Wetgevingsadvies 2012

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2012

 Wetgevingsadvies 2012

>Alles uitklappen
  • 2012/47 Advies Tweede Nota van Wijziging van Wet forensische zorg (pdf, 66,3 KB)

    Zoals de Raad in zijn brief van 30 maart 2012 reeds heeft aangegeven, leidt de wijziging van artikel 5,1 Wfz, bij de (eerste) Nota van Wijziging, min of meer tot een terugkeer naar de situatie van het in 2008 in consultatie gegeven ontwerp wetsvoorstel waarover de Raad zich kritisch heeft uitgelaten. Met die wijziging bepaalt het tweede lid immers dat de rechter op basis van een indicatiestelling tot forensische zorg kan besluiten. Deze binding aan de indicatiestelling beperkt de rechter ten onrechte en onnodig in zijn beslissingsruimte en zal leiden tot veel schorsingen van het onderzoek ter terechtzitting om alsnog een indicatiestelling te verkrijgen. Met het nieuwe derde lid van artikel 5.1 Wfz dat met de Nota wordt ingevoegd, wordt weliswaar uitvoering gegeven aan het voornemen de procedure ten opzichte van de eerste Nota van Wijziging minder bureaucratisch te maken, maar dat is slechts ten dele het geval.

    De Raad bepleit een regeling waarbij de rechter c.q de rechter-commissaris forensische zorg die hij noodzakelijk acht, kan opleggen, ook als om welke reden dan ook (nog) geen indicatieadvies/stelling beschikbaar is, en waarbij de indicatiestelling vervolgens op grond van zijn beslissing zonodig wordt aangepast of alsnog wordt opgesteld.

    De Nota bevat een uitgebreidere en met meer waarborgen omklede procedure voor het verkrijgen en gebruiken van (medische) gegevens van verdachten die niet willen meewerken aan forensisch gedragskundig onderzoek, de zogenaamde weigerende observandi. De voorgestelde regeling bevat een forse inbreuk op het (medische) beroepsgeheim. De Raad stelt voorop dat door de wetgever nader en ten principale moet worden ingegaan op de vraag of een dergelijke inbreuk wel wordt gerechtvaardigd door het hiermee te bereiken doel. Daarbij dient tevens aandacht te worden besteed aan de vraag in hoeveel gevallen naar verwachting de forensische gedragsrapporteur daadwerkelijk iets zal kunnen doen met de verkregen informatie. Voorts is de Raad van oordeel dat vanwege het grote belang dat in onze samenleving wordt gehecht aan de handhaving van het (medische) beroepsgeheim van behandelaars (artsen en gedragsdeskundigen) en het ingrijpende karakter van de voorgestelde inbreuk daarop, ten minste is vereist dat wordt voorzien in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang waarin ook de behandelaar die een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft voor de handhaving van dat geheim, wordt betrokken. Daarvan is vooralsnog onvoldoende sprake.

    Met betrekking tot de rol van de rechter is de Raad van oordeel dat de rechter, aan wie de machtiging tot het verstrekken van de van de behandelaars verkregen informatie aan de gedragsrapporteur wordt gevraagd voor een deugdelijke oordeelsvorming kennis moet kunnen nemen van de te verstrekken informatie. Het horen van de voorzitter van de in te stellen multidisciplinaire commissie kan dat niet vervangen want er is dan sprake van een indirecte, mogelijk gekleurde informatievoorziening.

    Voorts is de Raad van oordeel dat gezien het ingrijpende karakter van de aan de rechter gevraagde machtiging en overeenkomstig de praktijk bij beslag onder geheimhouders de primaire beslissing op de vordering tot de machtiging niet in handen ware te leggen van de rechter-commissaris, maar direct in handen van de raadkamer van de rechtbank, met de mogelijkheid van cassatieberoep op de Hoge Raad.

    De Raad ziet een voor de hand liggend alternatief voor de voorgestelde rechterlijke instantie. Nu het over het gehele land jaarlijks zal gaan om enkele tientallen gevallen, waarbij vanaf het begin van de invoering rechtseenheid en bijzondere expertise zijn gewenst, stelt de Raad voor de machtiging tot het ter beschikking stellen van de relevante gegevens aan de gedragsrapporteurs landelijk in handen te leggen van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem, samengesteld op de voet van eerste volzin van het derde lid van artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, met een mogelijkheid van beroep in cassatie op de Hoge Raad.
     

  • 2012/45 Nader advies conceptwetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (pdf, 32,6 KB)

    Het advies ziet op een voorgenomen aanpassing van het Wetsvoorstel verruiming
    mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit. Deze aanpassing is opgesteld naar aanleiding van de passage in het eerdere advies van de Raad voor de rechtspraak over dit wetsvoorstel. Deze passage had betrekking op het voorstel om de procedure voor inbeslagneming van zogeheten geheimhoudersstukken te versnellen door de mogelijkheid tot cassatieberoep af te schaffen (advies 2012/26). In het eerdere advies heeft de Raad onder meer gewezen op het grote maatschappelijke belang en het principiële karakter van het verschoningsrecht van zogeheten geheimhouders, en op het belang van de rechtsontwikkeling. In dit licht heeft de Raad aangegeven dat een adequate rechtsgang is geboden, en tevens dat niet valt in te zien waarom de beoogde versnelling niet ook op een andere wijze zou kunnen worden bereikt dan door afschaffing van de mogelijkheid tot cassatie. De aanpassing betreft een alternatief voorstel, waarin onder meer de mogelijkheid tot cassatie blijft gehandhaafd. De Raad heeft met instemming van de aanpassing kennisgenomen.

     

  • 2012/44 Advies Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de versterking van het presterend vermogen van de politie (pdf, 79,1 KB)

    De Raad heeft een aantal inhoudelijke opmerkingen en bezwaren die leiden tot de conclusie dat het Wetsvoorstel niet in de voorliggende vorm dient te worden ingediend. De Raad constateert dat de voornaamste aanleiding voor het wetsvoorstel is gelegen in de wens om tot verbetering van de doelmatigheid te komen en acht het zijn taak erop te wijzen dat hierbij grondrechtelijke aspecten niet buiten beschouwing mogen blijven. Het wetsvoorstel dient erop te worden beoordeeld of het een aanvaardbaar evenwicht tussen beide weet te vinden. Met het oog daarop acht de Raad een paragraaf over de grondrechtelijke dimensie onontbeerlijk, in het bijzonder wat betreft de wijziging met betrekking tot de machtiging tot tappen en de beperking van de notificatieplicht. De Raad heeft onder andere bezwaar tegen het vergemakkelijken van het tappen van communicatiediensten louter op naam van de gebruiker, omdat daarmee de rechterlijke controle wordt verzwakt. De Raad ontraadt verder de voorgestelde wijziging van artikel 444 Rv betreffende de begeleiding van de deurwaarder bij executoriale beslaglegging.
    Het wetsvoorstel zal vermoedelijk per saldo niet of nauwelijks werklastgevolgen voor de rechtspraak hebben.

  • 2012/43 Advies Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het terugdringen van geweld onder invloed van middelen (pdf, 65,9 KB)

    De Raad heeft inhoudelijke opmerkingen en bezwaren en komt tot de conclusie dat het wetsvoorstel niet voorziet in een in de praktijk bestaande behoefte en dat (mede in dat licht) de noodzaak voor invoering van de test onvoldoende wordt onderbouwd. De Raad ontraadt daarom de indiening van het wetsvoorstel.
    Het wetsvoorstel heeft werklastgevolgen voor de rechtspraak. De werklastgevolgen voor de rechtspraak worden geschat op ruim € 200.000 per jaar.

  • 2012/42 Advies wetsvoorstel Wet digitale handhaving veelvoorkomende overtredingen (pdf, 76,8 KB)

    De Raad heeft een aantal inhoudelijke opmerkingen en bezwaren en adviseert het wetsvoorstel in de voorliggende vorm niet in te dienen. De bezwaren richten zich onder andere op het ontbreken van een contactmoment tussen de verbalisant en degene die de vermeende overtreding heeft gepleegd. Nu de verbalisant bij digitale handhaving geen verkort proces-verbaal opmaakt, maar de gegevens invoert in een PDA, wordt in de Memorie van Toelichting niet inzichtelijk of aldus een proces-verbaal tot stand komt, in het bijzonder of wordt voldaan aan de eisen gesteld bij en krachtens de in artikel 153, tweede lid, Sv bedoelde algemene maatregel van bestuur: het Besluit elektronisch proces-verbaal. Aan deze regeling wordt in het wetsvoorstel geheel voorbij gegaan. De Raad merkt op dat de in de PDA neergelegde waarneming van de verbalisant niet het karakter heeft van een proces-verbaal in de zin van de wet. Verder vraagt de Raad onder meer aandacht voor de mogelijkheden tot het maken van fouten bij het overnemen van de gegevens uit geautomatiseerde bestanden in de PDA.

    Het wetsvoorstel heeft werklastgevolgen voor de rechtspraak. Op grond van een voorzichtige schatting van de effecten van beide factoren verwacht de Raad dat het wetsvoorstel zal leiden tot een toename van het beroep op de rechter met als gevolg een toename van de jaarlijkse kosten van ruim € 800.000.

  • 2012/41 Advies conceptwetsvoorstel Wet houdende regels voor een gemeentelijke verantwoordelijkheid voor ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij psychische, psychosociale of gedragsproblemen van de jeugdige en opvoedingsproblemen (Jeugdwet) (pdf, 209,2 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt tot een decentralisatie van alle ondersteuning, hulp en zorg voor jeugd en ouders naar gemeenten, zowel bestuurlijk als financieel. Met deze stelselwijziging krijgen de gemeenten de verantwoordelijkheid om een integraal jeugdbeleid te voeren en maatwerk te bieden, afgestemd op de lokale situatie en uitgaande van de individuele behoeften en het eigen probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en sociale omgeving.

    Het Wetsvoorstel voorziet niet alleen in een verantwoordelijkheid van gemeenten voor hulp in een vrijwillig kader. De gemeenten krijgen ook de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van gedwongen hulp en zorg, zoals de uitvoering van door de rechter opgelegde maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering, en de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen in het kader van het jeugdstrafrecht.

    • Het advies houdt op hoofdlijnen het volgende in:
      De Raad onderschrijft het doel van het Wetsvoorstel: meer aandacht voor preventie, meer samenhang. De decentrale gedachte biedt kansen, zeker voor de afstemming van vrijwillige hulp, maar de Raad ziet veel risico’s, in het bijzonder in het gedwongen kader.
    • Met betrekking tot de uitwerking van het doel staat de Raad positief tegen een aantal onderdelen van het Wetsvoorstel, zoals de introductie van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg, de mogelijkheid voor de officier van justitie om een machtiging gesloten jeugdzorg te verzoeken en de kwaliteitseisen die aan gecertificeerde instellingen zullen worden gesteld.
    • Grote zorg bestaat echter over een aantal andere onderdelen. Het Wetsvoorstel bevat onvoldoende waarborgen voor een tijdige en kwalitatief goede uitvoering van rechterlijke beslissingen met betrekking tot jeugdigen. Daarnaast is de rechtsbescherming onvoldoende geregeld en de systematiek van het Wetsvoorstel onduidelijk.
  • 2012/39 Advies concept-besluit aanpassing Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken met het oog op de vernietiging van geheimhoudersgesprekken (pdf, 29,2 KB)

    De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen ten aanzien van het besluit. Het besluit heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2012/38 Advies Ontwerp-besluit houdende wijziging Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met nevenbetrekkingen (pdf, 17,1 KB)

    Dit ontwerp-besluit hangt samen met de Wet van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met enkele aanvullingen op de regeling inzake de nevenbetrekkingen van rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de binnenstage (Stb,2012, 220). Het ontwerp-besluit bevat nadere bepalingen over of bepaalde gegevens over nevenbetrekkingen met het oog op de veiligheid van de rechterlijke ambtenaar (in opleiding) niet of niet volledig openbaar worden gemaakt en over categorieën van bezoldigingen.

  • 2012/35 Advies curatele en bewindregister (pdf, 54 KB)

    Het Wetsvoorstel heeft betrekking op de herschikking van de asielgerelateerde toelatingsgronden, inclusief het vervallen van de grondslag voor het categoriale beschermingsbeleid. Ook wordt een vereenvoudiging voorgesteld van de procedure ten behoeve van de verlening van de verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden. Het Wetsvoorstel schept voorts een grondslag om leges te heffen voor de vervanging van verblijfsdocumenten ter staving van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in geval het document wordt vermist, verloren is gegaan of voor identificatie ondeugdelijk is geworden.

    De Raad stelt in zijn advies enkele vragen ten aanzien van het traumatabeleid, de nareizers en het onderscheid tussen asiel- en reguliere zaken. De Raad zal naar verwachting eind 2011 een kostenberekening betreffende dit wetsvoorstel kunnen maken. Dit zal worden gedaan in samenhang met de wijzigingen in de met - het wetsvoorstel samenhangende - lagere regelgeving. Deze wijzigingen van de lagere regelgeving zullen naar verwachting in het najaar 2011 aan de Raad ter advisering worden voorgelegd.

  • 2012/34 Advies concept wetsvoorstel tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten (pdf, 92 KB)

    In de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (ACM) wordt de samenvoeging van NMa, OPTA en Consumentenautoriteit geregeld (kamerstukken 33 186). Het ter advisering voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Instellingswet en enige andere wetten beoogt de ACM effectief, efficiënt en slagvaardig te laten functioneren en voorziet in verband daarmee in een vereenvoudiging en stroomlijning van taken en procedures binnen de ACM. Het gaat daarbij onder meer om zaken als beslis- en betalingstermijnen, openbaarmaking van besluiten, het sanctie-instrumentarium, toezichthoudende bevoegdheden en bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures. Ook worden enkele specifieke procedures vereenvoudigd. Het zogenoemde duale stelsel van handhaving op het gebied van consumentenbescherming en van de Telecommunicatiewet wordt afgeschaft en er wordt een uniform stelsel van bestuursrechtelijke handhaving voor het algemene mededingingstoezicht ingevoerd.

    De Raad spreekt in zijn algemeenheid zijn waardering ervoor uit, dat in het wetsvoorstel de toezichtsbevoegdheden en de daarbij behorende rechtsbescherming worden geharmoniseerd en gestroomlijnd.

    De Raad kan zich echter niet vinden in het afschaffen van de bezwaarfase voor boetebesluiten en gecombineerde besluiten. Het afschaffen van de bezwaarfase in geval van geschilbeslechting door het ACM stuit bij de Raad niet op bezwaar.

    Rechtspraak in twee feitelijke instanties dient volgens de Raad het uitgangspunt te zijn. De Raad kan zich niet vinden in de uitzonderingen die het wetsvoorstel op dit uitgangspunt maakt. Concentratie in eerste aanleg van behandeling van de betreffende zaken bij de rechtbank Rotterdam kan op instemming rekenen, evenals de aanwijzing van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) als hoger beroepsinstantie.

    De in het wetsvoorstel gekozen systeem van uitsluitend bestuursrechtelijke handhaving (en daarmee het afschaffen van het duale stelsel) kan op instemming van de Raad rekenen.

  • 2012/33 Advies Besluit wijziging Reglement voor de bijzondere kamers bij het gerechtshof Arnhem en het Reglement voor de ondernemingskamer in verband met de wijziging van de vergoedingen van niet tot de rechterlijke macht behorende leden van die kamers (pdf, 30,3 KB)

    Dit ontwerp-besluit strekt tot het wijzigen van de vergoeding van de niet tot de rechterlijke macht behorende (plaatsvervangende) leden van de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam en van de bijzondere kamer bij het gerechtshof te Arnhem (de penitentiaire kamer).

  • 2012/32 Advies stroomlijning toelatingsprocedures (pdf, 75,9 KB)

    In de Beleidsvisie Stroomlijning Toelatingsprocedures, die 22 februari 2011 naar de Tweede Kamer is gestuurd, zijn maatregelen uiteengezet waarmee vreemdelingen sneller duidelijkheid krijgen omtrent hun perspectief op verblijf in Nederland. Het voorstel tot uitvoering van deze maatregelen is in oktober 2011 verwoord in het Beleidskader Stroomlijning toelatingsprocedures. De Raad heeft bij brief van 21 december 2011 (kenmerk UIT 4524 S&O / RMD) over de in dit Beleidskader opgenomen maatregelen geadviseerd. Een deel van de aangekondigde maatregelen wordt in het ontwerpbesluit Vb 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures) opgenomen en uitgewerkt.

    Nu in het ter advisering voorliggende besluit een deel van diezelfde maatregelen wordt uitgewerkt, verwijst de Raad naar zijn eerder uitgebrachte advies en de daarin opgenomen verwachtingen. De Raad vraagt -  in het verlengde van dit advies -  in het bijzonder aandacht voor de volgende twee punten.

    Ondanks het feit dat de Minister van Immigratie, Integratie en Asiel heeft aangegeven dat de maatregelen niet tot doel hebben tot een hoger afdoeningspercentage AA-zaken te komen, verwacht de Raad dat het effect van de maatregelen - in combinatie met de druk op de doorlooptijden in de keten – zal leiden tot het afdoen van een steeds groter percentage (en daarmee zwaardere) zaken in de AA-procedure. Deze trend is nu al zichtbaar bij de rechtbanken. Inmiddels wordt 68% van het aantal asielaanvragen in de AA-procedure afgedaan. Indertijd, bij de voorbereiding van de invoering van de AA-procedure, was de inschatting dat dit percentage rond de 40% zou liggen.

    Daarnaast wil de Raad in het bijzonder aandacht vragen voor de doorlooptijden van vreemdelingenzaken bij de rechtbanken. Door de maatregelen en de verwachte gevolgen acht de Raad het onwaarschijnlijk dat de verkorte doorlooptijden van vreemdelingenzaken bij de rechtbanken, na invoering van de maatregelen uit de Beleidsvisie haalbaar zullen zijn.

    In de adviesaanvraag heeft de Minister van Immigratie, Integratie en Asiel aangegeven wat naar zijn verwachting de effecten van maatregelen in het Beleidskader zullen zijn. De daarin beschreven verwachtingen zijn gebaseerd op het totaal pakket aan maatregelen zoals opgenomen in de Beleidskader en beperken zich dus niet tot de effecten van de maatregelen die in het ter advisering voorliggende Besluit zijn opgenomen. De (globale) inschattingen van de effecten van alle maatregelen in het Beleidskader op de werklast bij de rechtbanken, hebben de aannames van de Minister als uitgangspunt genomen. Volgens deze inschatting zullen de maatregelen een besparing van 1 miljoen euro opleveren bij de rechtbanken. De Raad wijst er echter nadrukkelijk op dat dit slechts een indicatief beeld oplevert van de financiële gevolgen van deze maatregelen. Een inschatting is zeer moeilijk te maken aangezien een aantal maatregelen sterk met elkaar samenhangt.

  • 2012/31 Advies invoering flexibel cameratoezicht (pdf, 37,3 KB)

    Het wetsvoorstel maakt tijdelijk en flexibel cameratoezicht mogelijk indien dit noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. Anders dan de huidige regeling, vereist het wetsvoorstel geen specifiek plaatsingsbesluit waarin de plaatsing van iedere afzonderlijke camera wordt vastgelegd. In de plaats daarvan komt een gebiedsaanwijzing (middels een besluit in de zin van de Awb, genomen door de burgemeester) waarin wordt bepaald binnen welk gebied de flexibele camera's geplaatst en verplaatst mogen worden.

    De Raad wijst erop dat het onvoldoende duidelijk is wat het bereik is van deze wettelijke regeling en vraagt op een aantal punten verduidelijking. Dit betreft bijvoorbeeld de duur van de gebiedsaanwijzing, het soort camera's die onder de regeling kunnen vallen (vallen bijvoorbeeld ook handcamera's onder de regeling) en de motivering van de gebiedsaanwijzing.

    Uit de MvT blijkt dat het de verwachting is dat het (flexibele) cameratoezicht de komende jaren zal toenemen. De Raad ziet op dit moment echter geen aanknopingspunten om een schatting te kunnen maken van het aantal extra zaken dat deze regeling zou kunnen genereren.

  • 2012/30 Aanvullend advies conceptwetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering ea i.v.m. de invoering van adolescentenstrafrecht (pdf, 53,9 KB)

    De aanpassing van het wetsvoorstel is mede ingegeven door een suggestie van de Raad in zijn advies van 23 maart 2012 met betrekking tot het wetsvoorstel en strekt tot het scheppen van de mogelijkheid om een verdachte die wordt vervolgd ter zake van feiten die hij als minderjarige heeft begaan, en ter zake van feiten die hij als meerderjarige heeft begaan, voor die feiten gelijktijdig door een rechter te laten berechten. Het verheugt de Raad dat zijn suggestie wordt overgenomen. Dit komt de doelmatigheid van de berechting van de desbetreffende groep adolescenten ten goede. De Raad heeft enige inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot de wijze waarop dat wordt vormgegeven.

    De aanpassing heeft (per saldo) geen werklastgevolgen voor de (jeugd)strafrechter. De Raad vraagt wel aandacht voor de geopperde wens om in zaken waarin zowel het materiële jeugdstrafrecht als het materiële commune strafrecht wordt toegepast, één vonnis te kunnen wijzen.

  • 2012/29 Advies concept nota van wijziging herstel omissie Gratiewet en WETSS 2008 (pdf, 30,2 KB)

    De voorgestelde Nota van Wijziging betreft het herstel van een omissie de Gratiewet en in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008, met betrekking tot het aanwijzen van de bevoegde rechter in bepaalde gevallen. De Raad onderschrijft de voorgestelde wijze van herstel van de geconstateerde omissie, en maakt hierbij één opmerking van technische aard.

  • 2012/27 Advies Ontwerp uitvoeringsbesluit wetsvoorstel onvrijwillige behandeling (pdf, 28,8 KB)

    Het ontwerpbesluit is opgesteld ter uitvoering van het wetsvoorstel tot wijziging van enkele beginselenwetten in verband met de verruiming van de mogelijkheden onvrijwillige geneeskundige behandeling te verrichten. Het ontwerpbesluit geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  • 2012/26 Advies concept wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (pdf, 123,5 KB)

    Dit wetsvoorstel bevat enkele voorstellen ter verruiming van de mogelijkheden voor de bestrijding van financieel-economische criminaliteit waaronder een versnelling van de procedure voor inbeslagneming onder zogenoemde geheimhouders, de introductie van een flexibel boeteplafond voor rechtspersonen en een verhoging van de wettelijke strafmaxima voor corruptie en witwassen.

    De Raad vraagt in het advies onder meer om een nadere onderbouwing van het voornaamste argument voor het wetsvoorstel dat de combinatie van hoge winsten en verhoudingsgewijs lage straffen het momenteel aantrekkelijk maakt dergelijke misdrijven te plegen. Ten aanzien van het voorstel voor inbeslagneming onder geheimhouders merkt de Raad op dat hij op zichzelf de wenselijkheid van een nadere wettelijke regeling en de introductie van een inzagemogelijkheid voor de rechter-commissaris (met name in het geval de geheimhouder zelf ook verdachte is) onderschrijft, maar dat dit een meer concrete vormgeving en een betere onderbouwing vergt. Daarnaast is voor zo’n principieel onderwerp een adequate rechtsgang geboden en zou de mogelijkheid van cassatieberoep niet moeten worden afgeschaft, maar in plaats daarvan alternatieve mogelijkheden tot versnelling moeten worden verkend. De Raad adviseert dit onderdeel niet door te zetten, maar eerst een brede commissie in te stellen die wordt belast met de opdracht met een concreet, afgewogen en goed onderbouwd voorstel te komen.
    Enkele andere onderdelen van het Wetsvoorstel geven de Raad aanleiding voor opmerkingen van (eveneens) principiële aard. Het Wetsvoorstel heeft geen noemenswaardige werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2012/25 Advies ontwerp amvb tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht (pdf, 29,7 KB)

    De Raad is verzocht advies uit te brengen inzake de ontwerp amvb tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wijziging van het besluit geschiedt in verband met de indexering van de proceskostenforfaits en er worden enkele proceshandelingen aan onderdeel A van de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegevoegd. De ontwerp amvb geeft geen aanleiding tot het maken van nadere inhoudelijke op- en aanmerkingen.

  • 2012/24 Advies concept Besluit drugs en geneesmiddelen in het verkeer (pdf, 29,7 KB)

    Het besluit vormt een uitwerking van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs. De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Het besluit heeft op zichzelf geen werklastgevolgen voor de rechtspraak. De werklastgevolgen van het wetsvoorstel zijn opgenomen in het advies van de Raad van 3 maart 2011.

  • 2012/23 Advies Conceptwetsvoorstel tot implementatie van de richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ (PbEU L 335) (pdf, 29,8 KB)

    Het wetsvoorstel strekt tot implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. De Nederlandse strafwetgeving ter zake van zedenmisdrijven en mensenhandel voldoet al grotendeels aan deze richtlijn. Het wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  • 2012/22 Ontwerp-besluit aanpassing rechtspositionele bepalingen herziening gerechtelijke kaart (pdf, 15,6 KB)

    Dit ontwerp-besluit strekt voornamelijk tot aanpassing van enkele algemene maatregelen van bestuur, die bepalingen bevatten over de rechtspositie van binnen de rechterlijke organisatie werkzame functionarissen, in verband met het wetsvoorstel herziening gerechtelijke kaart.

  • 2012/21a Hoofdlijnennotitie aanpassing ontslagrecht en WW (pdf, 80,5 KB)

    De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer heeft op 27 juni 2012 een hoorzitting gehouden over de Hoofdlijnennotitie aanpassing ontslagrecht en WW. De Raad voor de rechtspraak is bij die gelegenheid uitgenodigd om een toelichting te geven over de mogelijke gevolgen voor de rechtspraktijk in geval van invoering van (een wet ter uitvoering van) de Hoofdlijnennotitie. Advies 2012/21a bevat de opmerkingen die tijdens de hoorzitting van 27 juni 2012 door de Raad voor de rechtspraak zijn ingebracht.

  • 2012/21 Advies wetsvoorstel tot herziening van de arbitrageregels (pdf, 127,3 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt belemmeringen voor het gebruik van arbitrage weg te nemen. De arbitrageprocedure wordt waar mogelijk vereenvoudigd en administratieve lasten worden waar mogelijk verlicht. Belangrijke voorgestelde wijzigingen zijn onder andere vastlegging (als regelend recht) van de schriftelijke fase van het arbitraal beding, plaatsing van het arbitragebeding op de zwarte lijst van onredelijk bezwarende bedingen, het facultatief stellen van de deponering van het vonnis bij de rechtbank, beperking van de verlofprocedure voor tenuitvoerlegging en van de vernietigingsprocedure tot één instantie (het gerechtshof) en uitbreiding van de titel over arbitrage buiten Nederland.
    De Raad heeft geen bezwaar tegen de voorgestelde afschaffing van de verplichting om het arbitraal vonnis bij de griffie van de rechtbank te deponeren, nu de verplichting tot deponeren vanuit internationaal perspectief uitzonderlijk lijkt te zijn. Wel merkt de Raad op dat de functie van deponering ten aanzien van duidelijkheid over het moment van ingaan van termijnen wel op een andere manier moet worden gewaarborgd.

    De beperking van de verlofprocedure voor tenuitvoerlegging tot één feitelijke instantie komt de Raad in beginsel gewenst voor. Het is de Raad echter niet duidelijk op welke grondslag de keuze voor de gerechtshoven berust. De Memorie van Toelichting (MvT) maakt dit onvoldoende inzichtelijk. Dit klemt temeer nu ook de rechtbanken beschikken over de benodigde expertise. Wat de tenuitvoerlegging betreft, moet worden bedacht dat in de huidige procedure de beslissing wordt genomen door de voorzieningenrechter, zodat thans bij verlening van verlof er mogelijk sneller een beslissing tot tenuitvoerlegging zal zijn dan wanneer die beslissing door het gerechtshof wordt genomen, terwijl laatstgenoemde procedure ook duurder is.

    Naar het oordeel van de Raad is het een logische keuze om de toetsing van arbitrale vonnissen tot één feitelijke instantie te beperken. Voor de keuze voor de gerechtshoven als de instantie waar een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis moet worden ingesteld, bestaat - gelet op de motivering voor deze keuze in de MvT en de omstandigheid dat de procedure tot vernietiging van een arbitraal vonnis meer het karakter heeft van een hoger beroepsprocedure - meer begrip dan voor diezelfde keuze in het geval van verzoeken om verlof tot tenuitvoerlegging. Desalniettemin wordt de motivering in de MvT nog onvoldoende geacht.

  • 2012/20 Advies wetsvoorstel langdurig toezicht gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (pdf, 55,9 KB)

    Het wetsvoorstel strekt tot:

    • Het schrappen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging, waardoor het mogelijk wordt langdurig en eventueel levenslang toezicht te houden.
    • Het gelijktrekken van de minimumduur van de proeftijd van de bijzondere voorwaarden met de minimumduur van de proeftijd van de algemene voorwaarde van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.). Het onderscheid tussen de beide proeftijden in artikel 15c Sr wordt opgeheven. Verder wordt het mogelijk om de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling te verlengen.
    • De introductie van een zelfstandige langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor terbeschikkinggestelden met dwangverpleging wier terbeschikkingstelling definitief is beëindigd en voor zedendelinquenten wier gevangenisstraf is geëindigd of wier voorwaardelijke invrijheidsstelling na een gevangenisstraf is geëindigd, welke inhoudt dat voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het gedrag of ten aanzien van de bewegingsvrijheid in de samenleving.

    In hoofdlijnen houdt het advies het volgende in:

    • De noodzaak of wenselijkheid van het schappen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is niet gebleken, in het bijzonder nu die maximale duur niet lang geleden, namelijk op 1 januari 2008, is verlengd van drie naar negen jaar en dus nog geen zicht bestaat op de toereikendheid van die wetswijziging.
    • De introductie van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in aansluiting op een gevangenisstraf ter zake van bepaalde zedendelicten of op een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is onvoldoende onderbouwd en doordacht.

    De Raad ontraadt de indiening van het wetsvoorstel in de voorliggende vorm.

  • 2012/17 Advies Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (pdf, 134,3 KB)

    De aanleiding voor de Nota van wijziging is een herbezinning op de rol en taken van de commissie verplichte geestelijke gezondheidszorg. Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd te bewerkstelligen dat de doelstellingen van het wetsvoorstel, de uitgangspunten en de criteria voor verplichte zorg worden geborgd in de dagelijkse praktijk van de zorginstellingen in aansluiting op reeds bestaande verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden. Het verbeteren van de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg, het terugdringen van dwang, het aansluiten bij de stepped care benadering in de zorg en in het verlengde daarvan een ambulantisering van de zorg staan daarbij voorop.

    De geneesheer-directeur vervult in het aangepaste wetsvoorstel een centrale rol als het gaat om de voorbereiding, de beslissing om een verzoekschrift voor een zorgmachtiging al dan niet bij de rechter in te dienen, de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging, de overplaatsing naar een andere zorgaanbieder, de tijdelijke onderbreking van de verplichte zorg, de wijziging en de beëindiging van de verplichte zorg. De Raad vindt dat de geneesheer-directeur in het nieuwe wetsontwerp wel erg veel speelruimte krijgt en vraagt zich af of de geneesheer-directeur wel voldoende is toegerust op zijn vele taken. De ruime toebedeling van de taken en bevoegdheden van de geneesheer-directeur brengt organisatorische risico’s met zich die van invloed kunnen zijn op de rechtspleging. Het is de Raad voorts niet duidelijk of in één machtiging zowel in ambulante zorg als in klinische zorg kan worden voorzien (al dan niet in de vorm van voorwaarden). Dit dient naar de mening van de Raad te worden verduidelijkt.  De Raad constateert voorts dat de Nota van wijziging niet nader ingaat op de met het wetsvoorstel Wvggz geïntroduceerde mogelijkheid om in vrijwel alle gevallen hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen. Zoals ook in het eerdere advies van de Raad van 16 april 2009 al is aangestipt, is dit een ingrijpende wijziging ten opzichte van de thans geldende wet, en is die wijziging in de kamerstukken tot nu toe zeer summier toegelicht. De Raad mist met name regelingen met betrekking tot de behandeling van het hoger beroep, zoals de termijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld en waarbinnen het moet worden behandeld en uitspraak moet worden gedaan. De Raad gaat er vooralsnog vanuit dat de mogelijkheid van hoger beroep niet zal worden gehandhaafd zonder een verregaande aanpassing van het wetsvoorstel ten aanzien van de regels voor de behandeling in hoger beroep en zonder een passende financiering.

  • 2012/16 Advies Actie koperslag (pdf, 21,8 KB)

    Het Besluit strekt tot uitbreiding van de reikwijdte van de regeling tot alle metalen, tot de invoering van een identificatieplicht voor verkopers van metalen en tot uitbreiding van de gegevens die de inkoper of handelaar van de verkoper in zijn inkoopregister moet opnemen. Het Besluit is ingegeven door de toename van het aantal koperdiefstallen. De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Het besluit heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2012/15 Advies conceptwetsvoorstel tot Implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen lidstaten van de Europese Unie van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294) (pdf, 76,7 KB)

    Het kaderbesluit dat met het Wetsvoorstel wordt geïmplementeerd, beoogt de strafrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het terrein van de tenuitvoerlegging van toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis vorm te geven. Een beslissing waarbij in een lidstaat van de Europese Unie als alternatief voor voorlopige hechtenis of als voorwaarde van de schorsing van de voorlopige hechtenis aan een verdachte verplichtingen (controlemaatregelen) zijn opgelegd, kan volgens het kaderbesluit aan een andere lidstaat van de Europese Unie worden gezonden, indien de verdachte in die lidstaat zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft. Ontvangt een lidstaat een dergelijke beslissing, dan is deze in beginsel gehouden de beslissing te erkennen en toezicht te houden op de naleving van de aan de verdachte opgelegde verplichtingen. De wijze waarop dit toezicht geschiedt, wordt beheerst door het recht van de lidstaat waar het toezicht wordt uitgeoefend. De lidstaat waar het strafproces plaatsvindt, blijft bevoegd om alle beslissingen ter zake van de voorlopige hechtenis te nemen.

    In hoofdlijnen houdt het advies het volgende in:

    • De Raad is van oordeel dat de Nederlandse strafrechter in het Wetsvoorstel niet die rol wordt toegekend die hij zou moeten hebben, in het bijzonder gelet op het feit dat hier grondrechten van burgers in het geding zijn.
    • Bij verzoeken van Nederland aan andere lidstaten tot overname van het toezicht op de schorsingsvoorwaarden dient de rol van de Nederlandse strafrechter meer in overeenstemming met de rolverdeling tussen de rechter en het Openbaar Ministerie in de Nederlandse strafvordering in de Wetsvoorstel te worden vastgelegd, terwijl bovendien met meer modaliteiten rekening moet worden gehouden dan in het Wetsvoorstel is gebeurd, met name met de mogelijkheid tot aanpassing van de schorsingsvoorwaarden en tot de opheffing van de schorsing.
    • Bij verzoeken van een andere lidstaat aan Nederland tot overname van het toezicht op de schorsingsvoorwaarden dient alsnog een beroep op de Nederlandse strafrechter opengesteld tegen een beslissing van het Openbaar Ministerie inzake de erkenning van een toezichtbeslissing en inzake de aanpassing van een toezichtmaatregel.
    • Ook ten aanzien van andere onderdelen heeft de Raad kritische opmerkingen. Het een en ander brengt de Raad tot het advies het Wetsvoorstel niet in de voorliggende vorm aan de Tweede Kamer aan te bieden. Het wetsvoorstel heeft werklastgevolgen voor de rechtspraak.
  • 2012/14 Advies wetsvoorstel herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken en conceptbesluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (pdf, 36,2 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt tot aanpassing van de regeling inzake de uitoefening van extraterritoriale rechtsmacht door Nederland. De regeling bepaalt de reikwijdte van de mogelijkheden om strafbare feiten die in het buitenland zijn begaan in Nederland te vervolgen en te berechten. Volgens de Memorie van Toelichting is er bovendien aanleiding om strafrechtelijk optreden tegen de aantasting van wezenlijke nationale belangen van een steviger grondslag voor de uitoefening van rechtsmacht te voorzien. Met het Wetsvoorstel wordt tevens uitvoering gegeven aan de toezegging van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer om te bezien op welke wijze vorm kan worden gegeven aan de toepasselijkheid van de strafwet op hier te lande verblijvende vreemdelingen die zich buiten Nederland schuldig hebben gemaakt aan (commune) strafbare feiten.
    De Raad verwelkomt de herschikking en herformulering van de regels betreffende de extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken.

    De Raad merkt op dat de noodzaak van uitbreiding van rechtsmacht ter zake van strafbare feiten die in het buitenland tegen Nederlanders en hier gedomicilieerde vreemdelingen worden gepleegd in zoverre niet wordt onderbouwd, dat in de Memorie van Toelichting geen voorbeelden worden genoemd van gevallen waarin de dader thans noch in het buitenland noch hier te lande vervolgd kan worden. Ook worden anderszins geen aanknopingspunten genoemd waaruit blijkt dat dergelijke gevallen zich voordoen.

    Het wetsvoorstel heeft werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2012/13 Advies conceptbesluit tot wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden i.v.m. de invoering van de Wet herziening ten nadele en de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht i.v.m. de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring (pdf, 23,5 KB)

    Het besluit is een uitvloeisel van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een regeling betreffende herziening ten nadele van een gewezen verdachte (Wet herziening ten nadele), waarover de Raad op 7 oktober 2008 advies heeft uitgebracht, en van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring, waarover de Raad op 1 april 2011 advies heeft uitgebracht. Het besluit strekt ertoe om DNA-gegevens en vingerafdrukken van vrijgesproken personen onder stringente voorwaarden te bewaren met het oog op een eventuele herziening van de vrijspraak ten nadele van de gewezen verdachte, zoals voorzien in het wetsvoorstel herziening ten nadele. Daarnaast strekt het besluit tot aanpassing van de bewaartermijnen die gelden voor de DNA-gegevens en vingerafdrukken van overleden slachtoffers, vermiste personen en onbekende verdachten, aan het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpassing van de regeling
    van de vervolgingsverjaring. Ten slotte bevat het besluit ook enkele wijzigingen van technische aard.

    De Raad heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Het besluit heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2012/12 Advies conceptwetsvoorstel uitvoering verordening (EU) nr. 1227/2011 (pdf, 37,4 KB)

    Op 19 april 2012 heeft de Raad advies uitgebracht over het conceptwetsvoorstel uitvoering verordening (EU) nr. 1227/2011. Het wetsvoorstel strekt tot uitvoering van de verordening in de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, en de Wet op het financieel toezicht.
     
    In het bijzonder gaat de Raad in op het volgende.
    De beslissingen van de voorzieningenrechter als hier bedoeld zijn niet gelieerd aan een besluit van de NMa in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar worden genomen naar aanleiding van een rechtstreeks verzoek van de NMa aan de voorzieningenrechter. De beoordeling van deze verzoeken behoort niet tot wat tot nu toe tot de specifieke taak van de bestuursrechter wordt gerekend. De Raad is dan ook van mening dat daarmee in het wetsvoorstel vergaande afwijkingen van het reguliere bestuursrecht worden voorgesteld die ten onrechte niet in de Memorie van Toelichting worden gemotiveerd.
    Daarnaast adviseert de Raad:

    • De duur van de maatregelen aan (eventueel te verlengen) wettelijke termijnen te binden.
    • In het wetsvoorstel vast te leggen dat een opgelegde maatregel van rechtswege eindigt wanneer het onderzoek van de NMa naar de overtreding is geëindigd.
    • In het wetsvoorstel de mogelijkheid voor de justitiabele op te nemen om tegen een opgelegde maatregel op te komen.

    De Raad verwacht niet dat het wetsvoorstel tot een significant effect op de werklast zal leiden.

  • 2012/11 Advies wetsvoorstel adolescentenstrafrecht (pdf, 157,3 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt ertoe een flexibel sanctiepakket te realiseren voor criminele adolescenten in de leeftijd van 15 tot 23 jaar door het volledige sanctiepakket uit het jeugdstrafrecht en het gewone strafrecht voor die groep beschikbaar te stellen. De kern van het Wetsvoorstel wordt gevormd door de wijziging artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 359, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Met de wijziging van eerstgenoemd artikel wordt de bovengrens voor toepassing van het jeugdsanctierecht op meerderjarigen verhoogd van 21 naar 23 jaar. De wijziging van artikel 359, vijfde lid, Sv introduceert een verplichting voor de strafrechter om bij strafbare feiten (overtredingen en misdrijven) die door een verdachte tussen 18 en 23 jaar zijn gepleegd, in zijn uitspraak te motiveren waarom hij geen aanleiding ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen.

    Verder voorziet het Wetsvoorstel in een aanscherping van het jeugdsanctiestelsel. De maximale duur van de jeugddetentie voor 16 tot 23- jarigen wordt verhoogd van 24 maanden naar vier jaar. Daarnaast wordt de per 1 januari 2012 in het gewone strafrecht ingevoerde beperking van de mogelijkheid om bij bepaalde zeden- en geweldsmisdrijven een taakstraf op te leggen ook in het jeugdstrafrecht geïntroduceerd. Uit het gewone strafrecht wordt voorts overgenomen de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor gevallen waarin meer dan zes maanden jeugddetentie is opgelegd.

    Het Wetsvoorstel bevat verder voorstellen die het beveiligingskarakter van de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) versterken en de deelname door jeugdigen aan de GBM ondersteunen. Voorts strekt het Wetsvoorstel tot beperking van het toepassingbereik van de maatregel van plaatsing in een inrichting (voor jeugdigen). Verder wordt de maximumtermijn verlengd van vier jaar naar zeven jaar. Bovendien krijgt de rechter de mogelijkheid om de maatregel die is verlengd tot de maximale duur van zeven jaar, om te zetten in een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a Sr. Tenslotte bevat het Wetsvoorstel het voorstel om de officier van justitie de bevoegdheid te geven in een strafbeschikking ten aanzien van een adolescent tussen 18 en 23 jaar de aanwijzing op te nemen dat hij zich zal richten naar de aanwijzingen van een reclasseringsinstelling.

    Het advies houdt op hoofdlijnen het volgende in:

    • De Raad onderschrijft de strekking van het Wetsvoorstel om in het strafrecht indringender aandacht te geven aan adolescenten tussen 15 en 23 jaar met het oog op voorkoming van recidive, maar kan zich op essentiële onderdelen niet vinden in de gekozen oplossingsrichting, in het bijzonder: dat de rechter wordt verplicht bij alle 18 tot 23-jarige verdachten bij alle delicten in zijn uitspraak te motiveren waarom hij geen aanleiding ziet tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
    • Deze verplichting schiet het doel voorbij en veroorzaakt bovendien allerlei voor de strafrechtspleging onbedoelde negatieve bijeffecten, terwijl daardoor ook de uitvoeringskosten aanzienlijk zijn. In paragraaf 1.2 wordt op deze bezwaren ingegaan en wordt bovendien een alternatief aangereikt waarmee adequater en gerichter aan de doelstelling van het wetsvoorstel wordt voldaan.
    • Ook bij andere onderdelen plaatst de Raad kritische kanttekeningen. Het een en ander brengt de Raad tot het advies het Wetsvoorstel niet in de voorliggende vorm aan de Tweede Kamer aan te bieden.

    Het wetsvoorstel heeft aanzienlijke werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2012/10 Aanvullend advies voorwerp tegengaan huwelijksdwang (pdf, 22,9 KB)

    Ten tijde van de consultatieronde van het wetsvoorstel Tegengaan huwelijksdwang heeft het OM onder ander bepleit om een rechterlijke toetsing vooraf in te voeren voor de uitoefening van de bevoegdheid van het OM tot stuiting van een dwanghuwelijk. Ook heeft het OM bepleit om het OM niet te verplichten om een dwanghuwelijk te stuiten, maar de bevoegdheid daartoe te geven. De Raad is van mening dat het niet nodig is om een rechterlijke toetsing vooraf in te voeren. Wel is de Raad het met het OM eens dat het beter is een bevoegdheid tot stuiting van een dwanghuwelijk aan het OM toe te kennen, dan een verplichting.

    Zie ook 2012/1 Advies over wetsvoorstel tegengaan huwelijksdwang (4 januari 2012) (pdf, 41,4 KB).

  • 2012/09 Advies wijziging van de Wrra in verband met de modernisering van het loopbaanbeleid en de introductie van de WIA (pdf, 23,3 KB)

    Concept wetsvoorstel tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met de modernisering van het loopbaanbeleid en de introductie van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

    Dit concept wetsvoorstel voorziet in de formalisering van een van de afspraken uit de tussen de Minister van Justitie (thans de minister van Veiligheid en Justitie) en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak op 28 november 2007 in het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM) gesloten Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1 augustus 2007 tot 31 december 2010 en enkele aanpassingen in de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren verband met de inwerkingtreding van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

  • 2012/08 Advies Besluit Kwaliteitseisen (pdf, 83,7 KB)

    Het Besluit betreft een nadere uitwerking van het Wetsvoorstel wijziging curatele, bewindvoerders en mentorschap, waarover de Raad op 8 april 2010 (2010/14) advies heeft uitgebracht. Het Besluit stelt kwaliteitseisen aan curatoren, bewindvoerders en mentoren die tien of meer personen onder hun hoede hebben, alsmede aan de personen die onder hun verantwoordelijkheid de feitelijke taken uitvoeren, en regelt tevens de jaarlijkse accountantscontrole en de benoeming van een deskundige door de kantonrechter die een deel van de eisen mag controleren.

    De toelichting op het Besluit maakt gewag van de uiteenlopende terreinen waarop de curator een minimale kennis moet hebben. Controle door accountants en deskundigen zou alleen mogelijk zijn, indien een lijst zou worden opgesteld van de opleidingen waar deze kennis op adequate wijze wordt bijgebracht. Volgens de toelichting ontbreekt echter de noodzaak voor een dergelijke overheidsinmenging. Het is aan de kantonrechter om zich een oordeel te vormen in een individueel geval. De Raad constateert dat de kantonrechter met lege handen staat. De opzet van de toetsing door financiële of andere experts is dat vanuit hun deskundigheid de kwaliteit van de curatoren wordt beoordeeld, maar als dat door het ontbreken van toetsbare elementen niet in de praktijk te brengen is, moet de kantonrechter kennelijk maar naar bevind van zaken oordelen. De kans om een bruikbaar fundament voor kwaliteitsverbetering te leggen, wordt daarmee volgens de Raad gemist. Op lange duur kan dit volgens de Raad verregaande negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de beschermingsmaatregelen. De Raad merkt voorts op dat controle op de naleving van de kwaliteitseisen door een door de curator zelf benoemde accountant niet de waarborgen biedt van een onafhankelijk accountant en bepleit daarom dat de accountant door de kantonrechter wordt benoemd op gelijke wijze als voor de deskundige is voorzien.

  • 2012/07 Advies wetsvoorstel Implementatie richtlijn vertolking en vertaling in strafprocedures (pdf, 82,1 KB)

    De richtlijn die met het Wetsvoorstel wordt geïmplementeerd, bevat minimumregels met betrekking tot vertolking en vertaling in strafprocedures. Nederland voldoet reeds grotendeels aan deze richtlijn. De Nederlandse praktijk is in overeenstemming met de regels ter zake van bijstand door een tolk, de kwaliteit van tolken en vertalers, de vertrouwelijkheid die tolken en vertalers in acht moeten nemen bij hun werkzaamheden, de registratie van tolken en vertalers en de kosten van vertolking en vertaling. Op enkele onderdelen is deze praktijk nog niet in de wet vastgelegd. Daarin voorziet het Wetsvoorstel.

    Bovendien bevat het Wetsvoorstel enkele algemene bepalingen met betrekking tot vertaling in het strafproces.

    De Raad onderschrijft het belang van deugdelijke voorzieningen voor vertaling en vertolking in het strafproces en waarborgen voor (de kwaliteit van) die vertaling en vertolking. De Raad heeft op onderdelen van het wetsvoorstel opmerkingen. Deze zijn mede gebaseerd op de ervaringen in de praktijk, in het bijzonder met de Wet beëdigde tolken en vertalers die op 1 januari 2009 in werking is getreden.

  • 2012/06 Advies wetsvoorstel Militair Straf- en Tuchtrecht (pdf, 31,3 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt in de eerste plaats tot aanpassing van voornoemde wetten in verband met veranderingen in de Wet op de rechterlijke organisatie en de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren als gevolg van de Wet organisatie en bestuur gerechten en de Wet op de Raad voor de rechtspraak. Het Wetsvoorstel strekt ook tot aanpassing van voornoemde wetten in verband met veranderingen in het Wetboek van Strafvordering. Verder wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enige onvolkomenheden in voornoemde wetten te herstellen en de redactie van artikelen waar nodig te moderniseren.

    De Raad heeft slechts enkele inhoudelijke en redactionele opmerkingen. De Raad grijpt het wetsvoorstel aan om een wijziging voor te stellen van de benoemingstermijn van de militaire leden van de militaire kamers van de rechtbank en het gerechtshof te Arnhem.

  • 2012/05 Advies consultatiepaper rechtsbijstand (pdf, 39,4 KB)

    In de consultatiepaper worden denkrichtingen voor vernieuwing van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand geschetst. De aanleiding voor de vernieuwing van het stelsel is gelegen in de economische omstandigheden, die het naar de mening van de Staatssecretaris noodzakelijk maken om een halt toe te roepen aan de ongelimiteerde groei van de kosten.

    In de consultatiepaper worden drie modellen verkend:

    • Invoering van een leenstelsel, waarbij de kosten voor rechtsbijstand geheel of gedeeltelijk door de rechtzoekende moeten worden terugbetaald.
    • Aanbesteding van rechtsbijstand op deelterreinen van het recht.
    • Het versterken van de filterende functie van het Juridisch Loket als eerstelijn.De Raad spreekt in zijn advies geen voorkeur uit voor een bepaald stelsel, maar geeft overwegingen die in het besluitvormingsproces betrokken kunnen worden.

    De volgende uitgangspunten worden hierbij gehanteerd:

    • De toegang tot de rechter moet in het nieuwe stelsel voldoende gewaarborgd zijn.
    • De kwaliteit van de toevoegingsadvocaat (of andere rechtsbijstandverlener) moet in het nieuwe stelsel van voldoende niveau zijn.
  • 2012/03 Advies strafbaarstelling financiering terrorisme (pdf, 40,2 KB)

    Met het wetsvoorstel wordt tegemoet gekomen aan de sterke voorkeur die de Financial Action Task Force (FATF) bij de evaluatie van de Nederlandse regelgeving met betrekking tot het financieren van terrorisme heeft uitgesproken voor een autonome strafbaarstelling. Het financieren van daden van terrorisme is thans op grond van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vervolgbaar als strafbare voorbereiding van een ernstig misdrijf. Verder is geldelijke steun aan een terroristische organisatie op grond van artikel 140a jo. 140, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht strafbaar als deelneming aan die organisatie. Het wetsvoorstel strekt tevens tot overeenkomstige aanpassing van het Wetboek van
    Strafrecht BES. Voorts wordt het wetsvoorstel aangegrepen om enkele inconsistenties in de regelgeving met betrekking tot de aanmerking van misdrijven als terroristisch misdrijf te verhelpen.

    De Raad heeft enkele inhoudelijke opmerkingen. Het wetsvoorstel heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

 

       

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via
Stel uw vraag via

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m vrijdag tussen 8.00 en 20.00 uur.

Veelgestelde vragen aan het Rechtspraak Servicecentrum