borging van die kwaliteit heeft de Centrale Raad van Beroep in 2018 daarom, samen met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College van Beroep voor het bedrijfsleven intensief gewerkt aan de totstandkoming van de professionele standaarden voor de hoogste bestuursrechters die aan het eind van 2018 zijn vastgesteld.

    De professionele standaarden zijn kwaliteitsnormen, opgesteld door rechters voor rechters. De professionele standaarden bevatten (gedrags)normen en werkafspraken. Deze stemmen in grote lijnen overeen met de huidige werkwijze. Daarnaast vullen de professionele standaarden kwaliteitsnormen aan die in wetten, regelingen en codes staan, bijvoorbeeld de rechterscode Nederlandse Vereniging van Rechtspraak (NVvR) en de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges.

    De professionele standaarden bevorderen ook het onderlinge gesprek over het borgen en bevorderen van kwaliteit binnen én tussen de drie bestuursrechterlijke colleges. De rechters van deze colleges oordelen zowel in hoger beroep als in eerste en enige aanleg. Zij zijn in vrijwel alle zaken eindrechter; met de uitspraak is de zaak definitief beslecht. Dit brengt een bijzondere verantwoordelijkheid mee voor de bevordering van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Daarover gaat een deel van de professionele standaarden.

    Op 1 april 2019 zijn de professionele standaarden voor de hoogste bestuursrechters (pdf, 271,3 KB) in werking getreden.

  • Het wegwerken van (oudere) werkvoorraden vormt een belangrijke doelstelling voor de Centrale Raad van Beroep. Het is de meeste teams gelukt om vrijwel alle zaken ingekomen vóór 2017 af te doen. We hebben nog wel te maken met een grote werkvoorraad arbeidsongeschiktheidszaken uit 2016.

    Het streven om het aantal oudere zaken te verkleinen, wordt de komende jaren onverminderd voortgezet. Veel zal afhangen van het tijdig beschikbaar komen van voldoende personeel. De werving van ten minste vier extra raadsheren en ten minste zes à zeven extra juridisch medewerkers is in volle gang.

    Met het wegwerken van achterstanden zal de gemiddelde doorlooptijd van uitgestroomde zaken in eerste instantie stijgen. Dat laat 2018 ook zien (van gemiddeld 445 dagen in 2017 naar gemiddeld 514 dagen in 2018). Uiteindelijk is het de bedoeling de doorlooptijden - gefaseerd - te verkorten tot gemiddeld 39-52 weken rond 2022.

    Eind 2018 was de gemiddelde doorlooptijd ruim 73 weken.

  • Kerntaken van de Centrale Raad van Beroep zijn: vormgeven aan (individuele) rechtsbescherming en finale geschilbeslechting en daarnaast het betrachten van rechtsvorming, rechtsontwikkeling, rechtseenheid en rechtszekerheid.

    Commissie rechtseenheid bestuursrecht

    De vier hoogste bestuursrechters (belastingkamer Hoge Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep) werken inmiddels ruim tien jaar samen in de commissie rechtseenheid bestuursrecht. In de commissie zitten rechters en juridisch medewerkers van alle vier de rechtscolleges. Zij overleggen om de rechtseenheid in het bestuursrecht te bewaken en te bevorderen. Dat betekent dat zij rechtsregels die alle hoogste bestuursrechters toepassen, zoveel mogelijk hetzelfde willen uitleggen. De commissie komt ongeveer tien keer per jaar bijeen. De commissie heeft op 18 februari 2019 voor het eerst een jaarverslag (pdf, 224,3 KB) gepubliceerd.

    Conclusie raadsheer advocaat-generaal

    De president van de Centrale Raad van Beroep heeft in 2018 voor het eerst een conclusie aan een raadsheer advocaat-generaal gevraagd in twee bij de Centrale Raad van Beroep aanhangige zaken. Het verzoek is gedaan aan de raadsheer advocaat generaal Widdershoven. In deze zaken hebben derden beroep ingesteld tegen besluiten die niet aan hen geadresseerd zijn, maar die hen wel financieel raken. De conclusie werd uitgebracht in november 2018 (zie ook het nieuwsbericht 'Conclusie raadsheer advocaat-generaal over afgeleid belang in het sociaal domein').

    In maart 2019 heeft de Grote Kamer van de Centrale Raad van Beroep, in overeenstemming met deze conclusie, geoordeeld dat de betrokken derde in deze zaken moet worden beschouwd als belanghebbende en dat zij het besluit in haar zaak bij de bestuursrechter kan aanvechten. (Lees hier het nieuwsbericht 'Ook derden met afgeleid belang kunnen belanghebbenden zijn in bestuursrechtelijke procedure')

    Amicus Curiae

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ervaring opgedaan met het inzetten van de zogenoemde Amicus Curiae. Hierbij wordt aan derden om een zienswijze gevraagd over een door de rechter te beslissen rechtsvraag. De Centrale Raad van Beroep was bij de evaluatie van dit instrument betrokken. In het kader van deze evaluatie is geconcludeerd dat een specifieke wettelijke basis voor dit instrument wenselijk is. De Minister van Rechtsbescherming heeft tijdens het congres ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Algemene wet bestuursrecht (rijksoverheid.nl) laten weten dit te onderschrijven.

  • Klankbordgroep

    Begin 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep het initiatief genomen om te komen tot een klankbordgroep. De klankbordgroep bestaat uit diverse deskundigen uit de samenleving die het bestuur van de Centrale Raad van Beroep een spiegel kunnen voorhouden. De klankbordgroep kan het bestuur gevraagd en ongevraagd adviseren over thema’s zoals innovatie en technologie, social media, verandermanagement etc. Een klankbordgroep past bij de doelstelling dat de Rechtspraak in het algemeen en de Centrale Raad van Beroep in het bijzonder in verbinding staat met de samenleving en extern georiënteerd is. Prof. mr. Ton Hol, decaan van de faculteit Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Utrecht en tevens voorzitter van het landelijk overleg juridische faculteiten, is bereid gevonden als voorzitter te fungeren. De andere leden zijn: Paul Schnabel, Stoffel Heijsman, Hilke Grootelaar en Nick Kiran. Zij zijn, net als de voorzitter, per januari 2019 benoemd voor een periode van vier jaar met een herbenoemingsmogelijkheid. Een zesde kandidaat wordt benoemd per 1 juli 2019.

    Nieuwsbericht

    Inrichting klankbordgroep


    Contacten met ketenpartners en professionele relaties

    De Centrale Raad van Beroep heeft in 2018 de contacten met de belangrijkste ketenpartners en professionele relaties aangehaald. De president heeft veelal in gezelschap van het management gesproken met de hoogste bestuurders van bijvoorbeeld OCW/DUO, het UWV, Svb en Zilveren Kruis Zorgkantoor. Ook vonden kennismakingsgesprekken plaats met de Commissaris van de Koning van Utrecht, de Utrechtse deken, de burgemeester van Utrecht (tevens voorzitter van de VNG) en de Hoofdofficier van Justitie Midden-Nederland.

    In april 2018 vond een ketenpartneroverleg plaats van de werkstroom sociale verzekeringen (inclusief volksverzekeringen) met vertegenwoordigers van het UWV, de Svb en de (advocaten) Specialisatievereniging Sociaal Zekerheidsrecht (SSZ). Een vervolgbijeenkomst vond in maart 2019 plaats.

    Kroeglezing

    In het kader van de Week van de Rechtspraak van 24 tot en met 28 september 2018 was de Centrale Raad van Beroep te gast bij de eerste ‘kroeglezing’ van het nieuwe studiejaar van Politeia, de Utrechtse studievereniging voor staats- en bestuursrecht en rechtstheorie. De president, een senior raadsheer en een senior gerechtsauditeur hebben onder meer gesproken over de positie van de Centrale Raad van Beroep binnen de Rechtspraak, de inhoud van het werk en baanmogelijkheden (de functie van zittingsgriffier maar ook het Opleidingshuis). Ook het thema uitkeringsfraude is belicht.

2. Belangwekkende uitspraken

De Centrale Raad van Beroep is de hoogste bestuursrechter voor sociaal zekerheidsrecht en ambtenarenrecht. Het gaat in veel gevallen om beslissingen over uitkeringen, zoals bijstand, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en maatschappelijke ondersteuning. Beslissingen die ingrijpend kunnen zijn in het leven van mensen. Bovendien is de Centrale Raad van Beroep in vrijwel alle zaken eindrechter: met de uitspraak komt de zaak definitief ten einde. In dit hoofdstuk is een selectie opgenomen van belangwekkende uitspraken. In hoofdstuk 3 is voor geïnteresseerden een link opgenomen naar een uitgebreid overzicht van de ontwikkelingen in de jurisprudentie in 2018.

>Alles uitklappen
  • De Centrale Raad van Beroep oordeelt deels in hoger beroep en deels als eerste rechter over geschillen over onder andere de (Militaire) Ambtenarenwet en wetten met betrekking tot oorlogs- en vervolgingsslachtoffers. De uitspraken van begin januari 2018 over de Uitkeringsregeling Backpay zijn daar een voorbeeld van.

    Het gaat in deze zaken om erfgenamen van voormalige ambtenaren of militairen die werkzaam waren in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting. Zij hadden een eenmalige uitkering op grond van de Uitkeringsregeling Backpay aangevraagd. Deze eenmalige uitkering is bedoeld als tegemoetkoming voor niet uitbetaalde salarissen. Eén van de voorwaarden is dat de voormalige ambtenaar of militair op 15 augustus 2015 nog in leven was. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft de aanvragen afgewezen, omdat de voormalige ambtenaren of militairen vóór die datum waren overleden. De erfgenamen hebben aangevoerd dat op de Nederlandse staat de verplichting rust om de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen alsnog te betalen. De gekozen peildatum is volgens hen onredelijk en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

    De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de Nederlandse staat juridisch niet verplicht is de achterstallige salarissen uit te keren. De Hoge Raad heeft hierover in de jaren ‘50 van de vorige eeuw al uitspraken gedaan. De Uitkeringsregeling Backpay is niet gebaseerd op een wettelijk voorschrift en heeft het karakter van “buitenwettelijk begunstigend beleid”. De bestuursrechter mag niet beoordelen of dit beleid, waaronder de peildatum van 15 augustus 2015, redelijk is. De bestuursrechter mag alleen beoordelen of de minister de regeling consequent heeft toegepast. Dat is het geval. Omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de voormalige ambtenaren of militairen op 15 augustus 2015 in leven waren, houden de afwijzingen stand.

    Persbericht

    Hantering peildatum bij Uitkeringsregeling Backpay is toegestaan

  • Sociale verzekeringen voor werknemers vormen een belangrijk onderdeel van de sociale zekerheid in Nederland. Zo zijn werknemers bij ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid verzekerd van een uitkering ter vervanging van hun loon via de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

    Binnen de Centrale Raad van Beroep behandelt de werkstroom sociale verzekeringen zaken over deze uitkeringen. In 2018 deed de Centrale Raad van Beroep een belangrijke uitspraak in een WW-zaak met daarin een nieuw toetsingskader voor het beoordelen van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid. De nieuwe benadering sluit aan op rechtspraak van de Hoge Raad en is in overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever dat niet de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen, maar de reden voor de werkloosheid bepalend is.

    Nieuwsbericht

    Nieuw toetsingskader voor verwijtbare werkloosheid

  • Mensen van 18 jaar of ouder die rechtmatig in Nederland wonen, hebben recht op bijstand als ze niet genoeg inkomen of eigen vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien en geen beroep kunnen doen op een andere voorziening of uitkering. Dat is geregeld in de Participatiewet (PW). Om te bepalen of iemand recht heeft op bijstand bekijkt de gemeente of – in sommige gevallen – de Sociale verzekeringsbank (Svb) ook of iemand niet te veel vermogen bezit. Het gaat dan bijvoorbeeld om spaargeld, een erfenis of een huis in het buitenland.

    Binnen de Centrale Raad van Beroep behandelt de werkstroom bijstand zaken over deze uitkeringen. Sinds 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep tientallen uitspraken gedaan over de onderzoeksmethoden die gemeenten hanteren bij het opsporen van bijstandsfraude in verband met vermogen in het buitenland. Omdat uit publicaties in de media bleek dat er onduidelijkheid was over wat er nu wel en niet is toegestaan, heeft de Centrale Raad van Beroep begin 2018 in een nieuwsbericht de lijn toegelicht:

    Nieuwsbericht

    Wat is toegestaan bij onderzoek naar bijstandsfraude in het buitenland?

    In de loop van 2018 deed de Centrale Raad van Beroep nieuwe uitspraken over onderzoek naar vermogen in het buitenland. Zo bepaalde de Centrale Raad van Beroep dat de Svb aanvullende bijstand mocht intrekken omdat betrokkenen weigerden hun buitenlandse identificatienummer af te geven. Een bijstandsgerechtigde moet meewerken aan onderzoek naar zijn inkomen en vermogen. Bijstandsgerechtigden die het nummer niet geven aan de Svb schenden volgens de Centrale Raad van Beroep deze medewerkingsverplichting.

    Persbericht

    Bijstandsgerechtigden zijn verplicht buitenlands identificatienummer bekend te maken

    In juni 2018 volgden vijf uitspraken waarin de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het vermogensonderzoek dat de gemeente Utrecht in Turkije heeft laten uitvoeren om bijstandsfraude op te sporen, niet in strijd is met het discriminatieverbod.

    Persbericht

    Vermogensonderzoek gemeente Utrecht niet in strijd met discriminatieverbod

    In het najaar van 2018 oordeelde de Centrale Raad van Beroep in vier uitspraken dat de gemeenten en de Svb in Turkije verkregen bewijs van verzwegen onroerende zaken in Turkije mochten gebruiken om bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat Nederlands recht, waaronder verdragenrecht, beslissend is voor de vraag of door Nederlandse gemeenten en de Svb in het buitenland verkregen bewijs mag worden gebruikt in een bestuursrechtelijke procedure over bijstand. Volgens de Nederlandse regels doet niet ter zake of de Turkse regels correct zijn toegepast bij het onderzoek naar verzwegen onroerende zaken. Gemeten naar de Nederlandse regels is in deze zaken het bewijs rechtmatig verkregen. Het privéleven van betrokkenen was niet geschonden, zij konden dat bewijs aanvechten en het is niet op onbehoorlijke wijze verkregen. De gemeenten en de Svb mochten het bewijs daarom gebruiken.

    Persbericht

    In buitenland verkregen bewijs toegestaan in bestuursrechtelijke procedure

  • De sociale zekerheid in Nederland bestaat naast bijstand en uitkeringen op grond van sociale verzekeringswetten ook uit sociale voorzieningen. Deze sociale voorzieningen worden geregeld vanuit verschillende wetten. Een bekend voorbeeld daarvan is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De Wmo 2015 is bedoeld voor iedereen die thuis ondersteuning nodig heeft om zelfredzaam te blijven. De Wmo 2015 is er ook voor mensen die hulp nodig hebben om te kunnen meedoen (participeren) in de samenleving.

    Huishoudelijke hulp is zo’n vorm van ondersteuning. Maar over de hoeveelheid hulp die een gemeente toekent, ontstaan wel eens geschillen. Het gaat vaak om inwoners die onder de oude Wmo meer uren huishoudelijke hulp kregen dan onder de Wmo 2015 en het daar niet mee eens zijn. Zij vinden dan bijvoorbeeld dat de gemeente geen goede normen heeft om vast te stellen hoeveel huishoudelijke hulp zij nodig hebben. 

    In mei 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep drie richtinggevende uitspraken gedaan over huishoudelijke hulp onder de nieuwe Wmo 2015. Eind 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep opnieuw uitspraken gedaan over dit onderwerp. Dit keer ging het om de nieuwe normtijden voor huishoudelijke hulp van de gemeenten Nijkerk en Bodegraven-Reeuwijk. Aan deze nieuwe normtijden hadden de gemeenten Nijkerk en Bodegraven Reeuwijk een KPMG-onderzoek ten grondslag gelegd. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat dit een onafhankelijk en deugdelijk onderzoek is. Deze gemeenten hadden echter andere beleidskeuzes gemaakt dan waarop het KPMG-onderzoek is gebaseerd. De normtijden van deze gemeenten konden daarom niet worden onderbouwd met het KPMG-onderzoek. De gemeenten mochten die normtijden dan ook niet gebruiken om het aantal uren huishoudelijke hulp vast te stellen. De betrokken inwoners in deze zaken hielden daarom recht op het hogere aantal uren huishoudelijke hulp, dat zij ontvingen voor de aanpassing van het gemeentelijk beleid.

    Persbericht

    Gemeenten mochten Wmo-huishoudhulp niet baseren op nieuwe normtijden

  • Een andere in het oog springende uitspraak uit 2018 over sociale voorzieningen ging over de eigen verantwoordelijkheid en de eigen kracht van de burger. In deze zaak had een inwoner bij de gemeente op grond van de Wmo 2015 een traplift (maatwerkvoorziening) aangevraagd. De gemeente had die traplift geweigerd. Volgens de gemeente had deze burger kunnen voorzien dat zij problemen zou krijgen bij het gebruik van haar woning en had zij zelf maatregelen moeten nemen om het vragen van hulp aan de gemeente te voorkomen. Volgens de Centrale Raad van Beroep komt de reden van de gemeente om de traplift niet te verstrekken erop neer dat ouderen, die met het ouder worden samenhangende gebreken krijgen, vrijwel nooit aanspraak zullen kunnen maken op een maatwerkvoorziening. Deze gebreken zijn immers in de visie van de gemeente voorzienbaar en op deze gebreken had kunnen en moeten worden geanticipeerd. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat deze uitleg niet klopt met de onder de oude Wmo tot stand gekomen rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Hierin is geoordeeld dat de wetgever generieke uitsluiting van personen niet heeft beoogd. De tekst en de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 wijzen er niet op dat de wetgever hiermee onder de Wmo 2015 heeft willen breken. Deze wijzen er evenmin op dat is beoogd dat de in de Wmo 2015 genoemde eigen kracht van de burger zover gaat dat de burger dient te anticiperen op alle mogelijke gebreken die met het ouder worden samen kunnen hangen. Een dergelijke vergaande verplichting zou expliciet op de wet gebaseerd moeten zijn. De Centrale Raad van Beroep heeft de inwoner daarom in het gelijk gesteld en de gemeente opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.

    Nieuwsbericht

    Gemeente heeft traplift op onjuiste gronden afgewezen

  • Werkterrein internationale kamer

    In de Nederlandse rechtsorde is de Centrale Raad van Beroep de hoogste feitenrechter op het gebied van het socialezekerheids- en ambtenarenrecht. De Nederlandse rechtsorde maakt deel uit van de internationale rechtsorde. Ingevolge de Grondwet is de Nederlandse rechter bevoegd om te toetsen aan internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft verbonden, voor zover die verdragen bepalingen bevatten die ‘eenieder verbindend’ zijn. Als een procespartij een beroep doet op een eenieder verbindende verdragsbepaling waarmee de toepassing van een Nederlandse regel in de voorgelegde situatie niet verenigbaar is, moet de rechter voorrang verlenen aan verdragsrecht. Bijzonder aan de Nederlandse rechtsorde is dat de toepassing van veel nationale wetgeving door de rechter niet mag worden getoetst aan de Grondwet, maar wel aan verdragsrecht.

    Nederland is gebonden aan veel verdragen. Van bijzonder belang is het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Protocollen daarbij. Verder wordt in socialezekerheids- en ambtenarenzaken met enige regelmaat een beroep gedaan op een aantal bilaterale verdragen over sociale zekerheid, op het Europees Sociaal Handvest (ESH) en op verdragen die tot stand zijn gekomen onder auspiciën van de Verenigde Naties.

    Binnen zijn werkingssfeer werkt ook het recht van de Europese Unie (EU) diep door in het Nederlandse socialezekerheids- en ambtenarenrecht. Voor de doorwerking van het EU-recht zijn de doorwerkings- en voorrangsregels bepalend die volgen uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJEU). Als de Centrale Raad van Beroep in een zaak als eindrechter het Unierecht moet toepassen terwijl nog niet helder is wat de juiste uitleg is, is hij verplicht om, alvorens zelf einduitspraak te doen, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Door het stellen van prejudiciële vragen draagt de Centrale Raad van Beroep bij aan een uniforme rechtsontwikkeling op Europees niveau.

    Aan toetsing aan verdragsrecht zitten veel haken en ogen. De internationale kamer (IK) is het team van de Centrale Raad van Beroep dat zich heeft gespecialiseerd in de beantwoording van vragen op dit terrein. 

    Uitspraken over toepassing van het woonlandbeginsel

    De IK heeft op 5 april 2018 een aantal uitspraken gedaan over korting op Nederlandse uitkeringen wegens wonen in het buitenland op grond van de Wet woonlandbeginsel (zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2018:1020 en ECLI:NL:CRVB:2018:1053). Het ging om de toepassing van het woonlandbeginsel op de WGA-uitkering van een inwoner van Thailand, op de kinderbijslag voor een kind in Indonesië, op de nabestaandenuitkering van een inwoner van Indonesië, en op de nabestaandenuitkering van een inwoner van Zuid-Afrika.

    De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de bilaterale socialezekerheidsverdragen met Thailand en Indonesië en het bilaterale socialezekerheidsverdrag met Zuid-Afrika zich ertegen verzetten dat de uitkering wordt verlaagd alleen omdat de gerechtigde of het kind zich in die landen heeft gevestigd.

    Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bekendgemaakt dat de bij de Wet woonlandbeginsel voorgeschreven korting vanaf 1 april 2018 niet meer wordt toegepast wegens wonen in Indonesië, Thailand, Zuid-Afrika, Argentinië, Belize, Ecuador, Egypte, Filipijnen, Hong Kong, Jordanië, Monaco, Panama en Paraguay (Kamerstukken II, 32878, nr. 19 (officielebekendmakingen.nl)).


3. Ontwikkelingen in de jurisprudentie

Het streven naar inhoudelijke kwaliteit is sterk verankerd in de cultuur van de Centrale Raad van Beroep. Er wordt veel tijd en energie gestoken in de continue ontwikkeling van vakkennis en het delen van kennis, zowel binnen de Centrale Raad van Beroep als daarbuiten.

>Alles uitklappen

6.739 ingekomen zaken

7.822 afgehandelde zaken

10.095 werkvoorraad

4. 2018 in cijfers

Dit hoofdstuk geeft een cijfermatig overzicht van 2018. De cijfers hebben betrekking op het primair proces zoals doorlooptijden, instroom, uitstroom en werkvoorraad. Ook brengen we het personeel van de Centrale Raad van Beroep cijfermatig in beeld: aantal medewerkers, leeftijdsopbouw en verhouding man – vrouw.

>Alles uitklappen
  • Het wegwerken van (oudere) werkvoorraden vormt een belangrijke doelstelling voor de Centrale Raad van Beroep. Het streven om het aantal oudere zaken te verminderen, wordt de komende jaren onverminderd voortgezet.

    Met het wegwerken van achterstanden zal de gemiddelde doorlooptijd van uitgestroomde zaken in eerste instantie stijgen. Dat laat 2018 ook zien (van gemiddeld 445 dagen in 2017 naar gemiddeld 514 dagen in 2018). Uiteindelijk is het de bedoeling de doorlooptijden - gefaseerd - te verkorten tot gemiddeld  39-52 weken rond 2022.

    Eind 2018 was de gemiddelde doorlooptijd ruim 73 weken:

  • De instroom van zaken nam in 2018 ten opzichte van 2017 af met 18,3%. In 2018 zijn in totaal 6.739 nieuwe zaken binnen gekomen. De verdeling naar regelgeving ziet er als volgt uit:

    RegelgevingInstroom
    Ambtenarenrecht613
    Arbeidsongeschiktheidswetten 1.644
    Bijstandswetgeving2.260
    Jeugdwet36
    Pensioenrecht92
    Studiefinanciering140
    Toeslagenwet15
    Volksverzekeringen552
    Voorzieningen547
    Werkloosheidswet210
    Ziektewet579
    Overig51
    Eindtotaal 6.739
  • In 2018 zijn 7.822 zaken afgehandeld. De verdeling naar rechtsgebied ziet er als volgt uit:

    RegelgevingUitstroom
    Ambtenarenrecht910
    Arbeidsongeschiktheidswetten1.523
    Bijstandswetgeving2.211
    Jeugdwet23
    Pensioenrecht949
    Studiefinanciering92
    Toeslagenwet13
    Volksverzekeringen588
    Voorzieningen616
    Werkloosheidswet279
    Ziektewet575
    Overig43
    Eindtotaal 7.822

     

  • Alle gerechten hebben een zogenoemde 'werkvoorraad'. Dit zijn zaken die 'op de plank' liggen en wachten op behandeling en zaken die in behandeling zijn maar nog niet zijn afgedaan. 

    Onderstaande tabel toont de werkvoorraad per 1 januari 2019 

    Regelgeving1 januari 2019
    Ambtenarenrecht479
    Arbeidsongeschiktheidswetten3.101
    Bijstandswetgeving3.236
    Jeugdwet34
    Pensioenrecht76
    Premie/dagloon2
    Studiefinanciering169
    Toeslagenwet33
    Volksverzekeringen807
    Voorzieningen676
    Werkloosheidswet302
    Ziektewet1.170
    Overig10
    Eindtotaal 10.095
  • Bij de CRvB werken 262 mensen  (peilmaand 12-2018). Onderverdeeld naar functie ziet het er als volgt uit:

    • rechterlijke ambtenaren: 112 mensen, waarvan
        • raadsheren: 56 mensen
        • gerechtsauditeur: 56 mensen
    • gerechtsambtenaren: 150 mensen
    Org.GARA (totaal)RhGer.aud
    CRvB1501125656

     

    Toelichting:

    • Kolom GA zijn alle gerechtsambtenaren
    • Kolom RA totaal zijn alle rechterlijke ambtenaren
    • Kolommen Rh (Raadsheren) en Ger.aud (gerechtsauditeurs) zijn een uitsplitsing van kolom RA

    Onderverdeling man/vrouw

    GeslachtGARA (totaal)RhGer.audTotaal
    Vrouwen101682939169
    Mannen4944271793
    Totaal 150 112 56 56 262

     
    Toelichting:

    • Kolom GA zijn alle gerechtsambtenaren
    • Kolom RA zijn alle rechterlijke ambtenaren
    • Kolommen Rh (Raadsheren) en Ger.aud (gerechtsauditeurs) zijn een uitsplitsing van kolom RA

    Onderverdeling man/vrouw/leeftijdsopbouw (van totale bestand)

    Leeftijd onderverdeeld in 2 categorieën:

    • Jonger dan 55 (55-)
    • 55 jaar en ouder (55+) 
    LeeftijdGeslachtGARARhGer.aud
    55- 107501336
    55+ 43624319
    55-     
     Man2814310
     Vrouw79361026
    55+     
     Man2130246
     Vrouw22321913

     
    Toelichting:

    • Kolom GA zijn alle gerechtsambtenaren
    • Kolom RA zijn alle rechterlijke ambtenaren
    • Kolommen Rh (Raadsheren) en Ger.aud (gerechtsauditeurs) zijn een uitsplitsing van kolom RA

    Inzet Raadsheer-plaatsvervangers en buitengriffiers in 2018

    Rh-plv2018
    Raadsheer-plv24
    buitengriffiers4