Wetgevingsadviezen
2026/08 Advies Verzamelbesluit Digitale Overheid (17 februari 2026)
Deze algemene maatregelEen maatregel kan worden opgelegd na het begaan van een strafbaar feit. Er kunnen maatregelen worden opgelegd in plaats van een straf of naast een straf. Voorbeelden zijn: terbeschikkingstelling (tbs), plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, onttrekking van voorwerpen aan het verkeer. van bestuur (hierna: AMvB) wijzigt een tweetal AMvB’s onder de Wet digitale overheid (hierna: Wdo): het Besluit digitale overheid (hierna: Bdo) onder de artikelen 5, vijfde lid en 16, vierde lid Wdo en het Besluit beveiligde verbinding met overheidswebsites en webapplicaties onder artikel 3, derde lid Wdo.
In het Bdo wordt nader bepaald welke persoonsgegevens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwerkt in het kader van de inrichting, beschikbaarstelling, instandhouding, werking en beveiliging van de generieke digitale infrastructuur.
Deze AMvB wijzigt de artikelen van het Bdo over de publieke routeringsvoorziening en de bevoegdheidsverklaringsdienst. Ook wijzigt deze AMvB een bewaartermijn van MijnOverheid, om deze in lijn te brengen met de fiscale bewaartermijn.
Ook wordt met deze AMvB het Besluit beveiligde verbinding met overheidswebsites en webapplicaties gewijzigd. Het Besluit beveiligde verbinding met overheidswebsites en webapplicaties stelt regels over het toepassingsbereik van een aangewezen standaard. De wijziging betreft een doorverwijzing naar nieuwe versies van de configuratie van het Transport Layer Security-protocol en de ICT-beveiligingsrichtlijnen voor Webapplicaties.
Het gaat hier om een ongevraagd advies. De reden om toch advies te willen geven is dat een zinssnede in de Nota van Toelichting op twee manieren te lezen is en één van die manieren technisch niet mogelijk is. Daarom is ervoor gekozen om toch te adviseren. Tevens is er gevraagd een paar punten te verduidelijken en/ of aan te passen.
2026/07 Advies Besluit Innovatie nieuw Wetboek van Strafvordering (12 februari 2026)
2026/06 Advies eerste tranche AMvBs nieuw Wetboek van Strafvordering (28 januari 2026)
Samenvatting volgt nog.
2026/05 Advies m.b.t. het voorontwerp Wet modernisering pandrecht en cessie
Met dit Wetsvoorstel worden wijzigingen doorgevoerd in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om te zorgen voor een moderne invulling van het registratievereiste van onderhandse akten en een verruiming van de mogelijkheid om vorderingen te verpanden en over te dragen.
De voorgestelde wijzigingen betreffen een nieuw artikel 3:15b BW, waarin een vaste dagtekening wordt geïntroduceerd: het vermelden van de datum en het tijdstip waarop de onderhandse akteOndertekend geschrift dat als bewijs kan dienen. is tot stand gekomen, waarbij vervolgens noodzakelijk is dat bij een toekomstig raadplegen vastgesteld kan worden dat de datum en het tijdstip niet zijn gewijzigd. Door deze wijziging wordt ruimte gelaten voor modernere en duurzamere wijzen om de datum en het tijdstip van vestiging van het pandrecht en van de overdracht van een vordering vast te stellen. Daarmee samenhangend wordt het vereiste van een grondslag in een reeds bestaande rechtsverhouding voor het verpanden en overdragen van vorderingen in de artikelen 3:94, derde lid, en 3:239 eerste lid, BW geschrapt. Deze wijzigingen zorgen er voor dat administratieve lasten voor ondernemers verminderen en kunnen bijdragen aan de beschikbaarheid van onderpand en een gelijk(er) speelveld tussen de bancaire en non-bancaire sector. Deze factoren – vermindering van lasten, ruimere beschikbaarheid van onderpand en een gelijker speelveld – dragen bij aan een aantrekkelijker zekerhedenrecht. Een sterk zekerhedenrecht draagt op haar beurt bij aan de vraag hoe aantrekkelijk het is om te investeren in een onderneming – de spiegelbeeldige vraag van de vraag hoe toegankelijk krediet is. Daarmee beoogt het Wetsvoorstel uiteindelijk bij te dragen aan de toegang tot krediet, met name stimulering van financiering aan het midden en kleinbedrijf (MKB).
Het Wetsvoorstel geeft de Raad voor de rechtspraakDe Raad voor de rechtspraak bestaat sinds 1 januari 2002 en vormt de schakel tussen de minister van Justitie en de gerechten. De Raad heeft als opdracht te bevorderen dat de gerechten hun rechtsprekende taak goed kunnen vervullen. geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
2026/04 Advies m.b.t. het Ontwerpbesluit uitzonderingen verplichte acceptatie contant geld (21 januari 2026)
Met het Amendement Dijk/Flach (hierna: het Amendement) bij het Wetsvoorstel “plan van aanpakwitwassen” is een acceptatieplicht voor contant geld in artikel 6:113 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) opgenomen. De indieners waren bezorgd over de dalende acceptatiegraad van contant geld in de samenleving en stelden daarom een acceptatieplicht voor, die moet gelden voor elke publiek toegankelijke locatie of organisatie die producten of diensten aanbiedt aan particulieren. Het Amendement geeft de mogelijkheid om uitzonderingen op deze acceptatieplicht in te stellen die noodzakelijk zijn vanwege de uitvoerbaarheid of veiligheid.
Contant geld dient belangrijke maatschappelijke belangen. Veel mensen zijn afhankelijk van het gebruik van contant geld, omdat zij moeite hebben met elektronische vormen van betalen. Daarnaast is er een groep mensen die liever contant betaalt of de mogelijkheid wil hebben om dat te doen. Betalen met contant geld draagt daarmee bij aan de inclusiviteit van het betalingsverkeer. Verder is contant geld de belangrijkste terugvaloptie bij verstoringen in het elektronische toonbankbetalingsverkeer, en zorgt daardoor voor een weerbaar en storingsbestendig betalingsverkeer. Het is daarom van groot belang dat contante betalingen breed geaccepteerd worden.
Tegelijkertijd wordt erkend dat het accepteren van contant geld ook nadelen heeft. Het kan ondernemers tijd en geld kosten om te zorgen voor voldoende wisselgeld en om
contante ontvangsten te tellen en te storten. Grote hoeveelheden contant geld zorgen, zeker zonder adequate beveiliging, voor een verhoogd risico op overvallen.
In dit Besluit zijn daarom enkele uitzonderingen gesteld aan het beginsel van verplichte acceptatie van contant geld. Uitgangspunt is daarbij geweest om een goede balans te
vinden tussen het belang van een Inclusief en storingsbestendig betalingsverkeer en het belang van een efficiënt en veilig betalingsverkeer.
De uitzonderingen op de acceptatieplicht worden onderverdeeld in twee categorieën. Artikel 2 van het Besluit geeft uitzonderingen voor bepaalde categorieën van werkzaamheden, waarbij deze uitzondering noodzakelijk is om uitvoeringsredenen. Artikel 3 van het Besluit geeft uitzonderingen voor veiligheidsredenen, die in een concreet geval moeten worden afgewogen tegen de belangen van de schuldenaar.
De Raad voor de rechtspraak heeft geen zwaarwegende bezwaren tegen het Wetsvoorstel in de huidige vorm, maar geeft in overweging om het Wetsvoorstel op de in dit advies genoemde onderdeel aan te passen.
2026/03 Advies wetsvoorstel toepassing tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen (15 januari 2026
Het wetsvoorstel introduceert, in het kader van de implementatie van EU-regelgeving, ‘tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen’ (hierna ook: tweerichtingscontracten) als een nieuw instrument ter ondersteuning van projecten voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, elektriciteit uit kernenergie en andere projecten die bijdragen aan de vermindering van broeikasgassen. Tweerichtingscontracten zijn ingevolge de Elektriciteitsverordening overeenkomsten tussen de overheid en een exploitant van een elektriciteitsproductie-installatie waarbij betalingen in twee richtingen plaats kunnen vinden. Op grond van een dergelijke overeenkomst betaalt een exploitant van een elektriciteitsproductie installatie aan de overheid als de marktprijs boven een vooraf afgesproken prijs uitkomt, en ontvangt een exploitant compensatie van de overheid als de marktprijs onder een vooraf afgesproken prijs ligt.
Het wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
2026/02 Advies Besluit uitvoeringswet Asiel- en Migratiepact (14 januari 2026)
Het besluit strekt tezamen met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 tot implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn en het treffen van uitvoeringsregels die noodzakelijk zijn voor een goede werking van de verordeningen die deel uitmaken van het Asiel- en migratiepact 2026 in de Nederlandse rechtsorde.
De Raad verwijst naar hetgeen zij eerder heeft opgemerkt over het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in zijn advies van 19 februari 2025. Dit advies wordt voor zover relevant als hier herhaald beschouwd. Verder wijst de Raad er nogmaals op dat hij er bijzonder sterk aan hecht dat het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet en het wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel - indien deze wetten worden aanvaard door de Eerste KamerOnderdeel van een rechterlijk college, zoals een strafkamer, belastingkamer, vreemdelingenkamer of militaire kamer. Zie ook: Enkelvoudige kamer en Meervoudige kamer. - niet voor 12 juni 2026, het moment dat het Asiel- en migratiepact van toepassing wordt, in werking treden. Zeker nu de mogelijke tijdspanne tussen het moment waarop het Asiel- en migratiepact van toepassing wordt en het vroegst mogelijke moment van inwerkingtreding van de wetsvoorstellen Asielnoodmaatregelenwet en invoering tweestatusstelsel inmiddels in het meest gunstigste geval nog maar enkele maanden kan betreffen. Daarnaast wijst de Raad op enkele onduidelijkheden in het besluit en het ontbreken van motiveringen bij het invoeren van bepaalde regels.
2026/01 Advies wetsvoorstel weerbaarheid defensie en veiligheid gerelateerde industrie (8 januari 2026)
- 2026/01 Advies wetsvoorstel weerbaarheid defensie en veiligheid gerelateerde industrie (pdf, 195 KB)
De strekking van het Wetsvoorstel is de weerbaarheid, de continuïteit en capaciteiten van hoofdzakelijk ondernemingen uit Nederlandse Defensie Technologische en veiligheid gerelateerde Industriële Basis (NLDTIB) te ondersteunen en te versterken. Het Wetsvoorstel is opgebouwd uit drie onderdelen:
- marktregulering;
- een dienst van algemeen economisch belang (hierna: daeb), en/of
- een aanwijzing1. Voorschrift hoe het Openbaar Ministerie zijn taak moet vervullen. Er is bijvoorbeeld een aanwijzing over de rol van een officier van justitie bij risicowedstrijden in het betaald voetbal. 2. Officieel bevel van de minister van Justitie aan het Openbaar Ministerie om een zaak op een bepaalde manier af te handelen. tot voorraadvorming voor bepaalde goederen of producten.
In artikel 4.1 van het Wetsvoorstel is bepaald dat beroepen in eerste aanleg tegen besluiten die zijn genomen op grond van dit Wetsvoorstel worden geconcentreerd bij de rechtbank Rotterdam en in hoger beroep worden behandeld door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). De Raad kan zich hierin vinden.
Zie ook:
Voor meer informatie of hulp, bezoek de contactpagina. Daar vindt u antwoorden op veelgestelde vragen en informatie over hoe u ons kunt bereiken.