Wetgevingsadvies 2010

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2010

 Wetgevingsadvies 2010

>Alles uitklappen
  • Advies concept wetsvoorstel houdende aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering i.v.m. de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden (pdf, 38,9 KB)

    Het wetsvoorstel strekt ertoe het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking te verduidelijken en te verruimen. Het wetsvoorstel geeft aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.

    De verduidelijkingen die de wetgever in het wetsvoorstel heeft gegeven zijn erg gewenst en overwegend goed bruikbaar voor de praktijk. De verwachtingen in de Memorie van Toelichting t.a.v. de gevolgen van het wetsvoorstel voor de rechterlijke macht worden echter niet zonder meer gedeeld. De Raad is van mening dat het recht op afschrift van bescheiden 'nieuwe stijl' geen alternatief is voor (voorlopige) getuigenverhoren, (voorlopige) deskundigenberichten en (voorlopige) plaatsopnemingen. De deels daarmee samenhangende opvatting van de wetgever dat de uitbreiding van het recht op afschrift er waarschijnlijk toe zal leiden dat er minder vaak van (voorlopige) getuigenverhoren, (voorlopige) deskundigenberichten en (voorlopige) plaatsopnemingen gebruik zal behoeven te worden gemaakt, wordt evenmin gedeeld. Ook de verwachting dat het aangepaste recht op afschrift van bescheiden aanleiding geeft tot verhoging van efficiency, betere stroomlijning, versnelling en kostenbesparing bij de rechtspraak wordt niet zondermeer gedeeld nu daarvoor ook een verzoek zal moeten worden ingediend en de behandeling daarvan tijd kost. Bovendien is de verwachting dat er meer verzoeken zullen worden ingediend. De praktijk zal dit dus moeten uitwijzen.

    De Raad concludeert dat het wetsvoorstel tot een beperkte werklastverzwaring voor de Rechtspraak zal leiden (dit betreft zowel een uitbreiding van het aantal zaken als een verzwaring van de werklast per zaak). Nu het huidige aantal zaken waarin het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden voorkomt niet heel hoog is, en de aanzuigende werking van het wetsvoorstel thans moeilijk te kwantificeren valt, zijn de werklastgevolgen ten gevolge van het wetsvoorstel naar het oordeel van de Raad niet substantieel te noemen.

  • Advies kaderbesluiten wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (22 december 2010) (pdf, 107,6 KB)

    Het Wetsvoorstel betreft de implementatie van enkele kaderbesluiten met betrekking tot de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.

    De Raad heeft principiële en inhoudelijke bedenkingen tegen onderdelen van het Wetsvoorstel en adviseert het voorstel in zijn huidige vorm niet aan de Tweede Kamer aan te bieden. De Raad is van mening dat in het Wetsvoorstel de rechtsbescherming tekort schiet en acht met het oog op een toereikende rechtsbescherming de introductie van rechtsmiddelen in de voorgestelde procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van sancties geboden. Verder acht de Raad het gewenst dat de rechter een grotere rol wordt toegekend bij de toetsing van verzoeken tot erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties. Dat geldt evenzeer voor de procedure van erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsbeperkende sancties. De Raad adviseert een procedure van rechterlijk verlof of rechterlijke toelaatbaarverklaring (inclusief aanpassing van de sanctie) in het Wetsvoorstel op te nemen.

  • Advies invoeringswet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (6 december 2010) (pdf, 19,2 KB)

    Het conceptwetsvoorstel aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming bevat aanpassingen van diverse wettelijke bepalingen die nodig zijn in verband met het wetsvoorstel herziening kinderbeschermingsmaatregelen (Kamerstukken 2009-10, 32 015, nrs. 2 en 3). Het conceptwetsvoorstel bevat tevens een regeling van overgangsrecht.

    De Raad is van mening dat het voorgestelde artikel 1:371m niet thuishoort in het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bevat een strafbepaling en het opnemen van een dergelijke bepaling in een Burgerlijk Wetboek past niet in de huidige systematiek van wetgeving, waarin de handhaving van civiele regels is neergelegd in het Wetboek van Strafrecht waarin bepalingen zijn opgenomen over overtredingen betreffende de burgerlijke staat. De Raad is voorts van mening dat de formulering van artikel 28, lid 2, sub b, van de Overgangwet Nieuw Burgerlijk Wetboek de indruk wekt dat uithuisplaatsing van minderjarigen die onder toezicht zijn gesteld, eindigt bij de verlenging van een ondertoezichtstelling, hetgeen niet bedoeld kan zijn. De Raad doet daarom een voorstel voor een andere formulering van dat artikel.

  • Advies wijziging Wet melding collectief ontslag II (25 november 2010) (pdf, 25,1 KB)

    De Raad heeft reeds op 12 augustus 2010 (2010/30) (pdf, 49,1 KB) advies uitgebracht over een eerdere versie van dit wetsvoorstel. In het eerdere advies heeft de Raad onder meer aangegeven dat er als gevolg van het wetsvoorstel een substantiële werklasttoename werd verwacht, omdat de huidige praktijk van geregelde ontbindingen (te weten: geen noemenswaardig onderzoek naar de achtergrond van de zaak) conform de bedoeling van het wetsvoorstel zou moeten veranderen, bijvoorbeeld in gevallen waarin de betrokken werkgever vaker voorkomt met ontbindingsverzoeken of omdat er anderszins signalen zijn. In het advies van 12 augustus 2010 is de Raad er daarom van uitgegaan dat een ambtshalve toets zou moeten worden uitgevoerd, wat in de praktijk onder meer zou betekenen dat een zitting zou moeten worden gehouden. Aangenomen is dat de bedoelde toets in 25% van de huidige geregelde ontbindingszaken zou plaatsvinden. De daarmee gemoeide kosten zijn in het eerdere advies van de Raad op € 4,4 miljoen euro per jaar geraamd. Na het uitbrengen van het bedoelde advies van de Raad zijn de tekst van het artikel dat ziet op ontbindingsverzoeken in relatie tot de WMCO (artikel 6a) en de toelichting daarop aangepast en is de Raad opnieuw gevraagd te adviseren over de werklastgevolgen.

    Op basis van de aangepaste wettekst en toelichting gaat de Raad er thans vanuit dat het in beginsel niet (meer) nodig is om een zitting te gelasten teneinde de bedoelde toets of de WMCO van toepassing is, uit te voeren. Hiermee komt de in het eerdere advies van de Raad d.d. 12 augustus 2010 genoemde claim ter hoogte van 4,4 miljoen euro per jaar in zijn geheel te vervallen.

  • Advies wetsvoorstel elektronische indiening dagvaarding (29 oktober 2010) (pdf, 142,4 KB)

    Het Wetsvoorstel voorziet in een aanpassing van artikel 125 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarmee de wettelijke belemmeringen voor het elektronisch indienen van een afschrift van het exploot worden weggenomen en daarmee het elektronisch indienen van een exploot van dagvaarding bij de Rechtspraak mogelijk maakt.

    De Raad constateert dat het digitaal indienen van het exploot van dagvaarding slechts een eerste stap is in een volledig geautomatiseerd proces voor de dagvaardingsprocedure. Naast digitale indiening van het exploot van dagvaarding zullen de daartoe noodzakelijke gegevens geautomatiseerd in het primaire processysteem worden ingevoerd.

    Hiertoe is het noodzakelijk dat onder de in het nieuwe artikel 125 derde lid Rv genoemde terminologie “de voorwaarden waaronder” en “de wijze waarop” tevens wordt verstaan dat regels kunnen worden gesteld aan de vorm waarin de dagvaarding elektronisch wordt aangeleverd, ofwel het gegevensmodel behorend bij die dagvaarding opdat de benodigde gegevens geautomatiseerd in het processysteem kunnen worden opgenomen. Een enkel digitale weergave van het exploot van dagvaarding zou hiertoe tekort schieten.

    Het is bij de vaststelling van deze gegevensset noodzakelijk het gehele geautomatiseerde proces als uitgangspunt te nemen zodat in de toekomst bijvoorbeeld ook verstekvonnissen op geautomatiseerde wijze kunnen worden gegenereerd.

    De Raad voorziet voor inwerkingtreding van het Ontwerp op zichzelf gevolgen voor de werklast van de gerechten, maar kan deze pas nader kwantificeren wanneer de technische ontwerpkeuzes zijn gemaakt.

  • Advies wetsvoorstel gebruik BSN in de jeugdzorg (25 oktober 2010) (pdf, 90,5 KB)

    In dit wetsvoorstel wordt een verplichting voor zorgaanbieders en de stichting Bureau Jeugdzorg neergelegd om het burgerservicenummer te gebruiken bij het verwerken van gegevens van hun cliënten.
    Het wetsvoorstel geeft geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen.

  • Advies ontwerpbesluit beleidsinformatie jeugdzorg (25 oktober 2010) (pdf, 91,8 KB)

    In dit Ontwerpbesluit wordt geregeld welke gegevens nodig zijn voor een samenhangend jeugdzorgbeleid, wie die gegevens verzamelt en bewerkt en welke gegevens mogen worden verstrekt.  Het wetsvoorstel geeft geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen.

  • Advies wijziging van de politiewet in verband met de samenvoeging van de politieregio's (06 oktober 2010) (pdf, 137 KB)

    Het Wetsvoorstel betreft de de samenvoeging van de politieregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland tot de nieuwe politieregio Gooi-Flevoland.

    De Raad wijst erop dat het Wetsvoorstel zal leiden tot zogenoemde territoriale incongruentie. De nieuwe politieregio komt in twee arrondissementen te liggen, terwijl de behandeling van de strafzaken uit deze regio wordt opgedragen aan de rechtbank van een derde arrondissement. De maatschappelijke noodzaak om op dit moment over te gaan tot samenvoeging van de betrokken politieregio’s is afwezig. Het kabinet heeft immers reeds een standpunt ingenomen inzake de herziening van de gerechtelijke kaart, waaruit blijkt dat het de bedoeling is te komen tot een nieuw arrondissement Flevoland-Utrecht. Hiertoe is reeds wetgeving in voorbereiding. Het huidige wettelijke kader vormt daarnaast geen belemmering voor intensieve samenwerking tussen de twee regio’s, de korpsleidingen van de beide korpsen zijn reeds sinds april 2010 samengevoegd. Het spoedeisende karakter van de voorgestelde wetswijziging kan dan ook sterk worden gerelativeerd. De Raad adviseert dan ook om de voorgestelde samenvoeging van politieregio’s tegelijk met de herziening van de gerechtelijke kaart te realiseren.

    Het Wetsvoorstel is er – blijkens de memorie van toelichting – op gericht de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken, te weten het bewaken van de rechtseenheid, het bevorderen van de rechtsontwikkeling en het verlenen van rechtsbescherming op de aan de Hoge Raad toebedeelde rechtsgebieden (burgerlijk recht, strafrecht en belastingrecht). Een adequate uitvoering van deze kerntaken staat onder druk door cassatieberoepen in zaken die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie, en doordat sommige soorten zaken waarin een uitspraak van de Hoge Raad wenselijk is, de Hoge Raad niet of niet tijdig bereiken. Het Wetsvoorstel strekt ertoe de cassatierechtspraak te versterken door andere en nieuwe eisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden voor de Hoge Raad en door de introductie van de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep door de Hoge Raad aan het begin van de procedure.

    De Raad heeft met instemming kennisgenomen van het Wetsvoorstel. Het is aannemelijk dat het Wetsvoorstel zal leiden tot een vermindering van de werklast van de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad. Deze werklastvermindering zal vervolgens leiden tot een verkorting van de gemiddelde doorlooptijd in de cassatiefase. Als sneller op een cassatieberoep kan worden beslist, wordt eerder duidelijk hoe de Hoge Raad denkt over de aan de orde zijnde rechtsvragen, wordt eerder duidelijk of de zaak onherroepelijk is afgedaan en kan, indien wordt gecasseerd en verwezen, eerder met de behandeling in feitelijke aanleg worden voortgegaan aan de hand van de door de Hoge Raad gegeven vingerwijzingen. Als gevolg van de verwachte werklastvermindering zal de Hoge Raad beter dan thans kunnen functioneren als richtinggevende rechter, en daarmee beter uitvoering kunnen geven aan zijn kerntaken op het gebied van rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Hierdoor zal meer recht kunnen worden gedaan aan de (maatschappelijke) behoefte aan tijdigheid en rechtseenheid. Dit wordt voor de rechtspraktijk en voor het gezag en de legitimiteit van de rechtspraak in het algemeen als zeer gewenst beschouwd. Het Wetsvoorstel geeft de Raad voorts aanleiding tot het maken enkele specifieke opmerkingen.

  • Advies Uitvoeringswet internationale inning levensonderhoud (23 september 2010) (pdf, 119 KB)

    Het wetsvoorstel ziet op de uitvoering van het op 23 november 2007 te ’s-Gravenhage in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal privaatrecht tot stand gekomen Verdrag inzake de Internationale inning van levensonderhoud door kinderen en andere familieleden en de verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PbEU L 7/1). Het verdrag en de verordening beogen een effectieve internationale inning van alimentatie mogelijk te maken en geven onder meer regels voor de administratieve samenwerking tussen centrale autoriteiten en voor de erkenning van alimentatiebeslissingen. De verordening bevat tevens regels over rechtsmacht, welke zijn overgenomen uit de EG-executieverordening en deels zijn aangepast.
    Naar het oordeel van de Raad biedt het wetsvoorstel voor de praktijk van de rechtspraak een goed werkbare uitwerking van het daaraan ten grondslag liggende verdrag en de verordening. Het wetsvoorstel geeft aanleiding tot het doen van enkele suggesties ter verduidelijking van een aantal specifieke artikelen. De Raad verwacht geen noemenswaardige werklastgevolgen ten gevolge van het wetsvoorstel.

  • Advies wijziging Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met nationale visa en enkele andere onderwerpen (23 september 2010) (pdf, 99,8 KB)

    Het bevreemdt de Raad dat voorliggend ontwerp-besluit hem ter advisering wordt voorgelegd terwijl het wetsvoorstel waaraan dit ontwerp-besluit uitvoering geeft, namelijk het wetsvoorstel visa niet aan de Raad ter advisering is voorgelegd. De Raad verzoek de Minister van Justitie om in de toekomst, in voorkomende gevallen, eerst het concept wetsvoorstel aan de Raad ter advisering voor te leggen en daarna het daarop betrekking hebbende ontwerp-besluit.

    De Raad heeft bezien of er zodanige zwaarwegende punten in het wetsvoorstel visa zijn opgenomen dat advisering - in dit geval na indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer - in aanvulling op de door de Raad uitgebrachte adviezen inzake de concept wetsvoorstellen in het kader van het modern migratiebeleid en de implementatie van de Terugkeerrichtlijn, nodig was. Dit is niet het geval gebleken. Mede in verband hiermee ziet de Raad ook geen aanleiding om over het ontwerp-besluit te adviseren.

  • Advies conceptvoorstel Boetewet bij subsidies (16 september 2010) (pdf, 57,7 KB)

    Samenvatting: in het wetsvoorstel wordt voorgesteld de mogelijkheid te openen voor het opleggen van een bestuurlijke boete, wanneer een ontvanger van een rijkssubsidie een bijzondere meldingsplicht niet nakomt.

    De Raad kan zich vinden in het uitgangspunt dat tegen elk besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete een bezwaarfase en een rechtsgang in twee feitelijke instanties openstaat. Daarnaast wordt in de MvT gemeld dat het besluit om al dan niet een boete op te leggen, samenhangt  met het feitencomplex dat een rol speelt bij besluiten omtrent (lagere) vaststelling, intrekking en terugvordering van subsidies, hetgeen het wenselijk maakt de beoordeling van deze besluiten op te dragen aan dezelfde rechters. Ook hierin kan de Raad zich vinden. Op de meeste subsidies is  het standaardregime van de Awb van toepassing, waardoor tegen een opgelegde boete beroep in eerste aanleg bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State openstaat.

    Ten aanzien van boetezaken die voortvloeien uit een krachtens de Kaderwet EZ-subsidies verstrekte subsidies (tegen die subsidiebesluiten staat beroep in eerste en enige aanleg bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven open) wordt, in het licht van het voorgaande, voorgesteld om na behandeling door de rechtbank in eerste aanleg, het hoger beroep niet bij de Afdeling maar bij het CBb open te stellen. De Raad verzoekt in het wetsvoorstel tevens aandacht te besteden aan verstrekkingen die op grond van rechtstreeks toepasselijke communautaire verordeningen via artikel 46 van de Landbouwwet onder de rechtsmacht van het CBb vallen. De Raad verwacht vooralsnog niet dat het Wetsvoorstel zal leiden tot een grote hoeveelheid (hoger) beroepen.

  • Adviesaanvraag Wetsvoorstel kaderbesluit bewijsverkrijging (pdf, 46 KB)

    Adviesaanvraag Wetsvoorstel tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2008/978/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegeven voor gebruik in strafprocedures (PbEU L 350).

  • Advies wet elektronische verklaring omtrent het gedrag (pdf, 19,3 KB)

    Bij bovenstaand advies hoort de volgende samenvatting: in dit wetsvoorstel wordt de elektronische aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag uitgewerkt. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een inlichtingenplicht aan het Openbaar Ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten. Het wetsvoorstel geeft geen aanleiding tot het maken van op- en aanmerkingen.

  • Advies ontwerpbesluit controle op rechtspersonen (pdf, 18,6 KB)

    Bij bovenstaand advies hoort de volgende samenvatting: het conceptbesluit geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Aanvullend advies WvSR 128 (pdf, 148,7 KB)

    Aanvullend advies inzake wetsvoorstel wijziging van het Wetboek van Strafrecht i.v.m. wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

  • Consultatieontwerp besluit CAORM (pdf, 70,7 KB)

    Dit concept besluit voorziet in hoofdzaak in de formalisering van de verschillende onderdelen van de tussen de Minister van Justitie en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomsten.

  • Consultatie ontwerp besluit LF gebouw RM3 (pdf, 91,9 KB)

    Dit besluit behelst een wijziging van m.n. het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak. De wijzigingen hangen samen met de herziening van het stelsel van rechterlijke functies en de bijbehorende beloningen, zoals vastgelegd in de wet tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, de wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de herziening van de functie- en bezoldigingstructuur voor rechterlijke ambtenaren (Eerste kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 822, A).

    Ook de in dit besluit vervatte wijzigingen strekken in hoofdzaak tot herziening van de functie- en bezoldigingstructuur van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding en betreffen in verschillende gevallen wijzigingen van dezelfde strekking als die in de wijzigingswet.

  • Advies aanvullend volle toets (pdf, 99,2 KB)

    In het huidige vreemdelingenrecht toetst de rechter niet de geloofwaardigheid van het asielrelaas maar beoordeelt de rechter of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van dat relaas kon komen. Er zijn momenteel ontwikkelingen gaande die tot een verandering van deze wijze van toetsen door de rechter zouden kunnen leiden. De Minster van Justitie heeft de Raad verzocht te bezien wat thans de werklastconsequenties voor de Rechtspraak van de invoering van een volle toets in asielzaken zijn.

  • Advies strafantecedenten (pdf, 89,2 KB)

    Het conceptbesluit geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

  • Advies ontwerp besluit rechtspositie CRvB en CBb (pdf, 93,8 KB)

    Het voorstel van de Wet tot gedogen van werken van algemeen belang omvat de modernisering en vereenvoudiging van de sterk verouderde Belemmeringenwet Privaatrecht (1927).

    Het wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
    2010/22 Advies ontwerp-besluit rechtspositie CRvB en CBb (11 juni 2010).

  • Advies wetsvoorstel strategische diensten (pdf, 43,2 KB)

    Dit wetsvoorstel geeft regels over strategische diensten. Hieronder vallen de niet-fysieke overdracht van programmatuur of technologie, het verlenen van technische bijstand en het verlenen van tussenhandeldiensten. Het wetsvoorstel stelt leveringen en diensten die tevens voor militaire doelen aangewend kunnen worden, strafbaar. Bepaalde leveringen en diensten zijn onder voorwaarden wel toegestaan. Het is de Minister van Economische Zaken die hiervoor een vergunning verleent.

    In het wetsvoorstel is een uitzondering gemaakt op het uitgangspunt dat een vergunning van rechtswege wordt verstrekt wanneer de termijn waarbinnen de vergunning verleend zou moeten worden, is verstreken. Wanneer een vergunning met betrekking tot strategische diensten van rechtswege, ten onrechte is verleend, kan dit ernstige, onomkeerbare gevolgen hebben. De Raad kan zich vinden in
    In het vierde lid van artikel 18 van het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de zaken die uit dit wetsvoorstel voortvloeien te behandelen bij de rechtbank Haarlem. In de Memorie van Toelichting is aangegeven dat de uitvoer van strategische goederen en het verlenen van strategische diensten nauw kunnen samenhangen. In dat verband is concentratie van rechtspraak bij de rechtbank Haarlem wenselijk, omdat zo kan worden aangesloten bij het geldende regime ten aanzien van strategische goederen zoals bepaald is in de artikelen 8:2 en 8:3 van de Algemene douanewet. In artikel 8:2 lid vier van die wet is de rechtbank Haarlem als bevoegde rechtbank aangewezen. Dit betekent dat beroep open staat bij de rechtbank Haarlem, hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam en cassatie bij de Hoge Raad. De Raad stemt in met de concentratie van deze zaken.
    De werklastgevolgen als gevolg van invoering van het wetsvoorstel acht de Raad miniem.

  • Advies wetsvoorstel wijziging executoriale verkoop onroerende zaken (pdf, 31,5 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt het transparanter en voor een breder publiek toegankelijk maken van de executoriale verkoop van onroerende zaken. Zo wordt het mogelijk om via internet een executoriale verkoop te doen plaatsvinden.
    Het wetsvoorstel noch de toelichting geven de Raad aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen, behoudens één opmerking ten aanzien van de huidige werkwijze van de rechtbanken. Daarnaast worden als gevolg van het wetsvoorstel geen substantiële werklastgevolgen verwacht.

    Volgens de toelichting bestaan er thans grote verschillen in de werkwijze van rechtbanken ten aanzien van de executoriale verkoop. De termijn voor het in behandeling nemen van een verzoekschrift tot het inroepen van een beheers- of huurbeding verschilt. Bij sommige rechtbanken vindt voor het toe- of afwijzen van zo’n verzoekschrift een zitting plaats, bij andere rechtbanken zo goed als nooit. Ook de termijn die wordt gegeven voor het ontruimen loopt uiteen. Betrokkenen kunnen hierdoor voorafgaand aan een veilingkoop niet goed inschatten met welke termijnen zij rekening moeten houden. De Raad merkt hierover op dat de bedoelde uniformering wenselijk wordt geacht en dat de noodzakelijke werkzaamheden om tot een dergelijke uniformering te komen binnenkort zullen worden gestart.

  • Advies wijziging Opiumwet i.v.m. strafbaarstelling handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt (pdf, 44,4 KB)

    Het wetsvoorstel betreft wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt. Met het wetsvoorstel word beoogd de mogelijkheden tot strafrechtelijk optreden tegen georganiseerde hennepteelt te verbeteren. Het wetsvoorstel strekt tot de introductie van een zelfstandige strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de illegale hennepteelt in de Opiumwet. De strafrechtelijke aansprakelijkheid strekt zich ook uit tot die gevallen waarin betrokkene ernstige reden heeft om te vermoeden dat de substanties, voorwerpen of gegevens die hij verkoopt, aflevert etc. bestemd zijn om illegale hennepteelt voor te bereiden of te vergemakkelijken.

    De Raad vraagt zich af of in de Memorie van Toelichting voldoende aandacht wordt besteed aan de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid en de onderzoeksbevoegdheden onder het bestaande regime en aan de praktische kant van het bewijs. Met betrekking tot dit laatste merkt de Raad op dat in de toelichting wordt gesteld dat de in growshops aangeboden producten geheel in de sleutel staan van de hennepteelt. Het is echter de vraag of de rechter hiervan in de strafvorderlijke praktijk bij de vraag naar het bewijs zonder meer van mag uitgaan. Er lijkt niet zonder meer sprake van een feit van algemene bekendheid in de zin van artikel 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.

  • Advies uitbreiding piketdienst en mogelijkheid tot verhaal op draagkrachtige veroordeelden (pdf, 62,2 KB)

    Het wetsvoorstel betreft de uitbreiding van de piketdienst tot en met de bewaring en van de mogelijkheid tot verhaal op draagkrachtige veroordeelden. De Raad heeft over dit onderwerp eerder geadviseerd op 11 januari 2006. De opmerkingen gemaakt in dat advies zijn nog steeds geldend.

    De Raad onderstreept het zwaarwegende belang van (betaalbare) rechtsbijstand aan verdachten en de daarmee samenhangende noodzaak van een goed stelsel voor het verlenen van die rechtsbijstand, zoals volgt uit artikel 18 van de Grondwet, en – verdergaand – uit artikel 6, derde lid sub c, EVRM en artikel 14, derde lid sub d,  IVBPR. Bij een bezuiniging op gesubsidieerde rechtshulp moet dan ook gewaakt worden voor een uitholling van dit recht op rechtsbijstand. Dat geldt in het bijzonder de rechtsbijstand aan de in verzekering gestelde of voorlopig gehechte verdachte. Inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis zijn immers diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpende dwangmiddelen die bovendien plaatsvinden in een voor de verdachte cruciale fase van de opsporing en vervolging. Juist in die fase is rechtsbijstand door een raadsman onontbeerlijk. De Raad constateert dat met het Wetsvoorstel geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op rechtsbijstand van de in verzekering gestelde of voorlopig gehechte verdachte. De Raad maakt verder nog een aantal inhoudelijke opmerkingen.

  • Advies Besluit adviescommissie onderzoek herziening afgesloten strafzaken (pdf, 46,5 KB)

    Het ontwerpbesluit bevat regels over de adviescommissie onderzoek herziening afgesloten strafzaken die adviseert over het doen van een nader onderzoek als bedoeld in het nog in te voeren artikel 462, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

    De Raad waardeert de eenvoud van de regeling die de procureur-generaal bij de Hoge Raad ruimte laat om naar bevind van zaken verder invulling te geven. De Raad werpt de vraag op of de term "wetenschapper" in artikel 3, tweede lid, onder a, niet nader moet worden omschreven of ingevuld. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat wordt gedacht aan een wetenschapper met algemene kennis van of ervaring met methoden en technieken op het terrein van empirisch onderzoek. Volgens de Raad verdient het overweging dit in het besluit zelf tot uitdrukking te brengen. Verder acht de Raad het gewenst dat in de toelichting nader wordt ingegaan op het geval dat bij een zaak die aan de commissie worden voorgelegd, een of meer directe collega's van een of meer van de commissieleden, betrokken zijn geweest. Voorts vraagt de Raad zich af of de financiële aspecten van het werk van de commissie voldoende worden geregeld. De Raad adviseert om aan de personen die door de commissie gehoord kunnen worden, toe te voegen de rechter-commissaris en de raadsheercommissaris omdat zij over voor de commissie relevante informatie kunnen beschikken.

  • Advies wijziging Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met aanpassing glijdende schaal (pdf, 46,5 KB)

    Het ontwerpbesluit strekt tot aanpassing van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan de maatregelen die het kabinet heft aangekondigd met het oog op een effectiever openbaar ordebeleid. Het kabinet heeft gekozen voor een meer selectieve toepassing van het openbare ordebeleid die met name is gericht op vreemdelingen die zeer ernstige misdrijven of zeer veel misdrijven hebben gepleegd.

    In zijn advies vraagt de Raad op een aantal punten een verduidelijking en wijst hij er op dat de aanscherping ten aanzien van plegers van bijzonder ernstige misdrijven gevolgen kunnen hebben die, uit het oogpunt van rechtsgelijkheid, moeilijk zijn uit te leggen. De Raad verwacht dat het ontwerpbesluit tot 180 extra zaken per jaar zal leiden.

  • Advies wijziging regeling beschermingsmaatregelen meerderjarigen (curatele, beschermingsbewind en mentorschap) (pdf, 142,2 KB)

    Het wetsvoorstel bevat wijzigingen van diverse aard ten aanzien van de regelingen van de bestaande beschermingsmaatregelen voor meerderjarigen. Hiervoor zijn diverse aanleidingen te identificeren. Zo zijn aanvullende wettelijke voorschriften nodig gebleken inzake de bedrijfsvoering van zogenoemde professionele bewindvoerders (evenals curatoren en mentoren), dat wil zeggen bewindvoerders die niet uit de familiekring van de rechthebbende afkomstig zijn. Daarnaast bevat het wetsvoorstel regelingen omtrent de benoeming van twee curatoren, respectievelijk mentoren. Ook voorziet het in de mogelijkheid van benoeming van rechtspersonen tot mentor en tot curator. Verder maakt het wetsvoorstel het mogelijk om ook buiten de situaties waarin thans reeds een publicatieplicht bestaat, feiten betreffende beschermingsbewind in het bestaande curateleregister te publiceren. Tot slot strekt het wetsvoorstel ertoe enige stroomlijning aan te brengen in de bestaande wettelijke maatregelen en onnodige verschillen daartussen op te heffen.

    De Raad merkt voorafgaand aan de bespreking van het wetsvoorstel op dat in een eerder stadium door de Raad is aangegeven dat versterking van het rechterlijk toezicht op zowel insolventies als bewindvoering, curatele en mentorschap geboden is, dat het wetsvoorstel grotendeels ziet op andere zaken dan deze kwaliteitsclaim en dat om die reden de eerder aangegeven noodzaak tot versterking van het toezicht ook na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal bestaan.

    Verder merkt de Raad op dat het aannemelijk lijkt dat met het wetsvoorstel de regeling van de drie beschermingsmaatregelen beter zal aansluiten bij de behoeften in de samenleving en dat de invoering van kwaliteitseisen waaraan curatoren, bewindvoerders en mentoren moeten voldoen de kwaliteit van de met deze maatregelen beoogde bescherming zal verhogen. Het wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van enkele inhoudelijke en redactionele opmerkingen en tevens tot het maken van een inschatting van de werklastgevolgen van het wetsvoorstel.

  • Advies wijziging Wet BIBOB (pdf, 70,3 KB)

    Met het wetsvoorstel wordt beoogd de werkingssfeer van de Wet BIBOB (bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) te verruimen. Tevens wordt voor de burgemeester een sluitingsbevoegdheid geïntroduceerd en wordt onder andere het gesloten verstrekkingenregime doorbroken.

    In het advies van de Raad wordt onder meer ingegaan op het verstrekken van vonnissen aan het Bureau BIBOB door de gerechten. Hierbij wordt opgemerkt dat het niet een taak van de Rechtspraak is om als actieve informatieleverancier op te treden. Daarnaast worden in het advies ten aanzien van een aantal punten een verduidelijking gevraagd. Tot slot wordt ten aanzien van artikel 3 van het wetsvoorstel opgemerkt dat het onderscheid tussen strafbaar feit en beboetbaar feit strikt dient te worden gehandhaafd.

    De Raad verwacht vooralsnog geen substantiële werklasttoename als gevolg van de voorgestelde wijzigingen.

  • Aanvullend advies implementatie maritiem arbeidsverdrag (pdf, 32,1 KB)

    Het wetsvoorstel bevat een regeling ter zake van maritieme arbeidsgeschillen. Over een eerdere versie van het wetsvoorstel heeft de Raad op 16 december 2009 advies uitgebracht, dat volgens de adviesaanvraag in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting is verwerkt. Tevens is er in het wetsvoorstel een wijziging opgenomen waarover de Raad aanvullend om advies is gevraagd. Deze wijziging betreft een aanvulling van artikel 6, onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarmee wordt voorgesteld om de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe te kennen in zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst of een agentuurovereenkomst, indien de arbeid gewoonlijk op een Nederlands zeeschip wordt verricht of laatstelijk werd verricht.

    De voorgestelde aanvulling van artikel 6 onder b Rv geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Voorts merkt de Raad op dat hij met instemming heeft kennisgenomen van de in het wetsvoorstel aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de competentieregeling, omdat hiermee is tegemoet gekomen aan de door de Raad gewenste eenduidigheid van deze regeling. Zoals blijkt uit de huidige versie van het wetsvoorstel en de bijbehorende toelichting is de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam exclusief bevoegd inzake maritieme arbeidsgeschillen, met uitzondering van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De formulering van laatstgenoemde bepaling geeft de Raad aanleiding tot het maken van een opmerking van redactionele aard.

  • Advies opheffen samenloop regelingen tijdelijk verlaten inrichting (pdf, 76 KB)

    Volgens de toelichting strekt het wetsvoorstel tot opheffing van een onwenselijke samenloop van toepasselijke wettelijke regelingen voor het tijdelijk verlaten van een inrichting vanwege persoonlijke omstandigheden tijdens de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis. De aanleiding tot het wetsvoorstel is een betreurenswaardig incident, namelijk een beslissing ter terechtzitting van een strafkamer van het gerechtshof te Arnhem op 4 september 2009 tot tijdelijke schorsing van de voorlopige hechtenis van een verdachte (Saban B.). De bevoegdheid tot schorsing van de voorlopige hechtenis is van oudsher mede bedoeld geweest en veelvuldig gebruikt voor een al dan niet tijdelijke onderbreking van de voorlopige hechtenis wegens persoonlijke omstandigheden. Bij de gewraakte beslissing is sprake van een taxatiefout die zeer wordt betreurd.

    De Raad is van oordeel dat, als een rechterlijke beslissing als de onderhavige leidt tot een ongewenste uitkomst, in de eerste plaats binnen de rechtspraak moet worden bezien of met behoud van de kaders en bevoegdheden daaruit lering kan worden getrokken. De Raad wijst erop dat lering trekken uit rechterlijke beslissingen al sinds mensenheugenis behoort tot de kern van het werk van de rechter. De gewraakte beslissing heeft al een leereffect gehad. Bovendien worden binnen de rechtspraak (aanvullend) concrete stappen gezet. In het licht hiervan betreurt de Raad het in hoge mate dat de minister direct een wetsvoorstel heeft ingediend dat beoogt de rechterlijke bevoegdheid op dit terrein te beperken.
    In dit verband wijst de Raad verder erop dat in de toelichting niet wordt gesteld, laat staan onderbouwd dat er sprake zou zijn van een structureel probleem.

    Evenmin wordt duidelijk hoe de voorgestelde wetswijziging zal kunnen leiden tot het volledig voorkomen van dergelijke incidenten. Verder wijst de Raad erop dat van oudsher beslissingen over de voorlopige hechtenis het domein van de rechter zijn. Controle op de voorlopige hechtenis behoort bij uitstek tot de rechterlijke taak. Deze rol van de rechter lijkt in het wetsvoorstel uit het oog te worden verloren. Immers een deel van de beslissing over de vrijheidsbeneming van een voorlopig gehechte wordt uit handen van de rechter genomen en in handen gelegd van de administratie.

    Nog daargelaten dat in de toelichting niet wordt onderbouwd waarom de administratie beter in staat zou zijn over het kortstondig onderbreken van de voorlopige hechtenis te oordelen, rijst dan ook de vraag of het wetsvoorstel, voor zover de rechter wordt beperkt in zijn vrijheid om over de voorlopige hechtenis te beslissen, niet op gespannen voet staat met het systeem van het Wetboek van Strafvordering en verdragsrechtelijke bepalingen. De Raad is van oordeel dat de aanleiding voor het wetsvoorstel de inbreuk op dit stelsel niet rechtvaardigt.
    De Raad geeft de minister van Justitie in overweging het wetsvoorstel niet in te dienen.

  • Advies college mensenrechten en gelijke behandeling (pdf, 43,7 KB)

    In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de Commissie gelijke behandeling (Cgb) om te vormen tot het “College mensenrechten en gelijke behandeling” (Cmgb). De wettelijke taken die nu zijn toegekend aan de Cgb gaan over naar het Cmgb, aangevuld met enkele nieuwe taken. Het Cmgb kan bij de rechter vorderen dat een gedraging onrechtmatig wordt verklaard, dat deze wordt verboden of dat een bevel wordt gegeven om de gevolgen van die gedraging ongedaan te maken.

    De Raad merkt in zijn advies op dat een rechterlijke uitspraak op een dergelijke vordering in beginsel alleen de bij deze procedure betrokken partijen kan binden. Dit roept de vraag op wat de gevolgen zijn van een rechterlijke uitspraak, waarin een bepaalde gedraging op vordering van het Cmgb bijvoorbeeld onrechtmatig wordt verklaard, voor individuen die door deze gedraging zijn benadeeld. De memorie van toelichting gaat hier niet op in. De Raad adviseert om de toelichting op dit punt aan te vullen. Daarnaast geeft het wetsvoorstel de Raad aanleiding tot het maken van een andere opmerking.

  • Advies Conceptwijziging Penitentiaire maatregel en Reglement verpleging ter beschikking gestelden (pdf, 30,7 KB)

    De wijzigingen in de Penitentiaire maatregel betreffen met name het schrappen van de bepalingen waarin is opgenomen dat de plaatsing van een veroordeelde tot gevangenisstraf die tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd, in beginsel geschiedt nadat eenderde van de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd (de "Fokkensregeling"). Na de inwerkingtreding van het besluit zullen gedetineerde terbeschikkinggestelden met dwangverpleging net als andere gedetineerden, tweederde van hun gevangenisstraf dienen uit te zitten.
    De Raad acht het passend dat enige verduidelijking wordt aangebracht in de Nota van Toelichting over de vraag in hoeverre de onmiddellijke inwerkingtreding van het besluit consequenties heeft voor tbs-gestelden die ten tijde van de inwerkingtreding een gevangenisstraf ondergaan en ervan uit zijn gegaan dat zij na eenderde van hun straf voor plaatsing in een tbs-kliniek aanmerking zouden komen. Geldt de nieuwe regeling ook al voor deze groep? De gang van zaken bij dringende medische redenen die tot plaatsing in een tbs-kliniek op een eerder tijdstip nopen, verdient naar het oordeel van de Raad eveneens verduidelijking. Het conceptbesluit zal niet leiden tot noemenswaardige werklastconsequenties voor de Rechtspraak.

  • Advies Ontwerpbesluit houdende wijziging van het besluit DNA-onderzoek (pdf, 41,1 KB)

    Het ontwerpbesluit strekt in hoofdzaak tot uitwerking van het wetsvoorstel houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de introductie van DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere voorwerpen.

    Over dit wetsvoorstel heeft de Raad op 17 december 2008 geadviseerd. De Raad heeft over het ontwerpbesluit slechts een enkele opmerking van juridisch-technische aard. In het besluit worden naast geslacht en ras die reeds in de wet zijn aangewezen als uiterlijk waarneembare persoonskenmerken die kunnen worden gebruikt ten behoeve van identiteitsvaststelling van een onbekende verdachte en een onbekend slachtoffer, oog- en haarkleur als andere uiterlijk waarneembare persoonskenmerken aangewezen. Blijkens de Nota van Toelichting heeft de afdeling Forensische Moleculaire Biologie van het ErasmusMC te Rotterdam een methode ontwikkeld met behulp waarvan het mogelijk is om uit celmateriaal oogkleur met tenminste 90% en haarkleur met tenminste 85% nauwkeurigheid te bepalen. Het Nederlands Forensisch Instituut is in staat om deze methode ten behoeve van forensisch onderzoek toe te passen.

    De Raad acht het gewenst dat wordt ingegaan op de vraag of deze methode wetenschappelijk voldoende wordt ondersteund, met name door onderzoek in het buitenland. Verder acht de Raad het gewenst dat wordt ingegaan op de mogelijkheid van contra-expertise omdat in de praktijk daaraan behoefte kan bestaan.

  • Advies Vermulderen Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen onder toepassingsbereik Wet Mulder (pdf, 62,7 KB)

    Op 21 januari 2010 heeft de Raad ongevraagd advies uitgebracht over het voorstel om de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (“Wam”) onder het toepassingsbereik van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (“Wahv”) te brengen. Door dit voorstel kan voor de overtreding van de Wam een administratieve sanctie worden opgelegd (in de praktijk “vermuldering” genoemd) en kan de handhaving van de Wam naar verwachting aanzienlijk worden versterkt.

    Thans wordt zowel door het Openbaar Ministerie als door de rechter zwaar getild aan de overtreding van artikel 30 Wam. Bij de eerste overtreding wordt een OM-transactie opgelegd van € 390 (eis ter zitting € 460). Bij de 1e recidive wordt niet meer getransigeerd en is de eis ter zitting € 550 en vier maanden voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Bij de 2e recidive is de eis ter zitting twee weken hechtenis onvoorwaardelijk en zes maanden ontzegging van de rijbevoegdheid.

    Onder het nieuwe voorstel zal overtreding van artikel 30 lid 2 Wam steeds beboet worden met een boete van € 380. De Raad vraagt zich af of het de bedoeling is om herhaalde overtreding van artikel 30 lid 2 Wam altijd af te gaan doen met een boete. Het is de Raad in dit verband opgevallen dat de MvT geen expliciete verwijzing bevat naar de Kabinetsnota uit 2008 over de uitgangspunten bij de keuze voor een sanctiestelsel (31700 VI nr. 69).

    Het voorstel heeft gevolgen voor de werklast en organisatie van de Rechtspraak. De gemiddelde kosten van een kantonzaak hoger worden omdat het vooral lichte, goedkope zaken zijn die zullen wegvallen en er zwaardere zaken bijkomen. Netto is daardoor sprake van een beperkte besparing.

  • Advies aanpassing enquêterecht (pdf, 26 KB)

    Het wetsvoorstel vormt een onderdeel van een reeds eerder aangekondigde herbezinning op de geschillenbeslechting in de onderneming en regelt enkele aanpassingen in het enquêterecht, zoals de toegang tot de enquêteprocedure.

    Het wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke op- of aanmerkingen. Ook worden geen noemenswaardige gevolgen voor de werklast verwacht, ervan uitgaande dat het om een gering aantal zaken per jaar gaat. Dit ligt anders wanneer het aantal zaken in de praktijk groter blijkt te zijn, aangezien het om relatief bewerkelijke zaken gaat. De werklast van de zaken waarin het enquêteverzoek door de rechtspersoon zelf wordt gedaan, zal naar verwachting meer dan gemiddeld zijn. Deze zaken zullen vaak grote ondernemingen betreffen, waarbij dikwijls grote (financiële) belangen een rol spelen en relatief veel partijen en belanghebbenden zijn betrokken en die vaak gepaard zullen gaan met grote media-aandacht. Tevens zullen deze zaken vaak zowel juridisch als feitelijk complex van aard zijn. Mocht na inwerkingtreding van het wetsvoorstel sprake zijn van een groter aantal zaken dan verwacht, dan zal de Raad te zijner tijd een doorrekening maken van de werklastgevolgen.

  • Advies wetsvoorstel Verzamelwet van rechtswege verleende vergunning (lex silencio positivo) (pdf, 43,4 KB)

    Het wetsvoorstel strekt tot invoering van de van rechtswege verleende vergunning in diverse wetten. De van rechtswege verleende vergunning houdt in dat de overschrijding van een beslistermijn door een bestuursorgaan van rechtswege leidt tot een positieve beslissing op de vergunningaanvraag. In het wetsvoorstel Dienstenwet is een algemene regeling van de van rechtswege verleende vergunning opgenomen. Deze regeling zal bij de inwerkingtreding van de Dienstenwet een plaats krijgen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
    Het wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van een aantal inhoudelijke opmerkingen. Ten aanzien van werklastgevolgen van het wetsvoorstel  heeft de Raad geconcludeerd dat deze miniem zullen zijn.

  • Advies herziening regels processtukken in strafzaken

    Het wetsvoorstel strekt ertoe de wettelijke voorzieningen betreffende de verbaliseringplicht en de processtukken af te stemmen op de ontwikkelingen in het strafprocesrecht sinds de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926. Tevens beoogt het wetsvoorstel de bemoeienis van de rechter-commissaris met de samenstelling van het procesdossier te vergroten.
    De Raad betreurt het dat dit wetsvoorstel niet tegelijk met het samenhangende wetsvoorstel tot versterking van de positie van de rechter-commissaris in consultatie is gegeven. De Raad vraagt in het bijzonder aandacht voor het toenemende gebruik in het strafproces van gegevensdragers met daarop processtukken en/of voor de bewijsvoering relevante audio/visuele opnamen. Verder adviseert de Raad o.a.:

    • Het wetsvoorstel aan te grijpen om de wijze waarop met de audio/visuele opnamen ter terechtzitting moet worden omgegaan en de wijze waarop deze aan het bewijs kunnen bijdragen, duidelijker in de wet te regelen.
    • Het moment van (eerste) kennisname van processtukken helder in het wetsvoorstel te verwoorden.
    • (Het parket van) de officier van justitie tot en met het moment van de dagvaarding ter terechtzitting te belasten met het verstrekken van afschriften, zodat de verantwoordelijkheid voor het procesdossier geheel wordt geconcentreerd bij de officier van justitie.
    • Het wetsvoorstel aan te grijpen om helderheid te verschaffen over het voegen van tapgesprekken in het procesdossier, onder meer met het oog op de inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van derden die aan die gesprekken deelnemen.
  • Advies rechterlijk gebieds- en contactverbod (pdf, 67,5 KB)

    Het wetsvoorstel strekt ertoe aan de rechter meer mogelijkheden te geven om effectievere maatregelen te treffen in reactie op een strafbaar feit. Ten behoeve van het voorkomen van herhaling van strafbare feiten die de leefbaarheid in de wijken aantasten, wordt de rechter de bevoegdheid gegeven aan de verdachte als maatregel een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht op te leggen. De rechter verbindt vervangende hechtenis aan het niet naleven van de maatregel en bepaalt daarbij de omvang van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis per keer dat de maatregel niet wordt nageleefd. De maatregel kan afzonderlijk of in combinatie met een straf of een andere maatregel worden opgelegd. Bovendien kan de maatregel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat het instellen van hoger beroep of cassatie geen schorsende werking heeft op de tenuitvoerlegging.

    De Raad constateert dat de toegevoegde waarde van het wetsvoorstel vooral gevormd door de mogelijkheid om de maatregel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat hoger beroep of cassatie de tenuitvoerlegging niet verhinderen. Verder constateert de Raad dat in de toelichting wordt gesteld dat de regeling van het rechterlijk bevel tot handhaving van de openbare orde niet (meer) wordt toegepast (art. 540 Sv), maar dat niet wordt ingegaan op de reden waarom die regeling min of meer in onbruik is geraakt en ook niet waarom die regeling niet wordt gerevitaliseerd. Voorts constateert de Raad dat de bevoegdheid tot het beslissen op een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis bij de rechter-commissaris wordt gelegd. De Raad werpt de vraag op of het niet voor de hand ligt om deze taak bij de enkelvoudige kamer van het gerecht neer te leggen. Bovendien rijst de vraag of niet moet worden voorzien in een mogelijkheid van beroep of bezwaar tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Verder rijst de vraag of die beslissing niet moet worden beschouwd als een 'criminal charge' dan wel een 'determination of civil rights and obligations' in de zin van artikel 6 EVRM. De Raad adviseert het wetsvoorstel op deze punten nader te bezien.

    Voor de toepassing van de maatregel wordt blijkens de toelichting – naast de informatie over een wijk die deel uitmaakt van het dossier – van de rechter kennis van de wijken en inzicht in de problematiek van de wijken verwacht. De Raad merkt op dat door langer in de strafsector te werken die kennis en dat inzicht vanzelf groeien, terwijl ook meer ervaren collega’s een belangrijke bron kunnen zijn. De Raad benadrukt dat het voor de openbaarheid van het strafproces van groot belang is dat de voor de afdoening van de zaak relevante informatie over de wijk en de problematiek in die wijk in het dossier wordt verwoord. Aldus kan deze informatie onderwerp zijn van het debat ter terechtzitting. De Raad adviseert dit in de memorie van toelichting tot uitdrukking te brengen.

    De Raad adviseert de mogelijkheid tot schadevergoeding, als achteraf ten onrechte de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen, onder het bereik van artikel 89 Sv te brengen.

 

 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via
Stel uw vraag via

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m vrijdag tussen 8.00 en 20.00 uur.

Veelgestelde vragen aan het Rechtspraak Servicecentrum