Laden...

Wetgevingsadvies 2024

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2024


 Wetgevingsadvies 2024

>Alles uitklappen
  • Het Wetsvoorstel voorziet in een klokkenluidersregeling voor de tot de rechterlijke macht behorende instanties (de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad), alsmede voor de rechterlijke instanties die belast zijn met bestuursrechtspraak (de Centrale Raad van Beroep, het College van het Beroep voor het bedrijfsleven en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State), rekening houdend met de constitutioneel gewaarborgde rechterlijke onafhankelijkheid. Daarnaast is de klokkenluidersregeling voor de rechtspraak eveneens van toepassing op de Raad voor de rechtspraak, de procureur-generaal bij de Hoge Raad (hierna: de 'P-G HR'), alsmede het openbaar ministerie. Dit vanwege de mogelijkheid van het kunnen uitfilteren van meldingen die raken aan het rechterlijk domein.

    De Raad is van oordeel dat het belangrijk is dat er voor rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast een externe meldinstantie voor het melden van misstanden is. De huidige uitsluiting van deze groep in de Wet bescherming klokkenluiders en de vroegere Wet huis voor de klokkenluiders, wordt daarmee ongedaan gemaakt. De Raad vindt het verder van belang dat, bij het inrichten van een externe meldinstantie voor meldingen over rechters, het bewaken van onafhankelijke rechtspraak het uitgangspunt is. De rol die in het Wetsvoorstel wordt neergelegd bij de P-G HR en de Hoge Raad is vanuit dat perspectief correct.

  • De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door een theoretische schatting en een praktische beoordeling. Omdat de uitvoerbaarheid van bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) onder druk staat wordt met dit wijzigingsbesluit voorgesteld om tijdelijk (drie jaar) de theoretische schatting in beginsel achterwege te laten, indien de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van een praktische beoordeling (sneller) kan worden bepaald.

    In het advies wordt gewezen op de tijdelijkheid van de regeling in relatie tot de evenredigheid en rechts(on)gelijkheid. Het feit dat er een aanzienlijk aantal procedures verwacht wordt, kan een aanwijzing zijn dat tijdelijk afbreuk wordt gedaan aan rechten en belangen van betrokkenen.

  • In het wetsvoorstel wordt een aantal in wetgeving terechtgekomen onvolkomenheden hersteld. Ook worden enkele beperkt inhoudelijke wijzigingen voorgesteld die voortvloeien uit recent tot stand gekomen wetgeving of ontwikkelingen in de rechtspraak, dan wel uit toezeggingen die aan de Tweede Kamer zijn gedaan.

    De Raad doet een aantal suggesties n.a.v. het wetsvoorstel alsook een aantal aanvullende suggesties voor aanpassing van wetgeving. Onder meer vraagt de Raad aandacht voor de bij de bestuurs- en belastingrechters al geruime tijd levende wens om de mogelijkheid om een gemachtigde te weigeren, uit te breiden en artikel 8:25 van de Awb daartoe aan te passen. Daarnaast geeft de Raad in overweging om afdeling 8.2.4 en artikel 8:57 Awb ook van toepassing te verklaren op de WAHV-procedures bij de kantonrechter, zodat de kantonrechter ook de mogelijkheid krijgt om sommige van dergelijke verkeersboete-zaken buiten de zitting af te doen. Vanwege het belang om toegang tot de rechter te verzekeren geeft de Raad voorts in overweging om de Wgbz in die zin aan te passen dat de rechter vrijstelling kan verlenen van betaling van griffierecht bij betalingsonmacht.

  • Het Besluit voorziet in de opzet en evaluatie van het eerste experiment op basis van de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging: het experiment met de nabijheidsrechter. Het experiment houdt kort gezegd in dat gedurende een periode van drie jaar bij de kantonrechter van de rechtbanken Den Haag, Overijssel, Rotterdam en Zeeland-West-Brabant een experimentele procedure kan worden gevoerd die op een aantal punten afwijkt van de reguliere dagvaardingsprocedure in bodemgeschillen op basis van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het experiment ziet op vorderingen van een werknemer uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en op geldvorderingen van ten hoogste € 5.000 van een natuurlijk persoon (ook indien handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Kenmerkend voor de experimentele procedure bij de nabijheidsrechter zijn de eenvoudigere wijze waarop partijen een zaak kunnen aanbrengen, het sneller plannen van de mondelinge behandeling, het dejuridiseren van het geschil en het streven om op de mondelinge behandeling tot een minnelijke regeling te komen. Het experiment heeft een facultatief (semi-dwingend) karakter: in het experiment wordt de aanbrengende partij de keuze gelaten of gebruik wordt gemaakt van de experimentele of de reguliere procedure; de gedaagde moet in beginsel volgen, waardoor die keuze voor de gedaagde in beginsel dwingend is. Met het experiment wordt beoogd een laagdrempeligere, eenvoudigere, snellere en effectievere toegang tot de rechter te bieden. Ook heeft het experiment tot doel om te bezien of door de experimentele procedure een geschil vaker op minnelijke wijze kan worden opgelost.

    De Raad is verheugd met de in het Besluit geboden mogelijkheid om te experimenteren met een nieuwe, eenvoudigere, laagdrempeligere, snellere en effectievere procedure bij de kantonrechter. Hiermee wordt een volgende stap gezet in het experimenteren met veelbelovende innovatieve procedures en kan in de praktijk worden onderzocht hoe de procesvoering voor de burgerlijke rechter kan worden verbeterd. De Raad spreekt de hoopt uit dat het experiment met de nabijheidsrechter nuttige inzichten zal opleveren die op termijn kunnen leiden naar meer laagdrempeligheid, eenvoud, snelheid, effectiviteit en duurzame oplossingen bij gerechtelijke procedures.

    Zoals de Raad ook in eerdere adviezen heeft geconstateerd, stellen de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging en het Tijdelijk besluit experimenten rechtspleging hoge eisen aan de (mate van) uitwerking en motivering van daarop gestoelde experimenten. Als gevolg van dit wettelijke kader dienen vrijwel alle aspecten van daarop gebaseerde experimenten al in (de toelichting van) de aan deze experimenten ten grondslag liggende algemene maatregelen van bestuur expliciet en met een hoge mate van gedetailleerdheid te worden uitgewerkt. Hoewel dit de rechtszekerheid ten goede komt, levert dit ook spanning op met de bij eerdere innovatieve projecten binnen de Rechtspraak gebleken behoefte aan ruimte voor flexibiliteit tot aanpassing naar bevinden. De Raad constateert echter dat bij de vormgeving van het Besluit op een afgewogen manier met dit spanningsveld is omgegaan en de Raad meent dat hierin een voor de innovatiepraktijk werkbare balans is gevonden.

    Het Besluit is in nauwe samenwerking met de Rechtspraak tot stand gekomen. Het resultaat is een gedegen en weloverwogen algemene maatregel van bestuur dat naar verwachting werkbaar zal zijn voor de Rechtspraak. De Raad kan zich dan ook op hoofdlijnen met het Besluit verenigen, maar adviseert om het Besluit en de toelichting nog op een aantal punten aan te passen en te verduidelijken. 

  • Het wetsvoorstel herintroduceert een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage voor Wmo-voorzieningen waar nu een vast maandelijks bedrag, het abonnementstarief, geldt. Hiertoe wordt het instrumentarium van gemeenten vergroot.

    Uitgaande van de politieke wens om de bijdrage van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning weer afhankelijk te maken van de financiële draagkracht spreekt de Raad zijn waardering uit voor het streven van de wetgever naar eenvoud en helderheid en het reduceren van de uitvoeringsproblemen ten opzichte van het verleden. De Raad wijst in het advies enkele onduidelijkheden en besteed aandacht aan de gevolgen voor de rechtspraak van twee voorgestelde opties.

  • Met het wetsvoorstel wordt de Europese richtlijn duurzaamheidsrapportering geïmplementeerd. De richtlijn verplicht bepaalde ondernemingen om in hun bestuursverslag te rapporteren over duurzaamheidskwesties. Het wetsvoorstel strekt met name ter implementatie van de wijzigingen die de richtlijn brengt in de regelgeving voor accountantsorganisaties en externe accountants door het voorgeschreven assurance-onderzoek van de duurzaamheidsrapportering die moet worden verricht door de accountant.
    Een van de wijzigingen is dat accountants die bevoegd zijn assurance-onderzoek van duurzaamheidsrapportering te verrichten een aantekening krijgen in het accountantsregister. Voorgesteld wordt om de accountantskamer de bevoegdheid te geven om die aantekening (tijdelijk) door te halen. Vervolgens staat er hoger beroep open tegen een uitspraak van de accountantskamer bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
    De Raad heeft een blanco advies uitgebracht.
  • Het Wetsvoorstel bevat een regeling voor het gebruik van elektronische cognossementen voor het goederenvervoer over zee en een daarmee overeenkomende regeling voor het Combined Transport-document (hierna: CT-document). Bij het internationale vervoer van goederen over zee wordt steeds meer gebruik gemaakt van elektronische bestanden in plaats van papieren stukken. Dit wetsvoorstel draagt bij aan een papierloze internationale handel.

    Dit wetsvoorstel beoogt aan de praktijk antwoord te geven op de vraag of en onder welke omstandigheden het elektronisch cognossement kan worden aangemerkt als een internationaal aanvaard instrument dat functioneel equivalent is aan het daarmee corresponderende papieren document. Daarbij is gekozen voor een regeling die technologieneutraal is geformuleerd, zodat ook toekomstige technologieën onder de regeling kunnen vallen. Inhoudelijk is ervoor gekozen om het Wetsvoorstel zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de modelregeling voorzien in de Model Law on Electronic Transport Records (hierna: MLETR) en de regeling van het elektronisch vervoersbestand in de Rotterdam Rules (hierna: de RR). Volgens de Raad is het Wetsvoorstel sterk verbeterd maar stuit nog op een aantal bedenkingen. De toelichting is niet altijd duidelijk en in lijn met de voorgestelde wetstekst, terwijl een heldere richtinggevende toelichting waaruit een visie op het recht en de praktijk blijkt in een behoefte zou voorzien. Het advies is om het Wetsvoorstel op genoemde onderdelen te verduidelijken en aan te passen.

  • De fiscale wetgeving is constant aan veranderingen onderhevig. Dit vergt voortdurend inhoudelijke wijzigingen en technisch onderhoud. De in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen moeten in dit licht worden bezien. De Raad adviseert blanco over dit wetsvoorstel.  

  • Doel van het wetsvoorstel is om kleine en middelgrote werkgevers meer wendbaar te maken door eerder duidelijkheid te geven tot welk moment zij de eigen functie van de zieke werknemer voor hem/haar beschikbaar moeten houden. Met het wetsvoorstel wordt beoogd werkgevers en werknemers duidelijkheid te geven over het te volgen spoor bij re-integratie en de mogelijkheid tot vervanging van de werknemer in het tweede ziektejaar. Het wetsvoorstel introduceert voor kleine en middelgrote werkgevers de mogelijkheid om vanaf de start van het tweede ziektejaar (niet eerder en niet later) zich volledig te richten op re-integratie in het tweede spoor, dat wil zeggen re-integratie bij een andere werkgever, indien aan de voorwaarden wordt voldaan voor het afsluiten van het eerste spoor dat gericht is op re-integratie bij de huidige werkgever. 

    Hoewel de Raad onderkent dat kleinere werkgevers de huidige loondoorbetalings- en re-integratieverplichtingen als zwaar kunnen ervaren, is de Raad er niet van overtuigd dat het wetsvoorstel een goede oplossing biedt voor de problemen die kleine werkgevers en werknemers ondervinden als gevolg van de huidige verplichtingen rondom langdurige arbeidsongeschiktheid. De in het wetsvoorstel voorgestelde mogelijkheid tot afsluiting van het eerste spoor - waarbij de inspanningen nog gericht zijn op werkhervatting bij dezelfde werkgever - is naar de mening van de Raad door de strakke termijnen en de vereisten waar het verzoek tot afsluiting aan moet voldoen, te complex en belastend voor kleine werkgevers. Dat de werkgever hierdoor eerder duidelijkheid krijgt over het definitief vervullen van de arbeidsplaats lijkt van beperkte toegevoegde waarde in aanmerking genomen de al bestaande mogelijkheden om die arbeidsplaats flexibel te bemensen. 

    De voordelen voor de werknemer om mee te werken aan de afsluiting van het eerste spoor ziet de Raad niet. De Raad verwacht voorts een toename van conflicten tussen werkgever en werknemer over de re-integratie inspanningen van de werkgever die een vroeg verzoek doet tot afsluiting van het eerste spoor, hetgeen niet bijdraagt aan een succesvolle re-integratie. De Raad voorziet dat dergelijke conflicten zullen leiden tot meer complexe gerechtelijke procedures. Gelet hierop geeft de Raad in overweging om niet tot indiening van het Wetsvoorstel in de huidige vorm over te gaan.


 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Algemene vraag

Algemene vragen over de rechtspraak, vragen over bewind(voering) en ondersteuning bij het digitaal werken in Mijn Rechtspraak en Mijn CBM (was Mijn Bewind):

volg ons op X (Twitter) X (Twitter)

logo Insta Instagram

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.
  • Maandag t/m donderdag: 8:00 uur tot 20:00 uur
  • Vrijdag: 8:00 uur tot 17:30 uur

Financiële vraag

Vragen over griffierecht, saldo-opgave, uitstel van betaling aanvragen/betalingsregeling, kopie van de nota en leverancierszaken:

088 361 10 01

rsc.financieel@rechtspraak.nl

  • Maandag t/m vrijdag: 8:00 tot 17:30 uur

Vraag over rechtszaak of dossier

Vraag over een lopende procedure: neem contact op met de rechtbank, het gerechtshof of het bijzonder college die de zaak behandelt.

Contact