Wetgevingsadvies 2013

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksRaad voor de rechtspraak > Wetgevingsadvies > Wetgevingsadvies 2013

 Wetgevingsadvies 2013

>Alles uitklappen
  • 2013/49 Advies Conceptwetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers (19 december 2013) (pdf, 106,5 KB)

    Dit Wetsvoorstel strekt ertoe mogelijk te maken dat spreekgerechtigde slachtoffers van misdrijven en nabestaanden op de terechtzitting ook hun opvatting over de omvang van de bewezenverklaring, de kwalificatie van het feit, de schuld van de verdachte en de passende straftoemeting kenbaar kunnen maken. Dit zogenaamde adviesrecht kan worden uitgeoefend in aanvulling op het bestaande spreekrecht. Na het uitbrengen van het advies kunnen de officier van justitie en de verdachte zich daarover uitlaten, en zij kunnen tevens vorderen c.q. verzoeken om het slachtoffer als getuige te horen. Als de spreekgerechtigde in het advies aangeeft dat het onderzoek aanvulling behoeft, dient de rechtbank daarover te beslissen, waarbij het criterium is of het verrichten van nader onderzoek strikt noodzakelijk is. Het vonnis dient, indien wordt afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in het advies van de spreekgerechtigde, in het bijzonder de redenen te bevatten die tot die afwijking hebben geleid. De laatste decennia is sprake van een ontwikkeling om de positie van het slachtoffer in het strafproces te versterken. De Raad onderschrijft deze ontwikkeling. De Raad is daarnaast voorstander van een uitbreiding van het spreekrecht. Daarbij dienen de behoeften van slachtoffers en nabestaanden en het belang van een voortvarende strafrechtspleging voorop te staan. De Raad kan zich niet vinden in het voorgestelde adviesrecht. Het is namelijk de vraag of het voorgestelde adviesrecht effectief tegemoetkomt aan behoeften van sommige slachtoffers en nabestaanden om bij het spreekrecht een ruimere verklaring af te mogen leggen dan nu is toegestaan. Uit onderzoek blijkt immers dat die vooral zien op het mogen spreken als zodanig (victim voice). Slachtoffers en nabestaanden die alleen maar willen spreken en geen advies willen uitbrengen, zijn met het Wetsvoorstel niet geholpen. Verder kent het adviesrecht belangrijke nadelen. De Raad verwacht dat het – zeker bij kwetsbare slachtoffers - leidt tot een grotere kans op secundaire victimisatie aangezien het uitoefenen van het adviesrecht ertoe kan leiden dat het slachtoffer als getuige wordt verhoord. Ook kan het adviesrecht bij het slachtoffer de onterechte verwachting wekken dat zijn advies het verloop van het strafproces wezenlijk kan beïnvloeden. Het advies zal inhoudelijk echter vaak niet veel kunnen toevoegen aan de gegevens die reeds in het dossier zitten. Van het openbaar ministerie mag immers worden verwacht aan de rechter een compleet dossier aan te leveren waarin ook wensen en opvattingen van slachtoffers en nabestaanden zijn meegewogen. Ten aanzien van de strafmaat zal het advies vaak niet veel kunnen toevoegen aan de verklaring van het slachtoffer over de gevolgen van het strafbare feit. Die slachtofferverklaring wegen de officier van justitie en de rechter immers nu al mee in de strafeis cq de strafoplegging. Daar komt bij dat, zoals ook uit de evaluatie van het spreekrecht volgt, slachtoffers en nabestaanden vaak een zwaardere straf wensen dan door de rechter wordt opgelegd. Bezien vanuit hun perspectief is dat uiteraard begrijpelijk. De rechter heeft echter bij de strafoplegging met meer factoren rekening, zoals het wettelijk strafmaximum, de eis van de officier van justitie, de straffen die voor vergelijkbare zaken worden opgelegd en persoonlijke omstandigheden van de dader. Andere nadelen zijn dat het adviesrecht een belemmering vormt voor een voortvarende strafrechtspleging en leidt tot juridisering van de rol van slachtoffers en nabestaanden, waardoor hun persoonlijke ervaringen naar de achtergrond dreigen te verdwijnen. De Raad acht het in plaats van het adviesrecht wenselijk dat wordt voorzien in een wettelijke basis voor een uniforme ruimhartige omgang in de praktijk met verklaringen van spreekgerechtigden die strikt genomen niet zien op de gevolgen van het strafbare feit. Dit zou eenvoudig op alternatieve wijze kunnen worden bereikt door de betreffende wetsbepalingen zo aan te passen dat daarin tot uitdrukking komt dat de spreekgerechtigde mag spreken over de gevolgen van het strafbare feit en over andere daaraan gerelateerde onderwerpen, voor zover het strafproces daardoor niet onnodig wordt belast. Dit laatste is uiteraard ter beoordeling van de voorzitter van de strafkamer vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het onderzoek ter terechtzitting en de orde in de zittingszaal.

  • 2013/48 Advies Voorstel van wet van het lid Schouw tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter verbetering van de rechtsbescherming in asielzaken (Kamerstuk 30 830) (12 december 2013) (pdf, 32,2 KB)

    De Raad heeft advies uitgebracht over de Nota van Wijziging die het Kamerlid Schouw heeft ingediend bij het Initiatief wetsvoorstel dat in 2006 is ingediend door de Kamerleden Lambrechts (later overgenomen door Pechtold) en Van der Ham tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter verbetering van de rechtsbescherming in asielzaken. In het wetsvoorstel Lambrechts / Van der Ham[1] wordt in artikel I onderdeel C de volle toets voorgesteld. In de Nota van Wijziging wordt slechts een redactionele aanpassing gemaakt, het artikel blijft overigens ongewijzigd. De Raad heeft over dit artikel al in zijn advies van 18 april 2007 geadviseerd en verwijst daar dan ook naar. Wel is in het advies - gezien het tijdsverloop - een herberekening van de kosten gemaakt.

    In de Nota van Wijziging wordt een nieuw lid 8 opgenomen, waarin wordt voorgesteld dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep ook rekening mag houden met een wijziging in het asielmotief. Wanneer het mogelijk wordt om in de beroepsfase alsnog een nieuw asielmotief toe te voegen, moet met terugwerkende kracht worden onderzocht of de besluitvorming ook voldoende is voor de beoordeling van dat asielmotief. Dat zal naar verwachting vaak niet het geval zijn zodat verweerder in ieder geval in staat moet worden gesteld om de besluitvorming op dit punt aan te vullen. Dit zal veelal leiden tot de aanhouding van het beroep hetgeen een aanzienlijke verlenging van de doorlooptijd tot gevolg kan hebben.

  • 2013/47 Voorstel tot invoering maatregel terbeschikkingstelling aan onderwijs (28 november 2013) (pdf, 96,1 KB)

    Dit Wetsvoorstel voorziet in invoering van de maatregel ‘ter beschikking stelling aan het onderwijs (de "tbo-maatregel"). Doel van deze maatregel is jongeren van 12 tot 23 jaar die strafbare feiten hebben gepleegd en geen startkwalificatie hebben te verplichten onderwijs te volgen. Daarbij geldt voor scholen een opnameplicht van de veroordeelden. Uitgangspunt is dat het succesvol afronden van een opleiding de kansen op de arbeidsmarkt vergroot en de kans op recidive kleiner maakt.

    De Raad onderschrijft de wenselijkheid van het volgen van onderwijs en kan zich vinden in de invoering van de tbo-maatregel, maar ziet knelpunten voor wat betreft de haalbaarheid van de doelstelling en de uitvoering van het voorstel. De Raad is van mening dat de tbo-maatregel goed is in te passen in het stelsel van straffen en maatregelen voor jeugdigen en jongvolwassenen – na invoering van het adolescentenstrafrecht tot 23 jaar - op wie het jeugdstrafrecht wordt toegepast.

  • 2013/46 Advies Conceptwetsvoorstel dadelijke tenuitvoerlegging gevangenisstraffen (pdf, 86,6 KB)

    Het kabinet vindt dat te veel veroordeelden hun celstraf ontlopen. In dit verband is dit Wetsvoorstel opgesteld, dat inhoudt dat alle celstraffen van één jaar of meer (als sprake is van een slachtoffer) of twee jaar of meer (als er geen slachtoffer is) voortaan direct worden uitgevoerd, dus ook als deze uitspraak nog niet onherroepelijk is. Als de veroordeelde in hoger beroep gaat kan het gerechtshof de uitvoering in bijzondere gevallen schorsen. Wanneer achteraf blijkt dat mensen door de dadelijke uitvoering onterecht hebben vastgezeten, kunnen zij aanspraak maken op een schadevergoeding.

    De Raad acht het van groot belang dat het uitgangspunt, dat een rechterlijke beslissing pas ten uitvoer wordt gelegd nadat deze onherroepelijk is geworden, zoveel mogelijk wordt gehandhaafd. Het is een groot goed dat de overheid bij het ingrijpen in de vrijheden van burgers zoveel mogelijk zorgvuldigheid betracht, en dus ook zoveel mogelijk tracht te voorkomen dat jegens verdachten onherstelbare maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd onderschrijft de Raad het met het Wetsvoorstel nagestreefde belang dat een strafrechtelijke beslissing daadwerkelijk en zo snel mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. De Raad onderschrijft echter niet de opvatting van de wetgever dat de huidige praktijk van de tenuitvoerlegging de voorgestelde uitzondering op het voornoemde uitgangspunt rechtvaardigt. Met het Wetsvoorstel wordt een hybride voorziening gecreëerd die het midden houdt tussen voorlopige hechtenis en definitieve tenuitvoerlegging: voorlopige tenuitvoerlegging. Deze voorziening draagt niet bij aan de beoogde snellere en zekerder tenuitvoerleggingspraktijk. Hiervoor bestaan betere en minder ingrijpende alternatieven.

    De Raad onderschrijft ook niet de conclusie van de wetgever dat de voorgestelde voorziening verenigbaar is met het EVRM. Zo zien de ter legitimatie van het Wetsvoorstel aangehaalde uitspraken van het Europese Hof niet op gevangenisstraffen maar op geldboetes. Ook draagt het Wetsvoorstel – anders dan verondersteld – niet bij aan het vertrouwen in de rechtsstaat, maar leidt het juist tot minder vertrouwen. Het Wetsvoorstel vergroot immers de kans op onterechte en onherstelbare detentie van verdachten. De Raad acht dit ongewenst en is van mening dat, als het Wetsvoorstel desondanks wordt doorgezet, nadere waarborgen nodig zijn ter verkleining van deze kans.

  • 2013/45a Advies Wet Langdurige Intensieve Zorg (pdf, 90,8 KB)

    Met het concept Wetsvoorstel wordt een nieuwe volksverzekering in het leven geroepen, die waarborgen biedt voor het behoud of de verbetering van de kwaliteit van leven aan mensen die niet meer zelfredzaam zijn. De toegang tot de Wet wordt onafhankelijk, objectief en zoveel mogelijk op een landelijk uniforme manier bepaald. De uitvoerders van de wet krijgen een zorgplicht voor de mensen die toegang krijgen tot de LIZ. De LIZ wordt een publiekrechtelijke sociale voorziening. Men is van rechtswege verzekerd. De kring van verzekerden bestaat uit iedereen die in Nederland woont of buiten Nederland woont, maar in Nederland werkt en aan de loonbelasting is onderworpen.

    De Raad wijst erop dat er een onderdeel over de rechtsbescherming in het Wetsvoorstel ontbreekt. In het kader van de uitvoering van deze wet kunnen vele besluiten en andere bindende rechtshandelingen worden genomen. Het is voor de rechtszoekende niet duidelijk welke rechtsmiddelen hem ter beschikking staan en tot welke instantie hij zich kan wenden. Ten aanzien van de voorgestelde concentratie bij de rechtbank Rotterdam van zaken die voortvloeien uit hoofdstuk 8 van het Wetsvoorstel, wordt geconstateerd dat voor de behandeling van dit soort zaken - zijnde reguliere handhavingszaken - geen bijzondere expertise is vereist. Gelet op het Toetsingskader wettelijke concentratie kan de Raad zich niet vinden in dit voorstel.Artikel 10.3.2 van het wetsvoorstel bepaalt dat het beroepen over geschillen van uitsluitend geneeskundige aard versneld moeten worden behandeld (conform van afdeling 8.2.3 van de Awb). De Raad is van mening dat in het Wetsvoorstel onvoldoende is onderbouwd waarom de rechter gebruik moet maken van deze versnelde behandeling.

    De Raad kan, in verband met onduidelijkheden in het wetsvoorstel, geen inschatting maken van de werklastgevolgen van het wetsvoorstel.

  • 2013/45 Advies concept wetsvoorstel tot wijziging van de Wet wapens en munitie (pdf, 21,5 KB)

    De Wet wapens en munitie wordt gewijzigd in verband met de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PbEU L 94) (hierna: de verordening).
    Het Wetsvoorstel voorziet in een vergunningstelsel met betrekking tot de uitvoer van vuurwapens, hun onderdelen, essentiële componenten en munitie. De Raad constateert dat tegen deze nieuwe vergunningen door de werking van artikel 34 van de Wet wapens en munitie slechts beroep kan worden ingesteld door de aanvrager van de vergunning. Hoewel deze wijze van rechtsbescherming zal zijn ingegeven door het bestaande systeem van de rechtsbescherming in de Wwm, acht de Raad een nadere motivering hiervan gewenst voor deze nieuwe categorie van besluiten nu hiermee wordt afgeweken van het systeem van rechtsbescherming zoals dit door de Algemene wet bestuursrecht wordt voorzien. De Raad heeft overigens geen opmerkingen.

  • 2013/43 Advies Wetsvoorstel wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet (pdf, 59,4 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt in hoofdzaak tot uitwerking van een groot deel van de aanbevelingen van de Commissie evaluatie Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en van de Kabinetsreactie hierop, met enkele aanvullingen. Het Wetsvoorstel bevat een aantal voorstellen om de kwaliteit en integriteit van gerechtsdeurwaarders te bevorderen, onder meer door de invoering van integraal door het Bureau Financieel Toezicht (BFT) uit te oefenen toezicht dat preventief van aard is, door wijzigingen ten aanzien van de opleiding en toevoeging van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en door de wettelijke verankering van de eis van onafhankelijkheid voor gerechtsdeurwaarders. Het Wetsvoorstel voorziet voorts in de instelling van een centraal deurwaardersregister, dat wordt beheerd door het bestuur van de KBvG. Daarnaast voorziet het Wetsvoorstel in een verordening van de KBvG waarin onder meer de instelling van een geschillencommissie wordt voorgeschreven.

    De Raad staat positief tegenover het voorliggende voorstel om voor gerechtsdeurwaarders integraal toezicht in te voeren dat preventief van aard is. Voor wat betreft de uitwerking van dat toezicht kan de Raad zich ook vinden in de wijze waarop aansluiting wordt gezocht bij de regeling van het notariaat. Naar de verwachting van de Raad zullen de wijzigingen ten aanzien van de opleiding en toevoeging van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder (artikelen 25-26 Gerechtsdeurwaarderswet) de kwaliteit van gerechtsdeurwaarders bevorderen. Ook de instelling van een geschillencommissie zal naar het oordeel van de Raad bijdragen aan de kwaliteit. De Raad beperkt zich tot enkele opmerkingen met betrekking tot de instelling van het deurwaardersregister, de wettelijke verankering van de eis van onafhankelijkheid, het toepassingsbereik van het tuchtrecht, de instelling van een geschillencommissie en de overgangs- en slotbepalingen. Daarnaast heeft de Raad een aantal wettechnische en redactionele opmerkingen.

  • 2013/42 Advies concept wetsvoorstel Opheffing bedrijfslichamen (pdf, 37,6 KB)

    Het hoofddoel van het Wetsvoorstel is de bedrijfslichamen geheel op te heffen en daarmee de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) te beëindigen. De Raad gaat er van uit dat het Wetsvoorstel geen competentieverschuiving tot gevolg zal hebben. In verband met de volledigheid geeft de Raad in overweging om in het algemeen deel van de toelichting vast te leggen dat er ten aanzien van de rechtsgang geen veranderingen optreden. In verband met dit Wetsvoorstel wordt onder meer de Wet tuchtrechtspraak accountants aangepast. De Raad plaatst een aantal opmerkingen bij die aanpassingen. Zo is het bijvoorbeeld niet duidelijk wie beroep mag instellen.

  • 2013/40 Adviesaanvraag Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluitidentiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden in verband met de invoering van de Wet herziening ten nadele (pdf, 23 KB)

    Dit Ontwerpbesluit strekt ertoe om DNA-gegevens en vingerafdrukken van vrijgesproken personen onder stringente voorwaarden te bewaren met het oog op een eventuele herziening van de vrijspraak ten nadele van de gewezen verdachte op grond van een novum, zoals voorzien in de Wet herziening ten nadele (Stb. 2013/138). De Raad heeft over een eerdere – meer omvattende – versie van het Ontwerpbesluit op 20 april 2012 een blanco advies uitgebracht. Het Ontwerpbesluit geeft de Raad (opnieuw) geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  • 2013/39 Voorstel van Rijkswet inzake de uitbreiding van intrekking van het Nederlanderschap bij terrorisme (pdf, 50,5 KB)

    Dit Wetsvoorstel breidt de gronden voor verlies van het Nederlanderschap van rechtswege uit met de onherroepelijke veroordeling wegens deelname aan een terroristische organisatie. Op dit moment is dat een grond op basis waarvan het Nederlanderschap van betrokkene kan worden ontnomen. Daarnaast wordt bepaald dat het Nederlanderschap niet verloren gaat indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Met het Wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de motie Dijkhoff c.s. (Kamerstukken II 29754, nr. 224).

    De Raad stelt vast dat de directe aanleiding voor het Wetsvoorstel is gelegen in de deelname van Nederlanders aan de gewapende strijd in het buitenland, in het bijzonder in Syrië. Uit de stukken volgt dat het de wens van de Tweede Kamer is dat het makkelijker wordt om Nederlandse deelnemers aan die strijd het Nederlanderschap af te nemen zodat zij zich niet (meer) in Nederland kunnen vestigen. Met het Wetsvoorstel wordt kennelijk beoogd aan deze wens tegemoet te komen door deelname aan een terroristische organisatie op één lijn te brengen met het zich vrijwillig begeven in vreemde krijgsdienst.

    Aan het Wetsvoorstel ligt hiermee een politieke keuze ten grondslag waar de Raad niet in wil treden. Met het oog op de toepassing van de nieuwe bepalingen door de rechter is echter – gelet op de gevolgen van het Wetsvoorstel – wel van groot belang dat uit de toelichting duidelijk blijkt welke redenen en afwegingen aan die politieke keuze ten grondslag hebben gelegen. In dit licht is de Raad van mening dat enkele aspecten en effecten van het Wetsvoorstel in de toelichting onvoldoende zijn belicht.

    Zo vraagt de Raad zich af of het beoogde doel met het Wetsvoorstel daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Het voorgestelde verlies van het Nederlanderschap van rechtswege raakt immers een selecte doelgroep, te weten de groep veroordeelden voor deelname aan terroristische organisatie die tevens over een dubbele nationaliteit beschikken. Naar inschatting van de Raad gaat het hier om een zeer beperkt aantal personen, en neemt slechts een deel van die kleine groep deel aan gewapende strijd in het buitenland. Ook is het de Raad niet duidelijk waarom de bestaande mogelijkheid om iemand na een veroordeling wegens deelname aan een terroristische organisatie als ontoereikend moet worden beschouwd. Daarnaast wijst de Raad erop dat het Wetsvoorstel ook gevolgen voor handelingen in Nederland kan hebben, en tevens dat het Wetsvoorstel ook gevolgen heeft indien een verband met de Nederlandse rechtssfeer afwezig lijkt. Tot slot wijst de Raad erop dat het verlies van Nederlanderschap mogelijk niet in alle gevallen proportioneel en rechtvaardig is, aangezien onder deelname aan een terroristische organisatie een breed scala aan gedragingen valt met verschillende mate van ernst, de rol van een persoon binnen een terroristische organisatie aanzienlijk kan verschillen, en het gegeven dat het Wetsvoorstel alleen gevolgen heeft voor personen met een dubbele nationaliteit kan leiden tot een verschillende behandeling van personen met een materieel vergelijkbare rol in de terroristische organisatie.

  • 2013/38 Advies herziening strafbaarstelling faillissementsfraude (pdf, 78,8 KB)

    Met dit Wetsvoorstel wordt deels modernisering en vereenvoudiging van de betreffende strafbepalingen voorgesteld met het oog op verbetering van de praktische bruikbaarheid daarvan, en deels aanvulling van het wettelijk instrumentarium. In verband met dit laatste wordt een algemeen geldende strafrechtelijke bescherming tegen het niet voeren van een adequate administratie door rechtspersonen en ondernemingen voorgesteld en voorziet het Wetsvoorstel in de nieuwe mogelijkheid dat strafrechtelijk wordt opgetreden tegen laakbaar handelen dat een rechtspersoon in ernstige financiële problemen brengt, ook als dat niet tot faillissement leidt. Met laatstgenoemde nieuwe strafbaarstelling wordt volgens de toelichting onder meer de preventieve werking die het strafrecht kan hebben in verband met het voorkomen van faillissementen versterkt.

    De Raad onderschrijft de ambitie om de aanpak van faillissementsfraude te versterken. Een voortvarende aanpak van dergelijke fraude is van groot belang voor het vertrouwen in het handelsverkeer en zuivere concurrentieverhoudingen, en de Raad deelt de mening van het kabinet dat de huidige aanpak voor verbetering vatbaar is. De Raad onderschrijft in dit verband op zichzelf ook de wenselijkheid van modernisering en vereenvoudiging van de betreffende strafrechtelijke wetsbepalingen. Voor een daadwerkelijke versterking van de aanpak van deze fraude kan daarmee echter niet worden volstaan, maar dient ook de feitelijke aanpak van faillissementsfraude te worden versterkt. De Raad vraagt zich daarnaast af of het Wetsvoorstel daadwerkelijk voorziet in de beoogde vereenvoudiging en betere bruikbaarheid van de bestaande strafbepalingen, en tevens of het wenselijk is om in het kader van de voorgestelde strafrechtelijke aanpak van onbehoorlijk bestuur civielrechtelijke en bestuursrechtelijke (vaak open) normen in het strafrecht te introduceren. De Raad ziet daarnaast geen noodzaak voor de voorgestelde uitbreiding van de strafbaarstelling van handelingen van natuurlijke personen ten aanzien van wie de wet schuldsanering van toepassing is verklaard. De Raad is van mening dat het onthouden/ontnemen van de "schone lei" voldoende afschrikwekkend werkt. Tot slot mist de Raad in de toelichting op het Wetsvoorstel het Europees perspectief.

  • 2013/35 Advies Conceptbesluit tot wijziging van het Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen, het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstraffen 1994 en het Reglement justitiële jeugdinrichtingen i.v.m. de invoering van het adolescentenstrafrecht (pdf, 19,2 KB)

    Het Conceptbesluit voert technische wijzigingen door in de algemene maatregelen van bestuur over de uitvoering van het jeugdstrafrecht. Met deze wijzigingen wordt verdere uitvoering gegeven aan de bepalingen inzake het Adolescentenstrafrecht (EK 33.498 A). Het Conceptbesluit geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  •  2013/34 Advies Conceptwetsvoorstel implementatie EU-richtlijn Europees beschermingsbevel (pdf, 44,4 KB)

    Dit Wetsvoorstel dient ter implementatie van de Europese Richtlijn betreffende het Europees beschermingsbevel. Deze Richtlijn beoogt slachtoffers de mogelijkheid te bieden om maatregelen die een slachtoffer beschermen (zoals een contactverbod) en zijn opgelegd in de ene lidstaat, ook in een andere lidstaat te kunnen inroepen.
    In het Wetsvoorstel wordt voor zowel de inkomende als de uitgaande Europese beschermingsbevelen het openbaar ministerie aangewezen als bevoegde autoriteit. Het Wetsvoorstel voorziet ten aanzien van inkomende Europese beschermingsbevelen niet in een afzonderlijke voorziening bij de Nederlandse (straf)rechter. Dit impliceert dat een gevaar veroorzakende persoon die een op hem betrekking hebbend inkomend Europees beschermingsbevel in Nederland in rechte wil betwisten, alleen de mogelijkheid heeft een civiele procedure bij de voorzieningenrechter te starten. De Raad kan zich op hoofdlijnen vinden in de voorgestelde procedure. Het openbaar ministerie is immers ook in nationale gevallen verantwoordelijk voor het toezicht op beschermingsmaatregelen. Bovendien laat de Richtlijn geen ruimte voor een zelfstandige beoordeling in het tenuitvoerleggende land van de grondslag en/of juistheid van het Europees beschermingsbevel. De inbreuk op de bewegingsvrijheid (en daarmee op de grondrechten) van de gevaar veroorzakende persoon die met een beschermingsbevel wordt gemaakt is bovendien relatief beperkt. Deze specifieke kenmerken brengen de Raad ertoe om, anders dan in eerdere adviezen over de implementatie van andere Europese regelgeving over aanpalende onderwerpen, in dit geval niet te pleiten voor een afzonderlijke rechtsgang bij de strafrechter met betrekking tot inkomende zaken. Daar komt als praktisch argument bij dat het openbaar ministerie, meer dan de Rechtspraak, over de infrastructuur om regelmatige contacten met autoriteiten in andere lidstaten te onderhouden. Het Wetsvoorstel geeft de Raad verder aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen.

  • 2013/33 Advies concept wetsvoorstel Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (pdf, 67,2 KB)

    Doel van het wetsvoorstel WMO 2015 is verbetering van de kwaliteit van zorg en ondersteuning, vergroting van de betrokkenheid van mensen bij elkaar en het waarborgen van de financiële houdbaarheid van de langdurige zorg. De aanspraken op extramurale zorg in de AWBZ komen te vervallen en de bijbehorende budgetten worden overgeheveld naar gemeenten.
    Gemeenten krijgen hiermee een brede verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke ondersteuning van hun inwoners. Voor de meest kwetsbare personen, voor wie deelname aan de samenleving niet meer mogelijk is, blijft recht bestaan op passende zorg in een beschermende, intramurale omgeving in een nieuwe ‘kern-AWBZ’. Zorg gericht op herstel van een aandoening of het tegengaan van verslechtering wordt volledig ondergebracht in de Zorgverzekeringswet. Het is de bedoeling dat de huidige WMO in zijn geheel wordt vervangen door de WMO 2015.

    De volgende hoofdpunten zijn in het advies opgenomen. De Raad kan zich niet vinden in de in het wetsvoorstel opgenomen werkwijze bij de maatwerkvoorziening, waarbij de zorgzoekende eerst een melding bij het college moet doen en de uitkomsten van het op basis van die melding door het college te verrichten onderzoek moet afwachten, alvorens hij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan indienen. Deze werkwijze wijkt af van de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en leidt tot onduidelijkheid en een verminderde rechtsbescherming van de zorgzoekende. Ook is de Raad van mening dat in het wetsvoorstel een veel verdergaande bevoegdheid tot het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is opgenomen dan thans geldt in het kader van de sociale zekerheid. De Raad is van mening dat er geen reden is om af te wijken van de huidige praktijk terzake en verzoekt het wetsvoorstel in die zin aan te passen.

    Het wetsvoorstel leidt naar verwachting in eerste twee jaar na de invoering tot hogere kosten (ongeveer 2,2 en 1,2 miljoen euro), die aflopen naar structureel 550.000 euro extra op jaarbasis.

  • 2013/32 Advies conceptwetsvoorstel Vaststelling nieuwe Instellingswet RSJ (pdf, 20,4 KB)

    Dit Wetsvoorstel bevat drie wijzigingen:

    1. Scherpere scheiding tussen de adviserende en rechtsprekende functie van de RSJ.
    2. Aanvulling van de toetsingsgronden voor de rechtspraak van de RSJ. Meer expliciet wordt vastgelegd dat ook de belangen van slachtoffers, nabestaanden en de veiligheid van de samenleving meegewogen moeten worden.
    3. Introductie van de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet tegen uitspraken van de RSJ. Dit dient er blijkens toelichting mede toe om de rechtseenheid, en daarmee de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, te waarborgen in gevallen waarin de RSJ uitleg moet geven aan wettelijke bepalingen en begrippen die ook door andere rechters ingevuld worden.

    De Raad heeft met instemming kennisgenomen van de voorstellen die beogen het beslissingsraamwerk van de RSJ meer aan te laten sluiten bij ontwikkelingen in de “gewone” strafrechtspraak.

  • 2013/31 Advies wijziging Wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (pdf, 47,7 KB)

    Dit Wetsvoorstel strekt tot uitvoering van de door de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche aangenomen motie-Strik c.s., waarin de regering werd verzocht door middel van een novelle te voorzien in splitsing van dit wetsvoorstel. Met het Wetsvoorstel worden onder meer de bepalingen in het oorspronkelijke wetsvoorstel die zien op de zogeheten registratieplicht voor prostituees en de vergewisplicht voor klanten van prostituees geschrapt, en worden in verband hiermee enkele andere artikelen aangepast. De in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen verhoging van de minimumleeftijd om werkzaam te zijn als prostituee van 18 naar 21 jaar is in het Wetsvoorstel gehandhaafd. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een verruiming van artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht. De in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen bevoegdheid voor ambtenaren tot het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner wordt aangepast.
    Twee elementen uit het Wetsvoorstel geven de Raad aanleiding tot het maken van opmerkingen:

    1. de wijziging van de strafbaarstelling van de klant van een prostituee 18-21; en
    2. de bevoegdheid tot binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.


    Ad 1.

    Aan de in het oorspronkelijke wetsvoorstel voorgestelde registratieplicht voor prostituees was een minimumleeftijdseis van 21 jaar gekoppeld, en het gebruikmaken van de seksuele diensten van een prostituee zonder te zijn nagegaan of de prostituee was ingeschreven in het register, was strafbaar gesteld als overtreding waarvoor een maximumstraf gold van zes maanden hechtenis of een geldboete van de derde categorie. Met het Wetsvoorstel wordt in plaats hiervan een uitbreiding van het Wetboek van Strafrecht voorgesteld die erop neerkomt dat het gebruikmaken van de seksuele diensten van een prostituee die ouder is dan 18 jaar en jonger dan 21 jaar onder de strafbaarstelling van artikel 248b Sr komt te vallen. Dit artikel stelt thans strafbaar het plegen van ontucht met een prostituee van 16 of 17 jaar, een misdrijf waarvoor een maximumstraf geldt van vier jaar gevangenisstraf of geldboete van de vierde categorie en waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Anders dan in het oorspronkelijke wetsvoorstel doet het voor de strafbaarheid van de klant niet meer ter zake of deze zich ervan heeft vergewist of de prostituee voldoet aan de wettelijke minimumleeftijd. De Raad acht nadere verduidelijking van de opvatting van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de betreffende gedraging noodzakelijk.

    Ad 2.
    Het Wetsvoorstel creëert – net als het oorspronkelijke wetsvoorstel – een ruime bevoegheid voor (gemeente)ambtenaren om een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, met medeneming van de benodigde apparatuur. Een dergelijke ruime bevoegdheid is alleen mogelijk indien daarvoor zwaarwegende redenen bestaan, en deze raakt aan het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR. Het (toenmalige) kabinet kwam na een afweging van de betrokken belangen tot de conclusie dat voor het creëren van een dergelijke bevoegdheid zwaarwegende redenen bestonden en dat deze bevoegdheid verenigbaar was met voornoemde grondrechtelijke bepalingen. De Raad is van mening dat de talrijke wijzigingen in het oorspronkelijke wetsvoorstel, in het bijzonder het schrappen van de registratieplicht voor prostituees, nopen tot een hernieuwde belangenafweging op dit onderdeel. Hierbij zou in het bijzonder aandacht moeten worden besteed aan de vraag ter vervulling van welke taak deze bevoegdheid nodig is en waarom de wetgever van mening is dat het doel van deze bevoegdheid niet ook op een andere – minder ingrijpende – wijze kan worden bereikt. Daar komt bij dat, zoals de Raad in zijn eerdere advies over de consultatieversie van het wetsvoorstel heeft aangegeven, het (nog steeds) onduidelijk is wat in dit verband onder “de benodigde apparatuur” moet worden verstaan. Tot slot adviseert de Raad om, mocht het kabinet deze bevoegdheid in het Wetsvoorstel willen handhaven, hieraan de eis van een voorafgaande rechterlijke machtiging te stellen, vergelijkbaar met bepalingen met betrekking tot binnentreden en doorzoeken in recente wetsvoorstellen op het terrein van bijvoorbeeld mededinging, respectievelijk kansspelen.

  • 2013/30 Advies wijziging Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren i.v.m. functioneringsgesprekken (pdf, 23,7 KB)

    Ontwerp-besluit houdende de wijziging van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren in verband met het regelen van functioneringsgesprekken voor voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren.

    Dit besluit strekt er toe vast te leggen dat in plaats van evaluatiegesprekken ook met de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren regelmatig functioneringsgesprekken worden gehouden. Hiermee wordt onder meer beoogd dat door middel het functioneringsgesprek meer kan worden ingezoomd op de werkzaamheden en de persoon van de rechter en nadrukkelijker tot de kern van het functioneren van de rechter wordt gekomen binnen de grenzen van de functionele autoriteit, i.c. het gerechtsbestuur. Anders dan het evaluatiegesprek, is het functioneringsgesprek zowel gericht op het terugkijken als op het vooruitkijken en is het een gesprek met een tweezijdig karakter.

  • 2013/27 Advies Wetsvoorstel computercriminaliteit III (pdf, 60 KB)

    Dit Wetsvoorstel beoogt het juridische instrumentarium voor de opsporing en vervolging van computercriminaliteit te verbeteren en te versterken. Het Wetsvoorstel bevat daartoe onder meer de volgende elementen:

    1. Het creëren van een nieuwe bevoegdheid voor bepaalde opsporingsambtenaren om een geautomatiseerd werk, dat in gebruik is bij een verdachte, op afstand heimelijk te kunnen binnendringen met het oog op bepaalde doelen op het gebied van de opsporing van ernstige strafbare feiten.
    2. Het aanpassen van de regeling van de bevoegdheid van de officier van justitie om, met machtiging van de rechter-commissaris, te bevelen dat gegevens op internet ontoegankelijk worden gemaakt.
    3. Het creëren van een afzonderlijke wettelijke bevoegdheid tot het geven van een bevel aan een verdachte tot het verschaffen van toegang tot versleutelde elektronische gegevens en het toegankelijk maken van die gegevens.
    4. Het strafbaar stellen van het wederrechtelijk overnemen van gegevens en het voorhanden hebben of bekend maken van door misdrijf verkregen gegevens. Daardoor worden gedragingen strafbaar die kunnen worden beschouwd als "heling" van computergegevens.


    De Raad geeft in het advies aan dat de inzet van de voorgestelde opsporingsbevoegdheden een vergaande inbreuk op grondrechten van burgers kan opleveren. Het is van groot belang dat een dergelijke inbreuk zo beperkt mogelijk wordt gehouden en dat de burger wordt beschermd tegen willekeurige inmenging door de overheid in zijn privéleven. Het Wetsvoorstel bepaalt in dit verband dat deze bevoegdheden slechts kunnen worden toegepast na een schriftelijke machtiging door de rechter-commissaris. Daarnaast wordt in de toelichting het belang van de toetsing door de rechter-commissaris op – naast rechtmatigheid – de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit benadrukt. De Raad acht de keuze voor een dergelijke voorafgaande rechterlijke toetsing ten aanzien van de voorgestelde opsporingsbevoegdheden wenselijk en verstandig. Het Wetsvoorstel geeft verder aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen.

  • 2013/26 Advies wettelijke verankering CVOM (pdf, 19,9 KB)

    Dit Wetsvoorstel beoogt aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) een wettelijke status als onderdeel van het openbaar ministerie toe te kennen. Het Wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van één opmerking.

    Voorgesteld wordt onder meer om beklagzaken ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van beslissingen van de CVOM te concentreren bij het gerechtshof te Den Haag. Dit betekent dat rechtstreeks belanghebbenden in CVOM-zaken vanuit heel Nederland zich op grond van dit voorstel met hun beklag voortaan enkel kunnen wenden tot het gerechtshof Den Haag. De Raad acht de noodzaak tot deze afwijking van de regels van relatieve competentie en daarmee gepaard gaande herverdeling van zaken niet aanwezig. Het gevolg van de voorgestelde concentratie is dat de toegang tot de rechter voor dergelijke belanghebbenden onnodig wordt belemmerd. De Raad adviseert hierop de gewone regels van relatieve competentie van toepassing te laten.

  • 2013/25 Advies concept wetsvoorstel WWB maatregelen 2014 (pdf, 54,7 KB)

    Het Wetsvoorstel heeft tot doel te voorzien in maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de socialezekerheidsregelingen houdbaar en toegankelijk blijven en in maatregelen voor mensen die het niet redden zonder extra steun. Zo worden bijstandsgerechtigden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheden en mogelijkheden en moet stapeling van uitkeringen binnen één huishouden worden voorkomen.

    In het wetsvoorstel wordt voor bepaalde gevallen een geüniformeerde maatregel ingevoerd, die inhoudt dat de bijstand geheel geweigerd wordt voor een periode van drie maanden. In de toelichting is aangegeven dat deze maatregel niet gezien kan worden als een punitieve sanctie. De Raad vraagt zich af of dit standpunt juist is.

    Ten aanzien van de tegenprestatie naar vermogen merkt de Raad op dat het criterium “onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden die niet mogen leiden tot verdringing van regulier werk of leiden tot het verstoren van de concurrentie op de arbeidsmarkt" vaag geformuleerd is en geschillen over de invulling zal opleveren. De Raad adviseert het criterium zodanig aan te passen dat het beter te concretiseren is.

    Het wetsvoorstel leidt naar verwachting tot grote werklastgevolgen voor de bestuurssectoren van de gerechten en de Centrale Raad van Beroep. De totale structurele werklastgevolgen worden ingeschat op jaarlijks 15,6 miljoen euro.

  • 2013/24 Advies voorontwerp wetsvoorstel civielrechtelijk bestuursverbod (pdf, 45,1 KB)

    Het Wetsvoorstel introduceert de mogelijkheid voor de rechter om, naar aanleiding van een faillissement, een bestuurder een civielrechtelijk bestuursverbod op te leggen. Het bestuursverbod zorgt ervoor dat een bestuurder maximaal vijf jaar geen rechtspersoon kan besturen. Doel van het bestuursverbod is te voorkomen dat frauduleuze bestuurders hun activiteiten via allerlei omwegen en met nieuwe rechtspersonen kunnen blijven voortzetten.

    De Raad steunt de strekking van het Wetsvoorstel, namelijk het mogelijk maken van het optreden tegen bestuurders die stelselmatig misbruik maken van rechtspersonen om daarmee persoonlijke aansprakelijkheid af te wenden en tegelijkertijd fraude te plegen. Het verdient naar het oordeel van de Raad aanbeveling om ook de curator de mogelijkheid te geven een verzoek tot oplegging van een bestuursverbod bij verzoekschrift te doen, naast de mogelijkheid dat bij dagvaarding te doen. De Raad heeft enkele praktische opmerkingen met betrekking tot de registratie van de uitspraak waarin het bestuursverbod is opgelegd. De Raad adviseert voorts om in te gaan op de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die registratie in een via internet raadpleegbaar centraal register met zich meebrengt, terwijl de betrokkene nog hoger beroep kan instellen en dit beroep gegrond kan worden verklaard.

  • 2013/23 Advies Besluit proceskostenvergoeding WOZ-zaken (pdf, 56,7 KB)

    Het Besluit introduceert een regeling voor de vergoeding van kosten die een partij of een belanghebbende maakt in verband met de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of beroepschrift in een procedure over de WOZ-waarde. De huidige praktijk laat, aldus de Memorie van Toelichting, zien dat gemeenten worden geconfronteerd met een groot aantal bezwaar- en beroepschriften die worden ingediend door bureaus die opereren op basis van “no-cure-no-pay”. Doel van deze bureaus is aanspraak te maken op een zo hoog mogelijk bedrag aan proceskosten. Dit leidt tot onnodige juridisering en hogere uitvoeringskosten bij gemeenten. Het Besluit beoogt een einde te maken aan deze praktijk.

    De Raad plaats kanttekeningen bij een aantal definities die in het Besluit worden vermeld. Ook bij de invoering van een bandbreedte heeft de Raad bedenkingen. Als de door de rechter vastgestelde waarde binnen die bandbreedte blijft heeft de heffingsambtenaar niet onrechtmatig gehandeld en komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking. Dit kan de toegang tot de rechter belemmeren en leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van justitiabelen.

    Op basis van aannamen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is berekend dat het wetsvoorstel naar verwachting leidt tot een besparing van 1,7 miljoen euro. Deze besparing wordt vrijwel geheel veroorzaakt door een lagere instroom.

  • 2013/22 Advies concept initiatiefwetsvoorstellen Mediation (pdf, 92 KB)

    De initiatiefwetsvoorstellen (Wet registermediator, Wet bevordering van mediation in het burgerlijk recht en Wet bevordering van mediation in het bestuursrecht) mediation van VVD-kamerlid Van der Steur hebben in het algemeen tot doel ordening van mediation in wet- en regelgeving aan te brengen. Met de wetsvoorstellen wordt beoogd de kwaliteit van registermediators te borgen, en wordt de mediationovereenkomst gedefinieerd en in het civiele- en bestuursrecht mediation als alternatief voor de traditionele rechtsbescherming verankerd.

    De Raad is in algemene zin positief over de wetsvoorstellen maar plaatst wel de nodige kanttekeningen. Zo bestaat er geen bezwaar om mediation wettelijk te verankeren, mits het hiermee geen verplicht karakter krijgt. Vrijwillige deelname aan mediation is immers een wezenlijk element van de aard van deze wijze van conflictoplossing. Daarnaast zijn niet alle conflicten geschikt voor mediation, ook niet als er een relationeel aspect aan de zaak zit. Soms hebben mensen een oordeel nodig waarmee hun rechtspositie duidelijk wordt. Ook mist de Raad een definitie van het begrip "Mediation" en waarschuwt hij voor te sterke juridisering van mediation. De Raad wijst erop dat Mediation in het bestuursrecht van een andere orde is en op een andere wijze functioneert dan mediation in het civiele recht en adviseert in de wettekst of in de toelichting bij de wetsvoorstellen per rechtsgebied specifieker aandacht te besteden aan de beoogde toepassing van mediation.

  • 2013/19 Advies Ontwerp-besluit betreffende de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren (pdf, 16,8 KB)

    Ontwerp-besluit betreffende het Besluit houdende wijziging van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren onder meer in verband met het aanpassen van de duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering.

    Dit besluit strekt er toe vast te leggen dat voor de systematiek van de bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren wordt aangesloten bij wijzigingen van de Werkloosheidswet en wordt invulling gegeven aan de wens om de bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid van de rechterlijke ambtenaren en de burgerlijke rijksambtenaren die werkzaam zijn binnen de rechterlijke organisatie dezelfde te laten zijn.

    Daarnaast strekt dit besluit ertoe in regelgeving vast te leggen dat de regeling voor de compensatie van inkomensverlies bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% wordt verlengd met drie jaren.

  • 2013/18 Advies Wetsvoorstel tot implementatie van richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU L 142) (pdf, 52,6 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt tot implementatie van de Europese richtlijn betreffende het recht op informatie in strafprocedures. De richtlijn bevat minimumregels met betrekking tot het recht van verdachten op informatie in strafprocedures. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) voldoen de Nederlandse rechtspraktijk en het Wetboek van Strafvordering (Sv) in het algemeen aan de eisen van een eerlijk proces. Daarom noopt de richtlijn volgens de MvT slechts tot een beperkte en relatief eenvoudige wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Overleveringswet op het punt van de informatie van de aangehouden verdachte respectievelijk de aangehouden opgeëiste persoon. Het Wetsvoorstel geeft de Raad aanleiding tot het maken van enkele inhoudelijke opmerkingen.

  • 2013/16 Advies concept wetsvoorstel Omgevingswet (pdf, 89,4 KB)

    Het concept wetsvoorstel Omgevingswet integreert de gebiedsgerichte onderdelen van (de meeste) bestaande omgevingswetten in één wet met één samenhangend stelsel van planning, besluitvorming en procedures. Het wetsvoorstel kan gezien worden als een raamwet welke gevolgd zal worden door tal van uitvoeringsregelingen (AMvB’s) waarin de hoofdpunten van het wetsvoorstel nader uitgewerkt zullen worden. Gezien de omvang en het karakter van het wetsvoorstel is het wetgevingsadvies uitgebreid en technisch van aard. De hoofdpunten van het advies liggen op het vlak van de rechtsbescherming, het object en toepassingsbereik en de handhaving.

    De Raad constateert dat de tekst van het wetsvoorstel onvoldoende concrete invulling en daarmee onvoldoende handvatten geeft om een gefundeerde inschatting te maken van de werklastgevolgen van het wetsvoorstel. In het vervolgproces, bij de herziening van de uitvoeringsregelgeving, zal naar verwachting een duidelijker beeld ontstaan van de werklastgevolgen voor de sectoren bestuursrecht van de rechtbanken. Bij de advisering over de uitvoeringsregelgeving kan naar verwachting een inschatting van de werklastgevolgen gemaakt worden.

  • 2013/15 Advies Voorstel rijkswet lid Taverne strekkende tot aanpassing van de procedure voor vaststelling van rechtstreekse werking van een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties (pdf, 64,4 KB)

    Het wetsvoorstel beoogt wetten in formele zin uit te zonderen van de regel van artikel 94 van de Grondwet dat de rechter “wettelijke voorschriften” buiten toepassing laat, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Bovendien maakt het wetsvoorstel het mogelijk om, door middel van wijziging van artikel 93 van de Grondwet, bij wet te bepalen dat een verdragsbepaling of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie die naar haar inhoud een ieder kan verbinden, na de bekendmaking toch geen verbindende kracht heeft. Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de werking van bepalingen en besluiten in het kader van de Europese Unie.

    De Raad heeft ernstige bedenkingen bij het wetsvoorstel en concludeert na bestudering dat de wettekst en de Memorie van Toelichting zowel vragen van wettechnische, praktische alsmede van principiële aard onbeantwoord laat: de strekking van het wetsvoorstel is onduidelijk; de gestelde noodzaak van het wetsvoorstel overtuigt niet, en het wetsvoorstel heeft tot gevolg dat nationale effectieve verdragsbescherming verdwijnt.  Bovendien leidt het wetvoorstel naar verwachting tot een groter beroep op internationale gremia en rechterlijke instanties.

  • 2013/14 Advies concept wetsvoorstel Wijziging van de Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanscherping van de aanpak van voetbalvandalisme en ernstige overlast (pdf, 21,5 KB)

    Het concept wetsvoorstel Wijziging Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanscherping van de aanpak van voetbalvandalisme en ernstige overlast borduurt voort op het per 1 september 2010 inwerking getreden wetsvoorstel maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (31.467). Het thans ter advisering voorliggende wetsvoorstel scherpt enkele maatregelen uit deze eerdere wet aan. De Raad verzoekt de Minister in de Memorie van Toelichting aan te geven aan welke procedurele minimumeisen de oplegging van de civielrechtelijke sanctie zou moeten voldoen alvorens deze bij AMvB kan worden aangewezen. Voor het overige heeft de Raad geen opmerkingen bij het wetsvoorstel.

  • 2013/13 Advies conceptwetsvoorstel tot herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie (pdf, 83 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt ertoe de wijze waarop vrijheidsbenemende sancties ten uitvoer worden gelegd te herijken, en voorziet daartoe in het afschaffen van de bestaande wijze van detentiefasering en in de invoering van elektronische detentie. Het achterliggende doel dat hiermee wordt nagestreefd is het verder terugdringen van recidive en het op die manier vergroten van de veiligheid in Nederland. Het voorstel geeft de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), die vrijheidsstraffen uitvoert, de bevoegdheid gevangenisstraffen korter dan zes maanden via elektronische detentie uit te voeren, tenzij de rechter in zijn vonnis expliciet heeft gezegd dat dat niet mag. Bij gevangenisstraffen van langer dan zes maanden, kan elektronische detentie volgens het wetsvoorstel worden opgelegd als de veroordeelde ten minste de helft van de straf in een inrichting heeft uitgezeten. Elektronische detentie mag maximaal 18 maanden duren, aldus het wetsvoorstel.

    De Raad vindt dat alleen de rechter moet kunnen beslissen over gevangenisstraffen en elektronische detentie. Beslissingen over ingrijpen in de grondrechten van burgers zijn voorbehouden aan de onafhankelijke rechter, en de beslissing om iemand een gevangenisstraf op te leggen is een van de meest ingrijpende beslissingen die in Nederland kan worden genomen. Veroordeelden, slachtoffers en samenleving moeten ervan op aan kunnen dat straffen worden uitgevoerd zoals die door de rechter in het openbaar worden uitgesproken. Daar hoort bij dat hij ook beslist over de vraag of iemand thuis, of in de gevangenis zijn straf uitzit. De Raad betwijfelt of elektronische detentie kan worden vergeleken met gevangenisstraf, terwijl het wetsvoorstel wel op deze veronderstelling is gebaseerd. De Raad denkt dat de samenleving elektronische detentie ziet als een andere, lichtere straf dan gevangenisstraf. De Raad pleit er dan ook voor dat elektronische detentie als aparte straf wordt aangemerkt die door de rechter kan worden opgelegd.

    In het verlengde hiervan adviseert de Raad de beperkingen die voor de rechter sinds kort gelden bij het opleggen van taakstraffen, op te heffen. De rechter kan op grond hiervan in bepaalde gevallen alleen nog een taakstraf opleggen in combinatie met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Gedachte hierachter is dat deze veroordeelden in ieder geval enige tijd vast zitten en niet alleen tot een taakstraf worden veroordeeld. Nu met het wetsvoorstel deze veroordeelden waarschijnlijk alsnog met elektronische detentie buiten een inrichting hun straf ondergaan, acht de Raad het niet meer logisch de rechter deze beperking op te leggen. Hem weer de mogelijkheid geven taakstraffen op te leggen in combinatie met elektronische detentie, maakt het mogelijk effectiever te straffen, meent de Raad.

  • 2013/11 Nader advies werklastgevolgen Wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten i.v.m. de invoering van adolescentenstrafrecht (pdf, 34,3 KB)

    Per brief van 23 maart 2012 heeft de Raad voor de rechtspraak onder andere geadviseerd over de werklastgevolgen van de ter consultatie voorgelegde versie van het wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van adolescentenstrafrecht. Het wetsvoorstel zoals dat op 5 december 2012 bij de Tweede Kamer is ingediend, geeft aanleiding tot een nader advies met betrekking tot die werklastgevolgen, omdat anders dan in de Memorie van Toelichting wordt gesteld, ook het ingediende wetsvoorstel substantiële werklastgevolgen heeft voor de rechtspraak. De Raad schat de meerkosten voor 2014 op € 705.380 en voor 2015 en verder jaarlijks op € 1.410.761.

  • 2013/10 Advies Wetsvoorstel ter uitvoering van het Verdrag en het Aanvullend Protocol van Beijing (ernstige criminaliteit burgerluchtvaart) (pdf, 23 KB)

    De Raad heeft geen inhoudelijk opmerkingen ten aanzien van het concept wetsvoorstel tot Uitvoering van het op 10 september 2010 te Beijing tot stand gekomen Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen betreffende de burgerluchtvaart en het op 10 september 2010 te Beijing tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, en verwacht geen noemenswaardige werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2013/09 Advies conceptwetsvoorstel Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht etc (pdf, 23,4 KB)

    Het Wetsvoorstel past de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aan. Het Wetsvoorstel geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

  • 2013/08 Advies Wijziging van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen i.v.m. de aanvulling van de bepalingen over de procedure voortgezette tenuitvoerlegging (pdf, 71 KB)

    De Raad merkt op dat in de Memorie van Toelichting (MvT) veel aandacht wordt besteed aan de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, terwijl dit onderwerp niet aan de orde is in het wetsvoorstel. Aan een aantal andere onderwerpen wordt daarentegen in de MvT geen aandacht besteed, terwijl dat wel voor de hand had gelegen. Zo ontbreekt een toelichting op het afschaffen van enkele onderdelen van de huidige wettelijke regeling.

    De Raad staat positief tegenover de voorgestelde aanpassing van de regeling van de voortgezette tenuitvoerlegging in de Wots. De Raad staat ook positief tegenover het voorstel om het rechtskarakter van het advies/oordeel van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden duidelijker formuleren. De Raad staat voorts positief tegenover de expliciete standpuntbepaling over het tijdstip van de voorwaardelijke invrijheidsstelling bij veroordeelden die bij voortzetting van de tenuitvoerlegging in de staat van veroordeling na ommekomst van de helft van de straf in vrijheid worden gesteld. De Raad plaatst enige opmerkingen en kanttekeningen bij de in de MvT gemaakte opmerkingen over de verhouding tussen de exequaturprocedure en de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging.

    Het wetsvoorstel, dat wat betreft de rechtspraak vooral relevant is voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, heeft geen werklastgevolgen voor de rechtspraak.

  • 2013/07 Nader advies Tweede Nota van Wijziging bij het wetsvoorstel Wet forensische zorg (Wfz) (pdf, 24,6 KB)

    De Raad heeft op 3 december 2012 een inhoudelijk advies uitgebracht en aangekondigd dat op korte termijn zou worden ingegaan op de werklastgevolgen van de Eerste en de Tweede Nota van Wijziging bij het wetsvoorstel Wet forensische zorg.

    Zoals de Raad in zijn advies van 3 december 2012 heeft aangegeven, leidt de wijziging van artikel 5.1, lid 2, Wfz, bij de (eerste) Nota van Wijziging, min of meer tot een terugkeer naar de situatie van het in 2008 in consultatie gegeven ontwerp wetsvoorstel waarover de Raad zich in zijn advies van 25 februari 2009 kritisch heeft uitgelaten. De regeling in het gewijzigd voorstel van wet, zoals dat bij de Eerste Kamer is ingediend, leidt dan ook niet tot een wijziging van de in het eerdere advies geschatte meerkosten ad € 384.683 per jaar. Daarnaast heeft ook de in de Tweede Nota van Wijziging vervatte regeling voor het opvragen van persoonsgegevens bij weigerachtige observandi (art. 37a, lid 5 Wfz) werklastgevolgen voor de rechtspraak. De hiermee gemoeide meerkosten bedragen naar schatting € 207.293 per jaar. Totaal bedragen de meerkosten voor de rechtspraak € 591.976 per jaar.

    Zie ook het eerdere advies 2012/47 Advies Tweede Nota van Wijziging van Wet forensische zorg (pdf, 66,3 KB).

  • 2013/05 Advies Besluit aanpassen vergoeding vervolgaanvragen vreemdelingen (pdf, 26,7 KB)

    Het besluit leidt ertoe dat in vervolgaanvragen waarbij de vreemdeling niet in het gelijk wordt gesteld de rechtsbijstandverlener een lagere vergoeding krijgt toegekend. Doel hiervan is om na de behandeling van de eerste asielaanvraag prikkels voor nieuwe procedures weg te nemen waardoor het stapelen van procedures wordt beperkt.
    In het uitgangspunt dat onnodig stapelen van procedures voorkomen dient te worden kan de Raad zich vinden. Hij vraagt zich echter af of de in het besluit voorgestelde veranderingen ertoe zullen leiden dat dit onnodig stapelen voorkomen wordt, zonder afbreuk te doen aan het in artikel 6 EVRM neergelegde uitgangspunt dat de toegang tot de onafhankelijke en onpartijdige rechter gewaarborgd moet zijn. De Raad is van mening dat eerst een fundamentele discussie over dit onderwerp dient te worden gevoerd alvorens dit Besluit in te voeren.

  • 2013/03 Advies conceptwetsvoorstel tot uitvoering van de te Kampala aanvaarde wijzigingen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (pdf, 47,2 KB)

    Het Wetsvoorstel strekt tot tot uitvoering van de op 10 en 11 juni 2010 te Kampala (Oeganda) aanvaarde wijzigingen van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (ISH) en betreft wijziging van de Wet internationale misdrijven (WIM) op de volgende punten:

    • Aanvulling van artikel 6 met drie handelingen betreffende oorlogsmisdrijven in geval van een niet-internationaal gewapend conflic
    • Invoeging van een nieuw artikel 8b betreffende de strafbaarstelling van het misdrijf agressie.


    In het advies heeft de Raad onder meer onderbouwd aangegeven dat hij, anders dan in het Wetsvoorstel wordt gesuggereerd, verwacht dat het Wetsvoorstel werklastgevolgen zal hebben voor de Nederlandse rechterlijke instanties die met deze zaken te maken kunnen hebben, te weten de rechtbank en het gerechtshof Den Haag voor WIM-zaken waarbij geen Nederlandse militairen betrokken zijn en de rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor WIM-zaken waarbij Nederlandse militairen betrokken zijn. De afgelopen jaren zijn gemiddeld 2 of 3 WIM-zaken per jaar in behandeling genomen. Door de nieuwe strafbepaling komen hier in potentie meer zaken bij. Een inschatting hiervan is op voorhand niet te geven. Van belang is wel op te merken dat het hier om unieke en zeer bewerkelijke zaken gaat, als gevolg waarvan iedere extra zaak ingrijpende organisatorische gevolgen heeft. Zo leert de ervaring van de afgelopen jaren dat de behandeling van één WIM-zaak door de rechtbank en het Hof de Rechtspraak al gauw ruim €1,5 miljoen per jaar kost.

  • 2013/02 Advies Ontwerpbesluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (pdf, 44,4 KB)

    Het Ontwerpbesluit geeft vorm aan een nieuwe vergoedingenstructuur voor bewindvoerders die zijn benoemd in de schulsaneringsregeling natuurlijke personen. Op grond van de voorgestelde systematiek wordt de vergoeding van de bewindvoerder eerst als salaris vastgesteld ten laste van de boedel. Indien de boedel niet voldoende baten bevat om de vergoeding geheel of gedeeltelijk te voldoen, wordt het verschil aangevuld met een subsidie.

    In grote lijnen vindt de Raad de voorgestelde vergoedingenstructuur voldoende duidelijk en goed werkbaar. Wel zou enige verheldering wenselijk zijn met betrekking tot hetgeen wordt bedoeld met bedrijfsmatige schulden. Het voorgestelde overgangsrecht is voldoende duidelijk, maar de Raad acht het niet praktisch om langere tijd twee systemen naast elkaar te hebben. De Raad adviseert dan ook om hier een beperking in de tijd aan te brengen. Naar de inschatting van de Raad zal de invoering van dit Ontwerpbesluit in zijn huidige vorm geen significante gevolgen hebben voor de werklast van de Rechtspraak.

 

 

Neem contact op met het Rechtspraak Servicecentrum

Sociale media

Stel uw vraag via
Stel uw vraag via

Pas op met het delen van privé-gegevens op sociale media.

Telefoon

Bereikbaar maandag t/m vrijdag tussen 8.00 en 20.00 uur.

Veelgestelde vragen aan het Rechtspraak Servicecentrum