Wetgevingsadvies 2011

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2011

 Wetgevingsadvies 2011

>Alles uitklappen
  • Advies Initiatiefwetsvoorstel wijziging ontslagrecht (pdf, 124,9 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt een einde te maken aan het naast elkaar bestaan van de twee verschillende bestaande ontslagroutes - de BBA-route en de ontbindingsroute - en beoogt daarmee een einde te maken aan de verschillen in doorlooptijd, procesgang en ontslagvergoedingen die het gevolg zijn van dit duale stelsel. Er wordt gekozen voor een enkelvoudige opzet van het ontslagrecht: opzegging van de arbeidsovereenkomst met een repressieve volle toetsing door de onafhankelijke rechter. De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt de normale manier van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De preventieve toetsing door het UWV (de “UWV-toets”) komt te vervallen. Enige uitzondering hierop is de ontbindingsprocedure met een preventieve toetsing in geval van opzegverboden en in geval van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zonder door werkgever en werknemer afgesproken tussentijdse opzegmogelijkheid. Het wetsvoorstel introduceert voorts een hoorplicht voor de werkgever die voornemens is de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

    Het is de Raad voorshands niet duidelijk waaruit de in de Memorie van Toelichting (MvT) geopperde gelijkstelling tussen flexwerkers, zzp’ers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd enerzijds en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd precies bestaat, tenzij daarmee wordt gedoeld op het feit dat de ontslagbescherming van deze laatste categorie in het nieuwe stelsel minder wordt en daarmee in de richting van de eerste categorieën zal opschuiven. Voorts is de hoorplicht naar het oordeel van de Raad nogal zwak geformuleerd, hetgeen aanleiding zou kunnen geven tot onduidelijkheid. Indien de indiener een verplichting voor ogen staat, adviseert de Raad de formulering hierop aan te passen. De Raad adviseert voorts de aanzienlijke verkorting (van zes naar twee maanden) van de geldende termijn waarbinnen de werknemer een beroep kan doen op de vernietigbaarheid van de opzegging van een nadere onderbouwing te voorzien. De Raad is voorts van oordeel dat het wetsvoorstel en de MvT een onvoldoende duidelijk kader bieden voor de invulling van de begrippen “onredelijk” en “kennelijk onredelijk” ontslag. In feite wordt deze invulling geheel en al aan de rechter overgelaten, die daarvoor weinig houvast wordt geboden.
    De Raad kan instemmen met de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie in zaken als bedoeld in artikel 7:685 BW. De MvT lijkt op dit punt echter op twee gedachten te hinken. Immers aan de ene kant wordt voorgesteld appel en cassatie (volledig) mogelijk te maken, doch aan de andere kant geeft de MvT aan, dat het “in de rede ligt dat bij toewijzing van het ontbindingsverzoek door de kantonrechter de hoven de ontbinding als zodanig met een zekere terughoudendheid zullen beoordelen, in de wetenschap dat een van de beschikking van de kantonrechter afwijkend oordeel de relatie tussen partijen doet herleven”. Dit wekt bevreemding.

    Tot slot merkt de Raad op dat de beperkte mogelijkheid om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken tot gevolg zal hebben dat de kantonrechtersformule na de invoering van het wetsvoorstel zijn betekenis zal verliezen. De Raad wijst er in dit verband op dat de formule in de huidige praktijk in het minnelijke traject tussen werkgever en werknemer een belangrijke functie vervult, namelijk minst genomen die van oriëntatiepunt voor dat minnelijke overleg. Het verdwijnen van de houvast die de praktijk ontleent aan de kantonrechtersformule zal dan ook leiden tot een periode van een aantal jaren waarin in de jurisprudentie duidelijkheid zal moeten worden verkregen over hetgeen onder de nieuwe wetgeving op dit punt heeft te gelden. Althans, voor zover een en ander door de wetgever ongeregeld wordt gelaten.

  • Advies aanvulling Boek 7 (pdf, 54,1 KB)

    Het wetsvoorstel geeft gevolg aan eerdere toezeggingen om de overgebleven privaatrechtelijke materie van de koop op afbetaling en de huurkoop in titel 7A.5A van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken tezamen in een aanvulling van Boek 7 BW te regelen. Het wetsvoorstel beoogt tegemoet te komen aan de behoefte op dit punt bestaande regels te verminderen of te versoepelen en beter op elkaar af te stemmen. Daarbij is vooral gestreefd naar vermindering van dwingend recht, met handhaving van bescherming van de consument op een redelijk niveau.

    In de toelichting op het wetsvoorstel staat vermeld dat het wetsvoorstel de gedachte van een algemene limiet als die van artikel 3 Wet op het consumentenkrediet (Wck) in beginsel laat vallen. De toelichting wordt door de Raad zo gelezen, dat consumentenkrediettransacties een aardzaak worden. Dit zal tot gevolg hebben dat zaken betreffende krediettransacties waarbij de kredietsom meer dan  € 40.000,- bedraagt, van de civiele naar de kantonrechter verschuiven. De Raad heeft voorts enkele wetstechnische opmerkingen.

  • Advies Beleidskader stroomlijning toelatingsprocedures (pdf, 54,4 KB)

    In de beleidsvisie van Minister van Immigratie, Integratie en Asiel, die 22 februari jl. naar de Tweede Kamer is gestuurd, zijn maatregelen uiteengezet waarmee vreemdelingen sneller duidelijkheid krijgen omtrent hun perspectief op verblijf in Nederland. Het voorstel tot uitvoering van deze maatregelen is verwoord in het Beleidskader. De Raad wordt in de gelegenheid gesteld om te bezien welke gevolgen de maatregelen voor de rechtbanken hebben.
     
    Om de gevolgen van de maatregelen in het beleidskader te kunnen berekenen zijn gegevens nodig vanuit de IND over de in de toekomst (na de invoering van de maatregelen) te verwachten instroom bij de rechtbanken van zaken vanuit de diverse vreemdelingenprocedures. Nu deze gegevens niet uit de EAUT gehaald kunnen worden, en gebleken is dat ook los van de EAUT het onmogelijk is deze gegevens te leveren, is het voor de Raad onmogelijk om de gevolgen van de maatregelen voor de rechtbanken te berekenen.

    De Raad signaaleert dat het, alle maatregelen en verwachte gevolgen overziend, zeer onwaarschijnlijk is dat de verkorte doorlooptijden van vreemdelingenzaken bij de rechtbanken (die zijn gebaseerd op de huidige regelgeving en die vanaf 1 januari 2012 voor nieuw ingestroomde zaken nagestreefd worden) na invoering van de maatregelen uit het Beleidskader haalbaar zullen zijn.

    De Raad gaat ervan uit dat hij geconsulteerd wordt over de aanpassingswetgeving die zal volgen op het Beleidskader. De Raad hecht er sterk aan dat die adviesaanvraag vergezeld zal worden van cijfermatige prognoses van de IND waarin de gevolgen van alle maatregelen genoemd in het Beleidskader verwerkt zijn. Aan de hand daarvan kan de Raad een berekening van de instroom naar zaakssoort en een berekening van de verwachte werklastgevolgen voor de rechtbanken maken.

  • Advies besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (pdf, 21 KB)

    In het concept besluit wordt nadere invulling gegeven aan het wetsvoorstel Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Over het wetsvoorstel heeft de Raad advies uitgebracht op 19 oktober 2011 (kenmerk UIT 4182 S&O / RMD). Het concept besluit geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  • Advies wetsvoorstel Natuur (pdf, 51,1 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt tot vervanging van het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, als neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) is het nieuwe in het Wetsvoorstel voorgestelde stelsel eenvoudiger, sluit het nauwkeurig en herkenbaar aan bij de internationale verplichtingen, legt het taken en verantwoordelijkheden zoveel mogelijk decentraal (bij de provincies), bevordert – overeenkomstig de voornemens ten aanzien van het omgevingsrecht – ontwikkelingsgericht werken en integrale oplossingen en bevordert een goede balans tussen ecologie, economie en samenleving.

    De huidige drie natuurwetten kennen ieder een andere vorm van rechtsbescherming. In het concept Wetsvoorstel wordt voorgesteld om tegen alle besluiten genomen op grond van het Wetsvoorstel beroep in eerste en enige aanleg open te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad spreekt zich in zijn advies uit tegen de beperking van de rechtsbescherming. Als uitgangspunt hanteert de Raad rechtspraak in twee feitelijke instanties. Volgens de Raad kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als daartoe zwaarwegende redenen bestaan. De Raad heeft geconstateerd dat een dergelijke redengeving in de Memorie van Toelichting geheel ontbreekt.

  • Advies over wetsvoorstel verhoging griffierechten (pdf, 146,4 KB)

    De Raad voor de rechtspraak heeft over het wetsvoorstel verhoging griffierechten op 21 juni 2011 advies uitgebracht aan de Minister van Veiligheid en Justitie.  Omdat het wetsvoorstel nadien ingrijpend is gewijzigd en het een onderwerp van buitengewoon groot belang voor de Rechtspraak betreft, doet de Raad in dit aanvullende advies een klemmend beroep op de leden van de Tweede en Eerste Kamer om niet in te stemmen met het wetsvoorstel verhoging griffierechten. De Raad constateert met zorg dat adviezen van het gehele juridische veld en een groot aantal maatschappelijke organisaties geen gehoor hebben gevonden en dat het kabinet vastbesloten is om, ook bij ontbreken van draagvlak daarvoor, de naar het oordeel van de Raad in hun effect niet goed doordachte plannen door te zetten.

    In het advies gaat de Raad in op een aantal nieuwe gezichtspunten die samenhangen met de wijzigingen ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel en geeft hij een inschatting van de verwachte effecten op het aantal rechtszaken en de werklast van de Rechtspraak.

  • Adviesaanvraag betreffende het wetsvoorstel tot goedkeuring van het PCSC-verdrag en een conceptbesluit ter uitvoering van dat verdrag (pdf, 40,8 KB)

    Het PCSC-verdrag voorziet in een verbetering van de samenwerking tussen Nederland en de Verenigde Staten bij de bestrijding van ernstige criminaliteit en houdt verband met het zogenoemde "Visa Waiver Program" (VWP). Op grond van dit programma van de Amerikaanse regering worden ingezetenen van andere landen vrijgesteld van een visumplicht voor de Verenigde Staten. Tijdens een evaluatie in 2008 heeft de Amerikaanse regering Nederland laten weten dat nadere afspraken moeten worden gemaakt over aanvullende instrumenten ter uitwisseling van gegevens met betrekking tot de veiligheid en de rechtshandhaving. In dit kader is Nederland, evenals andere lidstaten van de Europese Unie, verzocht te participeren in een Preventing and Combating of Serious Crime Agreement (het PCSC-verdrag). Het door de Verenigde Staten voorgestelde ontwerp voor het PCSC-verdrag is afgeleid van het Besluit van de Raad van de Europese Unie waarmee een aantal bepalingen van het Verdrag van Prum, die betrekking hebben op de politiële en justitiële samenwerking tussen EU-lidstaten, zijn omgezet in een bindend regelgevend kader voor de Europese Unie. Ook andere Europese landen hebben inmiddels bilateraal een PCSC-verdrag met de Verenigde Staten gesloten.

    De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Het wetsvoorstel heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • Advies over wetsvoorstel wijziging Boek 1 BW (pdf, 29,8 KB)

    De Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap zijn in 2006 geëvalueerd. Het wetsvoorstel bevat een uitwerking van de materiële wijzigingen van Boek 1 BW naar aanleiding van deze evaluatie. Daarnaast worden in het wetsvoorstel voorstellen gedaan voor enkele andere materiële wijzigingen van Boek 1 BW. Een deel van de voorgestelde wijzigingen ziet op de verdere gelijkstelling van het geregistreerd partnerschap met het huwelijk. De Raad acht dit, gezien ook de uitkomsten van de evaluatie, een logisch uitgangspunt. Voorgesteld wordt om het door de rechtbanken beheerde gezagsregister op één plaats te kunnen houden. De Raad merkt op dat dit recht doet aan de situatie van vandaag de dag, waarbij het niet meer vanzelfsprekend is dat gebeurtenissen in het leven van een kind zich steeds zullen afspelen in het arrondissement van zijn geboorte. Daarbij komt dat met het gebruik van een eenduidig systeem op één plaats verschillen in registratie kunnen worden voorkomen. Voorbereidingen voor een centraal ontsloten gezagsregister worden reeds getroffen.

  • Advies over wetsvoorstel wijziging artikel 1:28 BW (pdf, 29,8 KB)

    Hoofdlijn van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 1:28 BW is dat juridische aanpassing van het geslacht kan plaatsvinden zonder dat lichamelijke aanpassing heeft plaatsgevonden. Voldoende voor wijziging van het geslacht in de akte van geboorte is voortaan dat het om een overtuiging gaat die als van blijvende aard kan worden beschouwd en dat dit wordt bevestigd door een aan de rechtbank overgelegde verklaring van de in artikel 28a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde deskundigen.

    De Raad voor de rechtspraak constateert dat het wetsvoorstel past in de lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad dat uit art. 8 EVRM een positieve verplichting kan voortvloeien om de geslachtsaanduiding in de geboorteakte aan te passen aan het geslacht waartoe de betrokkene volgens diens vaste overtuiging behoort. De Raad merkt op dat in het wetsvoorstel niet is uitgewerkt hoe lang de periode moet zijn dat verzoeker heeft geleefd naar zijn overtuiging dat hij tot het andere geslacht behoort. De Raad adviseert een minimumperiode in de wet vast te leggen.

  • Advies wetsvoorstel enkelvoudig hoger beroep kantonzaken (pdf, 65,2 KB)

    Het wetsvoorstel maakt in meer gevallen verwijzing door de meervoudige kamer (met drie raadsheren) naar een enkelvoudige kamer (met één raadsheer) mogelijk in kantonzaken in hoger beroep.

    Volgens de Raad voor de rechtspraak levert het wetsvoorstel het risico op van kwaliteitsverlies. Voor het blijven verbeteren van de kwaliteit van rechtspraak in hoger beroep is het volgens de Raad nodig dat raadsheren hun oordeel kunnen toetsen en aanscherpen aan het oordeel van andere raadsheren in een meervoudige kamer. Het wetsvoorstel beoogt een lagere werkdruk voor de gerechtshoven en een snellere afhandeling van zaken. De Raad verwacht echter geen substantiële vermindering van de werkdruk. Daarnaast brengt de verwijzing van meervoudig naar enkelvoudig het risico van vertraging met zich. In de praktijk zal de meervoudige kamer gaan beoordelen welke zaken mogelijk geschikt zijn voor verwijzing naar een enkelvoudige kamer. Naar verwachting zullen veel kantonzaken zich niet lenen voor enkelvoudige afdoening in hoger beroep, bijvoorbeeld door hun complexiteit. De verwachte besparing van 10 miljoen euro zal volgens de Raad dan ook niet worden bereikt.

  • Advies toezicht op de advocatuur (pdf, 56,6 KB)

    De nota van wijziging regelt een herziening van het toezicht op advocaten. Daartoe wordt één (landelijk) toezichthoudend orgaan - het college van toezicht - ingesteld, dat een orgaan is van de Nederlandse Orde van Advocaten. De feitelijke toezichthoudende werkzaamheden worden primair opgedragen aan de lokale dekens. Naast de dekens kunnen door het college van toezicht andere personen worden aangewezen die belast zijn met de uitoefening van het toezicht. Het college stelt het landelijke toezichtsbeleid vast en kan voor de uitvoering daarvan algemene en specifieke aanwijzingen geven. Verder worden de geheimhoudingsplicht voor advocaten en bepaalde doorbrekingen daarvan in de wet vastgelegd.

    De Raad heeft zich in zijn advies o.a. op het volgende standpunt gesteld:

    • De voorgestelde wijziging van het toezicht op de advocatuur laat te veel ruimte open voor inmenging door de overheid.
    • De Raad vindt de kwetsbare positie van het college ten opzichte van de overheid in combinatie met de ingrijpende bevoegdheden van dat college onwenselijk.
    • De noodzaak van de ingrijpende voorstellen wordt bovendien niet aangetoond.
  • Advies plan nieuwe berekening kinderalimentatie (pdf, 43,8 KB)

    In dit advies reageert de Raad voor de rechtspraak informeel op het voorstel van VVD en PvdA voor een vereenvoudiging van de berekening van kinderalimentatie. De Raad stelt voorop dat hij een vereenvoudiging van de wijze van vaststelling van kinderalimentatie zou toejuichen, maar wijst er tevens op dat de oorzaken van het huidige ingewikkelde systeem vooral liggen in de complexe belastingwetgeving en regelingen die strekken tot overheveling van inkomens middels een fijnmazig systeem in de vorm van subsidies voor gezinnen met kinderen (kinderbijslag, heffingskortingen, toeslagen).

    De Raad vraagt zich sterk af of de in het plan gekozen oplossingsrichtingen en de aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen toebedachte rol daadwerkelijk bijdragen aan het oplossen van de spanningen die ontstaan in de huidige systematiek.

  • Advies voorstel verordening Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (pdf, 117,7 KB)

    Het voorstel stelt een nieuwe zelfstandige Europese procedure voor grensoverschrijdend conservatoir beslag op bankrekeningen voor, die als alternatief moet bestaan voor de nationale procedures. In het voorstel is zowel de procedure voor het uitvaardigen van het Europees bevel als de tenuitvoerlegging hiervan geregeld. Het vooorstel bepaalt dat als in het land van herkomst een uitvoerbare beslissing is gegeven, een Europees bevel tot conservatoir beslag ook verzocht kan worden aan de bevoegde autoriteit in het land van tenuitvoerlegging (in Nederland: de gerechtsdeurwaarder).

    Nu over de tekst van het voorstel nog wordt onderhandeld, beperkt de Raad zich in dit advies tot een globale inschatting van mogelijke knelpunten en organisatorische gevolgen voor de Rechtspraak en tot het plaatsen van kanttekeningen bij (de formulering) van enkele artikelen in de conceptverordening. Ten aanzien van de werklastgevolgen merkt de Raad op dat deze in dit stadium niet zijn te kwantificeren. Teneinde een meer gedetailleerde kwantificering van de werklastgevolgen te kunnen geven, wordt de Raad graag opnieuw in de gelegenheid gesteld aanvullend te adviseren.

  • Adviesaanvraag concept wetsvoorstel aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (pdf, 90,1 KB)

    Op 19 oktober 2011 heeft de Raad advies uitgebracht inzake het concept wetsvoorstel aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Met deze wijziging van de sociale zekerheidswetten, arbeidswetten en de wetgeving op het terrein van de kinderopvangtoeslag wordt uitvoering gegeven aan een strenger frauderegime, waartoe de eerste aanzet is gegeven in het meest recente Regeerakkoord.

    In het bijzonder gaat de Raad in op het volgende. De Raad betwijfelt sterk of de maatregel van tijdelijke uitsluiting van het recht op een uitkering, zoals de MvT stelt, geen punitieve maatregel is maar een herstelmaatregel. Daarbij wijst de Raad op de gevolgen indien er toch sprake zou zijn van een punitieve maatregel. Gevraagd wordt de typering van het karakter van de tijdelijke uitsluiting van het recht op uitkering te heroverwegen en, indien deze maatregel wordt gehandhaafd, in de MvT beter te motiveren dat met de introductie van een recidiveregeling in de SZW-wetgeving sprake is van een herstelmaatregel en niet van een punitieve sanctie.

    De Raad wijst tevens op de gevolgen van het overbrengen van het grootste deel van de handhaving van de SZW-wetgeving van het strafrecht naar het bestuursrecht. Het strafrecht kent immers een breder pallet van sancties dan het bestuursrecht, waardoor beter met de omstandigheden van het geval en de persoon van de overtreder rekening kan worden gehouden. De Raad constateert verder dat het Wetsvoorstel na voorstellen tot de invoering van minimumstraffen en een recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten wederom een ingrijpende wijziging van het sanctiestelsel inhoudt.
     
    De Raad heeft berekend dat de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van dit wetsvoorstel voor de Rechtspraak in 2012 490.000 euro (in verband met de verwachte inwerkingtreding per 1 juli 2012) en na 2013 meerjarig 1.000.000 euro bedragen.

  • Advies conservatoir beslag slachtoffers (pdf, 92,3 KB)

    Het Wetsvoorstel maakt het mogelijk dat de Staat conservatoir beslag legt op vermogen van verdachten van bepaalde misdrijven, welk beslag strekt tot bewaring van recht op verhaal voor een ter zake van het betreffende misdrijf op te leggen schadevergoedingsmaatregel. Voor het leggen van het beslag is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris vereist. Het wetsvoorstel introduceert daarnaast de mogelijkheid dat ook zonder voorafgaande machtiging beslag kan worden gelegd door een opsporingsambtenaar (“preconservatoir beslag”).

    De Raad stelt in het advies voorop dat het van groot belang is dat schade van slachtoffers van misdrijven wordt vergoed, en dat een inperking van het eigendomsrecht als het leggen van beslag een legitiem maatschappelijk doel moet dienen en in het concrete geval van tevoren door een rechter moet worden getoetst. De Raad concludeert in het advies – bij gebrek aan indicaties die op het tegendeel wijzen – dat de inning van schadevergoedingsmaatregelen in de meeste gevallen op dit moment niet problematisch verloopt, en tevens dat een slachtoffer van een gewelds- en/of zedenmisdrijf met de voorschotregeling ook nu al verzekerd is van vergoeding van de geleden schade, en vanaf 2016 ook een slachtoffer van een ander misdrijf tot een bedrag van € 5000,-.  Op grond hiervan is de Raad de noodzaak voor het Wetsvoorstel niet duidelijk, en evenmin het antwoord op de vraag of het Wetsvoorstel een legitiem maatschappelijk doel dient. Specifiek ten aanzien van het “preconservatoire beslag” is de Raad van mening dat in alle gevallen zou sprake moeten zijn van een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. In de spoedeisende gevallen zou deze machtiging eventueel mondeling kunnen worden gegeven met schriftelijke vastlegging achteraf. Het Wetsvoorstel heeft gevolgen voor de werklast van de gerechten: bij een extensief uitvoeringsbeleid ruim 800.000 euro extra kosten per jaar, bij een restrictief beleid minder dan 100.000 euro.

  • Advies uitbreiding spreekrecht (pdf, 85 KB)

    Het Wetsvoorstel betreft de uitbreiding van het spreekrecht van slachtoffers van misdrijven, in het bijzonder het spreekrecht van nabestaanden en de kring van spreekgerechtigden voor personen die vanwege hun jeugdige leeftijd of feitelijke toestand niet in staat zijn om zelf van hun spreekrecht gebruik te maken. Verder is nieuw dat minderjarige slachtoffers zonder meer in staat worden gesteld de terechtzitting bij te wonen. Nieuw is ook dat de voorzitter van een strafkamer kan worden gevraagd of het spreekrecht door de raadsman van betrokkene of een daartoe bijzondere gemachtigde kan worden uitgeoefend.

    Het Wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen. Onder meer wordt voorgesteld de voorzitter van de strafkamer de bevoegdheid te geven personen tussen 12 en 18 jaar niet tot de terechtzitting toe te laten. Het Wetsvoorstel heeft gevolgen voor de werklast van de gerechten: verwacht worden 1200 extra sprekers en 2400 extra aanhoudingen wegens het spreekrecht per jaar. In totaal zal het verhoogde aantal spreekgerechtigden samen met het verhoogde aanhoudingspercentage leiden tot een toename in de kosten van ongeveer 250.000 euro per jaar.

  • Aanvullende advies Wet collectieve afwikkeling massaschade (pdf, 51,3 KB)

     De voorgestelde aanpassingen van de Faillissementswet hebben tot doel de mogelijkheden te verbeteren om binnen een faillissement gebruik te maken van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Het wetsvoorstel voorziet in een zodanige aanpassing van de Faillissementswet dat vorderingen waarop schuldeisers krachtens een verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst aanspraak maken, niet meer ter verificatie hoeven te worden ingediend. Gevolg van het wetsvoorstel is dat de WCAM-procedure de verificatieprocedure vervangt, waarna de aanspraken krachtens de WCAM-overeenkomst vervolgens door plaatsing op de uitdelingslijst volgens de gewone regeling van de vereffening worden voldaan.

    De Raad merkt op dat, als de keuze wordt gemaakt de WCAM-vorderingen buiten de verificatie te houden, er voor alle artikelen die zien op verificatie zou moeten worden nagegaan of steeds duidelijk is voor welke vorderingen (‘gewone’ vorderingen en/of WCAM-vorderingen) deze gelden. Om mogelijke analoge toepassing uit te sluiten verdient het naar de mening van de Raad aanbeveling om het wetsvoorstel en/of de toelichting nader te verduidelijken en aan te vullen op dit punt. De Raad merkt voorts op dat, indien, zoals in de toelichting wordt voorgesteld, door de overige schuldeisers in het faillissement in de WCAM-procedure, bij verweerschrift betwisting zal kunnen worden gedaan van individuele vorderingen in het faillissement, dit enerzijds een snelle en doelmatige afdoening in het kader van de WCAM-procedure zal kunnen belemmeren, terwijl daarmee anderzijds geen volwaardig alternatief wordt geboden voor de thans op grond van artikel 119 Fw bestaande mogelijkheid van betwisting, eventueel gevolgd door renvooi.
    De Raad plaatst daarnaast enkele kanttekeningen bij het voorstel om te wachten met uitdelen aan de geverifieerde crediteuren tot na de afronding van de WCAM-procedure alsook bij het verlies van herstelmogelijkheden voor crediteuren, de positie van pand- en hypotheekhouders en het voorgestelde overgangsrecht.

  • Advies wetsvoorstel uitbreiding recidiveregeling  (pdf, 31 KB)

     Het wetsvoorstel strekt in de eerste plaats tot uitbreiding van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten met het rijden onder invloed van drugs en daaraan verbonden strafbare feiten (art. 123b WVW 1994). Het voorstel hangt samen met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs. Over dit wetsvoorstel heeft de Raad geadviseerd op 3 maart 2011. Verder strekt het Wetsvoorstel tot verhoging van de keuringsleeftijd voor oudere rijbewijshouders met vijf jaren (art. 122 WVW 1994). De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen over het wetsvoorstel.

  • Advies wetsvoorstel implementatie richtlijn mensenhandel (pdf, 31,5 KB)

    Het Europees Parlement en de Raad hebben de richtlijn op 5 april 2011 gezamenlijk vastgesteld. De implementatietermijn loopt af op 6 april 2013 (artikel 22, eerste lid). Vóór die datum dienen de lidstaten de richtlijn op nationaal niveau te hebben omgezet. Voor Nederland betekent de implementatie op enkele punten een actualisering en een aanscherping van de strafwetgeving ter zake van mensenhandel.

    De Raad kan zich vinden in de aanpak dat in het wetsvoorstel geen specifieke uitwerking wordt gegeven aan artikel 12, vierde lid, van de richtlijn maar wordt volstaan met een algemene verwijzing naar de algemene belangenafweging. Teneinde de kans dat een slachtoffer van mensenhandel bij herhaling gehoord dient te worden, te verkleinen, adviseert de Raad in het licht van recente ervaringen in mensenhandelzaken om te komen tot bestendig beleid bij politie en Openbaar Ministerie dat strekt tot het verplicht audiovisueel registreren van het verhoor door de politie van slachtoffers en tot het, waar mogelijk aansluitend, horen van slachtoffers door de rechter-commissaris, onder uitnodiging van de verdediging.

    Het wetsvoorstel heeft geen noemenswaardige werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • Advies voorstel wijziging Besluit OM-afdoening (pdf, 30,3 KB)

    Het besluit strekt tot invoering van de strafbeschikking op grond van artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering, de zogeheten bestuurlijke strafbeschikking. Met het Besluit worden de directeuren van de Regionale Uitvoeringsdiensten, de dagelijkse besturen van de Waterschappen en de hoofden van enkele onderdelen van de Rijksdienst, die belast zijn met de handhaving van de milieuregelgeving, bevoegd om door middel van een strafbeschikking een geldboete op te leggen ter zake van overtreding van meer dan driehonderd milieubepalingen. In de gebieden waarin nog geen Regionale Uitvoeringsdienst werkzaam is, wordt het College van Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie bevoegd.

    De Raad heeft een inhoudelijke opmerking. Artikel 4.4, eerste lid, van het besluit bepaalt dat de hoofdofficier van justitie de strafbeschikkingsbevoegdheid tot nader bericht kan intrekken indien de taakvervulling van een lichaam of een persoon zulks naar zijn oordeel vordert. Deze tekst is ontleend aan artikel 3.4 van het Besluit OM-afdoening. Dat artikel ziet echter uitsluitend op de taakvervulling van personen. Nu bij een lichaam niet de taakvervulling (als geheel), maar de wijze waarop het lichaam gebruik maakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid, aanleiding zal zijn voor intrekking van die bevoegdheid, ware dit voor de duidelijkheid ook zo in het eerste lid te verwoorden.

    Het besluit heeft geen noemenswaardige werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • Advies strafbaarstelling illegaal verblijf (pdf, 121,3 KB)

    Het Wetsvoorstel maakt illegaal verblijf van vreemdelingen in Nederland strafbaar, met als maximumstraf hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie. De voorgestelde strafbaarstelling maakt volgens de memorie van toelichting deel uit van een samenhangend geheel van maatregelen dat illegaal verblijf in Nederland onaantrekkelijker moet maken.

    De Raad stelt in het advies voorop dat de voorgestelde strafbaarstelling moet worden bezien in het licht van het recht van de Europese Unie. In dit verband is van belang de Europese Terugkeerrichtlijn, welke tot doel heeft het vertrek van illegale vreemdelingen te bevorderen. De lidstaten mogen geen regeling toepassen die de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn in gevaar brengt. De tenuitvoerlegging van een straf wegens illegaal verblijf mag dan ook niet leiden tot vertraging of belemmering van het vertrek van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. In de memorie van toelichting wordt geconcludeerd dat deze richtlijn en daarop gebaseerde jurisprudentie zich niet verzetten tegen de voorgestelde strafbaarstelling. De Raad wijst er op dat een rechter in het concrete geval tot een ander oordeel kan komen. Het Wetsvoorstel geeft de Raad daarnaast aanleiding tot verschillende andere inhoudelijke opmerkingen. Ook worden werklastgevolgen voor de gerechten verwacht: in totaal ruim 300.000 euro aan extra kosten per jaar.

  • Advies TK nota van wijziging contraire beëindiging tbs (pdf, 84,3 KB)

    Deze nota van wijziging heeft gevolgen voor de beoordelingsvrijheid die de rechter heeft bij de beslissing over verlenging van een terbeschikkingstelling (tbs) en voor de rechtsbescherming van tbs-gestelden. Als gevolg hiervan zal een betrokkene na inwerkingtreding van het betreffende wetsvoorstel na de beëindiging van de tbs met verpleging gedurende tenminste één jaar worden onderworpen aan verplicht forensisch psychiatrisch toezicht. Met de nota van wijziging wordt beoogd het zogenoemde probleem van de “contraire beëindiging” van de tbs op te lossen. De ratio hiervan lijkt te zijn gelegen in de stelling dat, als de rechter de tbs met verpleging contrair de adviezen beëindigt, het gevolg daarvan is dat de tbs-gestelde zonder enige vorm van begeleiding nog dezelfde dag wordt vrijgelaten en de stelling dat een dergelijke abrupte terugkeer in de maatschappij het recidiverisico vergroot.

    De Raad wijst er in het advies op dat, zoals ook blijkt uit de toelichting, een contraire beëindiging van de tbs in de praktijk nauwelijks voorkomt. Er mag verder van worden uitgegaan dat de rechter, in de gevallen waarin sprake is van een relevant en substantieel recidiverisico, en bij onmiddellijke beëindiging van de tbs van een onverantwoorde vergroting van dat risico, de vordering tot verlenging in beginsel toewijst. Daarnaast mag ervan worden uitgegaan dat, in het incidentele geval dat de rechter tot contraire beëindiging besluit, daarvoor een valide reden is aan te wijzen. De nota van wijziging gaat voorbij aan diverse situaties die zich in de praktijk voordoen of hebben voorgedaan en waar beëindiging van de tbs legitiem lijkt. Deze situaties worden in het advies beschreven. De Raad concludeert dat er in kwantitatieve noch kwalitatieve zin sprake is van een probleem, laat staan van een duidelijk en wel omschreven ernstig probleem dat aanleiding zou geven om de rechterlijke beoordelingsvrijheid bij de beslissing over de verlenging van de tbs-maatregel in te perken, zoals met de nota van wijziging wordt voorgesteld. De voorgestelde inperking kan er in het concrete geval toe leiden dat door de rechter geen passende beslissing over de verlenging van de tbs-maatregel kan worden genomen. Dit is schadelijk voor de rechtspleging op het gebied van de tbs en daarmee voor de samenleving als geheel.

  • Advies herschikking asiel (pdf, 30,8 KB)

    Het Wetsvoorstel heeft betrekking op de herschikking van de asielgerelateerde toelatingsgronden, inclusief het vervallen van de grondslag voor het categoriale beschermingsbeleid. Ook wordt een vereenvoudiging voorgesteld van de procedure ten behoeve van de verlening van de verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden. Het Wetsvoorstel schept voorts een grondslag om leges te heffen voor de vervanging van verblijfsdocumenten ter staving van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in geval het document wordt vermist, verloren is gegaan of voor identificatie ondeugdelijk is geworden.

    De Raad stelt in zijn advies enkele vragen ten aanzien van het traumatabeleid, de nareizers en het onderscheid tussen asiel- en reguliere zaken. De Raad zal naar verwachting eind 2011 een kostenberekening betreffende dit wetsvoorstel kunnen maken. Dit zal worden gedaan in samenhang met de wijzigingen in de met - het wetsvoorstel samenhangende - lagere regelgeving. Deze wijzigingen van de lagere regelgeving zullen naar verwachting in het najaar 2011 aan de Raad ter advisering worden voorgelegd.

  • Advies besluit notarisambt (pdf, 32,1 KB)

    Aanleiding voor dit Besluit is de in voorbereiding zijnde wijziging van de Wet op het notarisambt. Een aantal met deze wetswijziging samenhangende onderwerpen verdient nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur: het nieuwe register voor het notariaat, de commissie Toegang notariaat, en de invoering van de tuchtrechtelijke boete. In het onderhavige Besluit worden deze onderwerpen geregeld.

    De Raad vraagt in zijn advies aandacht voor de volgende onderwerpen:

    • De mogelijkheid van aanwijzing van meer dan één extra zittingsplaats per rechtsgebied
    • De afgifte van apostilles en legalisaties
    • De samenstelling van een wrakingskamer
  • Advies uitbreiding gronden voorlopige hechtenis (pdf, 63,2 KB)

    2011/31 Advies uitbreiding voorlopige hechtenis (20 juli 2011)

    Het wetsvoorstel heeft tot doel bij uitgaansgeweld in de openbare ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak de mogelijkheden van voorlopige hechtenis te verruimen met het oog op een snelle berechting van de verdachte.

    De Raad wijst er in het advies op dat de toepassing van voorlopige hechtenis een ingrijpend middel is aangezien daarmee de verdachte, die op dat moment nog niet is veroordeeld, zijn vrijheid wordt ontnomen. De Raad stelt voorop het beginsel van de onschuldpresumptie, en het daaraan gekoppelde beginsel dat verdachten zoveel mogelijk de berechting van hun zaak in vrijheid moeten kunnen afwachten, en het belang van zowel een voortvarende als een zorgvuldige rechtspleging. De Raad maakt in het advies enkele principiële opmerkingen. Zo is hij onder meer van mening dat de noodzaak tot uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis onvoldoende is onderbouwd, terwijl een duidelijk aanwijsbaar legitiem strafvorderlijk doel voor de voorgestelde uitbreiding ontbreekt. De wens om te komen tot een snelle berechting kan niet als (enige) grond voor voorlopige hechtenis dienen. Wanneer het effect van de voorgestelde uitbreiding is dat de voorlopige hechtenis daarmee het karakter van een vooruitgeschoven straf krijgt, is dit in strijd met de onschuldpresumptie. Niet goed voorstelbaar is hoe dit zich verhoudt tot de beginselen van de rechtsstaat, en hoe dit stand zou kunnen houden in het licht van het EVRM. De doelstelling om tot algehele verkorting van de doorlooptijden te komen, wordt in zijn algemeenheid onderschreven, maar deze doelstelling mag geen afbreuk doen aan de fundamentele beginselen van een zorgvuldig strafproces.
    Daarnaast worden enkele kanttekeningen geplaatst bij de veronderstelde effectiviteit van de voorgestelde aanpak. De verwachting is dat het Wetsvoorstel gevolgen heeft voor de werklast van de gerechten, maar dat deze vooralsnog beperkt zijn.

  • Advies Herschikking Brussel I (pdf, 57,8 KB)

    Het Herschikkingsvoorstel beoogt een aantal ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de Brussel I Verordening. De meest ingrijpende wijzigingen betreffen de afschaffing van het exequatur, de uitbreiding van het toepassingsgebied van de Brussel I Verordening tot verweerders buiten de EU, de introductie van een voorrangregeling aan de door partijen gekozen rechter ingeval partijen meerdere rechters hebben geadieerd, de regeling van de afstemming tussen arbitrage en gewone procedures in de Brussel I Verordening en de mogelijkheid van erkenning en tenuitvoerlegging van ex parte voorlopige maatregelen getroffen door een rechter die bevoegd zou zijn kennis te nemen van de bodemprocedure.

    Nu over de tekst van het Herschikkingsvoorstel nog wordt onderhandeld, beperkt de Raad zich in dit advies tot een globale inschatting van mogelijke knelpunten en organisatorische gevolgen voor de Rechtspraak. Ten aanzien van de werklastgevolgen merkt de Raad op dat deze in dit stadium niet zijn te kwantificeren. Teneinde een meer gedetailleerde kwantificering van de werklastgevolgen te kunnen geven, wordt de Raad graag opnieuw in de gelegenheid gesteld aanvullend te adviseren.

  • Advies AWBZ (pdf, 53,2 KB)

    Het Wetsvoorstel beoogt een drietal verbeteringen in de uitvoering van de AWBZ tot stand te brengen. Het betreft:

    1. Een betere verbinding tussen Zvw-zorg en AWBZ-zorg.
    2. Een betere klantrelatie tussen cliënt en zorgverzekeraar.
    3. Financiële prikkels voor de betrokken partijen om te komen tot een meer klantgerichte, kwalitatief betere en kostenefficiëntere uitvoering.

    Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden ad a) en b) direct gerealiseerd doordat de AWBZ zal worden uitgevoerd door de zorgverzekeraar bij wie men ook verzekerd is voor de Zvw. De Raad verwacht dat dit niet leidt tot noemenswaardige effecten.

    Voor de realisatie van ad c) beoogt het kabinet te komen tot een risicodragende uitvoering van de AWBZ door de zorgverzekeraars. Gezien de tijd die nodig is om dit te realiseren, zal invoering van een risicodragend systeem naar verwachting niet eerder dan in 2016 mogelijk zijn. Op basis van de thans verstrekt informatie in de MvT kan de Raad slechts concluderen dat de wijzigingen gevolgen hebben voor de Rechtspraak. De informatie is echter zo summier dat thans niet kan worden ingeschat hoe groot die gevolgen zijn. De Raad hecht er daarom zeer aan dat de AMvB en Wet die de regels gaan stellen over betaling van de premie en de gevolgen van niet tijdig betaling, te zijner tijd aan de Raad ter advisering worden voorgelegd. Aan de hand van die voorstellen kan de Raad de werklastgevolgen van de voorstellen inschatten.                                

    Daarnaast verzoekt de Raad om nadrukkelijk in de MvT aan de orde te stellen of het nieuwe indicatieadvies (dat het huidige indicatiebesluit gaat vervangen) al dan niet gekarakteriseerd moet worden als deskundigenadvies.

  • Advies openbaarheid belastingrechtspraak (pdf, 31,5 KB)

     In het wetsvoorstel wordt voorgesteld om het onderzoek ter terechtzitting ook in geschillen die belastingaanslagen betreffen, in het openbaar te laten plaatsvinden. Openbaarheid van rechtspraak wordt echter, aldus de Memorie van Toelichting (MvT), niet alleen geborgd door de toegankelijkheid van het onderzoek ter zitting, maar ook door de mogelijkheid om kennis te nemen van de uitspraak van de rechter. Op dit punt bevat het wetsvoorstel twee wijzigingen, namelijk ten eerste een ruimere wettelijke grondslag bieden aan het anonimiseringsbeleid dat de rechter volgt bij publicatie van uitspraken en ten tweede het laten vervallen van het machtigingsvereiste ingeval van het verstrekken van uitspraken aan derden .
    Thans is de mondelinge behandeling in belastingzaken niet openbaar. De uitspraak wordt weliswaar in het openbaar gedaan, maar dat betreft in beginsel alleen het uitspreken van het dictum. De behandeling van met belastingzaken samenhangende boetezaken gebeurt thans in beginsel wel in het openbaar. De Raad ziet geen reden in de belastingrechtspraak anders om te gaan met de openbaarheid dan in andere bestuursrechtelijke geschillen en kan zich vinden in de voorstellen die in dit concept wetsvoorstel zijn opgenomen. Er worden geen significante werklastgevolgen verwacht.

  • Advies conceptbesluit procesdossier vooronderzoek in strafzaken (pdf, 63,4 KB)

    Artikel 32, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over het verstrekken van afschriften en uittreksels en over de wijze waarop de kennisneming van processtukken plaatsvindt. Artikel 149a, derde lid, Sv, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van voornoemd wetsvoorstel, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gesteld over de wijze waarop de processtukken worden samengesteld en ingericht. Met het besluit wordt uitvoering gegeven aan deze bepalingen.

    Verder strekt het besluit tot wijziging van het Besluit orde van dienst gerechten dat is gebaseerd op artikel 11 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Het Besluit orde van dienst gerechten bevat onder meer bepalingen over kennisneming en verstrekking van processtukken, nadat het procesdossier aan de griffie is toegezonden.

    De Raad heeft met belangstelling kennis genomen van het concept-besluit. De Raad vraagt zich af of bij het opstellen van het besluit voldoende de verschillende fasen bij opsporing, vervolging en berechting voor ogen zijn gehouden, in het bijzonder het onderscheid tussen opsporingsonderzoek, voorbereidend onderzoek, buitengerechtelijke afdoening en onderzoek ter terechtzitting. De Raad adviseert het besluit in de huidige opzet niet verder in procedure te brengen en dit opnieuw te bezien. Daarbij neemt de Raad ook in aanmerking dat vermoedelijk per abuis niet tevens uitvoering wordt gegeven aan artikel 51b, vijfde lid, Sv en aan het nader invulling geven aan de gronden voor toepassing van het voorgestelde artikel 32, tweede lid, Sv.

    De Raad heeft geen opmerkingen over het Besluit voor zover dat strekt tot technische wijziging van het Besluit Buitengewone rechtspleging en het Besluit OM-afdoening.

  • Advies wetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor (pdf, 63,4 KB)

    Het wetsvoorstel strekt in de eerste plaats tot het opnemen van een regeling in het Wetboek van Strafvordering die het mogelijk maakt dat een verdachte zich in een eerder stadium dan tot nu in de wet is vastgelegd, kan beroepen op bijstand door een raadsman.  In de tweede plaats strekt het wetsvoorstel tot toekenning van een recht op aanwezigheid van een raadsman tijdens een politieverhoor ter zake van strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Verder bevat het wetsvoorstel onder andere aanpassingen van de regeling betreffende het informeren van de verdachte omtrent zijn rechten en de regeling van de aanhouding, het ophouden voor onderzoek, het verhoor en de voorgeleiding van een verdachte en de toewijzing van rechtsbijstand aan een verdachte in de eerste fase van de opsporing en vervolging.

    De Raad heeft ten aanzien van onderdelen van het voorstel kritische opmerkingen. De Raad acht in het bijzonder een betere motivering in de Memorie van Toelichting noodzakelijk. Met name verschillende beleidskeuzen acht de Raad onvoldoende concreet onderbouwd en daarom niet overtuigend. Zonder een ingrijpende aanpassing van de Memorie van Toelichting acht de Raad het Wetsvoorstel niet rijp voor verdere behandeling.

    Het advies richt zich in het bijzonder op de drie volgende onderdelen van het Wetsvoorstel:

    • De regeling van de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor;0.de regeling van de aanhouding, het ophouden voor onderzoek en de inverzekeringstelling.
    • De Algemene Maatregel van Bestuur, bedoeld in artikel 45 Sv.
  • Advies wetsvoorstel kostendekkende griffierechten (pdf, 299,5 KB) 

    Het wetsvoorstel kostendekkende griffierechten voert een stelsel van kostendekkende griffierechten in. Beoogd wordt de rechtspraak in civiele en bestuurszaken te laten bekostigen door degenen die daar gebruik van maken. Dit gaat gepaard met de invoering van hogere tarieven. Het systeem wordt zo vormgegeven dat het rechtzoekenden met lage inkomens compensatie biedt. De Minister is van mening dat hiermee het recht op toegang tot de rechter, zoals neergelegd in verdragen en Grondwet, voldoende gewaarborgd is.                                 

    De Raad is van mening dat in het wetsvoorstel de grenzen van het aanvaardbare worden opgezocht waar het gaat om de toegang tot de rechter. Met name om die reden wordt geadviseerd het wetsvoorstel niet in deze vorm in te voeren. De ernstige bezwaren van de Raad tegen het wetsvoorstel worden niet weggenomen door de alternatieven die de Raad in het advies formuleert. Deze beogen nl. vooral bij te dragen aan het mitigeren van de ernstige gevolgen die zouden ontstaan door invoering van het wetsvoorstel.

  • Advies conceptwetsvoorstel verruiming fouilleerbevoegdheden (pdf, 55,1 KB)

    Het Wetsvoorstel bevat enkele voorstellen ter verruiming van bevoegdheden tot preventief fouilleren en tot fouilleren in het kader van de dagelijkse politiepraktijk (aanhoudings- en insluitingsfouillering). Met betrekking tot preventief fouilleren maakt het Wetsvoorstel het onder meer mogelijk dat ook de hulpofficier van justitie het bevel tot een fouilleeractie kan geven in een reeds aangewezen veiligheidsrisicogebied, en tevens dat dit mondeling kan worden gegeven.

    De Raad wijst erop dat (preventief) fouilleren een beperking van fundamentele rechten vormt, met name het recht op bewegingsvrijheid, het recht op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op persoonlijke levenssfeer. In dit licht is de Raad van mening dat, met het oog op de rechtsbescherming voorafgaande rechterlijke tussenkomst geboden is. De Raad constateert dat reeds in de huidige situatie niet is voorzien in een dergelijke rechtsgang. Dit maakt dat de Raad op voorhand kritisch staat ten opzichte van een verruiming van het instrument van preventief fouilleren. De Raad adviseert om in plaats daarvan eerst de rechtsbescherming te verbeteren. Aangezien uit de memorie van toelichting ook niet blijkt van een acute noodzaak om de voorgestelde verruiming door te voeren, adviseert de Raad om eerst te wachten op de uitkomst van een zaak die thans bij het Europese Hof aanhangig is en een onderzoek van de Nationale Ombudsman naar de huidige praktijk van preventief fouilleren. Mocht de regering evenwel besluiten om het wetsvoorstel door te zetten, dan adviseert de Raad daarbij rekening te houden met enkele  opmerkingen in het advies. Ook de voorstellen ten aanzien van het fouilleren in het kader van de dagelijkse politiepraktijk geven aanleiding tot inhoudelijke opmerkingen. Het Wetsvoorstel heeft naar verwachting geen gevolgen voor de werklast van de Rechtspraak.

  • Advies minimumstraffen (pdf, 123 KB)  Rapport minimumstraf (pdf, 77,8 KB)

    Momenteel kent de Nederlandse wet hoge maximumstraffen en is het aan de rechter om de juiste straf te bepalen. Het invoeren van minimumstraffen is een principiële wijziging van dit stelsel.

    Het wetsvoorstel betreft de invoering van minimumstraffen voor daders die voor de tweede keer binnen tien jaar worden veroordeeld voor een misdrijf waarop een maximum gevangenisstraf van 12 jaar staat. Daarnaast moet het misdrijf een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer hebben gehad. Deze daders moeten volgens het wetsvoorstel een straf krijgen die minstens de helft is van het strafmaximum. Volgens het wetsvoorstel kan de rechter slechts in heel uitzonderlijke gevallen van de minimumstraf afwijken.

    Door de invoering van minimumstraffen heeft de rechter in het concrete geval onvoldoende ruimte om een passende straf op te leggen. Hij zal soms gedwongen zijn een straf op te leggen die niet in verhouding staat tot de ernst van het delict, de schuld van de dader of de overige omstandigheden. Specifieke sancties die de rechter juist kan opleggen om de kans op recidive te verkleinen, zoals bijzondere voorwaarden als het ondergaan van een behandeling, kunnen niet meer worden opgelegd. Er ontstaan bovendien niet uit te leggen verschillen in de strafmaat tussen zaken waarvoor wel en zaken waarvoor geen minimumstraf in de wet is vastgelegd. De Raad acht deze gevolgen onwenselijk.

    Terwijl de gevolgen ingrijpend zullen zijn, ook wegens de precedentwerking, ontbreken in het wetsvoorstel goede argumenten voor de invoering van minimumstraffen. In het advies wijst de Raad op de uitkomsten van onderzoek naar de huidige praktijk van de strafoplegging. Uit dat onderzoek blijkt dat Nederlandse rechters de laatste jaren strenger zijn gaan straffen. Het strafklimaat in Nederland behoort tot de strengste van Europa. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om de ruimte van de rechter om de strafmaat te bepalen in te perken.
    Daarnaast is, volgens de Raad, de vraag gerechtvaardigd in hoeverre de invoering van minimumstraffen een effectieve bijdrage zal leveren aan een veiligere samenleving. Uit onderzoek is immers bekend dat zwaardere straffen niet structureel leiden tot minder recidive en meer veiligheid.

    NB (erratum): ten opzichte van het oorspronkelijk uitgebrachte advies is in de tabel op p. 24 geschrapt "(x € 1.000)".

  • Advies Reparatiewet wet griffierechten burgerlijke zaken (pdf, 60,2 KB)

    In het wetsvoorstel wordt een aantal wetstechnische gebreken en leemten van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz) gerepareerd.

    De Raad stelt het op prijs dat de Wgbz met dit wetsvoorstel wordt gerepareerd. Het is van groot belang - ook met het oog op de invoering van kostendekkende griffierechten - dat het griffierechtstelsel zo eenduidig mogelijk is, zodat in de praktijk zo min mogelijk interpretatieproblemen ontstaan. In zijn advies doet de Raad een aantal voorstellen voor verduidelijking van enkele artikelen en enkele suggesties voor aanvullingen van het wetsvoorstel en de toelichting.

  • Advies ontwerp uitvoeringsbesluit voorwaardelijke veroordeling (pdf, 19,3 KB)

    Met het besluit wordt invulling gegeven aan artikel 14d, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het besluit bevat regels met betrekking tot het toezicht op de naleving van de voorwaarden die door de strafrechter worden verbonden aan een voorwaardelijke veroordeling door de strafrechter en richt zich op het Openbaar Ministerie, de reclassering en de veroordeelde.

    De Raad heeft geen opmerkingen over het besluit. Het besluit heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • Advies concept voorstel tot wijziging van de wet inburgering (pdf, 40,4 KB)

    Het Wetsvoorstel beoogt de eigen verantwoordelijkheid van vreemdelingen voor de inburgering centraler te stellen. Met artikel II van het wetsvoorstel wordt beoogd om de rechtsmacht in hoger beroep te verschuiven van de Centrale Raad van Beroep naar de Raad van State. De Raad kan zich niet vinden in deze verschuiving van rechtsmacht. In het advies wordt ingegaan op de redenen waarom de Raad van mening is dat de rechtsmacht in hoger beroep in deze zaken bij de Centrale Raad van Beroep moet blijven.

  • Advies bijzondere maatregelen financiële ondernemingen (pdf, 97,6 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt de mogelijkheden voor de overheid tot interventie bij financiële ondernemingen aan te vullen en te versterken en daartoe de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Faillissementswet (Fw) te wijzigen. Er worden twee categorieën maatregelen voorgesteld. De eerste categorie heeft betrekking op een tijdige en ordentelijke afwikkeling van ondernemingen in onomkeerbare problemen. De tweede categorie dient een verdergaand doel, namelijk de borging van de stabiliteit van het financiële stelsel als geheel. Tevens bevat het wetsvoorstel een regeling met betrekking tot de rechten van wederpartijen na een maatregel. De regeling beoogt de effectiviteit van de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen en van toezichtmaatregelen in het algemeen te versterken door de bevoegdheid van wederpartijen om na het treffen van een maatregel bepaalde rechten uit te oefenen, te beperken.  

    In zijn advies plaatst de Raad enkele kanttekeningen bij de voorgestelde overdrachtsregeling, onteigeningsregeling en de rechtsbescherming van de probleeminstelling, de aandeelhouders en andere belanghebbenden. Nu de voorgestelde regeling slechts op zeer incidentele wijze zal worden toegepast, zijn de verwachte werklastgevolgen ten gevolge van het wetsvoorstel beperkt.

  • Concept-besluit tot vaststelling van rechtspositionele voorzieningen van sociaal flankerend beleid voor rechterlijke ambtenaren bij reorganisaties voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2012 (Tijdelijke besluit sociaal flankerend beleid sector Rechterlijke Macht 2008-2012) (pdf, 27,2 KB)

    Dit concept-besluit voorziet in de formalisering van de tussen de Minister van Justitie (thans de minister van Veiligheid en Justitie) en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak op 4 september 2008 in het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM) gesloten overeenkomst over het Sociaal flankerend beleid voor de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2012.

  • Advies Friese taal (pdf, 41,1 KB)

    In het concept wetsvoorstel Friese taal worden de mogelijkheden voor het gebruik van het Fries in het rechtsverkeer en het bestuurlijk verkeer versterkt. In het advies van de Raad wordt ingegaan op de artikelen 12, 14 en 15 van het concept wetsvoorstel. Met name wordt gewezen op het commentaar bij artikel 14. De Raad is van mening dat het gestelde in artikel 14 lid 1 een stap te ver is. In dit artikel wordt bepaald dat hetgeen in het Fries is gesproken, indien het in het proces-verbaal wordt opgenomen, in die taal wordt vermeld. Dit eist dat rechters en griffiers het Fries voldoende beheersen om het gesprokene in geschrift te kunnen weergeven. Aan die eis kunnen het hof en de rechtbank in Leeuwarden niet voldoen omdat het merendeel van het personeel niet Friestalig is. Passieve beheersing van het Fries wordt aangemoedigd, maar actieve beheersing kan niet worden gevergd.

    De Raad verwacht wel dat er meer van het recht op Friestalige behandeling gebruik zal worden gemaakt, maar neemt aan dat dit nog steeds slechts in een zeer beperkt aantal zaken het geval zal zijn. Er wordt dan ook niet vanuit gegaan dat dit conceptwetsvoorstel substantiële werklastconsequenties zal hebben.

  • Wetsvoorstel bronbescherming voor journalisten (pdf, 27,7 KB)

    Over een eerdere versie van het Wetsvoorstel bronbescherming voor journalisten heeft de Raad op 19 december 2008 advies uitgebracht. De onderhavige adviesaanvraag richt zich op een aanvulling van dit Wetsvoorstel en heeft betrekking op de aanwezigheid van de rechter-commissaris bij een doorzoeking op het kantoor van een verschoningsgerechtigde. Blijkens de memorie van toelichting is deze wijziging ingegeven door de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 14 september 2010 in de zaak Sanoma tegen Nederland.
    De Raad heeft met instemming kennisgenomen van het gewijzigde wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft verder geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  • Advies wetsvoorstel identiteitsbewijzen en identiteitsvaststelling (pdf, 52,3 KB)

    Het wetsvoorstel strekt in de eerste plaats tot uitbreiding van de mogelijkheden tot bestrijding van fraude met identiteitsbewijzen en in de tweede plaats tot verbetering van de regeling met betrekking tot de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden. Het eerste doel wordt bereikt door te voorzien in meer strafrechtelijke instrumenten om fraude met identiteitsbewijzen te kunnen aanpakken. Zo wordt fraude met papieren of geplastificeerde identiteitsbewijzen geheel onder de werking van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gebracht en fraude met de meer in zwang komende fysieke identiteitsbewijzen strafbaar gesteld in een nieuw artikel 231a Sr. Bij fysieke identiteitsbewijzen gaat het om biometrische persoonsgegevens, zoals vingerafdrukken, die gebruikt worden om een persoon te identificeren. Het tweede doel wordt bewerkstelligd door de artikelen 27b, 55c en 61a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 33 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen die met de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen  zijn gewijzigd c.q. in die wetten zijn opgenomen, aan te passen.

    De Raad heeft enkele opmerkingen. In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat bepaalde gedragingen thans niet op grond van artikel 225 Sr strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Daarmee is echter niet gezegd dat die gedragingen niet op grond van andere strafbaarstellingen kunnen worden vervolgd. Het ware aan te bevelen aan die mogelijkheden aandacht te besteden alsmede aan de verhouding van die andere strafbaarstellingen tot de nieuw voorgestelde voorschriften.
    De Raad vraagt aandacht voor de uitwisseling van (BSN-)gegevens tussen het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) en het Schadefonds Geweldsmisdrijven bij de uitvoering van de voorschotregeling, met name in de situatie dat een slachtoffer aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de vergoeding van één en dezelfde schade door zowel het Voorschotfonds (art. 36f, lid 6 Sr) als door het Schadefonds Geweldsmisdrijven (art. 3 Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven) dan wel dat door beide een tegemoetkoming wordt toegekend. Deze situatie wordt (nog) ingewikkelder als er sprake is van mededaders die door de strafrechter – al dan niet tegelijk of variërend in tijd– allen voor betaling van het volledige schadebedrag hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. De Raad adviseert om aan deze problematiek uitdrukkelijk aandacht te besteden in de toelichting op het Wetsvoorstel.

    Verder geeft de Raad in overweging in de toelichting op het Wetsvoorstel te expliciteren dat illegale vreemdelingen in de regel niet over een BSN beschikken.

  • Advies Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (pdf, 91,9 KB)

    Het wetsvoorstel strekt tot wijziging van wettelijke bepalingen die samen bekend staan als de Wet collectieve afwikkeling massaschade (de WCAM), namelijk de artikelen 7:907-910 van het Burgerlijke Wetboek (BW) en artikelen 1013-1018 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarnaast wordt een wijziging voorgesteld van de bepaling die het collectieve actierecht regelt van stichtingen en verenigingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen (artikel 3:305a BW). De voorgestelde wijzigingen van de WCAM zijn in hoofdzaak ingegeven door de ervaringen die zijn opgedaan in procedures tot verbindendverklaring van collectieve schikkingen die tot dusverre, sinds de inwerkingtreding van de WCAM op 27 juli 2005, op grond van die wet zijn gevoerd. De voorgestelde wijziging van artikel 3:305a BW strekt ertoe om collectieve acties tegen te gaan door stichtingen of verenigingen die in werkelijkheid niet of niet voldoende de belangen vertegenwoordigen tot bescherming waarvan zij pretenderen op te treden.

    Het wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het plaatsen van enkele opmerkingen. De werklastgevolgen van het wetsvoorstel zijn naar de inschatting van de Raad niet noemenswaardig.

  • Adviesaanvraag Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring (pdf, 43,8 KB)

    Het wetsvoorstel strekt tot aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring in die zin dat de categorie misdrijven waarvoor geen verjaring geldt, wordt uitgebreid. Het geeft uitvoering aan de maatregelen die dienaangaande in het regeerakkoord zijn aangekondigd.

    Naar geldend recht zijn alleen misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, niet aan verjaring van het recht tot strafvordering onderhevig. Met het Wetsvoorstel vervalt de verjaring voor alle misdrijven waarop een maximum gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld, en voor  ernstige zedenmisdrijven die jegens kinderen zijn gepleegd.

    De Raad constateert dat in het wetsvoorstel de heldere en eenvoudige systematiek van de regeling van de vervolgingsverjaring zoveel mogelijk in stand wordt gehouden, overeenkomstig het advies van de Raad van State bij de Wet opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige misdrijven. Met betrekking tot enkele onderdelen van het wetsvoorstel heeft de Raad opmerkingen en vragen van inhoudelijke, procedurele en redactionele aard.

  • Advies conceptwetsvoorstel Wijziging van de regeling van de bevrijdende verjaring in het Burgerlijk Wetboek in geval van schade veroorzaakt door strafbare feiten (pdf, 21,3 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt artikel 3:310 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) uit te breiden. De voorgestelde wijziging hangt nauw samen met het eveneens aan de Raad ter advisering voorgelegde conceptwetsvoorstel tot wijzing van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring, waarin voor een aantal ernstige misdrijven de strafrechtelijke verjaringstermijn wordt opgeheven en voor een specifieke categorie misdrijven de verjaringstermijn wordt verlengd. Het wetsvoorstel breidt lid 4 van artikel 3:310 BW uit tot een algemene verlenging van de civielrechtelijke verjaringstermijn zolang nog strafvervolging kan worden ingesteld. Daarmee wordt voorkomen dat de civielrechtelijke verjaringstermijn al is verstreken, terwijl nog wel strafvervolging kan worden ingesteld.

    De Raad sluit zich aan bij het advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) van 22 maart 2011 om te herbezien of het voorgestelde vierde lid van artikel 3:310 BW ook gelding zal hebben in andere gevallen dan die waarin de betrokkene door de strafrechter is schuldig verklaard en is van mening dat een aangepaste redactie van het vierde lid van genoemd artikel en van de toelichting de voorkeur verdienen. De gevolgen van dit wetsvoorstel voor de werklast van de Rechtspraak worden als niet noemenswaardig ingeschat.

  • Advies conceptwetsvoorstel Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten (pdf, 51,1 KB)

    Naast een aantal technische en redactionele aanpassingen van bestaande wetgeving op het terrein van het strafrecht, het jeugdrecht en het civiele recht, bevat het wetsvoorstel onder meer twee nieuwe strafbaarstellingen. In de eerste plaats wordt voorgesteld om het oproepen tot een bank run strafbaar te stellen (artikel 344a Sr). In de tweede plaats beoogt dit wetsvoorstel de invoering van een expliciete strafbaarstelling van de gevaarzetting en het hinderen van het luchtverkeer. Verder wordt ter wille van de beveiliging van de burgerluchtvaart de geheimhoudingsplicht in artikel 37ha van de Luchtvaartwet verruimd en wordt het strafmaximum voor het misdrijf van artikel 197c Sr (beroep of gewoonte maken van het tewerkstellen van illegale vreemdelingen) verhoogd tot vier jaren. Voorts worden ten aanzien van illegale vreemdelingen wijzigingen voorgesteld terzake van de toepassing en de tussentijdse beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting van stelselmatige daders (“ISD-maatregel”).  De Raad acht aanpassing cq. verduidelijking van enkele bepalingen en de toelichting wenselijk. Naar de inschatting van de Raad heeft het wetsvoorstel geen noemenswaardige werklastgevolgen voor de Rechtspraak.

  • Advies Wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs (pdf, 90,2 KB)

    Het wetsvoorstel heeft tot doel de speekseltest als zodanig in de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) op te nemen. Als bewijsmiddel blijft het afnemen van bloed gelden. Voor de drugs waarvan het gebruik niet met behulp van de speekseltester kan worden vastgesteld, en voor geneesmiddelen wordt de huidige wijze waarop voldoende verdenking wordt verkregen van het rijden onder invloed van die stoffen, in de Wegenverkeerswet 1994 vastgelegd. Het gaat hier om de verplichting om mee te werken aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties. Het wetsvoorstel voorziet er verder in dat voor drugs afzonderlijke grenswaarden zullen gelden. Deze zullen worden vastgelegd bij algemene maatregel van bestuur.

    De Raad onderschrijft de aanpak van het rijden onder invloed van drugs, niet alleen met het oog op een vergroting van de veiligheid in het verkeer door een verbeterde normstelling en -handhaving, maar ook met het oog op het terugdringen van de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico’s voor de drugsgebruikers en heeft over onderdelen daarvan enkele opmerkingen. De Raad heeft enkele (principiële) bedenkingen tegen onderdelen van het wetsvoorstel.
    De Raad waardeert de zorgvuldigheid die is betracht, door met het wetsvoorstel te wachten tot het beschikbaar komen voor de voorselectie van een geschikter middel – de speekseltester –  in plaats van de urinetest. De Raad tekent hierbij evenwel aan dat de efficiëntie van de test in het buitenland inmiddels (eveneens) als kwestieus is gekenmerkt nu verschillende wetenschappelijke studies op aanzienlijke foutenmarges wijzen.

    De Raad deelt de opvatting van de minister dat het de voorkeur verdient een grenswaarde te hanteren.

    De vraag of naar analogie van de regeling met betrekking tot het rijden onder invloed van alcohol een grenswaarde moet worden gehanteerd, dan wel met het oog op een zero tolerance beleid een nul-waarde, is in de ogen van de Raad niet per definitie een of-of vraag. Het is immers denkbaar om ten aanzien van de (kwetsbare) beginnende bestuurder, bedoeld in artikel 8, derde lid, WVW 1994, een nulwaarde te hanteren, terwijl ten aanzien van de andere bestuurders, bedoeld in artikel 8, tweede lid, WVW 1994 een grenswaarde blijft gesteld. Dit laatste acht de Raad systematisch juist met het oog op de kern van artikel 8 WVW 1994 die is neergelegd in het eerste lid dat de bestuurder verbiedt een voertuig te besturen onder zodanige invloed van een stof dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

    De Raad heeft principieel bezwaar tegen het bij Algemene maatregel van bestuur benoemen van de stoffen die onder de strafbaarstelling van artikel 8, vijfde lid, WVW 1994 vallen. De Raad acht het gelet op het legaliteitsbeginsel, verwoord in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, en in het bijzonder op de daarmee beoogde rechtszekerheid voor de burger, gewenst dat het benoemen van de afzonderlijke psychoactieve stoffen en het stellen van de aan die stoffen verbonden grenswaarden wordt geregeld bij formele wet.

  • Advies verankering Crisis- en herstelwet (pdf, 93,7 KB)

    Het wetsvoorstel verankert van de Crisis- en herstelwet (CHW) binnen de reguliere wet- en regelgeving en bestaat uit twee delen. Ten eerste beoogt het wetsvoorstel permanente werking te geven aan de tijdelijke regelingen in de CHW, waarbij voor enkele artikelen geldt dat de reikwijdte wordt verbreed. Ten tweede bevat het wetsvoorstel enkele verbeteringen op het gebied van het omgevingsrecht.
    De Raad wijst er in het algemeen op dat de verankering van de CHW wet niet alleen door middel van het ter advisering voorliggende wetsvoorstel geschiedt maar ook via ander wetsvoorstellen zoals bijvoorbeeld het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht. De Raad acht het van belang dat ten behoeve van de overzichtelijkheid van de wetgeving, het onderhavige wetsvoorstel in relatie tot de ander samenhangende wetsvoorstellen wordt behandeld en geïmplementeerd. Opgemerkt wordt dat vooruitlopend op de evaluatiebepaling in de CHW thans reeds tot verankering wordt overgegaan. De Raad vraagt in de MvT uit te leggen waarom hiervoor gekozen is. Tot slot vraagt de Raad zich af of het ter advisering voorliggende wetsvoorstel ertoe zal leiden dat de gewenste versnelling wordt bereikt. De overzichtelijkheid van de regels vermindert aanzienlijk door dit wetsvoorstel en ook de complexiteit neemt toe.

    In het advies van de Raad is verder een groot aantal inhoudelijke opmerkingen opgenomen. Ten aanzien van de werklastconsequenties voor de Rechtspraak wordt opgemerkt dat het effect dat dit wetsvoorstel heeft op het aantal bestuurszaken zodanig onduidelijk is, dat er in dit stadium geen doorrekening van kan worden gemaakt.

  • Advies Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (Besluit nummerherkenning) (pdf, 23,4 KB)

    Het besluit strekt tot aanvulling van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken1 met een regeling voor het vernietigen van mededelingen van geheimhouders bij de toepassing van de bevoegdheid op grond van de artikelen 126m., 126t en 126zg van het Wetboek van Strafvordering tot het opnemen van niet voor het publiek bestemde communicatie. De aanpassing heeft betrekking op communicatie (telefoon en fax), waarbij een advocaat als geheimhouder is betrokken. Blijkens de bijlage bij het besluit voorziet de regeling in de mogelijkheid dat advocaten via de Nederlandse Orde van Advocaten een of enkele nummers opgeven aan het Korps landelijke politiediensten. Na herkenning van een opgegeven nummer zal het opnemen van de communicatie via dat nummer onmiddellijk worden beëindigd en eventueel reeds opgenomen communicatie onmiddellijk worden gewist.

    De Raad onderschrijft de wenselijkheid van een regeling met betrekking tot herkenning en vernietiging van niet voor het publiek bestemde communicatie (telefoongesprekken en faxberichten) via een nummer dat door een advocaat in zijn hoedanigheid van geheimhouder wordt gebruikt. De Raad constateert dat de regeling tot stand is gekomen in nauw overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten. De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen.

    Het besluit heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • Advies Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie (pdf, 48 KB)

    Het wetsvoorstel strekt er toe een wettelijke basis te geven om kentekengegevens van voertuigen door opsporingsambtenaren door middel van camera's vast te leggen en deze gegevens voor de duur van vier weken te bewaren ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten en ten behoeve van het achterhalen van de verblijfplaats van voortvluchtige verdachten en veroordeelden. Dit voorstel ziet in het bijzonder op de automatische kentekenherkenning, ofwel automatic numberplate recognition (ANPR), die al enige jaren door verschillende politiekorpsen wordt ingezet.

    De Raad onderschrijft de opvatting dat voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens van voertuigen met het oog de opsporing van strafbare feiten en ten behoeve van het achterhalen van de verblijfplaats van voortvluchtige verdachten en veroordeelden wetgeving in formele zin is vereist. De Raad heeft een aantal - met elkaar samenhangende - vraagpunten en bedenkingen ten aanzien van de omgrenzing en de formulering van de voorgestelde bevoegdheid. Deze monden uit in de vraag of op een aantal punten een nadere omschrijving van de voorgestelde bevoegdheid niet wenselijk dan wel noodzakelijk is.

    Het wetsvoorstel heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • Advies wetsvoorstel normalisering rechtspositie ambtenaren (pdf, 133,6 KB)

    Het Wetsvoorstel bepaalt dat het overgrote deel van het huidige ambtenarencorps met de inwerkingtreding van dit Wetsvoorstel werknemer op grond van het BW zal worden. Slechts een relatief klein deel van de ambtenaren wordt van de beoogde normalisering uitgezonderd. Het gaat daarbij om een beperkte groep ambtenaren die om uiteenlopende redenen ook in de toekomst hun huidige publiekrechtelijk geregelde ambtelijke rechtspositie dienen te behouden: militaire ambtenaren, de zittende magistratuur en de leden van de Hoge Colleges van Staat, en benoemde ambtsdragers, zoals ministers, staatsecretarissen, burgemeesters en de commissarissen van de Koningin.

    De Raad constateert dat de vraag op wie de normalisering nu precies van toepassing is, niet afdoende is beantwoord respectievelijk niet uitputtend is beschreven, en noemt daarbij enkele voorbeelden. Daarnaast is de Raad van mening dat de groep ambtenaren die van de normalisering wordt uitgezonderd te beperkt is. Door de beperkte uitzonderingen in het initiatiefwetsvoorstel zal een groot aantal functionarissen binnen de rechterlijke organisatie - ook zij die rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast zijn - hun ambtelijke status verliezen. De Rechtspraak omvat meer dan de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren die volgens het initiatiefwetsvoorstel hun ambtelijke status zullen behouden, terwijl een aantal nu niet-uitgezonderde functies evenzeer en onlosmakelijk deel uitmaken van de rechterlijke macht en als kerncompetentie onafhankelijkheid hebben. De Raad is ook van mening dat de onafhankelijke positie van de officier van justitie bij een civielrechtelijke aanstelling onvoldoende is verzekerd.

    De beëindiging van de publiekrechtelijke rechtsbescherming voor de niet-uitgezonderde ambtenaren betekent dat er voortaan geen bezwaarschriftenprocedure meer is, geen beroep bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en geen hoger beroep bij de CRvB. Rechtsbescherming vindt na inwerkingtreding van het Wetsvoorstel plaats op grond van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en het BW. De ambtenaar zal zich in geval van een geschil met zijn werkgever, en als hij uiteindelijk een rechterlijke uitspraak wenst, in eerste instantie moeten richten tot de kantonrechter. Is hij het niet eens met deze uitspraak dan kan hij in het normale geval hoger beroep instellen bij het gerechtshof en in laatste instantie cassatie instellen bij de Hoge Raad. In bepaalde gevallen kan echter geen hoger beroep worden ingesteld, met name niet bij de belangrijke categorie ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In die gevallen treedt er verlies aan rechtsbescherming op.

    Het overgangsrecht dient naar de mening van de Raad op enkele punten verduidelijkt te worden. Naar de mening van de Raad ontstaat er voorts een rolvermenging tussen de overheid die aan het arbeidsvoorwaardenoverleg deelneemt en dezelfde overheid die de CAO’s verbindend verklaart.

    Het initiatiefwetsvoorstel zal leiden tot een verschuiving van ambtenarenzaken van de sector bestuursrecht (rechtbank en CRvB) naar de sector kanton/civiel (rechtbank en hoven). Slechts een zeer beperkt aantal zaken, zoals procedures van militaire ambtenaren, politieke ambtsdragers en rechters zullen in eerste aanleg bij de sector bestuursrecht en in hoger beroep bij de CRvB, blijven. De invoering van het Wetsvoorstel houdt voor de Rechtspraak naar verwachting een netto besparing in van 1,7 miljoen euro in jaar 1, oplopend tot een besparing van 4 miljoen euro in jaar 5 na invoering.

  • Advies nota van wijziging politiewet (pdf, 23,6 KB)

    De betreffende nota van wijziging strekt ertoe te realiseren dat er een nationale politie komt, zoals vastgelegd in het Regeerakkoord.

    De Raad wijst in het advies op de verbinding met de herziening van de gerechtelijke kaart, en gaat er vanuit dat zowel de begrenzing als de benaming van de regionale eenheden van de nationale politie aansluiten bij de indeling van de gerechtelijke kaart.

  • Aanvullend advies Wijziging van het Wetboek van Strafrecht i.v.m. het beperken van mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (pdf, 39 KB)

    Over het eerdere Wetsvoorstel inperking taakstraffen heeft de Raad op 6 februari 2009 advies uitgebracht. De onderhavige nota van wijziging vormt een verdere inperking van de mogelijkheid om een taakstraf op te leggen. De voorgestelde wijzigingen roepen voor de praktijk dermate ernstige bezwaren op, dat de Raad voor de rechtspraak, het openbaar ministerie en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak hierin aanleiding zien rechtstreeks aan de Tweede Kamer gezamenlijk commentaar te leveren. Raad, OM en NvvR maken bezwaar tegen de wijzigingen omdat deze een ernstige aantasting vormen van de rechterlijke straftoemetingsvrijheid, respectievelijk de discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie inzake de tenuitvoerlegging van een (gedeeltelijk) mislukte taakstraf.

  • Advies Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met het oog op de verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang (pdf, 23,7 KB)

    Het Wetsvoorstel voorziet in een verruiming van de mogelijkheden tot uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht ten aanzien van de vervolging van huwelijksdwang. Verder wordt het strafrechtelijke instrumentarium voor de aanpak van huwelijksdwang versterkt. In de eerste plaats wordt de maximum strafbedreiging van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan huwelijksdwang wordt vervolgd, verhoogd tot twee jaar gevangenisstraf. In de tweede plaats wordt het mogelijk ter zake van artikel 284, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voorlopige hechtenis toe te passen. Dit maakt onder andere ook aanhouding buiten heterdaad mogelijk. Bovendien komen daardoor bepaalde strafvorderlijke opsporingsbevoegdheden beschikbaar die de opsporing van huwelijksdwang kunnen vergemakkelijken. In de derde plaats wordt de verjaringstermijn verlengd voor huwelijksdwang die wordt begaan tegen een persoon beneden de leeftijd van achttien jaar, zodat betrokkene meer tijd wordt gegeven om na te denken of het huwelijk is aangegaan onder dwang en om zich bewust te worden dat aangifte kan worden gedaan. Ten slotte wordt het Wetsvoorstel aangegrepen om de rechtsmacht ten aanzien van de vervolging van polygamie uit te breiden.

    Advies: De Raad onderschrijft de aanpak van huwelijksdwang. De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen.

  • Advies Ontwerpbesluit tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende jeugdsancties (pdf, 20 KB)

    De voorgestelde wijzigingen vloeien voort uit eerdere wijzigingen in de Bjj, Sr en Sv. De regeling van het proefverlof wordt geïntegreerd in de regeling van het scholings- en trainingsprogramma en er wordt een wettelijke basis gecreëerd voor de netwerk- en trajectberaden.

    De raad vraagt in het advies speciaal aandacht voor de rechtspositie van de jeugdige. Het voorstel biedt de jeugdige minder rechtsbescherming dan de huidige regeling. De beroepsmogelijkheid tegen de beslissing van de Minister tot intrekking van de machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma dient alsnog expliciet geregeld te worden volgens de Raad.

 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via
Stel uw vraag via

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m vrijdag tussen 8.00 en 20.00 uur.

Veelgestelde vragen aan het Rechtspraak Servicecentrum