Wetgevingsadvies 2008

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2008

 Wetgevingsadvies 2008

>Alles uitklappen
  • Advies conceptwetsvoorstel bronbescherming in strafzaken (pdf, 82,2 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt tot vastlegging van het recht op bronbescherming, waarop journalisten volgens de uitleg door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van artikel 10 EVRM recht hebben als onderdeel van de vrijheid van meningsuiting in een democratische samenleving.

    De Raad plaatst bij het wetsvoorstel enige kanttekeningen.

    De Raad constateert allereerst dat de groep die een beroep kan doen op het recht van bronbescherming niet nauwkeurig is omlijnd.  Voorts voorziet het ontwerp niet in een regeling van de strafvorderlijke inbeslagneming van journalistiek materiaal, ook niet als daarbij bronbescherming een rol speelt. De vraag is hoe dit zich verhoudt tot de vaste lijn van het EHRM in Straatsburg, dat aan de inbeslagneming van journalistiek materiaal zwaarder tilt dan aan het opleggen van de verplichting te getuigen. Ten onrechte ontbreken bepalingen over de uitoefening van overige dwangmiddelen. De Raad vraagt zich af of het ontwerp wel nodig is. Het ontwerp dekt weliswaar in grote lijnen de jurisprudentie van het EHRM, maar de vraag is of een eigen interpretatie van de nieuwe regeling door de Nederlandse rechter niet tot ongewenste afwijkingen van deze jurisprudentie zal leiden. Naar verwachting zal het wetsontwerp beperkt consequenties hebben voor de werklast.

  • Advies conceptwetsvoorstel verruiming mogelijkheden DNA-onderzoek (pdf, 63,7 KB)

    De Raad voor de rechtspraak (de “Raad”) heeft advies uitgebracht inzake het conceptwetsvoorstel betreffende de introductie van DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere voorwerpen  (het “Wetsvoorstel”).

    Het Wetsvoorstel bevat twee nieuwe mogelijkheden van DNA-onderzoek. Thans bestaat het klassieke DNA-onderzoek dat is gericht op het vergelijken van het DNA-profiel van een verdachte of veroordeelde, met profielen die in de DNA-databank zijn opgeslagen, en het DNA-onderzoek dat is gericht op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte op grond van een aangetroffen DNA-profiel. Nieuw is het verwantschapsonderzoek dat is gericht op het vergelijken van een aangetroffen DNA-profiel met het DNA-profiel van een bloedverwant van de mogelijke dader van wie geen DNA-profiel beschikbaar is. Verder wordt het DNA-onderzoek, dat is gericht op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken, ook mogelijk voor het achterhalen van de identiteit van een ongeïdentificeerd stoffelijk overschot. Ook beoogt het Wetsvoorstel het mogelijk te maken dat DNA-onderzoek kan worden verricht aan de hand van celmateriaal van een vermiste personen of hun eerstegraads bloedverwanten en dat de daaruit verkregen DNA-profielen in de databank voor strafzaken kunnen worden verwerkt.

    De Raad merkt op dat met de resultaten van verwantschapsonderzoek behoedzaam dient te worden omgegaan. Zo leidt kunstmatige inseminatie tot DNA-verwantschap met een, vaak onbekende, donor. Verder is niet iedereen biologisch verwant aan degene die in de burgerlijke stand als zijn vader staat vermeld, met als gevolg dat een onjuiste conclusie worden getrokken. Verder merkt de Raad op dat ook als bij het klassieke DNA-onderzoek op basis van het aangetroffen DNA-profiel wordt gestuit op een verwantschaprelatie met een reeds in de databank opgenomen DNA-profiel,  voorzichtigheid is geboden. Want hoe wordt met de hiervoor geschetste onzekerheden achterhaald wie de in aanmerking komende bloedverwanten zijn van degene wiens DNA-profiel in de databank is opgenomen. Daarbij speelt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een belangrijke rol, omdat bij dat achterhalen onbekende bloedverwantschap of het ontbreken daarvan boven water kan komen.

    Met betrekking tot de nieuwe mogelijkheid om celmateriaal van personen die niet worden verdacht van enig misdrijf, af te nemen en te gebruik voor het vaststellen van verwantschap, acht de Raad het uit het oogpunt van rechtsbescherming gewenst dat in het kader van de vereiste schriftelijke toestemming niet wordt volstaan met algemene informatie aan het publiek maar dat telkens aan betrokkene wordt meegedeeld wat de gevolgen van medewerking aan het onderzoek kunnen zijn en dat die medewerking kan worden geweigerd (het zgn. informed consent). Bovendien is de Raad van mening dat aan betrokkene vooraf dient te worden meegedeeld dat hij zich van medewerking kan verschonen ten aanzien van de in artikel 217 Sv genoemde verwanten (o.a. bloed en aanverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot de derde graad, de (eerdere) echtgenoot en de geregistreerd (eerdere) partner).

    Verder wordt in het advies nog ingegaan op een aantal juridisch-technische kwesties.

  • Aanvullend advies wetsvoorstel limitering ontbindingsvergoeding (pdf, 57,1 KB

    Het wetsvoorstel strekt ertoe de door de kantonrechter toe te kennen vergoeding bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:685 BW, te maximeren op een jaarsalaris van de werknemer, indien dat salaris €75.000,- of meer bedraagt, tenzij in de gegeven omstandigheden het volstaan met toekenning van een aldus gelimiteerde vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

    Op 29 oktober jl. heeft de Raad advies over een eerder concept van het wetsvoorstel (d.d. 10 oktober 2008). Naar aanleiding van het eerdere advies is in de toelichting bij het wetsvoorstel een aanvulling opgenomen met betrekking tot de vraag hoe moet worden omgegaan met contractuele regelingen tussen werkgever en werknemer, die afwijken van het voorgestelde artikel 7:685a BW. Deze aanvulling komt erop neer dat de kantonrechter ook bij afwijkende contractuele afspraken tussen partijen gehouden is de wet toe te passen. In het aanvullende advies wordt door de Raad gesteld dat in dezen niet kan worden volstaan met het aanvullen van de memorie van toelichting, maar dat een dergelijk voorschrift dat zich dwingend tot de rechter richt naar zijn aard in de wetstekst zelf hoort te worden opgenomen. Alleen op die wijze wordt buiten twijfel gesteld dat de rechter het wettelijk maximum toepast als partijen het over een hogere vergoeding dan dit maximum eens zijn geworden. Daarnaast merkt de Raad op dat het praktische belang van het wetsvoorstel, ook met de als hierboven beschreven aanvulling in de memorie van toelichting, beperkt lijkt te zullen zijn, omdat partijen in de bedoelde gevallen een hogere vergoeding opnemen in een beëindigingsovereenkomst en de zaak vervolgens niet meer aan de kantonrechter zullen voorleggen. Tot slot wordt verwacht dat als gevolg van voornoemde aanvulling van de toelichting op het wetsvoorstel, er twee effecten voor de werklast van de Rechtspraak zullen optreden, die elkaar netto zullen opheffen. Dit laat onverlet de in het advies van 29 oktober 2008 beschreven werklasteffecten.

  • Advies wetsvoorstel Aanpassingswet voor de implementatie van de Dienstenrichtlijn (pdf, 32 KB)

    Het wetsvoorstel strekt ertoe om een aantal wettelijke bepalingen aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met de Europese dienstenrichtlijn respectievelijk de bepalingen van de Dienstenwet die thans in behandeling is bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2007-2008, 31579, nr. 1-3).

    Op 3 april jl. heeft de Raad advies uitgebracht over het hiervoor genoemde wetsvoorstel Dienstenwet. In de Memorie van Toelichting bij dat wetsvoorstel wordt uiteengezet dat het wetgevingstraject bestaat uit drie componenten. De eerste component is het hierboven genoemde wetsvoorstel Dienstenwet. De tweede component wordt gevormd door de Aanpassingswet, hierover wordt thans geadviseerd. De derde component bestaat uit een Veegwet.

    Ten tijde van het uitbrengen van voornoemd advies van de Raad van 3 april jl., was de verwachting dat de Aanpassingswet omvangrijk zou zijn en zicht zou geven op de werklastconsequenties die voortvloeien uit de implementatie van de dienstenrichtlijn. Echter, in de Memorie van Toelichting wordt gemeld dat na een zeer brede doorlichting is gebleken dat het aantal aanpassingen dat noodzakelijk is om de wet- en regelgeving in lijn te brengen met de bepalingen van de dienstenrichtlijn, beperkt te noemen is. Mede in verband hiermee kan op grond van het hetgeen is opgenomen in het conceptwetsvoorstel Aanpassingswet geen inschatting worden gemaakt van de werklastconsequenties voor de Rechtspraak.

    De Raad ziet geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen ten aanzien van het voorliggende wetsvoorstel.

  • Advies wetsvoorstel wijziging van de Gas- en Elektriciteitswet (pdf, 55,3 KB)

    In het wetsvoorstel wijziging van de Gas- en Elektriciteitswet worden onder meer de bezwaar- en beroepsprocedure tegen besluiten die de NMa moet nemen in het kader van haar taakuitoefening, gestroomlijnd. Voorgesteld wordt om de NMa te verplichten bij herroeping in bezwaar of vernietiging in beroep ook de opvolgende besluiten dienovereenkomstig aan te passen. Op deze wijze wordt de noodzaak weggenomen om tegen de opvolgende besluiten (pro forma) rechtsmiddelen aan te wenden indien een grief bestaat tegen het voorafgaande besluit.

    Tevens voorziet het wetsvoorstel in een termijn voor de behandeling door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van beroepen tegen bepaalde besluiten van maximaal 24 maanden na afloop van de beroepstermijn.

    De Raad plaatst kanttekeningen bij het voorstel om de betreffende termijn in de wet vast te leggen. De MvT geeft als reden dat over de rechtmatigheid van de betrokken besluiten vanuit het oogpunt van rechtszekerheid niet te lang onzekerheid mag bestaan, omdat zij de basis vormen voor een groot aantal tariefbesluiten. De Raad vraagt zich af wat de aanleiding is geweest om voor deze gevallen een termijn te stellen. De (huidige) praktijk van het CBb met betrekking tot de behandeling van beroepen tegen besluiten waarvoor de termijn zou gaan gelden, kan, gezien het gestelde in het advies, hiertoe geen aanleiding hebben gegeven. De Raad geeft in overweging duidelijk te maken dat het hier, naar mag worden aangenomen, gaat om een termijn van orde. Daarnaast merkt de Raad op dat niet wordt ingegaan op situaties waarin de termijn buiten toedoen van het CBb niet wordt gehaald.

    De zaken waar het wetsvoorstel op ziet, doen zich in absolute aantallen bij het CBb niet veel voor. In de MvT bij het wetsvoorstel staat dat tegen de besluiten als hier aan de orde meestal beroep wordt ingesteld. Tegen de besluiten die de individuele netbeheerders betreffen, wordt echter in lang niet alle gevallen beroep ingesteld.

    Wel zijn de beroepszaken doorgaans zeer bewerkelijke zaken, waarmee grote economische belangen zijn gemoeid. Als tegen opvolgende besluiten beroep wordt ingesteld dan worden deze gevoegd met het ‘hoofdbesluit’ behandeld, waardoor dezelfde gronden in één keer aan de orde komen. Gelet hierop verwacht de Raad geen noemenswaardige gevolgen van het wetsvoorstel voor de werklast van het CBb.

  • Advies wetsvoorstel verruiming mogelijkheden voordeelsontneming (pdf, 91,3 KB)

    Doel van het wetsvoorstel is het uitbreiden van de bevoegdheden ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid tot het doen van onderzoek naar de vermogenssituatie van onherroepelijk veroordeelden tegen wie tevens een onherroepelijke beslissing tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gewezen.

    De Raad plaatst bij het wetsvoorstel enige kanttekeningen. Zo kan het vermogensonderzoek pas plaatsvinden nadat de veroordeelde in gebreke is gebleven binnen de door het OM gestelde termijn volledig te betalen. De Raad wijst erop dat de oorzaak van het in gebreke blijven kan zijn gelegen in financieel onvermogen en dat dit in de praktijk regelmatig voorkomt. Aan de positie van de financieel onvermogende wordt echter in de Memorie van Toelichting weinig aandacht geschonken. De Raad onderkent dat op zichzelf in het wetsvoorstel met betalingsonmacht rekening gehouden, omdat aannemelijk moet zijn dat de veroordeelde in weerwil van het uitblijven van betaling over vermogen beschikt. De Raad constateert echter dat in de MvT geen aanzet of handvatten worden gegeven voor de wijze waarop dat aannemelijk gemaakt kan worden. Het aanreiken daarvan zal een gelijke en afgewogen toepassing van het vermogensonderzoek bevorderen. De Raad acht het daarom gewenst dat in de MvT nader wordt ingegaan op de wijze waarop deugdelijk onderbouwd kan worden dat er sprake is van betalingsonwil. Verder geeft de Raad in overweging om, gezien de ingrijpende dwangmiddelen die in het vermogensonderzoek mogelijk zijn, in de wet een ondergrens op te nemen.

    De Raad constateert voorts dat de dwangmiddelen die de officier van justitie kan uitoefenen bijzonder ingrijpend zijn. Dit omdat niet behoeft te worden voldaan aan bepaalde voorwaarden die in het kader van het opsporingsonderzoek wel gelden voor het toepassen van die dwangmiddelen. Weliswaar wordt gesteld dat de rechter-commissaris tussentijds toezicht houdt op het onderzoek maar in de MvT wordt niet ingegaan op de wijze waarop de rechter-commissaris wordt geacht aan dat toezicht invulling te geven en eventueel oneigenlijk of disproportioneel gebruik tegen te gaan. Nu de voorgestelde dwangmiddelen zonder aanwezigheid of directe bemoeienis van de rechter-commissaris kunnen worden toegepast, ziet de Raad dat als een gemis. De Raad acht het gewenst dat hieraan aandacht wordt besteed in de MvT.

    Het wetsvoorstel heeft daarnaast gevolgen voor de werklast van de Rechtspraak. Dat volgt uit twee nieuwe taken voor de rechter-commissaris. Voor het instellen van een vermogensonderzoek is een machtiging door de rechter-commissaris vereist. In het kader van de beoordeling van de vordering tot die machtiging zal de rechter-commissaris moeten vaststellen dat de veroordeelde niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, en moeten nagaan of het aannemelijk is dat de veroordeelde over vermogensbestanddelen beschikt, waarop verhaal kan worden gezocht. Na het verlenen van de machtiging dient de rechter-commissaris het vermogensonderzoek te blijven volgen. Voor de toepassing van bepaalde bijzondere opsporingsbevoegdheden is daarnaast de bemoeienis van de rechter-commissaris vereist.

  • Advies wetsvoorstel wijziging van de Arbeidstijdenwet (pdf, 62,3 KB)

    Het wetsvoorstel strekt ter uitvoering van artikel 19 lid 2 van de Rijtijdenverordening. De EU-lidstaten moeten op grond daarvan een sanctie opleggen aan ondernemers of bestuurders voor overtredingen van de Rijtijdenverordening die op het grondgebied van een andere lidstaat zijn begaan maar op hun grondgebied zijn geconstateerd.

    Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting geven de Raad voor de rechtspraak aanleiding tot het maken van een algemene en een tweetal redactionele opmerkingen.

  • Wetsvoorstel controle op rechtspersonen (pdf, 45,5 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen te verbeteren. Daartoe wordt voorgesteld het preventieve toezicht dat gebaseerd is op de verklaring van geen bezwaar, te vervangen door een systeem van doorlopende controle.

    Met de afschaffing van het preventieve toezicht vervalt de in de artikelen 174a en 284a boek 2 BW voorziene mogelijkheid beroep in te stellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) tegen de in deze artikelen onder a t/m c genoemde weigeringen. Wat betreft het beroep tegen besluiten op grond van de artikelen 156 en 266 van boek 2 van het BW (zie artikelen 174 a en 284a onder d boek 2 BW), wordt van de gelegenheid gebruikt gemaakt om beroep in twee instanties in te voeren. De Raad merkt op dat hij als uitgangspunt rechtspraak in twee feitelijke instanties hanteert, en zich aldus kan vinden in de voorgestelde rechtsmachtverdeling. De te verwachten hoeveelheid zaken is zo gering dat moet worden aangenomen dat de voor de betrokken partijen gewenste snelheid van behandeling kan worden verzekerd door middel van concentratie van de zaken bij één gerecht van eerste aanleg. Gezien het hiervoor genoemde verwaarloosbare aantal verwachte extra zaken in combinatie met de materie waarop het onderhavige wetsvoorstel ziet, lijkt het de Raad wenselijk de beroepen inzake de ontheffingsbeschikkingen aan de rechtbank Rotterdam toe te delen. Gelet op de aard van de materie en de ervaring die het CBb heeft op dit terrein ligt aanwijzing van het CBb als hoger beroepsrechter volgens de Raad voor de hand.

  • Aanvullend advies versterking positie slachtoffers (pdf, 62,3 KB)

    Het wetsvoorstel versterking positie slachtoffers (30 143) neemt voor de rechtspraak een werklastverzwaring met zich mee. Diverse maatregelen worden voorgesteld die de positie van slachtoffers moeten verbeteren: een voorschotregeling, mogelijkheid tot civiele voegingen bij jeugdigen beneden de 14 jaar, verschijningsplicht van ouders minderjarige verdachten ter terechtzitting, voegingsmogelijkheden bij ad-informandum ten laste gelegde zaken, verruimd voegingscriterium, informatieverstrekking aan het slachtoffer, mogelijkheid tot kennisnemen en toevoegen van stukken, mogelijkheid tot bijstand door een raadsman en tolk voor alle slachtoffers.

    In deze reactie van de Raad op het wetsvoorstel wordt alleen ingegaan op de werklastgevolgen. In een eerder stadium heeft de Raad geadviseerd op inhoudelijke en praktische gevolgen van de verschijningsplicht van ouders van minderjarige verdachten ter terechtzitting. De werklastverzwaring voor de rechtspraak komt met name door het aanhouden wanneer ouders van minderjarige verdachten niet verschijnen ter terechtzitting. Daarnaast neemt de werklastverzwaring toe door behandeling van extra civiele voegingen.

  • Advies Maximering ontslagvergoeding (pdf, 73,5 KB)

    Dit wetsvoorstel strekt ertoe de door de kantonrechter toe te kennen vergoeding bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst te maximeren op een jaarsalaris van de werknemer, indien dat salaris €75.000,- of meer bedraagt, tenzij in de gegeven omstandigheden het volstaan met toekenning van een aldus gelimiteerde vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

    In zijn advies constateert de Raad onder andere dat de keuze voor de grens van €75.000,- wordt toegelicht met de enkele opmerking dat het daarbij zou gaan om 'werknemers waarvan de arbeidsmarktpositie in de regel al goed is' en dat een nadere onderbouwing van deze stelling ontbreekt. In algemene zin is het echter voor de acceptatie van regelgeving en van de in het verlengde daarvan gedane uitspraken van rechters van belang dat gemaakte keuzes door de wetgever inzichtelijk worden gemaakt en worden onderbouwd.

    Daarnaast merkt de Raad dat tekst noch toelichting van het wetsvoorstel expliciet zijn over de vraag hoe moet worden omgegaan met contractuele regelingen tussen werkgever en werknemer die afwijken van het voorgestelde nieuwe art. 7:685a. Uitgaande van de mogelijkheid tot contractuele afwijking merkt de Raad op dat het praktische belang van het wetsvoorstel beperkt lijkt te zullen zijn.

  • Advies Voorontwerp kilometerprijs (pdf, 77 KB)

    Doel van de Wet Kilometerprijs is te komen tot de invoering van een kilometerprijs voor motorrijtuigen in Nederland. Tegelijkertijd wordt de motorrijtuigenbelasting, de belasting personenauto’s en motorrijwielen en de belasting zware motorrijtuigen afgeschaft. De weggebruiker gaat daarmee niet zozeer betalen voor het bezit van een motorrijtuig, maar voor het gebruik (het zogenoemde rekeningrijden).

    In de consultatieversie (versie 23 juli 2008) wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de onderhavige versie de huidige stand van denken weergeeft. Het Voorontwerp is daarmee nog onvoldoende uitgewerkt, veel onderdelen zijn nog weinig concreet. Zo wordt bijvoorbeeld aangekondigd dat strafbare gedragingen verder uitgewerkt zullen worden in algemene maatregelen van bestuur. De Raad kan daarom in dit stadium niet een alles omvattend advies uitbrengen. Het advies is dan ook is dan ook een advies op hoofdlijnen, en waar mogelijk op onderdelen.

    Daarnaast spreekt de Raad zijn zorg uit over het feit dat een aantal fundamentele keuzen is gebaseerd op de veronderstelling dat de voor de invoering van deze wet benodigde technische en digitale systemen feilloos zullen werken. Zo wordt bijvoorbeeld de beslissing dat de factuur geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, mede onderbouwd door het uitgangspunt dat datgene wat de registratievoorziening registreert juist is. Rechtsbescherming lijkt op dit punt ondergeschikt te worden gemaakt aan geloof in technologische volmaaktheid.

    De werklasteffecten ten gevolge van nieuwe zaaksaantallen en de prijseffecten tezamen resulteren in een werklasttoename van € 2.100.000,- in jaar 1 na invoering, oplopend tot € 8.100.000,- in jaar 5 na invoering.

  • Advies Kraken en Leegstand (pdf, 87,3 KB)

    Het initiatiefwetsvoorstel Kraken en Leegstand strekt ertoe zowel kraken als leegstand verder tegen te gaan. Zo wordt beoogd de huidige strafbaarstelling van kraken aan te scherpen door het als misdrijf te kwalificeren en door de strafbaarheid niet langer afhankelijk te stellen van de duur van de leegstand. Ook wordt voorzien in een hogere strafbaarstelling voor het door twee of meer personen tezamen en in vereniging kraken. Het wetsvoorstel introduceert daarnaast een nieuw bestuursrechtelijk instrumentarium dat gericht is op een pro-actief leegstandbeleid door gemeenten.

    In zijn advies gaat de Raad met name in op de verwachte gevolgen voor de werklast voor de Rechtspraak.

    Met betrekking tot het aantal strafzaken verwacht de Raad dat dit aantal als gevolg van een verscherpte strafrechtelijke aanpak (in elk geval de eerste jaren) zal toenemen. Tevens kan echter –bij een succesvolle aanpak– worden verwacht dat het als gevolg van het wetsvoorstel voor krakers onaantrekkelijker wordt om te kraken. Dit laatste zal dan op termijn kunnen leiden tot een daling van het aantal strafzaken.

    Met betrekking tot het aantal civiele zaken verwacht de Raad een afname. Aangezien het handhavingsbeleid nooit helemaal sluitend zal zijn verwacht de Raad echter dat ook in de toekomst de weg van het civiele recht zal worden gevolgd.

    en deel van de huiseigenaren zal zowel via het strafrecht als via het civiele recht proberen zijn gelijk te krijgen.

    Met betrekking tot het aantal bestuursrechtelijke zaken verwacht de Raad een toename. De omvang van deze toename is afhankelijk van de mate waarin gemeenten gebruik gaan maken van de mogelijkheid een leegstandverordening vast te stellen en van de vraag van welke bestuursrechtelijke instrumenten zij gebruik gaan maken. De aanwas van nieuwe zaken in de bestuurssectoren is dus voornamelijk afhankelijk van de wil en de inzet van gemeenten.

  • Advies initiatiefwetsvoorstel wijziging pensioenwet (pdf, 30,5 KB

    Het initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Pensioenwet (PW) met betrekking tot de medezeggenschap van pensioengerechtigden in pensioenfondsbesturen, beoogt enkele wijzigingen in de Pensioenwet aan te brengen ter verbetering van de bestaande regeling voor de medezeggenschap van pensioengerechtigden in de besturen van pensioenfondsen. Daarnaast beoogt het wetsvoorstel aan minderheden van deelnemersraden een beroepsrecht toe te kennen.

    In zijn advies gaat de Raad alleen in op het onderdeel dat ziet op het toekennen van een beroepsrecht aan minderheden van deelnemersraden. In het onderhavige wetsvoorstel wordt een wijziging van artikel 218 PW voorgesteld waarbij tien procent van de leden van de deelnemersraad het recht verkrijgt tegen (alle) besluiten als bedoeld in artikel 111 lid 2 PW beroep bji de Ondernemingskamer in te stellen. Dit zal naar verwachting van de Raad niet alleen een toename van het aantal zaken voor de Ondernemingskamer tot gevolg hebben, maar er tevens toe leiden dat die kamer in toenemende mate zal worden gevraagd om te oordelen in zaken waarin naast de beoordeling van het desbetreffende besluit van het pensioenfonds, ook de verschillende deelbelangen binnen de deelnemersraad (en binnen geledingen van de deelnemersraad) aan de orde kunnen komen. Dit heeft naar verwachting een juridiserend effect en zal leiden tot gecompliceerde procedures waarbij zich (steeds) meer partijen zullen laten gelden. Om deze reden is het naar mening van de Raad sterk de vraag of het beoogde belang met de voorgestelde regeling is gediend. Daarnaast wil de Raad wijzen op de kosten waarmee de voorgestelde regeling naar verwachting gepaard gaat, als gevolg van toenemende werklast.

  • Nota van wijziging aanwenden rechtsmiddelen - advies (pdf, 24,5 KB)

    De nota van wijziging voorziet in de mogelijkheid voor de verdachte of diens gemachtigde een rechtsmiddel schriftelijk aan te wenden. De Raad heeft op 3 juli 2008 over het voornemen tot deze wijziging geadviseerd.

    De nota van wijzing is vanuit het perspectief van de rechtspleging wenselijk omdat hij een einde maakt aan de onduidelijkheid die na de inwerkingtreding van de Wet stroomlijnen hoger beroep is ontstaan over de mogelijkheid tot het schriftelijk aanwenden van een rechtsmiddel door een gemachtigde.

  • Herziening Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (pdf, 99,5 KB)

    Het voorstel beoogt een verbetering van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeperkende jeugdsancties. Het voorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van enkele op- en aanmerkingen. Tevens wordt verwacht dat het voorstel gevolgen voor de werklast voor de Rechtspraak heeft.

  • Nota van wijziging beslaglegging - advies (pdf, 23,7 KB)

    De nota van wijziging strekt tot het aanbrengen van een verbetering in de praktijk van het beslag door het mogelijk maken van een scherpere selectie van de voorwerpen waarop strafrechtelijk beslag moet blijven rusten. Die selectie kan op het niveau van de hulpofficier van justitie worden gemaakt. Door een snellere beslissing over de noodzaak van het voortduren van het beslag kan, in het geval dat het belang van de strafvordering dat niet of niet meer vordert, aan het beslag eerder een einde komen, zodat zij aan de beslagene kunnen worden teruggegeven. De nota van wijziging geeft geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen.

  • Conceptwetsvoorstel hervorming herzieningregeling - advies (pdf, 78,3 KB)

    Doel van het wetsvoorstel is om de mogelijkheid tot herziening van onherroepelijke rechterlijke uitspraken ten voordele van de gewezen verdachte te verbeteren en om de mogelijkheid van herziening ten nadele van de gewezen verdachte in te voeren. Met het wetsvoorstel worden onder meer de gronden voor herziening ten voordele verruimd, wordt de mogelijkheid tot het doen van nader feitelijk onderzoek voorafgaand aan een aanvraag tot herziening ten voordele in de wet opgenomen en wordt in dat kader een adviescommissie ingesteld om de procureur-generaal bij de Hoge Raad te adviseren, terwijl ook voorzieningen voor slachtoffers worden getroffen in het geval de herziening leidt tot een vrijspraak. Het voorstel tot invoering van het nieuwe buitengewone rechtsmiddel van de herziening ten nadele van de gewezen verdachte geschiedt in navolging van andere Europese landen. De herziening ten nadele kan ertoe leiden dat een gewezen verdachte die is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, opnieuw wordt berecht. Dit wordt in het voorstel in een beperkt aantal gevallen mogelijk gemaakt, waarbij het initiatief in handen wordt gelegd van het College van Procureurs-generaal.

    De Raad kan zich vinden in de in het wetsvoorstel gekozen procedures en overige gemaakte keuzes, maar plaatst hierbij wel enige kanttekeningen. Daarnaast worden gevolgen voor de werklast voorzien.

    Kanttekeningen:

    Herziening ten voordele
    Niet wordt vermeld van welke gegevens de adviescommissie kan kennisnemen. Indien dit punt niet wordt geregeld in de aangekondigde AMvB dan adviseert de Raad hierover een bepaling in het wetsvoorstel op te nemen.

    Aan de adviescommissie worden geen bevoegdheden toegekend. Het is de vraag of de adviescommissie daarmee niet te zeer wordt beperkt in haar mogelijkheden. De Raad acht het gewenst dat dit nader wordt geregeld in de AMvB.
    Publicatie van het rapport van de adviescommissie kan een inbreuk opleveren op rechten van niet verdachte betrokkenen en andere derden die in het dossier voorkomen.

    Indien de leden van de adviescommissie hun – mogelijk van de commissie afwijkende – persoonlijke standpunt tegenover de media mogen ventileren, kan dit (ernstig) afbreuk doen aan het advies en het gezag van de commissie en kunnen daardoor nieuwe verwikkelingen in een mogelijk toch al gevoelige herzieningsprocedure kunnen ontstaan.

    Anders dan bij de herziening ten nadele wordt niet gesteld dat particuliere opsporing niet is toegestaan. Particuliere opsporing doet zich niet alleen voor met het oog op herziening ten nadele. Als door particulieren onderzoek wordt gedaan om een herziening ten voordele te bewerkstelligen, kunnen ook fundamentele rechten worden geschonden, bijvoorbeeld van iemand van wie terecht of ten onrechte wordt vermoed dat hij de werkelijke dader is (zoals de klusjesman in de Deventer moordzaak). De Raad acht het daarom gewenst dat ook bij de herziening ten voordele op dit punt een regeling tot stand komt.

    Herziening ten nadele
    In de toelichting wordt gesteld dat particuliere opsporing hierbij niet is toegestaan. Tegelijk wordt onderkend dat in de praktijk met het oog hierop toch door particulieren onderzoek wordt gedaan. De resultaten van dergelijk onderzoek worden alleen uitgesloten bij de beoordeling van een herzieningsaanvraag en als bewijsmiddel in de strafzaak als bij dat onderzoek een inbreuk is gemaakt op een fundamenteel recht van de gewezen verdachte. Dit roept bij de Raad vragen op die in het wetsvoorstel niet worden beantwoord. Onder andere de vraag of particuliere opsporing in deze context anders moet worden behandeld dan in de commune strafvordering? En waarom wordt hier – anders dan bij art. 359a Sv – uitdrukkelijk gekozen voor een bepaalde sanctie (bewijsuitsluiting)?

    Gevolgen voor de werklast
    De Raad gaat ervan uit het wetsvoorstel zal leiden tot een toename van het aantal aanvragen voor herziening ten voordele van de gewezen verdachte. Daarnaast zullen vooral de nieuwe mogelijkheden tot inzet van de rechters-commissarissen en de omvang van de door hen te verrichten onderzoeken tot werklastverzwaring leiden. Daarnaast zullen naar verwachting meer aanvragen gegrond worden verklaard en naar een gerechtshof worden verwezen. Verwacht wordt dat in de eerste jaren na de invoering van het wetsvoorstel meer herzieningaanvragen zullen worden ingediend dan in de jaren daarna en dat dit in de eerste jaren ook zal leiden tot een groter aantal aanvragen waarin door de Procureur-generaal of door de Hoge Raad aan de rechter-commissaris een opdracht tot nader onderzoek wordt gegeven, dan in de jaren daarna. De eventuele werklastgevolgen van de in te voeren herziening ten nadele, blijven in het advies buiten beschouwing.

  • Advies Voorontwerp voor een Insolventiewet (pdf, 105,2 KB)

    Het voorontwerp voor een Insolventiewet is opgesteld door de Commissie Insolventierecht en behelst een nieuwe regeling voor het gehele insolventierecht. In het advies spreekt de Raad voor de rechtspraak enerzijds zijn waardering uit voor het werk van de Commissie, maar maakt anderzijds vanuit het oogpunt van de positie en de praktijk van de Rechtspraak bezwaar ten aanzien van het nut en de noodzaak van de voorgestelde wetswijziging. De Raad maakt onder andere bezwaar tegen de voorgestelde regeling van het toezicht in insolventies en tegen het laten vervallen van het "goede trouw"-criterium bij schuldsaneringen.

  • Aanvullend advies Wetsvoorstel versterking positie slachtoffer (30 143) - verplichte aanwezigheid ouders (pdf, 118,2 KB)

    Het wetsvoorstel Versterking positie slachtoffer kan leiden tot een stijging van het aantal aanhoudingen in jeugdstrafzaken. Het wetsvoorstel voorziet in verplichte aanwezigheid van beide ouders van jeugdige verdachten bij de behandeling van de zaak ter zitting. De praktijk laat echter zien dat in veel zaken maar één ouder verschijnt. De Raad voor de rechtspraak heeft de Minister van Justitie per brief gevraagd deze boodschap aan de Eerste Kamer over te brengen.

  • Advies conceptwetsvoorstel geschillencommissie auteursrecht (pdf, 61,8 KB)

    Het wetsvoorstel strekt ertoe de minister van Justitie de bevoegdheid toe te kennen tot instelling van een geschillencommissie voor de beslechting van geschillen tussen collectieve beheersorganisaties en betalingsplichtigen over de hoogte en de toepassing van een deel van de door collectieve beheersorganisaties in rekening gebrachte vergoedingen. Een aantal van bedoelde vergoedingen wordt hiervan uitgesloten. Elk der partijen kan het initiatief nemen om het geschil aan de commissie voor te leggen. Indien de geschillencommissie een uitspraak heeft gedaan, kan elk der partijen ervoor kiezen het geschil alsnog aan de rechter voor te leggen. Als geen van hen dit binnen drie maanden na uitspraak van de geschillencommissie doet, worden zij geacht hetgeen in die uitspraak is vastgesteld te zijn overeengekomen. Partijen kunnen er ook voor kiezen hun geschil rechtstreeks aan de civiele rechter voor te leggen. In dat geval stelt de rechter de geschillencommissie in de gelegenheid advies uit te brengen, tenzij hij van oordeel is dat hij ook zonder dit advies kan beslissen. Het wetsvoorstel is opgesteld op basis van het onderzoeksrapport ‘Geschillenbeslechting en collectief rechtenbeheer’.

    De Raad acht de in het onderzoeksrapport gemaakte analyse van de problemen, die in de huidige situatie spelen bij de berechting van de onderhavige geschillen door de civiele rechter, niet overtuigend. In de eerste plaats wordt een kwantitatieve onderbouwing gemist. In de tweede plaats ontbeert het rapport een analyse van de verschillende oplossingrichtingen. Er is door de onderzoekers niet gekeken naar minder ingrijpende en minder kostbare alternatieven voor de oprichting van een geheel nieuw instituut voor geschillenbeslechting. De Raad adviseert de met het wetsvoorstel gemaakte keuzes in heroverweging te nemen of in ieder geval beter te onderbouwen. Vooralsnog heeft de Raad zijn twijfels over nut en noodzaak van de voorgestelde instelling van de geschillencommissie. Een belangrijker bijdrage aan de oplossing van de gesignaleerde problematiek zal het wetsvoorstel kunnen leveren door een einde te maken aan de huidige situatie dat een duidelijk normatief kader voor het vaststellen en toetsen van tarieven ontbreekt. Waar het wetsvoorstel dit knelpunt wegneemt, juicht de Raad dit toe.

  • Concept wetsvoorstel Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (pdf, 32,9 KB) (met bijlage (pdf, 12,5 KB) 

    Het wetsvoorstel regelt diverse onderwerpen naar aanleiding van het rapport van de Commissie Evaluatie Modernisering Rechterlijke Organisatie (Commissie-Deetman). Het wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van enkele op- en aanmerkingen.

  • Advies conceptwetsvoorstel aanpassing van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven met het oog op uitbreiding van de categorieën van personen die recht hebben op een uitkering uit het fonds en verruiming van de gevallen waarin men aanspraak kan maken op een dergelijke uitkering en enkele andere aanpassingen (pdf, 55,6 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt uitbreiding van het aantal personen dat in aanmerking komt voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.  Daartoe wordt in de eerste plaats het begrip "nabestaanden" uitgebreid met bloedverwanten van de overledene in de eerste graad en in de tweede graad in de zijlijn. In de tweede plaats wordt de mogelijkheid geopend voor nabestaanden en (andere) personen die een nauwe band met het slachtoffer van een geweldsmisdrijf hebben om een uitkering te verkrijgen die strekt tot vergoeding van zogeheten ‘shockschade’.

    Verder wordt de Wet gebracht binnen het toepassingsbereik van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarmee de thans bestaande verzoekschriftprocedure bij het gerechtshof ’s-Gravenhage wordt vervangen door een beroep op de bestuursrechter in de rechtbank. Tot slot wordt voorgesteld het Wetboek van Strafvordering uit te breiden met een regeling met betrekking tot bemiddeling tussen slachtoffer en verdachte of tussen slachtoffer en veroordeelde.

    Het wetsvoorstel regelt dat aan een bredere kring van personen een recht op uitkering uit het fonds wordt toegekend. Het valt de Raad op dat daarbij voor een andere afbakening en terminologie is gekozen dan in het momenteel bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel Affectieschade. Om onduidelijkheid over de gehanteerde begrippen te voorkomen, adviseert de Raad hierop in de toelichting bij het wetsvoorstel nader in te gaan. De uitbreiding van de kring van gerechtigden tot een uitkering uit het schadefonds zal leiden tot een toename van het aantal aanvragen en beslissingen daarop, en daarmee tot een toename van het aantal beroepen tegen die beslissingen. Het is de inschatting van de Raad, dat het feit dat het wetsvoorstel geen strikte afbakening van de groep van gerechtigden geeft – ook "andere personen" die een "affectieve relatie" met het slachtoffer hadden/hebben wordt het recht op een uitkering uit het fonds toegekend – de neiging zal versterken om de grenzen van de nieuwe regeling te verkennen. Dit zal een versterkend effect hebben op de verwachte toename van het aantal zaken en tevens van invloed zijn op de bewerkelijkheid van de zaken. Zeker in de beginperiode zal jurisprudentie moeten worden gevormd die nadere invulling geeft aan genoemde open normen. De verwachte effecten voor de werklast worden in het advies nader uitgewerkt. Terzijde stelt de Raad vast dat zijn eerdere advies (2002/2) over het wetsvoorstel Affectieschade geen gelding meer toekomt omdat dit wetsvoorstel nadien dusdanig is gewijzigd dat het substantiële werklastgevolgen zal hebben.

  • Aankondiging advies positie slachtoffer (pdf, 20,7 KB)

    ​In december 2007 is bij het wetsvoorstel Versterking positie slachtoffer (30143) een amendement aangenomen dat ouders van minderjarige verdachten verplicht om ter zitting aanwezig te zijn. Wordt aan deze verplichting niet voldaan dan moet – kort gezegd – de rechter de behandeling aanhouden en de medebrenging van de ouders bevelen. De Raad is niet in de gelegenheid gesteld te reageren op dit amendement. De Raad is voornemens om hierover rechtstreeks aan de Eerste Kamer een (nader) advies uit te brengen.

  • Kleine wijzigingen in Wetboek van Strafvordering (pdf, 33,6 KB)

    In het advies gaat de Raad in op een aantal knelpunten rondom de Promis-methode, de termijn waarbinnen een uitspraak moet worden gedaan en de mogelijkheid om op andere dan schriftelijke wijze een rechtsmiddel in te stellen.

  • Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (pdf, 54,2 KB)

    Het alcoholslotprogramma zal een nieuwe maatregel worden in het kader van de zogenaamde vorderingsprocedure op basis van de artikelen 130 en volgende van de Wegenverkeerswet 1994. Deze procedure heeft tot doel vast te stellen of een bestuurder nog beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid om een rijbewijsplichtig motorrijtuig te besturen. Vervolgens wordt in het kader van deze procedure vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid aan de betrokken bestuurder een passende maatregel opgelegd waardoor deze veilig aan het verkeer kan deelnemen of (tijdelijk) niet aan het verkeer mag deelnemen. Het wetsvoorstel voorziet in de aanpassingen van de Wegenverkeerswet 1994 om invoering van het alcoholslotprogramma mogelijk te maken. In de memorie van toelichting zou nadrukkelijker aandacht besteed kunnen worden aan de relatie van het wetsvoorstel met het wetsvoorstel inzake het puntenrijbewijs. In dat laatste wetsvoorstel wordt er immers in voorzien dat een rijbewijs van rechtswege ongeldig wordt na een onherroepelijke afdoening van een alcoholovertreding binnen vijf jaar, indien bij die tweede alcoholovertreding sprake is van een ademalcoholgehalte van 1 promille (straks 1,3 promille) of hoger. Het wordt uit de toelichting niet duidelijk wat de zin van het automatisch ongeldig worden van het rijbewijs is als men vervolgens met een alcoholslot(programma) mag gaan rijden.

    In de memorie van toelichting wordt aandacht besteed aan de samenloop tussen een strafrechtelijke rijontzegging en de voorgestelde maatregel van deelname aan het alcoholslotprogramma. Bestaat echter niet de kans dat – ondanks richtlijnen van het Openbaar Ministerie in andere zin – anders gestraft gaat worden in gevallen waarin het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen besluit tot oplegging van het alcoholslotprogramma onder gelijktijdige ongeldigverklaring van het rijbewijs? Aan een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid bestaat geen behoefte het rijbewijs van verdachte al ongeldig is verklaard. De Raad adviseert over dit punt meer duidelijkheid te geven in de memorie van toelichting. Daarnaast heeft de Raad nog een aantal op- en aanmerkingen van meer technische aard.

  • Uitvoering Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (pdf, 29,9 KB)

    Het wetsvoorstel dient ter uitvoering van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (het “Verdrag”). Het Verdrag beoogt een bijdrage te leveren aan de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. De Raad heeft, behoudens beperkt technisch commentaar, geen op- en aanmerkingen op dit conceptwetsvoorstel.

  • Ontwerp-AMvB Gelijkstelling Bachelor HBO-Rechten voor de toegang tot gereglementeerde juridische beroepen (pdf, 19,1 KB)

    Het Besluit strekt er toe om de graad van bachelor, verleend op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding HBO-Rechten aan een hogeschool, gelijk te stellen met de aan een universiteit behaalde graad van bachelor op het gebied van het recht, op voorwaarde dat degene die de graad van bachelor na afronding van de opleiding HBO-Rechten heeft verkregen, tevens aan een universiteit met goed gevolg de tentamens van de tot een schakelprogramma behorende onderwijseenheden heeft afgelegd.

    De Raad stemt gaarne in met het Besluit. Voor het overige geeft het Besluit geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Concept-AMvB inzake kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (pdf, 51,3 KB)

    De AMvB dient ter uitwerking van een tweetal bepalingen in het wetsvoorstel Wijziging van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (het “Wetsvoorstel”). Het betreft de uitwerking van de kwaliteitseisen die op grond van het Wetsvoorstel bij algemene maatregel van bestuur aan deskundigen kunnen worden gesteld en de opzet van het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen. Tevens is de gedragscode deskundigen (de “Gedragscode”) ter advisering voorgelegd. Met de Gedragscode is beoogd de kernwaarden die gelden voor deskundigen nader uit te werken. De Gedragscode kent een zogenaamd flexibel systeem, en zal in de toekomst telkens waar nodig aangepast worden.

    Zoals nader uitgewerkt in de conceptnota van toelichting bij de AMvB is het om diverse redenen noodzakelijk dat het College dat het deskundigenregister beheert onafhankelijk van de minister van Justitie functioneert. De Raad onderschrijft deze onafhankelijke positie en de onderliggende argumentatie vanuit het perspectief van de Rechtspraak. De Raad kan dan ook niet volgen waarom in de artikelen 11 en 12 van de AMvB ervoor gekozen is de benoeming, de bevordering, de schorsing en het ontslag van de secretaris en de medewerkers van het bureau dat het College ondersteunt, onder gezag en verantwoordelijkheid van de minister van Justitie te laten plaatsvinden. De Raad stelt zich derhalve op het standpunt dat ook de secretaris en de bureaumedewerkers onafhankelijk moeten zijn van de minister van Justitie en dringt er op aan dat in de AMvB een organisatievorm wordt uitgewerkt die dat mogelijk maakt. Daarnaast heeft de Raad nog een aantal opmerkingen van – min of meer –  technische aard.

  • Concept-AMvB inzake kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (pdf, 51,3 KB)

    De AMvB dient ter uitwerking van een tweetal bepalingen in het wetsvoorstel Wijziging van Strafvordering tot verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (het “Wetsvoorstel”). Het betreft de uitwerking van de kwaliteitseisen die op grond van het Wetsvoorstel bij algemene maatregel van bestuur aan deskundigen kunnen worden gesteld en de opzet van het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen. Tevens is de gedragscode deskundigen (de “Gedragscode”) ter advisering voorgelegd. Met de Gedragscode is beoogd de kernwaarden die gelden voor deskundigen nader uit te werken. De Gedragscode kent een zogenaamd flexibel systeem, en zal in de toekomst telkens waar nodig aangepast worden.

    Zoals nader uitgewerkt in de conceptnota van toelichting bij de AMvB is het om diverse redenen noodzakelijk dat het College dat het deskundigenregister beheert onafhankelijk van de minister van Justitie functioneert. De Raad onderschrijft deze onafhankelijke positie en de onderliggende argumentatie vanuit het perspectief van de Rechtspraak. De Raad kan dan ook niet volgen waarom in de artikelen 11 en 12 van de AMvB ervoor gekozen is de benoeming, de bevordering, de schorsing en het ontslag van de secretaris en de medewerkers van het bureau dat het College ondersteunt, onder gezag en verantwoordelijkheid van de minister van Justitie te laten plaatsvinden. De Raad stelt zich derhalve op het standpunt dat ook de secretaris en de bureaumedewerkers onafhankelijk moeten zijn van de minister van Justitie en dringt er op aan dat in de AMvB een organisatievorm wordt uitgewerkt die dat mogelijk maakt. Daarnaast heeft de Raad nog een aantal opmerkingen van – min of meer –  technische aard.

  • Aanpassing Besluit schadefonds geweldsmisdrijven (pdf, 12,8 KB)

    De Aanpassing ziet op de verhoging van de bedragen die de commissie, die belast is met het beheer van het schadefonds geweldsmisdrijven, hanteert voor de uitkeringen uit het fonds. De Aanpassing geeft geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen.

    (2008/19) Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen (26 mei 2008)
    Besluit toezicht telefoongesprekken justitiële inrichtingen (PDF, 14 kB)
    Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) heeft Nederland bij arrest van 27 april 2004 veroordeeld voor de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In zijn arrest oordeelde het EHRM dat telefoongesprekken van de klagende gedetineerde langer werden opgeslagen dan toegestaan volgens de huisregels. Tevens was het EHRM van oordeel dat de regelgeving omtrent het bewaren en ter beschikking stellen van opgenomen gesprekken onvoldoende helder was.

    Bij een wijziging van de penitentiaire beginselenwetten en andere wetgeving is aan de bezwaren van het EHRM tegemoet gekomen. In het Besluit wordt een nadere uitwerking gegeven van regels over de bewaarduur van de in justitiële inrichtingen opgenomen gesprekken en de verstrekking daarvan aan derden. Het conceptbesluit geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Advies inzake beleidsbrief 'Naar een effectievere asielprocedure en een effectiever terugkeerbeleid' (pdf, 40,6 KB)

    Bij brief van 15 mei 2008 heeft de Raad voor de rechtspraak advies uitgebracht inzake de beleidsbrief “Naar een effectievere asielprocedure en een effectiever terugkeerbeleid”. In de beleidsbrief worden aanpassingen voorgesteld om te komen tot een effectievere asielprocedure en een effectiever terugkeerbeleid. De Raad is thans in de gelegenheid gesteld om te bezien welke gevolgen de beleidsvoorstellen voor de rechterlijke organisatie heeft. De Raad hecht er zeer aan dat te zijner tijd ook de aanpassingswetgeving ter advisering aan de Raad zal worden voorgelegd.

  • Ontwerpbesluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte (pdf, 14,6 KB)

    Bij brief van 15 mei 2008 heeft de Raad voor de rechtspraak advies uitgebracht inzake het ontwerpbesluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte.
    In dit besluit wordt een aantal onderwerpen uit de Wet Bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte uitgewerkt. Over deze Wet heeft de Raad bij brief van 1 april 2004 aan de Minister van Justitie (kenmerk: UIT 3563 / ONTW WSK) en bij brief van 7 juli 2004 aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie (kenmerk: UIT 4150 / ONTW WSK) geadviseerd.
    Het ontwerpbesluit geeft - behoudens een praktische opmerking - geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen.

  • Concept blauwdruk modern migratiebeleid (pdf, 81,3 KB)

    Bij brief van 15 mei 2008 heeft de Raad voor de rechtspraak advies uitgebracht inzake de concept blauwdruk modern migratiebeleid.

    De blauwdruk bevat een schets van het nieuwe toelatingsstelsel op basis waarvan de voor de uitvoering van het beleid noodzakelijke wetgeving kan worden opgesteld. Het gaat daarbij in ieder geval om aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen. De Raad wordt thans in de gelegenheid gesteld om te bezien welke gevolgen de beleidsvoorstellen voor de rechterlijke organisatie hebben. De Raad hecht er zeer aan dat te zijner tijd ook de aanpassingswetgeving ter advisering aan de Raad zal worden voorgelegd.

    In het advies wordt op enkele hoofdpunten van de blauwdruk ingegaan. Ook wordt een eerste indruk gegeven van de werklastconsequenties voor de Rechtspraak.

  • Wijziging van de Advocatenwet in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde (pdf, 37,2 KB)

    Het wetsvoorstel voorziet in de opneming in de Advocatenwet van de kernwaarden van de advocaat, die zullen gaan dienen als een toetsingskader voor de beroepsuitoefening door advocaten en zullen doorwerken in de beroepsregulering, de beroepsopleiding en de permanente opleiding. Verder wordt de mogelijkheid geopend om advocaten die geen advocatuurlijke werkzaamheden verrichten van het tableau te schrappen en wordt de regelgevende bevoegdheid van de Nederlandse Orde van Advocaten nader geregeld. Tot slot beoogt het voorstel de totstandkoming van een kwaliteitssysteem voor alle advocaten te bevorderen en worden advocatenkantoren verplicht zich aan te sluiten bij een klachten- en geschillenregeling.

    De Raad constateert dat het wetsvoorstel voorstellen behelst die tot belangwekkende verbetering dan wel verdere versterking van de advocatuur op deze punten kunnen leiden. Of die verbeteringen ook daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd, zal vanzelfsprekend vooral afhangen van het draagvlak daarvoor binnen de advocatuur. De discussie hierover zal de Raad met belangstelling volgen en daaraan, indien daartoe verzocht, vanuit het perspectief van de Rechtspraak graag een bijdrage leveren. Op hoofdlijnen worden de voorstellen onderschreven.

  • Wetsvoorstel elektronisch verkeer met bestuursrechter (pdf, 41,8 KB)

    Het ontwerpwetsvoorstel elektronisch verkeer met de bestuursrechter biedt een wettelijke basis voor de digitalisering van het beroepschrift en alle daarop volgende communicatie tussen appellant, verweerder en bestuursrechter door afdeling 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren op het verkeer met de bestuursrechter. Deze afdeling 2.3 bevat verschillende regels voor het elektronische verkeer tussen burgers en bestuursorganen en met het wetsvoorstel wordt het toepassingsbereik daarvan verbreed naar het beroep. Het wetsvoorstel voorziet in een grote behoefte in de rechtspraktijk. De Raad vraagt in zijn advies aandacht voor de volgende onderwerpen: de mogelijkheid om procespartijen regels voor te schrijven via procesregelingen, de verhouding met wet- en regelgeving voor digitale toegankelijkheid in het civiele recht en de mogelijkheid uitspraken in digitale vorm op te maken. Daarnaast heeft de Raad nog een aantal tekstuele en technische opmerkingen."

  • Concept wetsvoorstel structurele maatregelen wanbetalers (pdf, 102,1 KB)

    Het wetsvoorstel gaat over wanbetalers die onder bepaalde omstandigheden van een privaatrechtelijke premie (te betalen aan de verzekeraar) overgaan naar een bestuursrechtelijke premie (te betalen aan het CVZ). De rechtsbescherming van de verzekeringsnemer is in het wetsvoorstel hoofdzakelijk neergelegd bij de civiele rechter (in het voorgesteld artikel III wordt de bestuursrechtelijk route uitgezonderd). Het betreft met name de overgang van de privaatrechtelijke premie naar de bestuursrechtelijke premie en omgekeerd de terugkeer naar de privaatrechtelijke premie.

    De wijze waarop het CVZ de premie int wordt gezien als een op rechtgevolg gericht besluit en daartegen kan de verzekeringsnemer in bezwaar (bij het CVZ) en beroep bij de bestuursrechter komen.

    In het advies van de Raad voor de rechtspraak is - kort samengevat - het volgende opgenomen. Indien er bij het bestuursorgaan (hier het CVZ) enige beleidsruimte is dan is bestuursrechtelijke rechtsbescherming geboden. In het wetsvoorstel hangt het ervan af hoe het begrip "evident onjuist" in het kader van de marginale toets wordt uitgelegd. Als dit begrip eng wordt uitgelegd en er zo geen beleidsruimte voor het bestuursorgaan is, dan is bestuursrechtelijke rechtsbescherming niet aan de orde.

  • Wetgevingstraject inzake de implementatie van de Europese Dienstenrichtlijn (pdf, 56,6 KB)

    Het wetgevingstraject inzake de implementatie van de Europese Dienstenrichtlijn bestaat uit drie componenten:

    1. De eerste component betreft het wetsvoorstel waarover het bijgevoegde advies gaat. Dit wetsvoorstel implementeert de hoofdverplichtingen van de Dienstenrichtlijn en regelt de reikwijdte van de implementatiewetgeving.
    2. De tweede component wordt gevormd door de Aanpassingswet, die de relevante sectorwetgeving in overeenstemming brengt met dit wetsvoorstel en de Dienstenrichtlijn en eventuele aanvullingen en verbeteringen op het ter advisering voorliggend wetsvoorstel aanbrengt.
    3. De derde component bestaat uit een Veegwet.

    In het advies wordt in algemene zin op de werklastconsequenties van het wetsvoorstel ingegaan. De cijfermatige onderbouwing zal plaatsvinden op het moment dat de Raad geconsulteerd wordt over de tweede en derde component van het wetgevingstraject.

    Middels voorliggend wetsvoorstel wordt de lex silencio positivo in de Awb opgenomen. De gevolgen van de lex silencio positivo zijn afhankelijk van de wet- en regelgeving waarop de lex silencio positivo te zijner tijd van toepassing wordt verklaard.

  • Advies wijziging Tracéwet, Spoedwet wegverbreding en Wet ruimtelijke ordening (pdf, 31,6 KB)

    ​Op 12 maart 2008 heeft de Raad voor de rechtspraak advies uitgebracht inzake het concept wetsvoorstel betreffende de wijziging van de Tracewet, Spoedwet wegverbreding en Wet ruimtelijke ordening met het oog op de verbetering van de beroepsprocedure. Naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2007, waarin werd geoordeeld dat het in geding zijnde tracébesluit vernietigd moest worden, is de vraag ontstaan of het voor de bestuursrechter niet mogelijk gemaakt zou moeten worden om in plaats van een vernietiging uit te spreken, het bestuursorgaan op te dragen de geconstateerde gebreken (binnen een bepaalde termijn) te herstellen, waarna de bestuursrechter zijn einduitspraak doet (de bestuurlijke lus). Niet alleen moet deze constructie volgens het onderhavige wetsvoorstel een mogelijkheid scheppen voor de Afdeling, maar ook in eerste aanleg voor de rechtbanken waar het betreft de projectbesluiten in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (WRO). In het advies wordt aangesloten bij een eerder uitgebracht advies van de Raad (advies van de Raad dd. 19 oktober 2006, kenmerk UIT 9624/ONTW WR) over het concept wetsvoorstel inzake de aanpassing van het bestuursprocesrecht. De tweedeling in de rechterlijke behandeling zal in de betreffende zaken een verzwaring van de werklast inhouden. Naar de mening van de Raad kan op dit moment geen onderbouwde inschatting van de gevolgen voor de werklast gemaakt worden. De Raad behoudt zich het recht voor om hier zonodig op een later moment op terug te komen.

  • Advies aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging voor bunkerolie en wijziging van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen en de Wet schadefonds olietankschepen (pdf, 32,4 KB)

    Op 10 maart heeft de Raad advies uitgebracht inzake het conceptwetsvoorstel betreffende aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging voor bunkerolie en wijziging van de Wet aansprakelijkheid olietankschepen en de Wet schadefonds olietankschepen. In het advies wordt ingegaan op rechtspraak in twee feitelijke instanties en concentratie van rechtspraak. Verder gaat de Raad er vanuit dat de wetswijziging een verwaarloosbaar aantal extra zaken oplevert. De Raad verwacht daarom geen gevolgen voor de werklast.

  • Advies schadecompensatie in verband met strafvorderlijk overheidsoptreden (pdf, 62,7 KB)

    ​Doel van het wetsvoorstel is om de rechtspositie van burgers die schade hebben geleden door strafvorderlijke overheidsoptreden te verbeteren door de invoering van een specifieke, laagdrempelige schadecompensatieregeling. De Raad voor de rechtspraak onderschrijft het advies dat de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) op 28 januari 2008 over dit wetsvoorstel heeft uitgebracht. De Raad voor de rechtspraak heeft op enkele punten een aanvulling op het advies van de NVvR gegeven.

  • Ontwerpwetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1993, de Wet op het LSOP en enkele andere wetten (pdf, 24,3 KB)

    In het Wetsvoorstel is onder meer voorzien in een wettelijke grondslag voor vrijheidsbeneming in geval van hulpverlening, tegen hun wil, aan personen die in hun geestesvermogens zijn gestoord. De toepassing van de bevoegdheid is gekoppeld aan het doen van onderzoek naar de vraag of toepassing moet worden gegeven aan artikel 20 van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (de “Wet bopz”). Met deze bepaling wordt een in de praktijk ervaren leemte in de wetgeving, die ook in het eindrapport van de derde evaluatiecommissie van de Wet bopz is geconstateerd, opgevuld. Gelijktijdig is voorzien in een grondslag in de Wet bopz om vrijheidsbeneming voorafgaand aan inbewaringstelling op grond van artikel 20 van die wet te regelen. Het wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Advies nota verkenning DNA-onderzoek (pdf, 25,6 KB)

    De nota houdt kort samengevat in dat het gebruik van het DNA-onderzoek verder wordt geoptimaliseerd, hetzij binnen de huidige DNA-wetgeving, hetzij door aanpassing van deze wetgeving. De Raad merkt allereerst op dat het gebruik van DNA in strafrechtelijke procedures de laatste jaren een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt. De onderwerpen die in de notitie aan de orde komen zijn van grote betekenis voor de rechtspleging. Op basis van de nota kan echter nog niet nauwkeurig worden bepaald welke gevolgen de voorstellen voor de werkbelasting van de rechtspraak hebben. De Raad kan pas een inschatting maken als deze zijn uitgewerkt in concrete (wets)voorstellen. 

  • Advies Conceptvoorstel van Wet tot wijziging van de beginselenwetten in verband met de verruiming van de mogelijkheid een geneeskundige handeling onder dwang te verrichten (pdf, 28,4 KB)

    Het wetsvoorstel voorziet in een regeling om de uitgebreide bevoegdheden tot toepassing van dwangbehandeling ook mogelijk te maken in het gevangeniswezen bij gedetineerden met een psychiatrische stoornis. De Raad plaatst een aantal kleinere op- en aanmerkingen bij dit conceptwetsvoorstel.

  • Advies conceptvoorstel van rijkswet Wijziging Wetboek van Militair Strafrecht in verband met het opnemen van een strafuitsluitingsgrond voor rechtmatig geweldgebruik door militairen (pdf, 61,9 KB)

    De voorgestelde wijziging is een nadere uitwerking van één van de aanbevelingen van de Commissie evaluatie toepassing militair strafprocesrecht bij uitzending en ziet op het opnemen van een specifieke wettelijke bepaling in het Wetboek van Militair Strafrecht tot vrijwaring van straf voor rechtmatig geweldgebruik door militairen.

    De Raad adviseert dat bescherming tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid van de militair, die rechtmatig geweld gebruikt ook naar geldend recht voldoende gewaarborgd is. Voor zover verduidelijking wordt beoogd, kan dit beter geschieden door in de huidige tekst van artikel 38 van het Wetboek van Militair Strafrecht de woorden ‘in tijd van oorlog’ te vervangen door ‘in een gewapend conflict’. De voorgestelde wijziging van artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is, hoezeer de actualisering van het begrip ‘oorlog’ ook is gewenst, onvoldoende onderzocht op onbedoelde gevolgen.

  • Advies conceptwijziging Reglement verpleging ter beschikking gestelden (pdf, 17,6 KB)

     

    De voorgestelde wijziging betreft allereerst een technische aanpassing van de bepaling betreffende het vervallen van de verlofmachtiging. Daarnaast is een verlenging van de proef met een elektronisch volgsysteem tijdens verlof opgenomen in het Reglement. De wijzigingen geven de Raad geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Advies beëdigde tolken en vertalers (pdf, 19,2 KB)

    Het Ontwerpbesluit beëdigde tolken en vertalers bevat regels omtrent de wijze waarop tolken en vertalers kunnen aantonen dat zij voldoen aan de eisen die de Wet beëdigde tolken en vertalers stelt. Het besluit geeft geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Evaluatie wet BOPZ (pdf, 19,5 KB)

     

    De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft bij brief van 4 september 2008 advies uitgebracht over de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie. De Raad onderschrijft dit advies.​

  • Advies vooraanvraag Nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (pdf, 51,1 KB)

    Op 11 januari 2008 heeft de Raad advies uitgebracht inzake het Voorontwerp Nadeelcompensate en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. De Raad heeft het Voorontwerp door een werkgroep samengesteld uit civiele- en bestuursrechter laten bezien.

    Het advies bestaat uit twee onderdelen, de nadeelcompensatie en de schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. In het advies wordt in algemene zin op de werklastconsequenties van het Voorontwerp ingegaan. Cijfermatige onderbouwing zal plaatsvinden op het moment dat de Raad geconsulteerd wordt over het wetsvoorstel dat zal volgen op het Voorontwerp.

 

 

 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via
Stel uw vraag via

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m vrijdag tussen 8.00 en 20.00 uur.

Veelgestelde vragen aan het Rechtspraak Servicecentrum