Laden...

Wetgevingsadvies 2021

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2021

 Wetgevingsadvies 2021

>Alles uitklappen
  • Het wetsvoorstel voorziet in publiekrechtelijk toezicht en handhaving op de bepalingen van de Europese platform-to-business verordening door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM), aanvullend op de civielrechtelijke handhaving en de mogelijkheden tot buitengerechtelijke handhaving. De verordening is van toepassing op de relatie tussen platforms (onlinetussenhandelsdiensten) en ondernemers (zakelijke gebruikers), legt transparantievereisten op aan deze platforms en bouwt waarborgen in voor effectieve geschillenbeslechting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een verduidelijking van de verhouding tussen de bepalingen van de verordening inzake collectieve rechtsvorderingen en de bepalingen in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarover.

    Tegen besluiten van de ACM inzake dit Wetsvoorstel staat beroep in eerste aanleg bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven open. De Raad kan zich in deze concentratie van rechtsmacht vinden. Voor wat betreft de gevolgen voor civiel wordt verwezen naar het onderdeel omtrent de geografische-territoriale aanknopingsfactoren in een eerder door de Raad uitgebracht advies over het wetsvoorstel Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten.

  • In het wetsvoorstel worden de Uitvoeringswet EG-bewijsverkrijgingsverordening, de Uitvoeringswet EG-betekeningsverordening en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast aan de nieuwe Bewijsverkrijgings- en Betekeningsverordeningen van 25 november 2020. De Bewijsverkrijgingsverordening gaat over grensoverschrijdende samenwerking van gerechten van verschillende lidstaten, met als doel bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken. De Betekeningsverordening bevat procedures voor de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken. De aanpassingen zien met name op verdere digitalisering. In de Bewijsverkrijgings- en Betekeningsverordening is geregeld dat de Europese Commissie zogeheten referentie-implementatiesoftware zal ontwikkelen. Dit is een software-oplossing die lidstaten kunnen gebruiken als verbindende aansluiting tussen de nationale systemen en e-CODEX, een bestaande Europese digitale technische oplossing voor snelle, betrouwbare en veilige online grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tussen bevoegde justitiële autoriteiten in een groeiend aantal grensoverschrijdende juridische procedures.

    De Raad beschouwt de keuze voor het gebruik van de Europese referentie-implementatiesoftware of een maatwerk aansluiting als een beslissing die de Rechtspraak zelf dient te nemen. Om deze reden verzoekt de Raad om de MvT op dit punt aan te passen, opdat de Rechtspraak te allen tijde vanuit haar onafhankelijke positie ‘eigen keuzes’ kan nemen ten aanzien van haar werkprocessen en systemen. M.b.t. de keuze voor een alternatieve wijze van verzending is de Raad van mening dat gekozen moet worden voor een techniek neutrale benadering. De Raad adviseert daarom om ‘veilig mailen’ niet specifiek te benoemen in de MvT en dezelfde formulering aan te houden als de artikelen uit de verordeningen. De voorgestelde mogelijkheid voor de verschenen partij om voor de betekening of kennisgeving van stukken in de loop van de procedure gebruik te maken van e-mail naar een specifiek e-mail adres roept voorts vragen op en is niet techniek neutraal. Het wetsvoorstel brengt naar verwachting aanzienlijke kosten met zich mee op IT-gebied.

  • Als gevolg van de Wet implementatie EETS-richtlijn, waarmee Richtlijn (EU) 2019/520 (de EETS-richtlijn) wordt geïmplementeerd, moet de vigerende Wet tijdelijk tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15 worden gewijzigd. Daarnaast moet naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad over het gebruik van technische hulpmiddelen voor de registratie van motorrijtuigen de wet worden aangepast. Verder worden in het wetsvoorstel enkele technische wijzigingen doorgevoerd die van belang zijn voor een goede uitvoering van de wet. De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen n.a.v. het wetsvoorstel en verwacht ook geen substantiële werklastgevolgen.

  • Met dit Wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de motie die de regering verzoekt om ‘doxing’ strafbaar te stellen.1 Strafbaar wordt gesteld het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van identificerende persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk een bepaald persoon vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te doen of hem in de uitoefening van zijn functie te belemmeren. De Raad benadrukt dat een nadere toelichting van de verschillende begrippen uit de strafbepaling aangewezen is. Ook wijst de Raad erop dat niet helder uit de MvT volgt wat precies de noodzaak is van deze strafbepaling, nu er veel overlap lijkt te bestaan met reeds bestaande strafbepalingen.

  • Het Wetsvoorstel beoogt belemmeringen weg te nemen bij het voor eigen rekening en risico plaatsen van oplaadpunten door appartementseigenaars verenigd in Verenigingen van Eigenaars (hierna:‘VvE’s’). Indien appartementseigenaars een oplaadpunt op een individueel parkeervak of op een gemeenschappelijke parkeergelegenheid willen plaatsen, moet het VvE-bestuur hiervan in kennis worden gesteld. Deze zogeheten ‘notificatie’ vervangt de benodigde toestemming van de VvE voor het plaatsen van een oplaadpunt indien het oplaadpunt volgens de voorwaarden uit de notificatieregeling is
    geplaatst.
    Ter voorkoming van discussie merkt de Raad op dat het raadzaam is om in de nog op te stellen algemene maatregel van bestuur of in de toelichting bij het wetsvoorstel te verduidelijken wie aansprakelijk is voor de herstelwerkzaamheden. De Raad gaat er verder vanuit dat de werklastgevolgen in financieel opzicht niet substantieel zullen zijn.
  • Deze wet voorziet in de oprichting van een Autoriteit die op kan treden tegen berichten op het internet met een terroristische inhoud. Zo kan de Autoriteit verwijderingsbevelen geven aan aanbieders van hostingdiensten en een last onder dwangsom en/of een bestuurlijke boete opleggen.
    In het advies wordt gewezen naar de verhouding tussen de bestuursrechtelijke bevoegdheden van de Autoriteit en die van het OM. Deze blijken nog onvoldoende helder te zijn. Ook wordt gewezen op het verschil in waarborgen tussen die bevoegdheden. Dat is vergelijkbaar met de punten die eerder naar voren zijn gebracht in het kader van het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak kinderporno grafisch materiaal. Verder wordt aandacht gevraagd voor onduidelijkheden in de formulering van de bestuursrechtelijke bevoegdheden en voor het feit dat de gegevensuitwisseling met de politie en het OM onder het regime van de Wjsg en de Wpg vallen en niet onder de AVG.
  • De Raad heeft reeds eerder geadviseerd over dit Wetsvoorstel op 6 november 2018. Nu wordt slechts gevraagd te adviseren over artikel IIIa. Dit artikel is aan het Wetsvoorstel toegevoegd ten gevolge van het door Tweede Kamer aangenomen amendement van het lid Van Wijngaarden. Het voorziet in een uitbreiding van art. 449 Wetboek van Strafrecht (‘Sr’). Naast de al bestaande strafbaarstelling van de bedienaar van een godsdienst die een religieus huwelijk voorafgaand aan een burgerlijk huwelijk sluit, wordt nu ook een strafbaarstelling van de huwelijkspartners zelf opgenomen (mits zij het huwelijk vrijwillig zijn aangegaan). Ook voorziet dit amendement in een zwaardere straf. De toevoeging van het derde lid aan 449 Sr is het gevolg van een subamendement van het lid Van Nispen. De Eerste Kamer heeft vragen over deze wijzigingen en heeft de regering gevraagd verschillende organisaties hierover te consulteren, waaronder de Raad. In het advies wijst de Raad erop dat de formulering van de strafbepaling niet in overeenstemming lijkt met de doelstelling ervan (tegengaan van huwelijkse gevangenschap). Verder wordt gewezen op mogelijke knelpunten bij de toepassing van de bepaling.
  • Het wetsvoorstel voorziet in een financiële verantwoordingsverplichting en bekendmakingsverplichting voor bestuurders en in de mogelijkheid om een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen in geval van misbruik van de turboliquidatie-regeling. De voorgestelde wijzigingen hebben een tijdelijk karakter en worden ingegeven door de COVID-19 epidemie. De verwachting bestaat immers dat, mede als gevolg van de economische gevolgen van de COVID-19 uitbraak, een aanzienlijk aantal ondernemers zal overwegen om zijn bedrijf te beëindigen door middel van de turboliquidatie-regeling, omdat het met deze regeling betrekkelijk snel en eenvoudig is om een rechtspersoon te beëindigen. De verwachte toename brengt volgens de toelichting ook tijdelijk een verhoogd risico op misbruik van deze beëindigingswijze met zich mee. Tegen deze achtergrond wordt met de voorgestelde tijdelijke aanpassingen beoogd de positie van schuldeisers bij turboliquidatie beter te beschermen, de transparantie te vergroten en misbruik tegen te gaan, en hiermee het vertrouwen in de turboliquidatie-regeling te vergroten en de turboliquidatie daarmee een toegankelijker instrument te maken voor ondernemers die hun bedrijf op deze wijze wensen te beëindigen.

    Het wetsvoorstel kan worden gezien als een verbetering ten opzichte van de huidige wetgeving, maar biedt evenwel niet de waarborgen die met het wetsvoorstel zijn beoogd. Ondanks het streven om onder meer de rechtsbescherming van schuldeisers te verbeteren, lijkt de positie van schuldeisers niet significant te worden verbeterd. De Raad is bovendien van mening dat de aanpassingen in artikel 2:19 BW e.v. niet alleen wenselijk zijn in verband met de gevolgen van de COVID-19 epidemie, maar noodzakelijk zijn omdat de huidige wetgeving niet voldoet. Wat de Raad betreft zou dan ook niet voor een tijdelijke wijziging moeten worden gekozen, maar zou de wet definitief moeten worden aangepast. De Raad constateert voorts dat aan de inhoud en controle van de te deponeren stukken in het wetsvoorstel geen eisen worden gesteld. Voorkomen moet worden dat de wet een tandeloze tijger wordt, omdat slechts op formaliteiten en niet op inhoud wordt gecontroleerd. De Raad is positief over de mededelingsverplichting, maar vindt de voorgestelde formulering te vrijblijvend. Ten aanzien van de mogelijkheid van het opleggen van een civielrechtelijk bestuursverbod bij misbruik van de turboliquidatie-regeling merkt de Raad tot slot op dat zolang het initiatief tot het verzoeken van een bestuursverbod bij het OM blijft liggen en de curatoren er geen financiering voor krijgen, er naar verwachting niet substantieel meer verzoeken tot oplegging van een bestuursverbod zullen komen. Gelet op het algemeen belang dat met het opleggen van bestuursverboden gediend is, verdient financiering van overheidswege volgens de Raad overweging.
  • Het wetsvoorstel voorziet in de instelling van een permanent, onafhankelijk, adviescollege voor toetsing van de ICT-projecten en informatiesystemen van de centrale overheid: het Adviescollege ICT-toetsing (het ‘Adviescollege’). Het Adviescollege is de permanente opvolger van het tijdelijk ingestelde Bureau ICT-toetsing (het ‘BIT’). Het Adviescollege krijgt een wettelijke adviestaak ten behoeve van de algehele verbetering van de beheersing van ICT-projecten en informatiesystemen van ministeries, zelfstandige bestuursorganen, politie en de Raad voor de rechtspraak. Het Adviescollege adviseert op verzoek van de minister die het aangaat of van een van beide kamers van de Staten-Generaal. Ook de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak kan, na overleg met de minister voor Rechtsbescherming, een verzoek om advies over een ICT-project of informatiesysteem bij het Adviescollege doen. Het Adviescollege kan ook uit eigen beweging een advies uitbrengen over een ICT-project of informatiesysteem van een ministerie of een zelfstandig bestuursorgaan. Naast zijn adviserende taken krijgt het Adviescollege een taak op het terrein van kennisoverdracht en kennisbevordering binnen het CIO-stelsel van de centrale overheid. In dat verband kan het Adviescollege ook algemene aanbevelingen geven die niet zien op specifieke projecten of informatiesystemen, maar die generiek worden gedaan vanuit de kennis en ervaringen die bij eerdere advisering is opgedaan.
    De Raad kan zich verenigen met het wetsvoorstel en spreekt daarvoor zijn waardering uit. Het wetsvoorstel voorziet in een meer directe relatie tussen de Rechtspraak en het Adviescollege ICT-toetsing dan voorheen tussen de Rechtspraak en het BIT. Waar voorheen geen directe adviesaanvraag bij het BIT gedaan kon worden, is nu voorzien in de mogelijkheid dat de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak ook zelf, na overleg met de minister voor Rechtsbescherming, een verzoek om advies kan doen bij het Adviescollege ICT-toetsing. De bijzondere rechtstatelijke positie van de Rechtspraak wordt in het wetsvoorstel voldoende gerespecteerd en afdoende beschreven

  • Het wetsvoorstel Wet continuïteit ondernemingen I introduceert een regeling op basis waarvan de rechtbank een beoogd curator of bewindvoerder en rechter-commissaris kan aanwijzen voor ondernemingen in financiële problemen. Over het wetsvoorstel heeft de Raad op 5 februari 2014 positief geadviseerd. Vervolgens is de behandeling van het wetsvoorstel stil komen te liggen door onduidelijkheden over de positie van werknemers als gevolg van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Ook de benoemingen van een beoogd curator of beoogd rechter-commissaris in de praktijk is nagenoeg stil komen te liggen. De behoefte in de praktijk naar een vorm van voorbereiding van bepaalde faillissementen bestaat echter nog steeds. De novelle beoogt het toepassingsbereik van het wetsvoorstel te beperken tot de gecontroleerde afwikkeling van faillissementen van ondernemingen met activiteiten van maatschappelijk belang. De Raad is positief over de novelle, omdat daarmee in ieder geval voor enkele specifieke gevallen aan de praktijk meer richting wordt gegeven. De Raad verwacht dat het voorgestelde artikel 363, eerste lid, Fw, voldoende duidelijkheid biedt omtrent de vraag voor welke ondernemingen de voorgestelde regeling is bedoeld. Ook verwacht de Raad dat de regeling voldoende stimulans voor bestuurders van ziekenhuizen zal vormen om bij een dreigend faillissement de rechtbank te verzoeken om een stil voorbereidingstraject onder leiding van een beoogd curator. Omdat het niet vooraf is te zeggen welke ondernemingen met maatschappelijke activiteiten een beroep op de regeling zullen doen, is het volgens de Raad belangrijk dat de novelle een kader schetst en voldoende flexibiliteit laat om in alle gevallen maatwerk te kunnen leveren. De zaken die uit de novelle voortvloeien zullen arbeidsintensief zijn en de novelle heeft dus werklastgevolgen voor de Rechtspraak. Omdat de Raad er op dit moment echter van uitgaat dat het aantal zaken zoals bedoeld in de novelle beperkt zal zijn, verwacht de Raad dat de extra werklast niet substantieel zal zijn.

  • Het wetsvoorstel implementeert richtlijn (EU) 2019/1151 en wijzigt Boek 2 BW en de Wet op het notarisambt. Het wetsvoorstel maakt online oprichting van besloten vennootschappen mogelijk, door onder meer mogelijk te maken dat de notariële oprichtingsakte op elektronische wijze kan worden verleden, op afstand van de notaris. Verschijnen voor de notaris kan via beeldverbinding in plaats van fysiek, tenzij er vermoeden bestaat van identiteitsfraude of twijfel over de handelingsbekwaamheid van de oprichter.
    De Raad voor de rechtspraak heeft geen inhoudelijke opmerkingen n.a.v. dit wetsvoorstel.
  • De Nota van Wijziging regelt dat het openbaar ministerie voortaan de burgerlijke rechter maatregelen kan vragen - onder meer bevriezing van gelden en verbeurdverklaring - wanneer een maatschappelijke organisatie donaties ontvangt en activiteiten ontplooit die gericht zijn op ondermijning van de Nederlandse democratische rechtsstaat. De Raad adviseert om niet alleen in de toelichting maar ook expliciet in de wettekst op te nemen dat hier een procedure bij de burgerlijke rechter wordt beoogd. Ook adviseert de Raad om artikel 4a lid 4 onder b meer toe te snijden op de procedure bij de burgerlijke rechter. Omdat de in de Nota van Wijziging genoemde zaken niet vaak zullen voorkomen verwacht de Raad geen significante werklastgevolgen voor de gerechten.

  • Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van richtlijn (EU) 2020/1828 van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten (de ‘Richtlijn’). De Richtlijn verplicht de lidstaten (i) een collectieve schadevergoedingsactie voor consumenten in te voeren en (ii) een lijst op te stellen van organisaties die collectieve acties in andere lidstaten kunnen beginnen. De Richtlijn is van toepassing bij een inbreuk op bepaalde regels van Unierecht, met inbegrip van de in nationaal recht omgezette bepalingen daarvan. Als een inbreuk op deze regels een groep consumenten raakt, kan een consumentenorganisatie een verbod of een schadevergoeding vragen voor deze groep. Omdat Nederland al met ingang van 1 januari 2020 de Wet Afwikkeling massaschade in een collectieve actie (de ‘WAMCA’) kent, is voor het omzetten van de Richtlijn ervoor gekozen om geen volledig nieuwe regeling op te stellen, maar de WAMCA op een aantal in de Richtlijn genoemde punten te wijzigen en aan te vullen.

    Hoewel het logisch en begrijpelijk is dat de Richtlijn wordt geïmplementeerd in de bestaande Nederlandse regeling voor collectieve vorderingen, leidt de omzetting van de Richtlijn in de WAMCA volgens de Raad tot een aantal (procedurele en praktische) complicaties. Ook vindt de Raad het ongelukkig dat de regeling voor dit soort vorderingen kort na elkaar twee keer ingrijpend wordt gewijzigd. De aanwijzing van organisaties voor grensoverschrijdende collectieve acties roept een aantal vragen op, waaronder de vraag of de aanwijzing een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit is in de zin van de Awb. Het wetsvoorstel leidt tot een verzwaring van de werklast van de gerechten.

  • Het wetsvoorstel strekt tot wijziging van de Faillissementswet om de Europese richtlijn betreffende herstructurering en insolventie van 20 juni 2019 (2019/1023) te implementeren (‘de Richtlijn’). De Richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het goede functioneren van de interne markt en de belemmeringen voor het vrije verkeer van kapitaal en de vestigingsvrijheid, die voortvloeien uit verschillen tussen nationale regelingen en procedures met betrekking tot herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld op te heffen. De Richtlijn vereist onder meer dat ondernemingen met financiële moeilijkheden toegang hebben tot een stelsel waarmee zij hun schulden kunnen herstructureren. Daarnaast moeten insolvente ondernemers (natuurlijke personen) een tweede kans kunnen krijgen in de vorm van een volledige kwijtschelding van hun schulden. Ook bevat de Richtlijn regels om insolventieprocedures efficiënt te laten verlopen en bepaalt de Richtlijn dat iedere lidstaat erin moet voorzien dat informatie over de effectiviteit van insolventieprocedures wordt verzameld.

    De in het wetsvoorstel opgenomen mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze en het meenemen hiervan in de salarisbeslissing, leidt tot een forse werklastverzwaring per zaak voor de rechter en de juridische ondersteuning. Het opvragen van zienswijzen en het meenemen hiervan in de salarisbeslissing gaat voor ieder faillissementsverzoek en ieder verzoek tot toelating tot de Wsnp gelden. Elke zienswijze moet worden beoordeeld en er moet gemotiveerd op worden beslist. Naar verwachting zal dit leiden tot een aanzienlijke extra werklast voor de gerechten. Een passender alternatief zou zijn dat de wetgever een drempel inbouwt of een criterium aanlegt voor meer specifieke gevallen waarin in de visie van de wetgever betrokkenen in elk geval in de gelegenheid moeten worden gesteld om te worden gehoord of hier een gelegenheid op (gemotiveerd) verzoek van belanghebbende maakt. De verplichting voor lidstaten om ervoor te zorgen dat de betrokkenen in een insolventieprocedure via elektronische communicatiemiddelen met elkaar kunnen communiceren zal ook substantiële IT-consequenties voor de Rechtspraak met zich meebrengen.

  • Dit Besluit brengt wijzigingen aan in onder meer het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar, het Besluit burgerlijke stand 1994 en het Besluit gezagsregisters. Het Besluit bevat onder andere het herstel van onjuiste verwijzingen en een aantal verbeteringen van technische aard. Daarnaast worden enkele beperkte wijzigingen aangebracht die ten gevolge van recente wetswijzigingen dienen te worden doorgevoerd. De Rechtspraak heeft geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt ten aanzien van het Besluit. Tevens zijn er geen grote IT-consequenties of substantiële werklastgevolgen voor de Rechtspraak te verwachten.


  • Het advies is blanco waar het de inhoud van het wetsvoorstel betreft. De IT-aspecten zijn doorgerekend. Aanpassing van systemen en formuleren waarin de namen van kinderen voorkomen is nodig om registratie van meer tekens/letters mogelijk te maken. Daarvoor is een financiële claim geformuleerd.
  • Het Wetsvoorstel Seksuele Misdrijven strekt tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
    Op 30 juli 2020 bracht de Raad reeds advies uit over het voorontwerp van dit wetsvoorstel. 
    De Raad spreekt graag zijn waardering uit voor de hoge mate waarin de commentaren op het voorontwerp hebben geleid tot verbeteringen in de nu voorliggende consultatieversie van het wetsontwerp. Desalniettemin zijn er nog een aantal bezwaren en onduidelijkheden waar de Raad in dit advies op wijst.
  • Dit wetvoorstel strekt ertoe het Nationaal Groeifonds in te stellen als een begrotingsfonds en dient ter vervanging van de huidige vormgeving van het fonds via een niet-departementale begroting. In het wetsvoorstel is geregeld dat, in afwijking van de hoofdregel, tegen een besluit genomen op grond van deze wet beroep in eerste en enige aanleg kan worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het gaat hier om besluiten krachtens artikel 7 van het Wetsvoorstel, zijnde beschikkingen tot subsidieverstrekking. De Raad onderschrijft de gemotiveerde afwijking van het algemene uitgangspunt van rechtspraak in twee feitelijke instanties en ziet geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

  • Dit besluit strekt er toe maatwerkmogelijkheden voor gemeenten te introduceren waarmee eisen gesteld kunnen worden aan de manier waarop daken gebruikt worden in het kader van duurzaamheid. Het gaat daarbij om daken op industriepanden (zoals loodsen voor opslag) en gebouwen waarin het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt (zogenoemde “overige gebruiksfuncties”, zoals parkeergarages). De mogelijkheden in dit besluit dragen daarmee bij aan de verduurzamingsdoelen voor de gebouwde omgeving en de energietransitie. De Raad ziet geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

  • Dit wetsvoorstel introduceert de voorwaardelijke strafbeschikking, verbeurdverklaring per strafbeschikking en de rechterlijke toetsing van hoge transacties en ontnemingsschikkingen. De Raad juicht de invoering van een rechterlijke toets bij hoge transacties toe, maar zet vraagtekens bij de gekozen drempelbedragen.  Voorts is de toets bij de bezwaarprocedure na omzetting van een strafbeschikking zeer beperkt; dit kan tot onrechtvaardige resultaten leiden.
  • Het wetsvoorstel dient ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (PbEU 2019, L 186) (de ‘Richtlijn’). De Richtlijn heeft tot doel de arbeidsvoorwaarden te verbeteren door transparantere en beter voorspelbare arbeidsvoorwaarden te bevorderen en gelijktijdig te zorgen voor aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt. De Richtlijn beschrijft de minimumrechten van iedere werknemer in de Europese Unie en bevat verduidelijkingen en aanscherpingen van de rechten van werknemers ten opzichte van richtlijn 91/553/EEG, die ingetrokken wordt met deze Richtlijn. De wijzigingen ten opzichte van richtlijn 91/553/EEG zien op de informatie die aan een werknemer moet worden verstrekt en het moment waarop deze moet zijn verstrekt. Daarnaast bevat de Richtlijn minimumvereisten voor arbeidsvoorwaarden, die onder meer zien op de proeftijd, de mogelijkheid om meerdere banen te hebben, de overgang naar andere vormen van werk en de bekostiging van verplichte opleidingen. De Richtlijn bevat ook enkele maatregelen ter bescherming van de werknemer.
    De Raad vraagt n.a.v. het wetsvoorstel om verduidelijking op een aantal punten en aanpassing op een aantal onderdelen. Het wetsvoorstel heeft naar verwachting geen significante werklastgevolgen voor de rechtspraak.
  • Het European Qualification Framework (hierna: het EQF) is bedoeld om op Europees niveau een samenhangend en transparant stelsel van kwalificaties tot stand te brengen, zodat de mobiliteit in het onderwijs en op de arbeidsmarkt kan worden verbeterd en een leven lang leren, gelijke kansen in de kennismaatschappij en verdere Europese integratie kan worden bevorderd. Onderdeel van de EQF-aanbeveling is dat de lidstaten van de EU een nationaal kwalificatiekader ontwikkelen dat vervolgens worden gekoppeld c.q. gerelateerd aan het EQF. Nederland heeft daartoe het Nederlands kwalificatiekader (hierna: het NLQF) ontwikkeld. Met het Wetsvoorstel wordt het NLQF wettelijk geregeld. De Raad voor de rechtspraak signaleert enkele onduidelijkheden in het wetsvoorstel en adviseert de minister dit te verduidelijken en/of aan te passen.

  • Dit Wetsvoorstel creëert de wettelijke basis voor het gebruik van de alcoholmeter als middel om te controleren of de verdachte of veroordeelde zich aan een alcoholverbod houdt. Een dergelijk verbod kan als bijzondere voorwaarde worden opgelegd. De alcoholmeter is reeds ingezet in het kader van pilots. Door deze wet zou de alcoholmeter ook kunnen worden toegepast zonder instemming van de verdachte of veroordeelde.
    In het advies wordt gewezen op het ingrijpende karakter van dit controlemiddel en op allerlei punten in de wettekst en de MvT die nog nadere toelichting/uitwerking behoeven.
  • Het wetsvoorstel is erop gericht het internet te schonen van online kinderpornografisch materiaal. Het wordt mogelijk om door middel van een bestuursrechtelijk instrumentarium op te treden tegen aanbieders van communicatiediensten. Aan de aanbieder van een communicatiedienst kan een bindende aanwijzing worden gegeven. De aanwijzing houdt het bevel in om online kinderpornografisch materiaal binnen een korte termijn ontoegankelijk te maken, zodat het niet meer mogelijk is om dit materiaal te benaderen. Daarnaast kan er een bestuurlijke boete en last onder dwangsom worden opgelegd. Ook de officier van justitie heeft de bevoegdheid om (na machtiging van een r-c) een aanbieder te bevelen online informatie ontoegankelijk te maken (art. 125p Sv). In de Memorie van Toelichting (MvT) is aangegeven dat de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregelen dienen ter aanvulling op de bestaande strafrechtelijke bevoegdheden. In het advies worden hier vraagtekens bij geplaatst omdat e.e.a. niet uit de wettekst volgt. Daarnaast wordt in het wetsvoorstel geregeld dat vervolging niet meer mogelijk is als is voldaan aan een bestuursrechtelijke aanwijzing. In het advies wordt geconcludeerd dat de in het wetsvoorstel opgenomen verplichting tot overleg, onvoldoende waarborgt dat in individuele zaken, geen verstoring plaatsvindt van opsporing, vervolging en berechting van diegenen die kinderpornografisch materiaal creëren, verspreiden of bekijken. De Raad wijst verder op het verschil in rechtsbescherming tussen strafrecht en bestuursrecht en vraagt dat verschil in de MvT toe te lichten.

  • Met dit besluit wordt beoogd de officier van justitie op grond van artikel 13:3a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) de bevoegdheid te geven tot het vorderen van dezelfde gegevens als op grond van artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering. Dit besluit wijst de gegevens aan die de officier van justitie, na machtiging daartoe door de rechter-commissaris, kan vorderen over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker.
    Daarnaast voorziet dit besluit in een technische wijziging van het Besluit vorderen gegevens telecommunicatie. De Raad ziet geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen, op één vraag na op het gebied van gegevensverwerking.

  • 2021/16 Advies Tijdelijk besluit Toetsingscommissie experimenten rechtspleging (pdf, 308,5 KB)
    Toegankelijke tekst voor mensen met een functionele beperking van 2021/16 Advies Tijdelijk besluit Toetsingscommissie experimenten rechtspleging (pdf, 124,1 KB)

    De multidisciplinaire Toetsingscommissie Experimenten rechtspleging krijgt straks de taak te toetsen of voorgestelde experimenten die worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging en het Tijdelijk Experimentenbesluit rechtspleging, en zo nodig duidelijk te maken of, en zo ja, op welke wijze de voorstellen aanpassing behoeven. Het Besluit regelt de samenstelling en het functioneren van de Toetsingscommissie en de wijze waarop zij voorstellen voor experimenten vooraf toetst. 

    De opmerkingen in het advies van de Raad richten zich op de samenstelling van de Toetsingscommissie (artikel 2).
    De Raad vindt een aantal van maximaal negen leden nogal hoog en geeft daarom in overweging om het aantal leden van de Toetsingscommissie te verlagen naar ‘maximaal zeven onafhankelijke leden’. Voor zover wordt vastgehouden aan het voorgestelde maximum aantal van negen leden, vindt de Raad het wenselijk dat één van de deskundige leden op het gebied van de juridische wetenschap over deskundigheid beschikt op het gebied van het burgerlijk procesrecht.
    Dat de voorzitter van de Toetsingscommissie een ‘rechterlijk ambtenaar’ is kan rekenen op instemming. Wél is de Raad van mening dat ‘rechterlijk ambtenaar’ nog een tamelijk brede categorie betreft die wat verdere aanscherping behoeft. De Raad stelt voor om daaraan toe te voegen dat de voorzitter een rechterlijk ambtenaar ‘met rechtspraak belast’ is ‘zoals gedefinieerd in artikel 1, onder c juncto artikel 1, onder b, onderdelen 2° en 3° van de Wet op de rechterlijke organisatie’ (de ‘Wet RO’). Zo blijft het voorzitterschap voorbehouden aan rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast die werkzaam zijn bij de rechtbanken en de gerechtshoven, en sluit de deskundigheid en ervaring van de voorzitter van de Toetsingscommissie hierdoor beter aan bij de context waarbinnen de experimenten zullen plaatsvinden.

     
    Uit artikel 2 volgt dat ook personen die niet langer werkzaam zijn als rechterlijk ambtenaar in aanmerking kunnen komen voor het voorzitterschap van de Toetsingscommissie. De Raad acht dit onwenselijk. De Raad adviseert om het voorzitterschap alleen open te stellen voor rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast zoals gedefinieerd in artikel 1, onder c juncto artikel 1, onder b, onderdelen 2° en 3° van de Wet RO die gedurende hun termijn als voorzitter van de Toetsingscommissie actief werkzaam zijn als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast.
  • 2021/15 Advies Tijdelijk Experimentenbesluit rechtspleging (pdf, 325,4 KB)
    Toegankelijke tekst voor mensen met een functionele beperking van 2021/15 Advies Tijdelijk Experimentenbesluit rechtspleging (pdf, 222,6 KB)

    Het besluit geeft nadere regels bij de Tijdelijke Experimentenwet rechtspleging, die het mogelijk maakt om bij wijze van experiment af te wijken van het procesrecht voor de burgerlijke rechter. Het besluit regelt de opzet, inhoud en evaluatie van de experimenten.

    De Raad spreekt waardering uit voor het creëren van de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (‘AMvB’) bij wijze van experiment tijdelijk af te wijken van een aantal wettelijke bepalingen. Met de wet en dit besluit worden de mogelijkheden om binnen de Rechtspraak met veelbelovende innovatieve procedures te experimenteren vergroot, en kan in de praktijk worden onderzocht hoe de procesvoering voor de burgerlijke rechter kan worden verbeterd met het oog op de behoefte aan meer eenvoud, snelheid, flexibiliteit en effectiviteit bij gerechtelijke procedures.

     
    De mogelijkheid tot tussentijdse bijstelling is volgens de Raad van cruciaal belang voor de praktische werkbaarheid en het welslagen van de experimenten. Vanuit zijn ervaring met innovatieve projecten in de Rechtspraak acht de Raad het dan ook wenselijk om de opzet, inhoud en evaluatie van de experimenten in het Besluit tot hoofdlijnen te beperken en alleen elementen in het Besluit op te nemen die strikt noodzakelijk zijn met het oog op rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
    De Raad constateert dat de procedure voor de totstandkoming van de AMvB waarin het experiment wordt vastgelegd intensief is. Ook de evaluatie van het experiment zal een aanzienlijke inzet van de deelnemende gerechten vergen. De Raad is echter van mening dat in het Besluit - binnen de strenge kaders die voortvloeien uit de wet, het advies van de Raad van State en de aangenomen amendementen, moties en toezeggingen - een voor de Rechtspraak werkbare balans is gevonden tussen het belang van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid enerzijds, en voldoende ruimte voor tussentijdse bijstelling en maatwerk anderzijds.
  • Het wetsvoorstel bevat een uitbreiding van de maatregelen die gelden voor reizigers uit als zodanig aangewezen hoog risicogebieden. Reizigers die in een hoog risicogebied hebben verbleven en met eigen vervoer Nederland inreizen, kunnen verplicht worden bij inreis te beschikken over een negatieve testuitslag. Nu geldt dit alleen voor reizigers die gebruik maken van bedrijfsmatig personenvervoer. Voorts voorziet het wetsvoorstel in een algemene plicht tot thuisquarantaine voor reizigers die in een hoog risicogebied hebben verbleven. Een reiziger die zich niet houdt aan de op hem rustende quarantaineplicht kan een last onder dwangsom opgelegd krijgen. Tegen dit besluit van de burgemeester staat overeenkomstig de regels van de Algemene wet bestuursrecht de ‘reguliere’ rechtsbescherming open van bezwaar en vervolgens (hoger)beroep bij de bestuursrechter. Ook is het mogelijk een voorlopige voorziening in te stellen. Omdat de quarantaineplicht een vrijheidsontnemende maatregel is, voorziet het wetsvoorstel in de mogelijkheid van beroep op de civiele rechter als een reiziger de rechtmatigheid van de maatregel in zijn individuele geval wil laten toetsen. Reizigers die met eigen vervoer Nederland inreizen, kunnen in de grensstreken worden gecontroleerd op het beschikken van een negatieve testuitslag en een quarantaineverklaring. Bij niet-naleving van (een van) deze verplichtingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. De strafrechtelijke sanctionering sluit aan bij de reguliere strafsancties die gelden bij overtreding van de regels van hoofdstuk Va van de Wpg.

    In het advies van de Raad wordt de vraag opgeworpen of het wetsvoorstel wel proportioneel is, worden er voorstellen gedaan voor inrichting van de civiele procedure (het is een procedure op grond van de Wet publieke gezondheid, in zekere zin ‘sui generis’) en wordt er gewezen op werklastgevolgen voor de Rechtspraak.

  • Het Besluit ter wijziging van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen en het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers betreft enkele (deels technische) wijzigingen die wenselijk zijn gebleken na de eerste praktijkervaringen met beide besluiten sinds de inwerkingtreding op respectievelijk 1 juli 2017 en 1 januari 2017. De Raad heeft slechts enkele opmerkingen van meer redactionele aard

  • Het wetsvoorstel strekt tot wijziging van Faillissementswet. Beoogd wordt een betere aansluiting tussen het gemeentelijk schuldhulpverleningstraject en de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Daartoe wordt voorgesteld de in de Faillissementswet opgenomen criteria waaraan de rechter een verzoek tot toelating tot de Wsnp moet toetsen op onderdelen aan te passen. De Raad onderschrijft deze aanpassingen, met een aantal kanttekeningen. Benadrukt wordt het belang van een maatschappelijk debat over de vraag wat een redelijke termijn is voor het aanrekenen van verwijtbare schulden en de vraag wanneer een schuld verwijtbaar moet worden geacht (het zgn. goede trouw criterium). Daarnaast voorziet het Wetsvoorstel in de introductie van de mogelijkheid voor schuldeisers om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechter om de schuldenaar toe te laten tot de Wsnp. De Raad is hier geen voorstander van.

  • Het wetsvoorstel Uitvoeringswet Verordening Brussel II-bis geeft regels voor de uitvoering van de in 2019 gewijzigde verordening Brussel II-bis. Deze verordening bevat regels voor grensoverschrijdende zaken over echtscheiding en geschillen over minderjarigen. De majeure inhoudelijke keuzen op het gebied van het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen en de bescherming van de belangen van het kind zijn hiermee een gegeven. Het wetsvoorstel bevat vooral juridisch-technische wijzigingen voor de uitvoering van de Verordening, waarvan de meeste vanuit procesrechtelijk oogpunt voor de hand liggen. In dit advies vraagt de Raad aandacht voor de bepalingen in het wetsvoorstel die aan de werkwijze van de gerechten raken en plaatst voorts een kanttekening bij de afbakening van het toepassingsbereik van de gewijzigde verordening. 

  • Het Besluit voorziet in een aantal wijzigingen van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren n.a.v. de evaluatie van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap in opdracht van het WODC. De in het Besluit voorgestelde wijzigingen hebben betrekking op de opleidingseisen, het plan van aanpak, de accountantsverklaring en de vrijstelling voor bepaalde categorieën bedrijven en beroepen. In het advies wijst de Raad op enkele onjuistheden en onduidelijkheden t.a.v. de opleidingseisen. T.a.v. de vrijstelling voor bepaalde categorieën bedrijven en beroepen van bepaalde eisen t.a.v. de bedrijfsvoering geeft de Raad in overweging om de volledige vrijstelling te laten vervallen voor de notaris, gerechtsdeurwaarder en accountant. Er worden geen substantiële werklastgevolgen verwacht als gevolg van het Besluit.

  • Het wetsvoorstel voorziet in de implementatie van een aantal EU-verordeningen die gaan over de buitengrenzen van het EU-gebied en de veiligheid. Het advies van de Raad richt zich met name tot dat deel van het wetsvoorstel dat ziet op de implementatie van Verordening (EU) 2018/1240 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (ETIAS). ETIAS is een nieuw Europees reisinformatie- en autorisatiesysteem, waarmee voor de afreis van niet-visumplichtige onderdanen van derde landen naar het Schengengebied kan worden bepaald of zij in aanmerking komen voor toegang tot het Schengengebied en of hun inreis een veiligheidsrisico, een risico op het gebied van illegale immigratie of een hoog epidemiologisch risico vormt. ETIAS geeft in voorkomende gevallen een reisautorisatie af en voorziet in informatie over reizigers die zijn vrijgesteld van de visumplicht.
    Het advies bevat geen inhoudelijke opmerkingen op één na m.b.t. tot het registratienummer. Het wetsvoorstel heeft substantiële gevolgen voor de bestuursrechtspraak. Die gevolgen bedragen jaarlijks € 2,5 mln. aan extra kosten vanwege een toename in het aantal zaken en hogere behandeltijden.

  • Dit wetsvoorstel strekt ertoe de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafvordering te wijzigen teneinde de recidiveregeling ernstige verkeersdelicten (art. 123b WVW) te vervangen door:

    • een bevoegdheid voor de rechter om een ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar te verklaren;
    • de mogelijkheid van vervangende hechtenis bij schending van een ontzegging van de rijbevoegdheid en
    • een bevoegdheid voor de rechter om bij oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid het rijbewijs ongeldig te verklaren voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven en voor de resterende duur van de geldigheid van dat rijbewijs.

    Voorts voorziet het in wijzigingen van art. 8 WVW en art. 164 WVW. De Raad adviseerde reeds op 18 december 2019 over een eerdere versie van dit wetsvoorstel, dat toen nog aangeduid werd als de ‘Wet aanscherping maatregelen rijden onder invloed’.

    In dit aanvullende advies doet de Raad een aantal suggesties van meer redactionele aard en vraagt om in de MvT aan de hand van enkele voorbeelden te illustreren in welke bijzondere gevallen ongeldigverklaring voor de hand zou liggen.

  • Met het wetsvoorstel wordt beoogd de groei en verduurzaming van collectieve warmtesystemen in de gebouwde omgeving te faciliteren, om zo uitwerking te geven aan de klimaatdoelen en de afspraken uit het Klimaatakkoord. Het wetsvoorstel voorziet in vrij ruime mate in open normen met een bevoegdheid om gedelegeerde regelgeving over de invulling daarvan vast te stellen. De Raad is van mening dat het, ten aanzien van criteria die veel ruimte laten voor interpretatie, uit een oogpunt van rechtszekerheid de voorkeur verdient te bepalen dat nadere regels gesteld zullen worden gesteld. In het wetsvoorstel wordt voorgesteld de handhavingszaken in eerste aanleg te concentreren bij de rechtbank Rotterdam. De Raad kan zich in deze keuze vinden.

  • Dit Wetsvoorstel beoogt de implementatie van Deel III, titels VII (Overlevering), VIII (Wederzijdse rechtshulp) en IX (Uitwisseling gegevens) van de op 30 december 2020 te Brussel en Londen tot stand gekomen Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds. De Raad deelt de analyse in de Memorie van Toelichting dat momenteel sprake is van een implementatieachterstand en dat de totstandkoming van deze wetgeving spoed heeft. Het is betreurenswaardig dat de ‘gebreken’ uit de huidige Overleveringswet nu worden ‘geïmporteerd’ in het onderhavige Wetsvoorstel en dat er niet voor is gekozen het hier meteen ‘goed’ te doen. Wel wordt aangegeven dat deze wet straks ‘mee wijzigt’ met veranderingen van de Overleveringswet. Verder werpt de Raad een aantal vragen op over de voorgestelde bepalingen en verzoekt enkele onduidelijkheden nader op te helderen in het wetsvoorstel of de Memorie van Toelichting.

  • Met het wetsvoorstel worden zorgaanbieders stap voor stap (gegevensuitwisseling na gegevensuitwisseling, steeds aan te wijzen per AMvB) verplicht om erop toe te zien dat zorgverleners gegevens onderling ten minste elektronisch met elkaar uitwisselen. De bedoeling is dat deze uitwisseling uiteindelijk genormaliseerd en daarmee onafhankelijk van een specifieke elektronische infrastructuur plaatsvindt. Er zal niet slechts één systeem voor een specifieke gegevensuitwisseling gaat gelden.

    De Raad merkt op dat voor het binnentreden van woningen zonder toestemming – een ingrijpende bevoegdheid die inbreuk maakt op grondrechten - in dit wetsvoorstel een veel te ruim criterium wordt gehanteerd. Ten aanzien van de geheimhoudingsplicht is de Raad van mening dat gelet op het gewicht van het beroepsgeheim deze ingrijpende bevoegdheid onvoldoende specifiek ingekaderd wordt waardoor te weinig waarborgen voor een terughoudende toepassing daarvan zijn gegeven.

  • Dit wetsvoorstel heeft tot doel om heling beter te kunnen aanpakken. Dat is van belang omdat heling een belangrijke aanjager vormt voor het plegen van inbraken, overvallen, straatroven en andere vermogensmisdrijven waarbij goederen gestolen worden. Om heling beter te kunnen bestrijden worden in dit wetsvoorstel de strafbepalingen die zien op de verplichtingen die op opkopers en handelaren rusten, aangescherpt. Verder worden in dit wetsvoorstel de artikelen 437 en 437ter Sr terminologisch met elkaar en het huidige tijdsgewricht in overeenstemming gebracht en wordt artikel 437bis Sr in artikel 437 Sr geïncorporeerd.

    De Raad heeft in haar advies enkele inhoudelijke opmerkingen gemaakt over de definitie en positie van minderjarigen in dit wetsvoorstel. Voorts heeft de Raad verzocht om een toelichting in de MvT ten aanzien van het vaststellen en bewijzen dat iemand verkeert in kennelijke staat van onder invloed van bewustzijnsbeïnvloedende stoffen.

  • Als gevolg van deze ontwerpregeling worden de regels ten aanzien van aanduidingen op verpakkingen (waaronder gezondheidswaarschuwingen) van elektronische verhittingsapparaten gewijzigd, alsook de vereisten die in acht moeten worden genomen bij het maken van reclame voor elektronische verhittingsapparaten en specifieke eisen die aan het uiterlijk van sigaretten worden gesteld. De ontwerpregeling geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

  • De Rijkswet van 10 februari 2017 maakt het mogelijk het Nederlanderschap in te trekken van een Nederlander die zich in het buitenland heeft aangesloten bij een terroristische organisatie. Deze intrekking van het Nederlanderschap vindt plaats in het belang van de nationale veiligheid en strekt ertoe legale terugkeer naar Nederland onmogelijk te maken en illegale terugkeer te bemoeilijken. In voormelde rijkswet is een horizonbepaling opgenomen, waardoor deze bevoegdheid op 1 maart 2022 van rechtswege vervalt. Het wetsvoorstel schrapt die horizonbepaling en strekt niet tot enige inhoudelijke wijziging van de regeling. Wel wordt, gelet op de inmiddels in werking getreden Algemene verordening gegevensbescherming, voorzien in een grondslag voor de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Het Wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

  • De tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) bevat een horizonbepaling op grond waarvan de Twbmt op 1 maart 2022 vervalt. Het Wetsvoorstel verlengt de werkingsduur van de Twbmt met vijf jaar. De Twbmt wordt niet inhoudelijk gewijzigd. Wel wordt een grondslag opgenomen voor de noodzakelijke verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Deze grondslag strekt slechts tot bevestiging van de bestaande praktijk. Het wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via:
InstagramInstagram

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m donderdag van 8:00 uur tot 20:00 uur en op vrijdag van 8:00 uur tot 17:30 uur.