Wetgevingsadvies 2018

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2018

 Wetgevingsadvies 2018

>Alles uitklappen

  • Het Wetsvoorstel brengt verschillende wijzigingen aan in het stelsel van de detentiefasering en de voorwaardelijke invrijheidstelling ( de ‘v.i.’). In dat verband wordt onder meer voorgesteld veroordeelden niet meer van rechtswege in aanmerking te laten komen voor v.i. In plaats daarvan zal per individuele gedetineerde door het openbaar ministier een beslissing worden genomen over de v.i. en de daarbij op te leggen voorwaarden. De v.i.-periode bedraagt volgens het Wetsvoorstel ten hoogste 2 jaar. In zijn advies merkt de Raad op zich bewust te zijn van het maatschappelijk onbegrip bij de huidige (“moeilijk uit te leggen”) v.i.-regeling. Specifiek in enkele grote en geruchtmakende strafzaken is ophef geweest over het recht op v.i. Gelet op het belang dat in de samenleving vertrouwen bestaat in het goed functioneren van de strafrechtspleging begrijpt de Raad vanuit dit perspectief op zich genomen de bij Regeerakkoord vastgelegde wens van de regering om de v.i.-regeling te wijzigen. Anderzijds is de v.i. regeling er niet voor niets en gelden ook in de ons omringende landen soortgelijke – soms nog ruimere – regelingen. Deze zijn ingegeven door de opvatting dat een goede overgang van detentie naar maatschappij met behulp van een voorwaardelijke regeling benut kan worden om recidive zoveel mogelijk terug te dringen en daarmee leidt tot een betere strafrechtelijke interventie. De Raad mist een beschouwing rond de vraag in hoeverre de met v.i. beoogde doelen door het Wetsvoorstel beter zullen kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast blijkt uit de uitkomsten van een recent uitgevoerd evaluatieonderzoek dat ook in de huidige systematiek v.i. geen automatisme is. Tegen die achtergrond verdient ook de noodzaak de v.i.-regeling aan te passen, zodat v.i. niet meer van rechtswege wordt verleend, naar het oordeel van de Raad nadere toelichting. Het Wetsvoorstel stuit in zijn huidige vorm dan ook op een aantal zwaarwegende bezwaren. Daartoe behoort ook het voorstel de reeds beperkte rol van de rechter bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen verder terug te dringen door de beslismacht over de v.i. volledig bij het openbaar ministerie te beleggen. De Raad beveelt met klem aan de onderdelen van het Wetsvoorstel die betrekking hebben op de v.i.-regeling te heroverwegen en bij een nadere uitwerking daarvan de uitkomsten van voornoemd evaluatieonderzoek te betrekken.


  • Het Besluit voorziet enerzijds in uitbreiding van de mogelijkheid van themaverwerking van politiegegevens met betrekking tot omkoping van (rechterlijke) ambtenaren door aanpassing van artikel 3:2 van het Besluit politiegegevens (Bpg). Anderzijds voorziet het Besluit in uitbreiding van de mogelijkheid van themaverwerking van persoonsgegevens door Inspectie SZW, Directie Opsporing (ISZW-DO) met betrekking tot arbeidsuitbuiting. In het advies van de Raad voor de rechtspraak wordt het belang van het Besluit onderkend. De minister wordt evenwel gevraagd de uitbreiding van de themaverwerking van politiegegevens met de artikelen 178 (actieve omkoping van rechter) en 364 (passieve omkoping van rechter) van het Wetboek van Strafrecht niet in een amvb, maar bij wet in formele zin te regelen nu daarmee een verregaande inbreuk wordt gemaakt op de privacy en (rechts)positie van rechters.


  • Met het Wetsvoorstel wordt beoogd de rechter meer mogelijkheden te bieden om een passende straf op te leggen bij de verscheidenheid die het verkeersstrafrecht kenmerkt. Centraal staat hierbij de strafverhoging van artikel 5 en de introductie van artikel 5a WVW1994. Deze wijzigingen strekken ertoe (zeer) gevaar zettend gedrag – waaronder het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden zonder gevolgen – zwaarder te kunnen bestraffen. Artikel 5a WVW1994 expliceert bovendien op het niveau van de wet welk gedrag in elk geval onder ‘roekeloosheid’ wordt verstaan. Ten slotte bevat het Wetsvoorstel enkele voorstellen tot het verhogen van de wettelijke strafmaxima van een aantal specifieke verkeersdelicten. In het advies van de Raad wordt het belang van het Wetsvoorstel onderkend. Er valt maatschappelijk winst te behalen door een goede voorlichting van slachtoffers, nabestaanden en media voorafgaand aan de behandeling van een ernstige verkeerszaak over de mogelijkheid van verschillen in bewijsoordeel en kwalificatie en daarmee ook in straftoemeting. Ondanks die voorlichting en de met het Wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen zal er echter verwarring blijven bestaan over het begrip 'roekeloosheid'. Dat heeft in de volksmond een andere betekenis dan in de juridische context. Daarom wordt geadviseerd dit begrip uit de WVW1994 te schrappen. Daarnaast worden in het advies onder meer vragen opgeworpen m.b.t. het voorgestelde art. 5a WVW1994. In een bijlage bij het advies wordt een alternatief voorstel aangereikt dat in de praktijk beter uitvoerbaar zal zijn en waarmee tegemoet wordt gekomen aan voornoemde bezwaren.


  • Met de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) wordt de rechtspositie van ambtenaren zoveel mogelijk gelijk gemaakt aan die van de werknemers in de private sector. Als gevolg van deze wet moeten veel andere wetten worden aangepast. Dit gebeurt met de Aanpassingswet normalisering rechtspositie ambtenaren. Het belangrijkste uitgangspunt van de Aanpassingswet is dat zij technisch van aard is. Er worden alleen inhoudelijke wijzigingen aangebracht als dat voor een zorgvuldige implementatie en werkbaarheid in de uitvoering nodig is, of om ongewenste en onbedoelde effecten te voorkomen. De rechterlijke ambtenaren zijn uitgezonderd van de normalisering. De gerechtsambtenaren en overige ARAR-ambtenaren binnen de Rechtspraak vallen wel onder de normalisering.
    De Raad onderkent het belang van het wetsvoorstel, maar signaleert een aantal bezwaren die aanleiding geven tot aanpassing van het wetsvoorstel. De Raad vraagt onder andere aandacht voor het verschuiven van het werkgeverschap binnen het Rijk: van de diverse bestuursorganen binnen het Rijk naar de rechtspersoon Staat der Nederlanden. Deze verschuiving heeft aanzienlijke gevolgen voor de praktijk. De Raad ziet dit als een onbedoeld effect van de Wnra, dat alsnog voorkomen moet worden door wijziging van de Aanpassingswet. Verder vindt de Raad de aanpassing van de Wnra waarmee ambtenaren zonder aanspraak op arbeidsrechtelijk loon van rechtswege 'een overeenkomst' krijgen, onwenselijk en onduidelijk. Een ander aandachtspunt is dat duidelijk uit de wetgeving zou moeten blijken dat het niet-rechterlijk bestuurslid (net als de andere gerechtsambtenaren) van rechtswege een arbeidsovereenkomst krijgt op grond van de overgangswetgeving van de Wnra.


  • Het advies heeft betrekking op een wetsvoorstel waarmee wordt beoogd een uniform experiment met de teelt en verkoop van hennep voor recreatief gebruik in een gesloten coffeeshopketen te realiseren. De strafbaarstelling van de teelt en verkoop van hennep vervalt voor zover deze handelingen worden verricht in het kader van het experiment en de daarvoor gegeven voorschriften.
    Volgens toelichting op het wetsvoorstel is de regering ervan doordrongen dat het experiment op gespannen voet staat met internationale regelgeving. Tijdelijke afwijking daarvan wordt desondanks verantwoord geacht nu de inhoud en de duur van het experiment, alsmede de wetenschappelijke evaluatie wettelijk wordt verankerd, waardoor verzekerd is dat het experiment niet kan leiden tot een onomkeerbare situatie.

    In zijn advies merkt de Raad voor de rechtspraak op dat de motivering om af te wijken van internationale regelgeving niet op voorhand overtuigt en onderwerp zal kunnen zijn van juridische procedures. Daarnaast wordt gevraagd (de toelichting op) het wetsvoorstel op een aantal punten te verduidelijken. Zo ontbreekt daarin aandacht voor (de samenloop met) bestuursrechtelijke rechtsbescherming en handhaving en een beschouwing over het gelijkheidsbeginsel en verbod op willekeur.

    Het experiment wordt nader uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. In het advies dringt de Raad erop aan hem ook daarover om advies te vragen.


  • Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van richtlijn 2017/828/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van richtlijn 2007/36/EG. De richtlijn bevat regels voor beursvennootschappen over de bezoldiging van bestuurders en commissarissen en over transacties met verbonden partijen. Daarnaast regelt het identificatie van aandeelhouders, informatieverstrekking en facilitering van (stem)rechten en bevat het transparantieverplichtingen voor institutionele beleggers, vermogensbeheerders en volmacht adviseurs.
    De Raad heeft één opmerking m.b.t. de strafbaarstelling in het voorgestelde artikel IV. Verder heeft de Raad geen inhoudelijke opmerkingen.


  • De Raad is door de minister gevraagd advies uit te brengen over een nota van wijziging bij het Wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar (Kamerstukken 34 641). De nota van wijziging beperkt zich tot de in het Regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst' aangekondigde wettelijke concentratie van strafzaken waarin politiemensen zich voor de rechter moeten verantwoorden voor het aanwenden van geweld. Het doel daarvan is deze zaken snel en deskundig te laten behandelen door één rechtbank. In het advies licht de Raad toe dat wettelijke concentratie op grond van het 'Toetsingskader wettelijke concentratie' niet aan de orde is, maar dat hij zich neerlegt bij de politieke keuze om dat wel te doen, mede in aanmerking genomen het geringe aantal zaken waarop het wetsvoorstel betrekking heeft.


  • Voorgesteld is de definitie van “woonplaats” in de jeugdwet te veranderen. Het woonplaatsbeginsel bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor het inzetten van jeugdhulp of het uitvoeren van een jeugdreclasserings- of jeugdbeschermingsmaatregel. Op dit moment is die definitie gelijk aan de definitie van woonplaats in het Burgerlijk Wetboek.  In de praktijk blijkt het voor medewerkers bij gemeenten moeilijk om op basis van het Centraal Gezagsregister te bepalen wie van de ouders gezag over een minderjarige heeft, dit verhoogt de uitvoeringslasten en werkt vertragend.
    Het Wetsvoorstel beoogt de werkwijze voor de gemeenten te vereenvoudigen door voor de Jeugdwet een eigen woonplaatsbegrip te hanteren, te weten “de gemeente waarvan de jeugdige ingezetene is in de zin van de Wet basisregistratie personen”.
    De Raad voor de rechtspraak onderschrijft dat het in het belang van de doelgroep van de Jeugdwet is dat er geen vertraging optreedt in het verkrijgen van jeugdhulp door administratieve problemen. In het advies wordt er op gewezen dat met de voorgestelde wijziging de term “woonplaats” wordt gebruikt in zowel de Jeugdwet als het Burgerlijk Wetboek en dat voor die term verschillende begrippen worden gebruikt.  Dit kan verwarring gaan geven en is in strijd met het besluit Aanwijzing voor de regelgeving. De Raad vindt het voor goede rechtspraak belangrijk dat er geen onduidelijkheid ontstaat over de regels van de relatieve bevoegdheid van de rechter. De Raad vraagt daarom aan de wetgever het Wetsvoorstel aan te passen en in de Jeugdwet duidelijk te maken dat het daar genoemde woonplaatsbeginsel alleen betrekking heeft op de uitvoering van jeugdhulp door de gemeenten en dat voor wat betreft de bevoegdheidsregels in procedures bij gerechten het in het Burgerlijk Wetboek opgenomen woonplaatsbeginsel blijft gelden.


  • De concept-amvb’s stellen nadere regels op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en Wet forensische zorg. Het Bvggz bevat nadere regels over ambulante verplichte zorg, gegevensverwerking, middelen en maatregelen ten aanzien van personen met een strafrechtelijke titel, de klachtencommissie en de patiëntenvertrouwenspersoon. Het Bzd betreft regels over ambulante onvrijwillige zorg, eisen ten aanzien van deskundigen, gegevensverwerking, de klachtencommissie en de cliëntenvertrouwenspersoon. Het Bfz bevat nadere regels die betrekking hebben op de forensische instellingen, gegevensverwerking, de inkoop en financiering van forensische zorg, de indicatiestelling, de plaatsing en enkele andere onderwerpen die met de besturing en de zorgcontinuïteit samenhangen.
    In zijn advies gaat de Raad in op enkele specifieke vragen die zijn gesteld m.b.t. het Bvggz en het Bzd. Daarnaast bevat het advies enkele artikelsgewijze opmerkingen m.b.t. het Bfz. De Raad is van oordeel dat een te groot belang wordt gehecht aan het begrip ‘dataminimalisatie’, terwijl een snelle, volledige en adequate informatieoverdracht op de voorgrond zou moeten staan. In dit kader adviseert de Raad dat naast het (straf)vonnis/-arrest en/of de (straf)beschikking, ook alle stukken en rapportages die worden genoemd in de (rechterlijke) beslissing waarbij de forensische zorg is opgelegd dienen te worden verstrekt aan de reclassering. Daarnaast vraagt de Raad zich af of rechtsbescherming gegarandeerd is, wanneer de Minister de reclassering de opdracht heeft gegeven om de forensisch patiënt begeleiding te bieden en toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Tevens vraagt de Raad zich af op basis waarvan vrijheidsbeneming plaatsvindt, in geval van een plaatsing zonder indicatiestelling in situaties waarin acuut gevaar dreigt voor personen of goederen. Op de twee voornoemde punten behoeft de toelichting aanvulling. Ten slotte pleit de Raad ervoor om de toetsingscriteria voor een plaatsing uit te werken in het Besluit forensische zorg en de toelichting daarop, in plaats van bij ministeriële regeling.


  • Richtlijn 2016/681/EU voorziet in een verplichting voor de lidstaten om een passagiersinformatie-eenheid (“PIU”) in te richten en luchtvaartmaatschappijen voor te schrijven dat zij de PNR-gegevens van vluchten naar of vanuit derde landen, waarover zij voor hun normale bedrijfsvoering beschikken, versturen naar de databank van de PIU van de lidstaat waarvan of waarnaar een vlucht plaatsvindt. De PIU heeft tot taak heeft de passagiersgegevens te verzamelen en te verwerken op een wijze zoals in de EU-richtlijn is bepaald en die evenredig is aan de veiligheidsdoelen van de richtlijn. De verwerking van de passagiersgegevens door de PIU vindt plaats ten behoeve van in het Wetsvoorstel aangewezen instanties die bevoegd zijn tot het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven en bevoegd zijn om de passagiersgegevens of het resultaat van verwerking ervan verder te verwerken. De gegevens of het resultaat van een verwerking dienen volgens de richtlijn onder bepaalde voorwaarden aan daartoe aangewezen bevoegde instanties te worden doorgegeven en te worden uitgewisseld met de PIU’s van de andere lidstaten en met Europol.
    Het wetsvoorstel ter implementatie van de EU-richtlijn is in januari 2018 ingediend bij de Tweede Kamer. De Raad voor de rechtspraak is hierover door de minister niet om advies gevraagd. Omdat (1) het wetsvoorstel wel binnen het bereik van de advisering als bedoeld in art. 95 Wet RO valt, (2) er substantiële werklastgevolgen voor de Rechtspraak worden voorzien en (3) de vraag kan worden opgeworpen hoe de EU-richtlijn en het wetsvoorstel zich verhouden tot het Handvest van de Grondrechten van de EU, heeft de Raad een ongevraagd wetgevingsadvies uitgebracht.


  • De decentralisatie van het sociaal domein beoogt op een nieuwe manier inhoud te geven aan de verhouding tussen burger en overheid. Het is de bedoeling om samen met de betrokken burger na te gaan hoe in zijn specifieke geval tot de beste oplossing kan worden gekomen waarbij een integrale benadering belangrijk is. In het advies van regeringscommissaris prof. mr. M. Scheltema inzake geschilbeslechting in het sociaal domein wordt met name ingegaan op de geschilbeslechting in het sociaal domein als meest urgent juridisch vraagstuk.
    Gezien dit bijzondere geval, waarin geen sprake is van wetgevingsadvisering maar van advisering over een voorstel op hoofdlijnen van de regeringscommissaris, volstaat de Raad met het opnemen van de adviezen van de Centrale Raad van Beroep en de Wetgevingsadviescommissie van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht als bijlagen bij zijn advies. Op deze wijze kan kennis worden genomen van de inzichten die binnen het betreffende rechtspraakveld over dit onderwerp bestaan, hetgeen het besluitvormingsproces over dit onderwerp volgens de Raad ten goede kan komen.


  • Het Wetsvoorstel strekt tot implementatie van de Europese Richtlijn 2016/800/EU. De Richtlijn bevat procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure. Aan de Richtlijn ligt de gedachte ten grondslag dat kinderen niet zelfstandig in staat zijn op te komen voor hun  recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Bij de verwezenlijking daarvan moeten zij worden ondersteund. Ook zijn kinderen kwetsbaar. De gevolgen van de kwetsbaarheid van kinderen voor de kwaliteit van hun proces zou met compenserende maatregelen moeten worden weggenomen. Met de Richtlijn worden een reeks van ondersteunende en beschermende maatregelen voor kinderen vastgesteld. Met het Wetsvoorstel wordt beoogd deze maatregelen in de Nederlandse regeling van het jeugdstrafprocesrecht in te bedden. 
    In het advies van de Raad wordt het belang van het Wetsvoorstel onderkend. Wel wordt geconstateerd dat de Richtlijn met het Wetsvoorstel op een aantal onderdelen onvoldoende wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. In het advies wordt in het bijzonder aandacht gevraagd voor de benoeming van een bijzondere curator die de verdachte in voorkomende gevallen bijstaat in plaats van de vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming en de gescheiden plaatsing van jeugdigen en volwassenen, ook tijdens het verblijf op het politiebureau. Aan de minister wordt gevraagd het Wetsvoorstel op de in het advies genoemde onderdelen te verduidelijken en aan te passen.


  • Het ontwerpbesluit regelt dat bepaalde justitiële gegevens van personen van wie op strafrechtelijke titel de vrijheid is benomen, kunnen worden verstrekt aan de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene (laatstelijk) staat ingeschreven in de basisregistratie personen. Gemeenten die hun ondersteunende en coördinerende rol bij de re-integratie actief beleidsmatig invullen, kunnen zich bij het Ministerie van J&V aanmelden voor deze gegevensverstrekking. De justitiële gegevens die dan standaard worden verstrekt, betreffen een beperkte set (persoon identificerende gegevens en de datum en wijze waarop de vrijheidsbeneming is aangevangen en beëindigd). Doel van de verstrekking van deze gegevens over het begin en het (verwachte) einde van de vrijheidsbeneming is dat de desbetreffende gemeente tijdig in contact kan treden met de betrokkene om zoveel mogelijk te zorgen voor een goede re-integratie na zijn terugkeer in de maatschappij. Het ontwerpbesluit geeft de Raad voor de rechtspraak geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.