Procedure

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Inleiding

Bij het voeren van een proces horen zowel door partijen als door de rechter bepaalde regels in acht te worden genomen. Dit procesrecht is voor procedures bij de Centrale Raad van Beroep geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast neemt de Centrale Raad van Beroep de richtlijnen in acht die zijn neergelegd in de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014. Hieronder wordt in beknopte vorm weergegeven wat voor een partij belangrijk is tijdens de procedure. De hiernavolgende informatie wordt grotendeels gelijkluidend aan partijen ook in de vorm van een folder verstrekt.

 

 

Beroepschrift

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken, tenzij bij wet anders is bepaald. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit of de aangevallen uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het is toegestaan het beroepschrift per fax in te zenden.

Het beroepschrift moet zijn ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de indiener, een omschrijving van het besluit of de uitspraak waartegen het (hoger) beroep is gericht, de gronden van het (hoger) beroep.

Voor zover mogelijk wordt een afschrift bijgevoegd van het besluit waarop het geschil betrekking heeft dan wel van de uitspraak van de rechtbank waartegen het hoger beroep zich richt.

Met ingang van 1 augustus 2011 heeft ook de Centrale Raad van Beroep de beschikking over de dienst Digitaal procederen bestuursrecht. Dit betekent dat u ook digitaal beroep of hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep kunt instellen.

 

 

Griffierecht

De indiener van een beroepschrift is een griffierecht verschuldigd. De hoogte van het griffierechtbedrag is onder meer afhankelijk van de soort regelgeving (zie hierna).

De termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Centrale Raad van Beroep bedraagt vier weken. Bij niet of niet tijdige betaling kan het (hoger) beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, dat wil zeggen dat er geen inhoudelijke behandeling plaatsvindt. Een belanghebbende ontvangt een afzonderlijke uitnodiging tot betaling van het griffierecht.

Betalingsinformatie: U kunt het griffierecht voldoen door middel van internetbankieren. Vermeldt u altijd bij uw betaling het documentnummer en/of notanummer (vermeld aan de rechterzijde van uw uitnodiging).
Bij betalingen vanuit het buitenland is het noodzakelijk dat u de SWIFT/BIC-code en het IBAN-nummer vermeldt. De Nederlandse banken brengen kosten in rekening voor het gebruik van een buitenlandse bankgirocheque. Deze kosten worden in mindering gebracht op het bedrag dat u overmaakt. U dient ervoor te zorgen dat u het volledige bedrag betaald door het griffierecht te verhogen met de kosten die de banken in rekening brengen.

Voor betaling van het griffierecht per kas is de Centrale Raad van Beroep geopend op alle werkdagen van 8.30 uur tot 17.00 uur.

Indien het (hoger) beroep van de belanghebbende slaagt, ontvangt deze het betaalde griffierecht terug van het bestuursorgaan.

Wilt u in (hoger) beroep bij de bestuursrechter, maar kunt u het griffierecht niet betalen, dan kunt u om vrijstelling vragen. Hiervoor gelden strenge eisen. Zie hiervoor Beroep op betalingsonmacht griffierecht bestuursrecht via onderstaande link.

Hoogte van het griffierecht in beroep

Het griffierecht bedraagt in beroep:
a. € 46,- indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht (zie aan het slot van dit onderdeel van de site),
b. € 170,- indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit,
c. € 338,- indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld.

 

Hoogte van het griffierecht in hoger beroep

Het griffierecht bedraagt voor de procedure in hoger beroep:
a. € 126,- indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht (zie aan het slot van dit onderdeel van de site),
b. € 253,- indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een ander besluit, of
c. € 508,- als anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld.

Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank wordt in stand gelaten, wordt van de desbetreffende rechtspersoon een griffierecht geheven van € 508,-.
Wat betreft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alsmede een verzoek tot herziening van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep gelden in beroep en in hoger beroep dezelfde bedragen als hiervoor worden vermeld.

Andere vereisten

Als het beroepschrift niet de gronden bevat of overigens niet aan de vereisten (bijvoorbeeld ondertekening) voldoet wordt de indiener uitgenodigd het gepleegde verzuim te herstellen.

Hiervoor geldt eveneens een termijn van vier weken. Uitstel van deze termijn is — afhankelijk van de gegeven motivering — slechts in bijzondere gevallen mogelijk.
Bij niet (tijdig) voldoen aan het verzoek tot herstel verzuim kan het (hoger) beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Van degene die stukken indient in een vreemde taal, wordt gevraagd een vertaling te leveren. Indien een belanghebbende zich in de procedure wilt laten bijstaan door een gemachtigde dan moet daarvan mededeling worden gedaan aan de Centrale Raad van Beroep.

 

Procederen op toevoeging

Indien op toevoeging (aan te vragen bij het Juridisch Loket) wordt geprocedeerd dan dient het toevoegingsbewijs per omgaande aan de Centrale Raad van Beroep te worden toegezonden.

           

Verweerschrift

Nadat een afschrift van het beroepschrift aan de andere partij is gezonden, heeft deze een termijn van vier weken om een verweerschrift in te dienen. Tegelijkertijd worden de gedingstukken opgevraagd bij het bestuursorgaan dan wel bij de rechtbank. De Centrale Raad van Beroep kan partijen vragen van repliek en dupliek te dienen en stelt eventuele (derde-)belanghebbenden in de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

           

Vooronderzoek

In het kader van het vooronderzoek heeft de Centrale Raad van Beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht de bevoegdheid: partijen en getuigen op te roepen; schriftelijke inlichtingen in te winnen of stukken op te vragen bij partijen en anderen; een (medisch) onderzoek te laten verrichten door een deskundige; een onderzoek ter plaatse in te stellen.
Van het voornemen een deskundige te benoemen, van de oproeping van getuigen en van het instellen van een onderzoek ter plaatse wordt aan partijen mededeling gedaan.

           

Het inzenden van nadere stukken

Partijen ontvangen in beginsel afschriften van alle bij de Centrale Raad van Beroep ingediende respectievelijk uitgaande correspondentie of stukken. In geval van hoger beroep worden de gedingstukken van de rechtbank niet opnieuw in afschrift verstrekt. Het inzien van de gedingstukken bij de Centrale Raad van Beroep is in het algemeen niet meer mogelijk.

Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Na die termijn ingezonden stukken zal de Centrale Raad van Beroep in beginsel niet meer bij de behandeling betrekken.

           

Duur procedure

In verband met het grote aantal bij de Centrale Raad van Beroep aanhangige zaken kan de duur van de procedure aanmerkelijke tijd in beslag nemen.

Vereenvoudigde behandeling

Als de Centrale Raad van Beroep van oordeel is dat het (hoger) beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de zaak zonder zitting bij uitspraak worden afgedaan. Tegen een dergelijke uitspraak kan verzet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. De verzetstermijn bedraagt zes weken.

 

Buiten zitting

Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de Centrale Raad van Beroep bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Desgewenst kan ook een partij verzoeken de zaak buiten zitting af te doen. Ook in dat geval kan, na verkregen toestemming van de andere partij, een uitspraak buiten zitting worden gegeven.

Meervoudige en enkelvoudige kamers

De (hoger)beroepszaken worden in beginsel in behandeling genomen door de meervoudige kamer (drie rechters). De meervoudige kamer kan zaken die zich daarvoor lenen verwijzen naar de enkelvoudige kamer (één rechter).

Zitting

In het algemeen worden de kennisgevingen voor de zitting ongeveer zes weken voor de zittingsdatum aan partijen toegezonden. Verzoeken om uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting worden slechts in geval van bijzondere omstandigheden ingewilligd.
De Centrale Raad van Beroep kan ambtshalve partijen, getuigen en deskundigen oproepen om op de zitting te verschijnen. De opgeroepen partij is verplicht te verschijnen.

Partijen kunnen ook zelf getuigen of deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen om ter zitting te verschijnen. In dat geval moet daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting mededeling worden gedaan aan de Centrale Raad van Beroep en aan de andere partij(en), onder vermelding van namen en woonplaatsen.

Omdat de rechters het dossier grondig bestuderen, zijn zij bekend met het standpunt van partijen. Daarom beginnen de rechters op de zitting met het stellen van vragen aan partijen. Die vragen gaan over de feiten en de geschilpunten. Bij beantwoording van de vragen mogen partijen hun standpunt verduidelijken en toelichten. Een pleitnota opstellen is niet meer nodig. Na beantwoording van de vragen krijgen partijen nog de gelegenheid punten die naar hun oordeel onderbelicht zijn gebleven beknopt naar voren te brengen.

Ten behoeve van de griffier kan van de zitting een geluidsopname worden gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep kan het onderzoek ter zitting schorsen en bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat. Op de zitting kunnen in beginsel geen nieuwe stukken meer worden overgelegd. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting kunnen evenmin nog stukken worden ingediend.

 

Uitspraak

De Centrale Raad van Beroep doet schriftelijk uitspraak binnen zes weken na de dag van de zitting en spreekt de beslissing in een zaak in het openbaar uit. Partijen horen na de behandeling van hun zaak op de zitting dag en tijdstip waarop de Centrale Raad van Beroep de beslissing in het openbaar uitspreekt. Slechts het zaaknummer en de beslissing worden dan uitgesproken; partijen hoeven daarbij niet aanwezig te zijn. De schriftelijke uitspraak wordt zo spoedig mogelijk daarna, uiterlijk binnen twee weken, aan partijen toegezonden. De beslissing in een zaak wordt niet telefonisch meegedeeld.
In bijzondere omstandigheden kan de termijn voor het doen van uitspraak met ten hoogste zes weken worden verlengd. In dat geval krijgen partijen voor het einde van de eerste termijn van zes weken bericht van de verlenging van de termijn. Indien de Centrale Raad van Beroep van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij het onderzoek heropenen. In dat geval krijgen partijen daarvan zo spoedig mogelijk na de zitting bericht.

           

Proceskostenveroordeling

De bestuursrechter is bij uitsluiting van andere rechters bevoegd een andere partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het (hoger) beroep, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kunnen partijen worden veroordeeld in de proceskosten die de andere partij in verband met de behandeling van de procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijk persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden tot de proceskosten uitsluitend gerekend:

  • kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
  • kosten van getuige(n) of deskundige(n) die door een partij is meegebracht of opgeroepen;
  • kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht;
  • reis- en verblijfkosten van een partij;
  • verletkosten van een partij;
  • kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken.

De kosten van rechtsbijstand worden door de Centrale Raad van Beroep ambtshalve vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Reiskosten worden in beginsel slechts vergoed op basis van openbaar vervoer, tweede klasse. Van de gemaakte kosten dient liefst vóór doch uiterlijk bij de aanvang van de zitting opgave te worden gedaan. Zo mogelijk onder overlegging van schriftelijke bewijsstukken.

In het algemeen vindt er geen vergoeding van proceskosten plaats als het (hoger) beroep ongegrond wordt verklaard. Als hoger beroep is ingesteld door het bestuursorgaan en dat orgaan wordt in het ongelijk gesteld, wordt de gedaagde partij in aanmerking gebracht voor vergoeding van de door die partij gemaakte proceskosten.

Indien het (hoger) beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan betrokkenen is tegemoetgekomen, kan bij de intrekking van het (hoger) beroep worden verzocht het bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.

Voor besluiten genomen op en na 12 maart 2002 kunnen ook de kosten voor het voeren van een bezwaarprocedure of een administratief beroepsprocedure onder bepaalde voorwaarden voor vergoeding in aanmerking komen. Het verzoek moet worden gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar of het administratief beroep heeft beslist.

 

Schadevergoeding

Tegelijk met het (hoger) beroep over het schadeveroorzakende besluit kan de Centrale Raad van Beroep op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Ook kan een partij na afloop van het (hoger) beroep over het schadeveroorzakende besluit een verzoek om schadevergoeding doen.

Voorlopige voorziening

In beginsel kan hangende het (hoger) beroep bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep een voorlopige voorziening worden gevraagd indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor deze bijzondere procedure is eveneens griffierecht verschuldigd. In het algemeen gelden voor deze procedure kortere termijnen.

Regeling verlaagd griffierecht

 

Artikel 1

Het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a, dan wel genoemd in artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a, geldt indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft:
a. een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden;
b. een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van artikel P9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet;
c. een bestuurlijke boete van ten hoogste € 340;
d. een besluit waarbij de kosten van bestuursdwang op ten hoogste € 340 zijn vastgesteld.

 

Artikel 2

Het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a, dan wel genoemd in artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a, geldt voorts indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven.
Algemene bijstandswet
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene nabestaandenwet
Algemene Ouderdomswet
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen
Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij het beroep of hoger beroep door een natuurlijke persoon is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit met betrekking tot de toepassing van:
a. de Wet op de dividendbelasting 1965
b. de Wet op de omzetbelasting 1968
c. de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992
d. de Wet op de accijns
e. de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten
f. de Wet belastingen op milieugrondslag
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer: hoofdstuk IV
Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen ( Stb. 1984, 364 )
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met inbegrip van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling
Garantiewet Militairen K.N.I.L.
Garantiewet Surinaamse pensioenen
Kaderwet SZW-subsidies, voor zover het betreft een ministeriële regeling op grond van artikel 9
Liquidatiewet Ongevallenwetten
Mijnbouwwet: de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5
Reglement eenmalige uitkering silicose-vergoeding oud-mijnwerkers, vastgesteld bij besluit van het bestuur van de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers van 18 april 1994
de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar
Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960
Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
Tijdelijke wet pilot loondispensatie
Toeslagenwet
Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen
Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956
Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen
Werkloosheidswet
Wet arbeid en zorg: hoofdstuk 3, afdeling 2
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Wet buitengewoon pensioen 1940–1945
Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet
Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers
Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen
Wet inburgering
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
Wet investeren in jongeren, met uitzondering van de artikelen 37, 57 en artikel 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten
Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 2.3
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de huurtoeslag
Wet op de rechtsbijstand: een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, indien het beroep dan wel hoger beroep wordt ingesteld door een rechtzoekende als bedoeld in artikel 1, eerste lid
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L.
Wet sociale werkvoorziening
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Wet studiefinanciering 2000
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945
Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië ( Stb. 1951, 592 )
Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet ( Stb. 2001, 377 )
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Wet werk en bijstand, met uitzondering van de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5
Wet werk en inkomen kunstenaars, met uitzondering van artikel 14
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Ziektewet
Zorgverzekeringswet: de artikelen 9b, 9c, 18f, 18g, 69, 70 en 118a