Laden...

Jaarverslag Ondernemingskamer 2020

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Ondernemingskamer > Jaarverslag Ondernemingskamer 2020

 1. Inleiding

>Alles uitklappen
  • De grote maatschappelijke gevolgen van de corona-pandemie komen nauwelijks tot uiting in de cijfers van de Ondernemingskamer.

    Het totaal aantal ingekomen zaken was in 2020 iets lager dan in 2019 en 2018. Het totaal aantal uitspraken in 2020 was iets hoger dan in 2019, maar lager dan in 2018. Evenals in eerdere jaren bestond in 2020 het overgrote deel van de procedures uit enquêtezaken en zaken op grond van de Wet op de ondernemingsraden (WOR-zaken); ongeveer 90% van de ingekomen en ter zitting behandelde zaken. Het aantal andere zaken is zowel relatief als absoluut klein.

    Meer dan 70% van de nieuwe zaken in 2020 betrof de enquêteprocedure. Het aantal nieuwe enquêtezaken was in 2020 iets lager dan in 2019 en gelijk aan het aantal in 2018, terwijl het aantal beschikkingen hoger is dan in 2019 en lager dan in 2018. Het aantal minnelijke regelingen ter zitting is groter dan in 2019.

    Het grotere aantal enquête-beschikkingen in 2020 wordt deels verklaard doordat relatief meer verzoeken zijn toegewezen; in 2020 is het aantal “overige beschikkingen" (aanwijzing van onderzoekers en functionarissen, verhoging of vaststelling onderzoekskosten, etc.) aanzienlijk toegenomen als gevolg van het grotere aantal toegewezen enquêtes en onmiddellijke voorzieningen. In 2019 deed zich het omgekeerde voor: een aandeel afwijzingen zorgde toen voor een forse afname van het aantal overige beschikkingen.

    Bij het gelasten van het onderzoek is in 2020 steeds – een enkele uitzondering daargelaten – de bepaling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aangehouden in afwachting van een door de onderzoeker op te stellen plan van aanpak met begroting van kosten. Dit strookt met de in 2019 vastgestelde Leidraad voor onderzoekers in de enquêteprocedure.

    De cijfers met betrekking tot WOR-zaken laten een lichte stijging van het aantal ingekomen verzoeken zien, terwijl het aantal zittingen, intrekkingen en beschikkingen ongeveer gelijk is aan de aantallen in 2019, maar lager dan de aantallen in 2018.

    In de cijfers over de doorlooptijden vallen de langere behandeltermijnen op. Deze worden verklaard door de coronamaatregelen, waardoor tijdelijk het in fysieke vorm houden van mondelinge behandelingen onmogelijk was. De in die periode geplande mondelinge behandelingen zijn op een later moment behandeld, met langere behandeltermijnen tot gevolg.

    Ook de beslisperioden zijn langer dan in 2019, maar wel in lijn met 2018. De ter zitting aangekondigde uitspraaktermijn is in 2020 evenals in 2019 in 63% van de gevallen gehaald. Wanneer die termijn niet werd gehaald was de gemiddelde overschrijdingstermijn 38 dagen. In 2019 was dat 37 dagen. 

    In verband met de coronamaatregelen is een aantal zaken geheel of gedeeltelijk digitaal (met behulp van audiovisuele middelen) mondeling behandeld. Afgezien van digitale behandeling van een aantal zaken en de langere behandeltermijnen hebben de coronamaatregelen geen (meetbare) invloed gehad op de jaarcijfers.

  • De verwachting is dat de behandeltermijnen in 2020 zullen normaliseren nu fysieke en technische aanpassingen van de zittingszaal het houden van mondelinge behandelingen in coronatijd mogelijk maken. Aanwijzingen dat zich significante wijzigingen in de cijfers zullen voordoen zijn er voor het overige niet. De Ondernemingskamer blijft streven naar een snelle afhandeling van aangebrachte zaken met behoud van kwaliteit. De standaard beoogde uitspraaktermijn bedraagt zes weken na de mondelinge behandeling van een verzoekschrift, met dien verstande dat waar nodig uitspraak op een kortere termijn wordt gedaan. Punten van aandacht in 2021 zullen zijn: opvolging van de voorzitter van de Ondernemingskamer, beperking van de omvang van processtukken en het waar nodig of nuttig (deels) inzetten van digitale faciliteiten ten behoeve van zittingen.

    mr. G.C. Makkink

    Voorzitter Ondernemingskamer

 2. Belangwekkende uitspraken en ontwikkelingen

>Alles uitklappen
  • 2.1.1 Geen bevel tot afleggen witness statement ten behoeve van procedure in Hong Kong

    Delco Participation B.V., 8 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:296

    In deze zaak staat de vraag centraal of een (middellijk) bestuurder van een vennootschap door een uitspraak van de Nederlandse rechter kan worden gedwongen (op straffe van verbeurte van dwangsommen) een witness statement af te leggen ten behoeve van een procedure voor de rechter in Hong Kong in de door die rechter vereiste vorm. De bij beschikking van 1 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:309) door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder had de Ondernemingskamer verzocht bij wijze van onmiddellijke voorziening de middellijk bestuurder te bevelen een dergelijke witness statement af te leggen. De Ondernemingskamer oordeelt dat een bevel aan een ingezetene die naar Nederlands burgerlijk procesrecht als partijgetuige moet worden aangemerkt om een verklaring ten behoeve van een buitenlandse procedure te laten afleggen, een expliciete wettelijke grondslag behoeft. Alleen dat waarborgt dat alle (soms tegenstrijdige) belangen van de verschillende betrokkenen, hun (grond-)rechten en de toepasselijke fundamentele rechtsbeginselen op evenwichtige wijze worden afgewogen bij de vraag onder welke omstandigheden een dergelijke verplichting geldt en aan welke beperkingen deze onderhevig is. Een expliciete wettelijke basis voor een dergelijk bevel ontbreekt zodat het verzoek wordt afgewezen.

    Het cassatieberoep tegen deze uitspraak is inmiddels verworpen met toepassing van artikel 81 RO: HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2000.


    2.1.2 Onzorgvuldige wijze waarop de governance was ingericht levert wanbeleid op

    DeSeizoenen, 24 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:144).

    DeSeizoenen is een zorginstelling voor verstandelijke gehandicapte volwassenen met zes vestigingen op verschillende locaties in Oost- en Zuid-Nederland. Voor DeSeizoenen geldt een verbod op winstuitkering. DeSeizoenen is eind 2011 opgericht om een deel van de zorgonderneming van de failliete Stichting Zonnehuizen over te nemen. De curator en betrokken banken hadden een gedeelte van het vastgoed van Stichting Zonnehuizen aan DeSeizoenen in gebruik gegeven. In maart 2016 is dit vastgoed verworven door Vastgoed DeSeizoenen B.V. (hierna: Vastgoed DeSeizoenen), een zustervennootschap van DeSeizoenen. Die verwerving is mede mogelijk gemaakt door een lening die DeSeizoenen verstrekte aan Vastgoed DeSeizoenen en door de huurovereenkomsten die DeSeizoenen heeft gesloten met Vastgoed DeSeizoenen. Daarbij was er een verwevenheid van functies en belangen van bestuurders en een deel van de commissarissen van DeSeizoenen enerzijds en de (indirecte) aandeelhouders van Vastgoed DeSeizoenen anderzijds.

    Nadat een door de Ondernemingskamer (bij beschikking van 30 april 2018) bevolen onderzoek was verricht naar het beleid en de gang van zaken van DeSeizoenen, heeft de Centrale Cliëntenraad van DeSeizoenen de Ondernemingskamer verzocht om wanbeleid vast te stellen.

    De Ondernemingskamer heeft beslist dat de wijze waarop de governance van DeSeizoenen was ingericht zo onzorgvuldig was dat dit wanbeleid oplevert in de periode tot eind februari 2014. Het ging dan om de genoemde verwevenheid van functies en belangen, gecombineerd met het feit dat er geen onafhankelijke personen waren benoemd om de belangen van DeSeizoenen actief te behartigen bij het aangaan van de overeenkomsten met Vastgoed DeSeizoenen in de cruciale periode voorafgaand aan het eerste bod op het vastgoed en de daarop volgende principeovereenstemming met de banken. Dit oordeel werd versterkt door het feit dat er geen taxatie van de huurwaarde van het vastgoed had plaatsgevonden.

    De Centrale Cliëntenraad was van mening dat het vastgoed door DeSeizoenen zelf of door een dochtervennootschap van DeSeizoenen had moeten worden verworven. Ook meende de Centrale Cliëntenraad dat de gekozen constructie


    2.1.3 Reikwijdte van het onderzoek in surseance en faillissement

    Victory and Dreams Holding en Vidrea Retail, 3 maart 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:907)

    In deze beschikking laat de Ondernemingskamer zich uit over de reikwijdte van een enquête. In dit geval is het verzoek ingediend door (inmiddels failliete) vennootschappen die het handelen van de bewindvoerders, tevens de curatoren, tot onderwerp van een enquête willen maken. De vraag is of een enquête ook de periode van de surseance en het faillissement alsmede het handelen van de bewindvoerder en de curator kan omvatten. De Ondernemingskamer oordeelt dat een te gelasten onderzoek (mede) betrekking kan hebben op de periode van de surseance van betaling. Een enquête kan zich bovendien mede uitstrekken tot het handelen van de bewindvoerder. Een enquête kan in beginsel ook betrekking hebben op de periode dat de rechtspersoon in staat van faillissement verkeert, omdat het faillissement de vennootschappelijke bestuursstructuur op zichzelf niet wijzigt. De praktische betekenis daarvan is in de regel gering. Het handelen van een curator kan in beginsel geen onderwerp van een enquête zijn omdat dat handelen, anders dan dat van een bewindvoerder, niet aan de rechtspersoon wordt toegerekend. Dat kan mogelijk anders zijn als een curator de onderneming van de gefailleerde rechtspersoon voortzet. Voldoende is echter vast komen te staan dat de curatoren de onderneming van de gefailleerde vennootschappen gedurende de faillissementen niet hebben voortgezet. Het verzoek van verzoekster is niet toewijsbaar voor zover het de periode na de faillietverklaring betreft en voor zover het betrekking heeft op het handelen van de curatoren vanaf het moment van faillissement.


    2.1.4 Informatieverschaffing aan de beheerder van aandelen

    Bloembollenbedrijf, 13 maart 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:842)

    Eerder had de Ondernemingskamer inzake Bloembollenbedrijf vastgesteld dat zich wanbeleid heeft voorgedaan en bij wijze van voorziening onder meer de door de persoonlijke vennootschap van broer C (Holding C) gehouden aandelen in Bloembollenbedrijf ten titel van beheer tijdelijk overgedragen aan een door de Ondernemingskamer benoemde beheerder.

    Holding C heeft de Ondernemingskamer in deze procedure verzocht de op basis van artikel 2:356 BW getroffen voorzieningen aan te passen, subsidiair bepaalde aanvullende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Ter toelichting heeft Holding C onder andere naar voren gebracht dat broer B, bestuurder van Bloembollenbedrijf, niet bereid is relevante informatie aan de Ondernemingskamer-beheerder te verschaffen.

    De Ondernemingskamer overweegt over de informatieverschaffing dat in het onderhavige geval, waarin broer C en broer B jarenlang als bestuurders hebben samengewerkt in Bloembollenbedrijf – de vennootschap waarvan hun persoonlijke houdstervennootschappen de enige twee aandeelhouders zijn – en broer C, anders dan broer B, door de Ondernemingskamer is geschorst en vervolgens ontslagen als bestuurder, niet als uitgangspunt geldt dat aandeelhouders buiten algemene vergaderingen van aandeelhouders geen recht hebben op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie. In plaats daarvan dient de vennootschap in de gegeven omstandigheden uit hoofde van haar zorgplicht jegens Holding C op grond van artikel 2:8 BW, uit eigen beweging en op vragen van de aandeelhouder die niet langer deel uitmaakt van het bestuur ook buiten het verband van een aandeelhoudersvergadering transparantie te betrachten. Het feit dat de aandelen van Holding C tijdelijk ten titel van beheer zijn overgedragen maakt dat niet wezenlijk anders. De beheerder kan er, evenzeer als Holding C dat voorheen kon, aanspraak op maken dat hij met enige regelmaat ook buiten de aandeelhoudersvergaderingen geïnformeerd wordt over de algemene gang van zaken en dat door hem gestelde vragen door de vennootschap worden beantwoord. De Ondernemingskamer heeft voorts enige overwegingen besteed aan de wijze waarop de informatie aan de Ondernemingskamer-beheerder wordt verschaft.


    2.1.5 Enquêtebevoegdheid pandhouder

    Apotheek Schiemond, 14 april 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1127)

    Deze zaak is ingeleid door een, zelden voorkomend, enquêteverzoek van een pandhouder.

    Op grond van artikel 2:198 lid 4 BW heeft de pandhouder die stemrecht heeft de rechten die door de wet zijn toegekend aan de houders van certificaten van aandelen waaraan vergaderrecht is verbonden. In artikel 2:345 aanhef en sub b. en c. BW is bepaald in welke gevallen certificaathouders tot het indienen van een enquêteverzoek bevoegd zijn. In die bepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen certificaathouders met vergaderrecht en certificaathouders zonder vergaderrecht. Een pandhouder met stemrecht is daarom enquêtebevoegd.

    Het ging in deze zaak over het volgende. A is enig bestuurder en enig aandeelhouder van Goudsesingel, die op haar beurt enig bestuurder en enig aandeelhouder is van Apotheek Schiemond. Daarnaast is zij enig bestuurder en enig aandeelhouder van vijf andere apotheken. Mosadex drijft een groothandel in farmaceutische producten. A heeft ten behoeve van Mosadex een pandrecht gevestigd op onder meer aandelen in Apotheek Schiemond, welk pandrecht Mosadex heeft aanvaard. Daarnaast is op dat moment het stemrecht op die aandelen onder opschortende voorwaarde overgegaan op Mosadex, evenals de rechten die de wet toekent aan houders van certificaten van aandelen waaraan vergaderrecht is verbonden. Op 4 december 2019 is bedoelde voorwaarde ingetreden met als gevolg dat Mosadex sinds die datum, gelet op art. 2:198 lid 4 BW, bevoegd is een enquête te verzoeken. Zij is daarom ontvankelijk in haar verzoek.

    De Ondernemingskamer oordeelt dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en gang van zaken en beveelt een onderzoek. Deze redenen houden vooral verband met de verkoop van activa aan een van de andere apotheken van A, welke verkoop bewust buiten Mosadex om heeft plaatsgevonden terwijl de instemming van Mosadex met deze verkoop was vereist.


    2.1.6 Stichting Katholieke Universiteit tegen Nederlandse Bisschoppenconferentie

    Stichting Katholieke Universiteit, 21 juli 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:2268)

    Stichting Katholieke Universiteit (SKU) houdt de Radboud Universiteit en het Radboud UMC in stand. De aanleiding van het verzoek van SKU tot het bevelen van een onderzoek bij zichzelf en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, was een geschil tussen het bestuur van SKU en de Nederlandse Bisschoppenconferentie over de wijze waarop de Bisschoppenconferentie haar bevoegdheid tot benoeming van de leden van het bestuur van SKU uitoefent en over de door het bestuur van SKU beoogde verzelfstandiging van de Radboud Universiteit en het Radboud UMC.

    De Ondernemingskamer heeft overwogen dat de problemen die zich al vanaf 2014 voordeden bij de benoeming van bestuursleden van SKU een gegronde reden zijn om aan een juiste gang van zaken te twijfelen. Een adequate samenstelling van het bestuur van SKU is van zwaarwegend publiek belang. Het bestuur fungeert feitelijk als raad van toezicht van de Radboud Universiteit en het Radboud UMC, instellingen met een belangrijke maatschappelijke functie en die overwegend uit publieke en collectieve middelen worden gefinancierd. Ook achtte de Ondernemingskamer het uitblijven van de beoogde herstructurering een gegronde reden om aan een juiste gang van zaken te twijfelen. De Bisschoppenconferentie gebruikt haar statutaire bevoegdheden om de Radboud Universiteit en het Radboud UMC te bewegen de opvatting van de Bisschoppenconferentie over de katholieke identiteit van de universiteit en het UMC gestalte te geven. Die opvatting strookt niet met huidige betekenis van de katholieke identiteit voor de universiteit en het UMC. Het is bovendien niet denkbaar dat de universiteit en het UMC aan hun katholieke identiteit invulling gaan geven op de door de Bisschoppenconferentie gewenste wijze. De wijze waarop de Bisschoppenconferentie haar bevoegdheden inzette schaadt voorts het belang van SKU, de Radboud Universiteit en het Radboud UMC, omdat daarmee een adequate samenstelling van het bestuur van SKU als toezichthoudend orgaan wordt belemmerd en de beoogde herstructurering, die uit een oogpunt van good governance nodig is, niet kan worden gerealiseerd.

    De Ondernemingskamer heeft een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van SKU en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen bepaald dat het bestuur van SKU in afwijking van de statuten (i) exclusief bevoegd is tot benoeming en ontslag van bestuurders van SKU en (ii) bevoegd is om (zonder goedkeuring van de Bisschoppenconferentie) te besluiten tot de herstructurering. Het bestuur kan daartoe de statuten vaststellen van de stichtingen waarin de Radboud Universiteit en het Radboud UMC na de herstructurering zullen zijn ondergebracht. Het bestuur kan tevens per de datum van de herstructurering de leden van de beide raden van toezicht benoemen, met uitzondering van één door de Bisschoppenconferentie te benoemen lid.

    De uitspraak heeft er toe geleid dat de Bisschoppenconferentie de bevoegdheid van SKU om het predicaat Katholiek te voeren heeft ingetrokken.


    2.1.7 Geschil over tenuitvoerlegging van door de Ondernemingskamer opgelegde dwangsom behoort tot competentie gewone burgerlijke rechter

    Prien Holding, 10 november 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:3073)

    In deze zaak heeft de Ondernemingskamer, zonder daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, de vraag beantwoord of zij gelet op artikel 55 van de herschikte EEX-verordening bevoegd is vast te stellen of, en zo ja tot welk bedrag door haar opgelegde dwangsommen zijn verbeurd. De Ondernemingskamer neemt tot uitgangspunt dat artikel 55 van de herschikte EEX-verordening niet beoogt in te grijpen in de nationale procesorde van de lidstaten, waaronder regels van absolute en relatieve competentie, maar slechts ten doel heeft om internationale tenuitvoerleggingsproblemen te voorkomen. Overeenkomstig het Nederlandse burgerlijk procesrecht is daarom, op de voet van artikel 438 Rv de gewone burgerlijke rechter bevoegd vast te stellen of, en zo ja tot welk bedrag door haar opgelegde dwangsommen zijn verbeurd. Er zijn geen aanwijzingen dat met de wijziging van de tekst van artikel 55 van de herschikte EEX-verordening ten opzichte van de eerder geldende tekst van artikel 49 EEX-verordening (”gerecht van herkomst” in plaats van “gerechten van herkomst”) een inhoudelijke wijziging is beoogd, in die zin dat het artikel thans voorziet in een exclusieve bevoegdheid voor de rechter die de dwangsom heeft opgelegd. De Ondernemingskamer ziet gelet op het voorgaande geen reden terug te komen op het oordeel in haar beschikking van 5 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5167 (Leaderland), inhoudende dat een beslissing op een verzoek dat betrekking heeft op een geschil dat in verband met de executie van een eerdere dwangsombeschikking van de Ondernemingskamer is gerezen op de voet van artikel 438 Rv tot de competentie van de gewone burgerlijke rechter behoort.

  • 2.2.1 Adviesrecht bij gefaseerde besluitvorming en aanvang beroepstermijn artikel 26 lid 2 WOR

    Abeos Agri Holding, 28 oktober 2020, (ECLI:NL:GHAMS:2020:2871)

    De activiteiten van Abeos Agri Holding B.V. (Abeos Agri) en Abeos Uitzend Holding B.V. (Abeos Uitzend) behoorden tot 1 juli 2019 tot dezelfde onderneming, gedreven door de Coöperatieve Vereniging Agrarische Bedrijfsverzorging U.A. (de coöperatie). Per die datum is de onderneming gesplitst waarbij de ondersteunende (staf)diensten zijn ondergebracht bij Abeos Uitzend. De ondernemingsraad van de coöperatie had negatief geadviseerd over het voorgenomen besluit tot splitsing en daarbij kenbaar gemaakt dat hij geen inzicht heeft gekregen in de dienstverleningsovereenkomst op basis waarvan Abeos Uitzend ondersteunende (staf)diensten verleent aan Abeos Agri (de dienstverleningsovereenkomst) en dat hij daarover alsnog advies wilde uitbrengen. De ondernemer (toen nog de coöperatie) heeft in eerste instantie niet duidelijk gemaakt dat hij over de dienstverleningsovereenkomst geen advies zou vragen. Nadien heeft Abeos Agri kenbaar gemaakt daarover geen advies te zullen vragen.

    De Ondernemingskamer oordeelt dat Abeos Agri in de gegeven omstandigheden aan de ondernemingsraad advies diende te vragen over de inhoud van de dienstverleningsovereenkomst en dat het beroep van de ondernemingsraad tijdig is ingesteld.

    Indien de voorgenomen inhoud van de dienstverleningsovereenkomst ten tijde van de adviesaanvraag bekend zou zijn geweest, dan had de ondernemingsraad ook daarover toen advies mogen uitbrengen. In geval van gefaseerde besluitvorming moet de ondernemer voorkomen dat dit afbreuk doet aan de effectiviteit van de medezeggenschap. Abeos Agri heeft daarom ten onrechte geweigerd advies te vragen over de inhoud van de dienstverleningsovereenkomst. Dat Abeos Agri inmiddels het besluit tot het aangaan van de dienstverleningsovereenkomst heeft genomen staat niet vast. De termijn van artikel 26 lid 2 WOR vangt niet aan met de mededeling dat geen advies zal worden gevraagd. Indien een ondernemer zich jegens de ondernemingsraad definitief op het standpunt stelt dat hij geen advies zal vragen brengt een redelijke toepassing van artikel 26 WOR en de Linge-leer mee dat de ondernemingsraad niet hoeft te wachten op (mededeling van) het genomen besluit alvorens beroep in te stellen op de grond dat ten onrechte geen advies is gevraagd en dat de ondernemingsraad niet uitsluitend is aangewezen op een verzoek tot nakoming op de voet van artikel 36 WOR.

  • 2.3.1 Gezamenlijke behandeling geschillenregeling en enquêteprocedure

    CKO de Ark, mondelinge behandeling op 15 oktober 2020; in deze zaak is geen uitspraak gedaan.

    Aan de meerderheid van de enquêteprocedures ligt een vastgelopen samenwerking tussen aandeelhouders van een besloten vennootschap ten grondslag. In die gevallen is een uittreding van een deel van de aandeelhouders vaak nodig om het geschil op te lossen. De daarvoor bedoelde procedure, de geschillenregelingsprocedure, werkt in de praktijk niet goed en de enquêteprocedure kan niet leiden tot een gedwongen ontvlechting van de aandeelhouders. In toenemende mate wordt daarom gestreefd naar het combineren van de enquête procedure en de geschillenregelingsprocedure bij de Ondernemingskamer. Artikel 2:337 lid 2 BW biedt partijen de mogelijkheid om een vordering tot uittreding of uitstoting rechtstreeks bij de Ondernemingskamer aan te brengen.

    In deze zaak heeft de 49%-aandeelhouder bij Rechtbank Midden-Nederland een vordering tot uittreding ex 2:336 jo. 2:343 BW ingesteld tegen de 51%-aandeelhouder. In die procedure is op 29 april 2020 tussenvonnis gewezen, waarna de 49%-aandeelhouder, na daartoe verlof te hebben verkregen, daartegen bij de Ondernemingskamer hoger beroep heeft ingesteld. Tegelijkertijd heeft hij een enquêteprocedure aanhangig gemaakt waarbij hij naast een onderzoek om bepaalde onmiddellijke voorzieningen heeft verzocht.

    De Ondernemingskamer heeft beide procedures gelijktijdig mondeling behandeld. Partijen zijn er in geslaagd ter zitting overeenstemming te bereiken over een definitieve regeling waarbij de Ondernemingskamer op hun gezamenlijk verzoek een procesbegeleider heeft voorgedragen ten behoeve van een ordentelijke afwikkeling.

  • Procesrechtelijke complicaties in geval van verzet na uitkoop

    Fortuna Entertainment Group N.V., 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:300).

    Deze zaak heeft betrekking op het zeldzame geval dat minderheidsaandeelhouders het rechtsmiddel verzet instellen tegen een bij verstek gewezen uitkooparrest.

    De uitspraak bevat overwegingen over de vraag wanneer de termijn voor het instellen van verzet aanvangt, over de duur van die termijn en over de vraag of minderheidsaandeelhouders ontvankelijk kunnen zijn in hun verzet na het verstrijken van die termijn. De conclusie van die overwegingen is dat de minderheidsaandeelhouders ontvankelijk zijn.

    Voorts is de OK ingegaan op haar taak de prijs vast te stellen die de over te dragen aandelen op de peildatum hebben en op het belang dat de uitkoper voldoet aan zijn verplichting om alle in dat kader relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv.). De uitkoper heeft in de oorspronkelijke dagvaarding niet vermeld dat de omzet van de onderneming in het eerste kwartaal van 2018 zeer sterkt is gestegen. Het is daarom onzeker of de in het verstekarrest vastgestelde uitkoopprijs per 9 maart 2018 juist is. De OK heeft daarom een deskundigenbericht gelast.

    Om er voor te zorgen dat de alsnog vast te stellen uitkoopprijs ook zal gelden voor de nog niet verschenen minderheidsaandeelhouders, heeft de OK de uitkoper opgedragen ook die minderheidsaandeelhouders op te roepen om in de procedure te verschijnen.

  • 2.5.1 De rol van het verantwoordingsorgaan bij een collectieve waardeoverdracht

    Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de agrarische en voedselvoorzieningshandel, 5 november 2020 en 23 december 2020; (ECLI:NL:GHAMS:2020:2993 en  ECLI:NL:GHAMS:2020:3763).

    In deze twee beschikkingen gaat het om het voornemen van Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de agrarische en voedselvoorzieningshandel (AVH) om zijn rechten en verplichtingen door middel van een overeenkomst van collectieve waardeoverdracht (CWO) op de voet van artikel 84 Pensioenwet over te dragen aan pensioenfonds pgb en zichzelf daarna op te heffen. Het verantwoordingsorgaan van AVH heeft tegen dit voornemen tweemaal beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer op de voet van artikel 217 Pensioenwet en daarbij verzocht voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken dat de CWO niet zal plaatsvinden voordat de Ondernemingskamer ten gronde heeft beslist.

    AVH heeft op de voet van artikel 115a lid 3 sub f en g Pensioenwet aan het verantwoordingsorgaan advies gevraagd over het voornemen om per 1 januari 2021 te komen tot een CWO aan pgb. Zonder de in de adviesaanvraag gestelde termijn af te wachten heeft AVH een overeenkomst met pgb ondertekend. De in die overeenkomst opgenomen ontbindende en opschortende voorwaarden laten aan AVH geen ruimte om zelfstandig – dat wil zeggen zonder instemming van pgb – af te zien van de CWO indien de inhoud van het door het verantwoordingsorgaan uit te brengen advies hem daartoe aanleiding zou geven. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is het advies om die reden niet op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn en is de wettelijke medezeggenschap niet ten volle tot haar recht gekomen. In haar beschikking van 5 november 2020 heeft de Ondernemingskamer AVH verplicht het besluit in te trekken, de gevolgen daarvan ongedaan te maken en AVH verboden handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit.

    Vervolgens is AVH met pgb een zodanige wijziging van de overeenkomst tot CWO overeengekomen dat AVH gevolg kon geven aan een negatief advies van het verantwoordingsorgaan, indien hij daartoe aanleiding zou zien, waarna hij opnieuw aan het verantwoordingsorgaan advies heeft gevraagd. Het daarop volgende negatieve advies van het verantwoordingsorgaan is voor AVH geen reden geweest om van het besluit tot CWO af te zien en het verantwoordingsorgaan heeft nogmaals beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer. De beschikking van 23 december 2020 heeft uitsluitend betrekking op de toewijsbaarheid van de verzochte voorlopige voorzieningen die ertoe strekken dat de CWO niet plaatsvindt voordat de Ondernemingskamer ten gronde heeft geoordeeld. De Ondernemingskamer heeft de verzochte voorzieningen afgewezen. De voorlopige voorzieningen zijn slechts toewijsbaar indien naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer AVH niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de CWO. Daarvan is geen sprake. Het medezeggenschapstraject is niet zodanig gebrekkig verlopen dat de voorlopige voorzieningen toegewezen dienen te worden, mede gelet op de wijziging van de overeenkomst waardoor het advies van het verantwoordingsorgaan nog van wezenlijke invloed kon zijn op het besluit. Voor wat de inhoud van het besluit betreft geldt dat het verschil van opvatting tussen AVH en het verantwoordingsorgaan in essentie berust op een verschillende waardering van de aan het besluit tot CWO verbonden voor- en nadelen. Het is aan AVH om die afweging te maken en de Ondernemingskamer ziet onvoldoende reden om te oordelen dat AVH het besluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt afgewezen.

  • 2.6.1 Concernenquête en verschoningsrecht (enquêteprocedure)

    SNS, 3 april 2020, voor de volledige uitspraken raadpleeg ECLI:NL:HR:2020:478,ECLI:NL:HR:2020:479 en ECLI:NL:HR:2020:600

    Op 3 april 2020 heeft de Hoge Raad twee uitspraken gedaan in zaken die verband houden met de door de Ondernemingskamer op verzoek van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) in juli 2018 gelaste enquête naar het beleid en de gang van zaken van SNS Reaal en SNS Bank (SNS Reaal c.s.) in de periode tot aan de nationalisatie van SNS Reaal in 2013. De ene uitspraak heeft vooral betrekking op de criteria voor een zogenaamde concernenquête en de tweede uitspraak heeft betrekking op de vraag hoe in een enquête moet worden omgegaan met gegevens waarop een verschoningsrecht rust.

    Concernenquête

    De Staat en SNS Reaal hebben in deze zaak cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de Ondernemingskamer, waarin de Ondernemingskamer het enquêteverzoek van de VEB heeft toegewezen, ook voor zover dit zag op SNS Bank. De Ondernemingskamer verwierp in deze uitspraak het standpunt van SNS Reaal c.s. dat een concernenquête slechts mogelijk zou zijn indien SNS Bank ten opzichte van SNS Reaal in geen enkel opzicht een eigen beleid voerde.

    De Hoge Raad heeft het criterium voor het gelasten van een concernenquête verduidelijkt. De Hoge Raad stelt voorop dat de wettelijke opsomming van enquêtegerechtigden limitatief is. De daarin voor aandeelhouders gestelde kapitaaleis ziet op aandelen (of certificaten daarvan) die rechtstreeks worden gehouden in de vennootschap waarop het enquêteverzoek betrekking heeft. In de eerdere Landis-beschikking sprake was van een op die specifieke zaak toegespitst oordeel en is niet in algemene zin uitgemaakt in welke omstandigheden een concernenquête mogelijk is.

    De Hoge Raad formuleert vervolgens een tweeledig criterium voor een concernenquête:

    Vereist is dat de vennootschap ten aanzien waarvan is voldaan aan de kapitaaleis van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder b of c, BW (de moedervennootschap) en de rechtspersoon waarop het enquêteverzoek mede betrekking heeft (de dochtervennootschap), in een groep in de zin van art. 2:24b BW met elkaar zijn verbonden. Daarnaast is vereist dat eerstgenoemde vennootschap het beleid of de gang van zaken van laatstgenoemde rechtspersoon ten aanzien van de onderwerpen die aan het enquêteverzoek ten grondslag zijn gelegd, mede heeft bepaald.

    Aan deze voorwaarden is in het onderhavige geval voldaan.

    De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen.

    Verschoningsrecht

    De onderzoekers hebben cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de raadsheer-commissaris op de voet van artikel 2:352 BW. De VEB heeft het cassatieberoep van de onderzoekers ondersteunt en daarnaast voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

    De raadsheer-commissaris oordeelde dat het functionele verschoningsrecht ook geldt binnen een enquêteprocedure. Volgens de raadsheer-commissaris komt aan SNS Reaal c.s. een beroep toe op een afgeleid verschoningsrecht met betrekking tot hetgeen zij aan een advocaat of notaris hebben toevertrouwd en hetgeen de advocaat of notaris aan hen heeft meegedeeld. Dat bij het verkrijgen van openheid van zaken over de periode voorafgaand aan de nationalisatie van SNS Reaal een zwaarwichtig publiek belang bestaat, is geen uitzonderlijke omstandigheid die maakt dat het verschoningsrecht moet worden doorbroken. SNS Reaal c.s. hebben vooralsnog zelf bepaald welke passages uit de opgevraagde stukken zij niet aan de onderzoekers willen tonen. De betrokken advocaten hebben zich evenwel zelf niet op hun verschoningsrecht beroepen. Het is volgens de raadsheer-commissaris aan hem om te onderzoeken of de informatie die SNS Reaal c.s. niet willen verstrekken inderdaad onder het verschoningsrecht valt.

    De Hoge Raad overweegt dat een rechtspersoon zelf geen afgeleid verschoningsrecht heeft ten aanzien van de met een advocaat of notaris in zijn hoedanigheid uitgewisselde informatie. Desalniettemin kan de rechtspersoon onder gewichtige omstandigheden wel een gerechtvaardigd belang hebben om te weigeren inzage te geven in informatie die zij met de advocaat heeft gewisseld, gelet op de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en de advocaat of notaris. Dat kan voor de rechtspersoon een gegronde reden opleveren om aan onderzoekers inzage te weigeren, ook als de advocaat of notaris zelf ten aanzien van die informatie niet op een verschoningsrecht beroept. De raadsheer-commissaris dient te beoordelen of de vertrouwelijkheid van de betreffende informatie een voldoende gewichtige reden oplevert om in zoverre niet te hoeven voldoen aan de plicht om mee te werken aan het onderzoek. De enkele omstandigheid dat deze informatie (ook) is opgenomen of verwerkt in notulen of in schriftelijk vastgelegde bestuursbesluiten van de rechtspersoon, is niet voldoende voor de conclusie dat de informatie is onttrokken aan de vertrouwenssfeer tussen de rechtspersoon en de verschoningsgerechtigde.

    De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en verwerpt ook de cassatieklacht van de VEB dat de nationalisatie van SNS Reaal een zeer bijzondere omstandigheid oplevert die maakt dat het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding.


    2.6.2 Verantwoording van inkoop eigen aandelen in jaarrekening (jaarrekeningprocedure)

    GGN Brabant, 26 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1142). GGN Holding 26 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1137).

    In deze met elkaar samenhangende zaken staat centraal de vraag of aandelen die voorwerp zijn van overeenkomst tot inkoop in een jaarrekening moeten worden verwerkt als eigen vermogen of als vreemd vermogen.

    GGN Brabant

    Na beëindiging van de samenwerking met de GGN-organisatie (deurwaarders- en incassokantoren) heeft A haar aandelen aangeboden aan GGN Brabant, onderdeel van de GGN-organisatie. Er komt een koopovereenkomst tot stand maar de levering van de aandelen vindt door onenigheid over de voorwaarden van een geldleningsovereenkomst (GGN Brabant kan door liquiditeitsproblemen de koopsom niet voldoen) nog niet plaats. A blijft daardoor in goederenrechtelijke zin eigenaar van de aandelen. In haar jaarrekening 2016 verantwoordt GGN Brabant het aandelenbelang van A onder het eigen vermogen. Volgens A wordt daarmee de economische realiteit miskend en moet de verplichting tot inkoop van eigen aandelen tot het vreemd vermogen worden gerekend. De Ondernemingskamer heeft A in haar beschikking van 28 juni 2018 in dat standpunt gevolgd.

    Bij beschikking van 28 januari 2019 in een met deze zaak samenhangende zaak, tussen A en GGN Holding, heeft de Ondernemingskamer evenwel overwogen dat GGN Holding in verband met bedoelde aandelentransactie het eigen vermogen in haar balans dient aan te passen door een vermindering van de agioreserve, en dat de in de beschikking van 28 juni 2018 aan GGN Brabant gegeven aanwijzing om ook het nominaal kapitaal te verminderen daarom in zoverre onjuist was. In cassatie verschillen A en GGN Brabant van mening over de gevolgen van dat laatste.

    De Hoge Raad oordeelt dat de erkenning door de Ondernemingskamer van de onjuiste aanwijzing in de jaarrekeningprocedure inzake GGN Holding in de jaarrekeningprocedure inzake GGN Brabant geen rechtsgevolgen heeft en dat GGN Brabant daarom terecht cassatieberoep heeft ingesteld om de door de Ondernemingskamer gegeven aanwijzing te laten corrigeren. De aanwijzing het nominale kapitaal te verlagen in strijd is met de wet (art. 2:373 lid 3; 2:378 lid 2 en 2:385 lid 5 BW), waaruit volgt dat de inkoop van eigen aandelen wordt verwerkt door een verlaging van een vrije reserve, aldus de Hoge Raad, die de onjuiste aanwijzing van de Ondernemingskamer zelf herstelt.

    Overige klachten doet Hoge Raad af met toepassing van art. 81 Wet RO. In zijn conclusie gaat de advocaat-generaal in het kader van de ontvankelijkheid in op de begrippen "belanghebbende" en "kringleer".

    GGN Holding

    In deze procedure speelde tegen dezelfde achtergrond aanverwante verwerkingsproblematiek. De Ondernemingskamer heeft in haar hiervoor bedoelde beschikking van 28 januari 2019 onder meer bevolen dat GGN Holding haar jaarrekening 2017 en alle volgende jaarrekeningen in te richten met inachtneming van de in de beschikking vermelde aanwijzingen. GGN Holding is in cassatie gekomen van deze beschikking. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep, in navolging van de conclusie van de advocaat-generaal, verworpen met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet RO, dus zonder inhoudelijke motivering.


    2.6.3 Ook na beëindiging enquêteprocedure kan cassatieberoep worden ingesteld (enquêteprocedure)

    Deus ex Machina, 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1593).

    Partijen gelieerd aan een van de uiteindelijke aandeelhouders van Des ex Machina (DEM) hebben cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de Ondernemingskamer, waarin onder meer aan de orde waren een door de OK-bestuurder met een andere aandeelhouder gesloten vaststellingsovereenkomst en het stellen van zekerheid voor de kosten van verweer van de OK-bestuurder.

    De advocaat-generaal heeft verweerders in cassatie gevolgd in hun betoog dat de verzoekers in hun cassatieberoep niet ontvankelijk zijn, omdat de enquêteprocedure inmiddels was geëindigd vanwege een in kracht van gewijsde gegane latere beschikking van de Ondernemingskamer.

    De Hoge Raad verwerpt dit niet-ontvankelijkheidsverweer en oordeelt dat ook na het eindigen van de enquêteprocedure in cassatie kan worden onderzocht of een tijdens de enquêteprocedure gegeven beschikking moet worden vernietigd, mits tegen die beschikking tijdig en op juiste wijze cassatieberoep is ingesteld. In dat verband is niet van belang of de Ondernemingskamer in haar beschikking al dan niet een voorziening heeft getroffen met een blijvend gevolg.

    De Hoge Raad heeft het cassatieberoep vervolgens verworpen met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet RO en dus zonder inhoudelijke motivering.


    2.6.4 Uitkoopprocedure: het verdisconteren van benadelende handelingen in de uitkoopprijs

    Sirowa, 5 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1745)

    In deze uitkoopprocedure op de voet van art. 2:201a BW heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat de meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder van de B.V. onrechtmatige handelingen heeft verricht waarmee hij zichzelf heeft bevoordeeld en de vennootschap en de minderheidsaandeelhouder heeft benadeeld. De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, als de minderheidsaandeelhouder zou worden veroordeeld tot levering van de aandelen tegen een prijs op basis van een waardering die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van de meerderheidsaandeelhouder. De Ondernemingskamer heeft bij de vaststelling van de uitkoopprijs de benadelende handelingen zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten.

    De Hoge Raad verwerpt het ingestelde cassatieberoep en overweegt daartoe het volgende. De wetgever heeft in art. 2:201a BW een regeling getroffen waardoor het de in het eerste lid van deze bepaling bedoelde grootaandeelhouder mogelijk wordt gemaakt in een eenvoudige procedure de andere aandeelhouder(s) uit te kopen en daardoor de overige aandelen te verwerven. Art. 2:201a lid 5 BW bepaalt dat de rechter de prijs vaststelt die de over te dragen aandelen op een door hem te bepalen dag hebben. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat aan de uitgekochte aandeelhouder een reële en redelijke vergoeding wordt toegekend. Dit strookt ermee dat op grond van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM de vastgestelde prijs van de over te dragen aandelen gerelateerd aan hun waarde ten minste redelijk moet zijn (“reasonably related”). Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever voor de vaststelling van de prijs van aandelen in een uitkoopprocedure anderszins een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling voor ogen heeft gestaan. De rechter komt bij de keuze voor een waardebegrip of een wijze van waardevaststelling vrijheid toe. De aard en de strekking van art. 2:201a BW verzetten zich dan ook niet ertegen dat de rechter, met het doel te komen tot een reële en redelijke vergoeding, bij het vaststellen van de prijs van de over te dragen aandelen, abstraheert van de gevolgen van handelingen van de uitkopende aandeelhouder die hebben plaatsgevonden voor de in art. 2:201a lid 5 BW bedoelde dag en die de waarde van de aandelen ten nadele van de uit te kopen aandeelhouder(s) hebben verminderd.

  • Begroting van onderzoekskosten

    De Ondernemingskamer kan in de eerstefasebeschikking aanstonds het bedrag vaststellen dat het onderzoek ten hoogste mag kosten (het onderzoeksbudget, artikel 2:350 lid 3 BW). De Ondernemingskamer kan ook de vaststelling van het onderzoeksbudget aanhouden in afwachting van het door de onderzoeker op te stellen plan van aanpak met begroting. In dat geval zal de Ondernemingskamer, nadat de onderzoeker partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het plan van aanpak, het onderzoeksbudget vaststellen nadat zij partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de begroting (4.2 Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures).

    In 2020 heeft de Ondernemingskamer bij het gelasten van het onderzoek steeds (een enkele uitzondering daargelaten) de bepaling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aangehouden in afwachting van een door de onderzoeker op te stellen plan van aanpak met begroting van kosten. Dit nieuwe gebruik dient er mede toe partijen vooraf een beter inzicht te geven in de te verwachten kosten van het onderzoek.

    Mondelinge behandeling door raadsheer-commissaris

    In 2020 heeft de Ondernemingskamer in een aantal gevallen bepaald dat de mondelinge behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris in plaats van de voltallige kamer plaatsvindt. Het doel is de procedurele flexibiliteit van de Ondernemingskamer in specifieke situaties te vergroten. Het middel kan worden toegepast in onder meer de volgende gevallen:

    • Een gemeenschappelijk verzoek van partijen tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, waarbij de mondelinge behandeling dient ter bespreking van de vraag welke voorzieningen effectief passend zijn in verschillende scenario’s.
    • Een voortzetting van de mondelinge behandeling bijvoorbeeld nadat partijen op de eerste zitting een schikking (op hoofdlijnen) hebben bereikt en bij de uitwerking stuiten op geschilpunten of indien een langdurige mediation is mislukt en recente ontwikkelingen van belang zijn voor de door de OK te wijzen beschikking.
    • Getroffen onmiddellijke voorzieningen blijken onvoldoende soelaas te bieden en de OK-functionaris(sen) en/of partijen willen wijziging van de voorzieningen.
    • De OK-functionarissen staan op het punt een ingrijpend besluit met onomkeerbare gevolgen (verkoop van activiteiten, emissie, etc.) te nemen, waarmee een of meer betrokkenen niet kunnen leven.

    Omdat het vrijwel steeds gaat om beslissingen die aan de volle kamer zijn voorbehouden, worden de door de Hoge Raad gegeven kaders gehanteerd. Dat wil zeggen dat slechts met instemming van partijen op de voet van artikel 16 lid 5 Rv een raadsheer-commissaris wordt aangewezen en dat, indien een beschikking moet volgen, de volle kamer daarover beslist aan de hand van de stukken en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

 3. Jaarcijfers

>Alles uitklappen
  • De jaarcijfers betreffen de gebeurtenissen die vallen binnen het jaar 2020. Een verzoekschrift dat in 2019 is ingediend en in 2020 ter zitting is behandeld telt voor 2020 derhalve niet mee bij de ingediende maar wel bij de ter zitting behandelde verzoekschriften. De intrekking van het desbetreffende verzoekschrift of de uitspraak wordt eveneens meegeteld indien zich dat nog in 2020 heeft voorgedaan. Door onder meer deze wijze van tellen kan het aantal uitspraken in een jaar hoger of lager liggen dan het aantal ingekomen zaken.

    Indien op twee samenhangende verzoeken (niet zijnde een zelfstandig tegenverzoek) of vorderingen wordt beslist in één beschikking of vonnis, wordt die uitspraak geteld als twee uitspraken. Een voorbeeld hiervan is het geval van twee afzonderlijk ingediende verzoekschriften van een ondernemingsraad die vanwege de samenhang van de aangevochten besluiten in één schriftelijke beslissing worden afgedaan. Dit uitgangspunt wordt gehanteerd bij de telling van alle soorten in- en uitstroom van zaken (ingekomen zaken, uitspraken, minnelijke regelingen ter zitting, en intrekkingen of doorhalingen). Dit uitgangspunt wordt niet gehanteerd bij de telling van zittingen, aanwijzingen van personen, getroffen voorzieningen en de berekening van doorlooptijden; daar geldt steeds dat verschillende zaken die één geschil vormen één keer in de betreffende telling of berekening worden meegenomen.

    Wat minnelijke regelingen ter zitting betreft, geldt dat schikkingen op slechts een enkel onderdeel van het geschil (bijvoorbeeld proceskosten) of de kale afspraak ter zitting om de zaak een bepaalde periode aan te houden niet worden geteld.

    Voor het verkrijgen van een nadere toelichting op specifieke cijfers kan contact worden opgenomen met de Ondernemingskamer.

  • Tabel 1
    202020192018
    Ingekomen zaken159169178
    Behandeling ter zitting9596100
    Minnelijke regeling ter zitting211122
    Intrekking of doorhaling616478
    Uitspraken207198239
    Tabel 2
    TotaalEnquêteWORUitkoopGeschillen-regelingOverige
    Ingekomen zaken159113 (71%)31 (19%)3 (2%)7 (4%)5 (3%)
    Intrekking of doorhaling6132 (52%)25 (41%)2 (3%)2 (3%)0 (0%)
    Behandeling ter zitting9578 (82%)8 (8%)1 (1%)2 (2%)6 (63%)
    Uitspraken207175 (85%)6 (3%)8 (4%)10 (5%)8 (4%)
  • De enquêteprocedure is veruit de meest voorkomende procedure bij de Ondernemingskamer (71% van de ingekomen zaken). Binnen de enquêteprocedure wordt gewoonlijk onderscheid gemaakt tussen de zogeheten eerste fase en de tweede fase. Ten behoeve van dit jaarverslag worden de verzoeken en beslissingen op de voet van artikel 2:345 tot en met 2:353 BW gerekend tot de eerste fase en verzoeken en beslissingen op de voet van artikel 2:354 tot en met 2:356 BW tot de tweede fase. Voor verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (artikel 2:349a lid 2 BW) en tot het regelen van de gevolgen van getroffen voorzieningen (art. 2:357 lid 2 BW) geldt (evenwel) dat die verzoeken worden gerekend tot de eerste fase voor zover gedaan voorafgaand aan de deponering van het onderzoeksverslag; nadien gedane verzoeken worden gerekend tot de tweede fase.

    Tabel 3
    202020192018
    Ingekomen verzoeken totaal113124113
    Eerste fase10310698
    Tweede fase101815
    Beschikkingen totaal175163198
    Eerste fase163138176
    Tweede fase122522

    3.3.1 Eerste fase enquêteprocedure

    In de eerste fase van de enquêteprocedure worden niet alleen beslissingen gegeven op verzoeken tot het gelasten van een onderzoek en verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook veelvuldig op verzoeken met een incidenteel karakter. Dat zijn verzoeken tot verhoging of vaststelling van het onderzoeksbudget (artikel 2:350 lid 3 BW), verzoeken aan de raadsheer-commissaris (r-c) tot het geven van een aanwijzing (artikel 2:350 lid 4 BW) of een bevel tot medewerking aan het onderzoek (artikel 2:352 BW), verzoeken tot het gelasten van een getuigenverhoor (artikel 2:352a BW), verzoeken tot uitbreiding van het bevolen onderzoek, verzoeken tot inzage en machtiging tot mededeling uit het verslag (artikel 2:353 lid 2 en 3 BW) en beschikkingen waarmee de procedure (meestal na het bereiken van een schikking) wordt beëindigd nadat onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen en/of een onderzoek is gelast, of waarmee een benoemde onderzoeker of bestuurder wordt aangewezen, ontheven of vervangen. Dergelijke verzoeken worden veelal op informele wijze gedaan, en zijn daarom niet afzonderlijk geteld als inkomende verzoeken, maar worden doorgaans wel in een schriftelijke beslissing afgedaan en als zodanig geteld.

    Tabel 4a
    202020192018
    Ingekomen verzoeken totaal10310698
    Enquêteverzoek en/of verzoek onmiddellijke voorzieningen (2:345/349a lid 2 BW)989892
    Verzoek tot aanwijzing of bevel r-c tot (2:350 lid 4/352 lid 1 BW)124
    Verzoek inzage/mededeling verslag (2:353 BW)262
    Overig2*00

    *Deze verzoeken betreffen verzoeken tot het regelen van de gevolgen van getroffen voorzieningen.

    Tabel 4b
    202020192018
    Intrekking of doorhaling voor de zitting191612
    Behandeling ter zitting737067
    Intrekking of doorhaling ter/na zitting 111632
    Tabel 4c
    202020192018
    Beschikkingen totaal 163138176
    Geheel/gedeeltelijk toegewezen372721
    Enquête toegewezen322
    Enquête en onmiddellijke voorzieningen toegewezen241424
    Enquête toegewezen, onmiddellijke voorzieningen afgewezen203
    Onmiddellijke voorzieningen toegewezen8112
    Afwijzingen totaal151824
    Enquête afgewezen111
    Enquête en onmiddellijke voorzieningen afgewezen112721
    Onmiddellijke voorzieningen afgewezen302
    Overige beschikkingen totaal11183121
    Afzonderlijke aanwijzing onderzoeker of functionaris392639
    Inzage onderzoeksverslag 000
    Machtiging mededeling uit verslag632
    Verhoging of vaststelling onderzoekskosten241120
    Beslissing raadsheer-commissaris429
    Beëindiging na minnelijke regeling2*14
    Beëindiging overig7**521
    Terinzagelegging onderzoeksverslag 7712
    Niet ontvankelijk 61411
    Kosten van verweer functionaris ten laste van de vennootschap220
    Overige4***01

    * Deze beslissingen betreffen verzoeken aan de raadsheer-commissaris tot het geven van een aanwijzing aan de onderzoeker.
    **Waarvan drie bij gebrek aan financiering van het onderzoek en één na ontbinding van de rechtspersoon.
    *** Waarvan drie de beëindiging van getroffen onmiddellijke voorzieningen en één onbevoegdheid van de Ondernemingskamer.

    3.3.2 Tweede fase enquêteprocedure

    In de tweede fase staat centraal de beslissing op het verzoek tot vaststelling van wanbeleid al dan niet vergezeld van of opgevolgd door een verzoek tot het gelasten van (onmiddellijke) voorzieningen. Ook in de tweede fase van de enquêteprocedure worden beslissingen gegeven op verzoeken met een incidenteel karakter, zij het veel minder dan in de eerste fase.

    Tabel 5a
    202020192018
    Ingekomen verzoeken totaal 101815
    Tabel 5b
    202020192018
    Intrekking of doorhaling voor de zitting220
    Behandeling ter zitting594
    Intrekking of doorhaling na zitting 002
    Tabel 5c
    202020192018
    Beschikkingen totaal220
    Wanbeleid toegewezen594
    Wanbeleid afgewezen002
    Afzonderlijke beslissing (onmiddellijke) voorziening594
    Afzonderlijke aanwijzing functionaris002
    Beëindiging na minnelijke regeling 594
    Niet ontvankelijk121
    Kosten van verweer functionaris ten laste van de vennootschap020
    Overige027

    3.3.3 Getroffen (onmiddellijke) voorzieningen

    Onderstaande tabel geeft weer het aantal keer dat een bepaald type (onmiddellijke) voorziening is getroffen, bij benoemingen ongeacht of daarop daadwerkelijk de aanwijzing van een specifiek persoon volgt en (zowel bij benoemingen als bij schorsingen) ongeacht het aantal personen. Bij meerdere voorzieningen van hetzelfde type in met elkaar samenhangende zaken is die voorziening slechts eenmaal geteld indien die zaken materieel één geschil vormen.

    Tabel 6
    202020192018
    Benoeming bestuurder211522
    Enquêteverzoek en/of verzoek onmiddellijke voorzieningen (2:345/349a lid 2 BW)Benoeming beheerder van aandelen121112
    Schorsing bestuurder778
    Benoeming commissaris, niet-uitvoerend bestuurder of toezichthouder343
    Wijziging statuten of overeenkomst644
    Ontbinding rechtspersoon022
    Overig6*72

    * Waarvan driemaal een verbod tot verrichten van bepaalde handelingen, tweemaal de vernietiging van een besluit en eenmaal de bepaling dat de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder bevoegd is gelden in escrow te storten ter bekostiging van verweer ter zake aansprakelijkheid vanwege onbehoorlijke taakvervulling.

  • Na de verzoekschriften in de enquêteprocedure, vormen de verzoekschriften op de voet van artikel 26 Wet op de ondernemingsraden (WOR) het grootste aandeel van de ingekomen zaken (31% van de ingekomen zaken). Deze verzoeken betreffen het beroep van een ondernemingsraad tegen een adviesplichtig besluit van een ondernemer. Een ruime meerderheid van de verzoeken wordt voorafgaand aan de zitting ingetrokken.

    Tabel 7
    202020192018
    Ingekomen verzoekschriften312644
    Behandeling ter zitting8817
    Intrekking of doorhaling totaal252731
    Intrekking of doorhaling voor de zitting222231
    Intrekking of doorhaling na de zitting359
    Beschikkingen totaal6613
    Verzoek toegewezen114
    Verzoek afgewezen429
    Verzoek niet ontvankelijk140
  • De uitkoopprocedure betreft uitkoop van minderheidsaandeelhouders door de grootaandeelhouder die ten minste 95% van de aandelen in een NV of BV houdt. In de uitkoopprocedure wordt zelden een mondelinge behandeling gehouden.

    Tabel 8
    202020192018
    Ingekomen zaken totaal396
    Ex 2:92a BW032
    Ex 2:201a BW132
    Ex 2:359c BW232
    Ex 2:359d BW000
    Behandeling ter zitting100
    Intrekking of doorhaling220
    Arresten totaal8919
    Tussenarrest338
    Eindarrest5611
  • De geschillenregeling biedt aandeelhouders de mogelijkheid om te vorderen dat een andere aandeelhouder wordt gedwongen zijn aandelen over te dragen (uitstoting; artikel 2:336 BW) en biedt een aandeelhouder de mogelijkheid te vorderen dat de andere aandeelhouder(s) of de vennootschap zijn aandelen overnemen (uittreding; artikel 2:343 BW). De geschillenregeling wordt in eerste aanleg door de rechtbank behandeld, tenzij partijen anders zijn overeengekomen (artikel 2:337 lid 2 BW).

    Tabel 9
    202020192018
    Ingekomen zaken756
    Behandeling ter zitting271
    Intrekking of doorhaling 210
    Arresten totaal10103
    Tussenarrest842
    Eindarrest261
  • Hierna volgen overzichten van een aantal andere procedures bij de Ondernemingskamer. Procedures waarin noch in 2020 noch in 2019 een procedurestap heeft plaatsgevonden zijn niet opgenomen.

    3.7.1 Procedures op de voet van artikel 36 lid 3 Wet medezeggenschap op scholen (WMS)

    Tabel 10
    202020192018
    Ingekomen beroepschriften243
    Behandeling ter zitting322
    Uitspraken312
    Intrekking of doorhaling010

    3.7.2 Procedures op de voet van artikel 5 Wet op de Europese Ondernemingsraden

    Tabel 11
    202020192018
    Ingekomen verzoeken010
    Behandeling ter zitting010
    Uitspraken010

    3.7.3 Procedures op grond van de Wet financieel toezicht

    Tabel 12
    202020192018
    Ingekomen verzoeken000
    Behandeling ter zitting1*00
    Uitspraken030

    * Dit betrof de behandeling van de procedure over onteigende effecten en vermogensbestanddelen SNS Bank en SNS Reaal.


    3.7.4 Beroep van een deelnemersraad tegen een adviesplichtig besluit van een pensioenfonds en verzoeken tot het treffen van voorzieningen (art. 217 PW)

    Tabel 13
    202020192018
    Ingekomen beroepschriften300
    Behandeling ter zitting200
    Uitspraken300
    Intrekking of doorhaling000

    3.7.5 Jaarrekeningprocedure, artikel 2:447 BW

    Tabel 14
    202020192018
    Ingekomen beroepschriften003
    Behandeling ter zitting003
    Uitspraken003
    Intrekking of doorhaling000

    3.7.6 Herstel uitspraken 31 lid 2 Rv

    Tabel 15
    202020192018
    Herstel uitspraak343
  • Onderstaande tabel geeft inzicht in de aantallen personen die door de Ondernemingskamer in enig jaar in enige procedure worden benaderd en aangewezen. Het gaat dus steeds om de aanwijzing van een fysiek persoon. Bij de vervanging van een reeds aangewezen persoon door een ander persoon wordt de aanwijzing van de opvolgend functionaris afzonderlijk geteld. Indien meer personen in dezelfde hoedanigheid in één geschil worden aangewezen, worden ook zij afzonderlijk geteld.

    Tabel 16
    202020192018
    Onderzoeker19819
    Bestuurder241625
    Commissaris, niet-uitvoerend bestuurder, toezichthouder355
    Beheerder van aandelen121210
    Vereffenaar003
    (Waarderings)deskundige772
    Mediator4310
    Overige4*31

    * Waarvan drie procesbegeleiders en één taxateur.

  • 3.9.1 Toelichting

    De volgende toelichting dient ter vergroting van het inzicht in en de betekenis van de doorlooptijden.

    Bij het geven van inzicht in de doorlooptijden moet onderscheid gemaakt worden tussen verzoekschriftprocedures en dagvaardingsprocedures.

    Bij de berekening van doorlooptijden in de verzoekschriftprocedures zijn, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, alleen die zaken meegenomen waarin een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Op een uitspraak in een enkele zaak na is aan de uitspraken in de categorie ‘Overige enquêtebeschikkingen’ (zie 3.3.1) geen mondelinge behandeling voorafgegaan. De doorlooptijden van die uitspraken zijn dus niet meegenomen en zijn ook weinig relevant omdat het vaak regie-getinte beslissingen zijn waarvan de doorlooptijd doorgaans niet meer dan een of enkele weken is. Andersom is, een enkele uitzondering daargelaten, aan enquêtebeschikkingen in eerste en tweede fase steeds een mondelinge behandeling voorafgegaan. De doorlooptijden van die zaken zijn wel opgenomen en zijn ook relevant, omdat het materiële beslissingen betreft (toe- afwijzing enquêteverzoek etc.). Alleen de eerste mondelinge behandeling en de eerste daaropvolgende beslissing worden gebruikt voor de berekening van doorlooptijden.

    Hierna worden de onder vermelde categorieën doorlooptijden weergegeven. De doorlooptijden zijn gemeten in kalenderdagen.

    1. De behandelperiode van de meest voorkomende zaken ingeleid met een verzoekschrift waarin in 2020 een zitting heeft plaatsgevonden (3.9.2);
    2. De beslisperiode van zaken waarin in 2020 uitspraak is gedaan (3.9.3);
    3. De totale doorlooptijd per zaak van uitkoopzaken die in 2020 geëindigd zijn (3.9.4);
    4. De mate waarin de ter zitting aangekondigde uitspraaktermijn is gehaald (3.9.5).

    Aan voormelde categorieën liggen niet steeds dezelfde zaken ten grondslag. Bij de berekening van doorlooptijden is wel steeds vastgehouden aan de regel dat verschillende zaken die materieel één geschil vormen, gezamenlijk één keer in de desbetreffende berekening van de doorlooptijd worden geteld.


    3.9.2 Behandelperiode verzoekschriftprocedures

    Bij zaken die aanhangig worden gemaakt bij verzoekschrift bepaalt de Ondernemingskamer, met inachtneming van de spoedeisendheid van de zaak en de verhinderdata van partijen en de beschikbare zittingsdata, het tijdstip van de mondelinge behandeling. De tijd die verstrijkt tussen de dag van indiening van het verzoek en de behandeling ter zitting wordt hierna aangeduid als de behandelperiode.

    In dagvaardingsprocedures heeft de Ondernemingskamer nauwelijks invloed op de termijn die verstrijkt tussen het aanbrengen van de zaak op de rol en het moment waarop partijen arrest vragen. De duur van die periode is onder meer afhankelijk van het tempo waarin partijen procederen en of gedaagden al dan niet in de procedure verschijnen (en zo niet of tegen hen zonder meer verstek kan worden verleend).

    Om bovenstaande redenen worden hieronder slechts gegevens weergegeven over de behandelperiode in verzoekschriftprocedures, niet ook in dagvaardingsprocedures. De betekenis die kan worden gehecht aan de (ontwikkeling van) de behandelperiode in verzoekschriftprocedures is niet eenvoudig vast te stellen. Het komt voor dat voor de mondelinge behandeling in overleg met partijen een langere termijn wordt gepland of dat de mondelinge behandeling op verzoek van partijen wordt uitgesteld. In algemene zin kan niet gesteld worden dat een kortere behandeltijd beter is; de ideale behandeltijd doet recht aan de spoedeisendheid van de concrete zaak en de belangen van partijen bij een voldragen debat voorafgaand aan de beslissing van de Ondernemingskamer. In welke mate de behandeltijd daaraan voldoet is niet uit de cijfers af te leiden.

    De behandelperiode laat zien het aantal dagen tussen:

    1. de dag van indiening van het verzoekschrift en
    2. de dag in 2020 waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

    Daar zitten dus ook verzoekschriften bij die partijen vóór 2020 hebben ingediend en/of waarop de Ondernemingskamer na 2020 uitspraak heeft gedaan. Eveneens zitten daar dus zaken in die na de zitting in 2020 zijn ingetrokken en niet tot een uitspraak hebben geleid.

    Tabel 17
    2020*20192018
    Enquête eerste fase754761
    Enquête tweede fase895394
    WOR796754
    Overige727690

    * Als gevolg van de coronamaatregelen konden tijdelijk geen mondelinge behandelingen worden gehouden. De in die periode reeds geplande mondelinge behandelingen zijn uitgesteld, met als gevolg langere behandeltermijnen.


    3.9.3 Beslisperiode

    De beslisperiode is de periode die verstrijkt tussen de datum waarop partijen de Ondernemingskamer vragen uitspraak te doen en de datum waarop de Ondernemingskamer uitspraak doet. Die termijn is zowel in verzoekschriftprocedures als in dagvaardingsprocedures relevant. In het algemeen hebben partijen behoefte aan een zo kort mogelijke beslisperiode. Het komt echter ook voor dat partijen de Ondernemingskamer verzoeken de uitspraak aan te houden (bijvoorbeeld vanwege schikkingsonderhandelingen), hetgeen leidt tot een langere beslisperiode. In verzoekschriftprocedures kondigt de Ondernemingskamer in de regel aan het eind van de zitting aan op welke termijn zij naar verwachting uitspraak zal doen. Die termijn verschilt per zaak en houdt in de regel verband met de mate van spoedeisendheid. Ook wordt bijgehouden in welke mate die aangekondigde termijn wordt gerealiseerd (zie hierna 3.9.5).

    De beslisperiode laat zien het aantal dagen tussen:

    1. de dag waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden/arrest is gevraagd en
    2. de dag waarop de Ondernemingskamer in 2020 uitspraak heeft gedaan.
    Tabel 18
    202020192018
    Enquête eerste fase614761
    Enquête tweede fase192105197
    WOR512849
    Overige315684
    Uitkoop9312978
    Geschillenregeling9873152

    3.9.4 Totale doorlooptijd van uitkoopzaken

    De totale doorlooptijd per zaak is de gehele periode vanaf het aanbrengen tot de uitspraak waarmee een einde aan de procedure komt. Deze periode is vooral relevant in de uitkoopprocedure en wordt daarom alleen met betrekking tot die procedure in dit verslag vermeld. De totale doorlooptijd per zaak kan meerdere behandel- en beslistermijnen omvatten, bijvoorbeeld indien eerst bij tussenarrest een waarderingsdeskundige wordt benoemd en na het deskundigenbericht een eindarrest wordt gewezen.

    In enquêtezaken is de totale doorlooptijd per zaak niet een goed hanteerbaar begrip. Een beschikking waarbij een enquêteverzoek wordt toegewezen, is een eindbeschikking waartegen cassatie openstaat, maar is niet het einde van de enquêteprocedure. Op toewijzing van het enquêteverzoek volgt immers het onderzoek en lopen eventueel getroffen onmiddellijke voorzieningen. In die periode kunnen nieuwe onmiddellijke voorzieningen worden getroffen en kunnen de onderzoeker en procespartijen verzoeken ten aanzien van het onderzoek doen. De duur van het onderzoek is mede afhankelijk van factoren waarop de Ondernemingskamer slechts geringe invloed heeft; de complexiteit van het onderzoek, problemen met de financiering van het onderzoek of schikkingsonderhandelingen.

    In WOR-zaken heeft de totale doorlooptijd per zaak geen praktische betekenis naast de totale doorlooptijd per beslissing omdat in die zaken de procedure (vrijwel) altijd eindigt met de eerste beslissing na de mondelinge behandeling.

    De totale doorlooptijd per zaak toont het aantal dagen tussen:

    1. de dag van aanbrengen op de rol van een uitkoopprocedure en
    2. de dag van de uitspraak in 2020 waarmee de procedure tot een einde komt.
  • 3.10.1 Tabel kerncijfers 2010-2020

    Tabel 21
    2020201920182017201620152014201320122011
    Nieuwe zaken 159169178189177168182165161153
    Intrekking of doorhaling61647867707489739193
    Behandeling ter zitting95971001059695104998779
    Uitspraken207198239194228222226196164166

    3.10.2 Grafiek kerncijfers 2003-2020

    grafiek kercijfers van 2003 tot en met 2020

 Organisatie en bezetting

>Alles uitklappen
  • 4.1 Organisatie

    De Ondernemingskamer houdt zitting met telkens drie raadsheren, van wie één als voorzitter, twee raden (deskundigen uit de praktijk die geen lid zijn van de rechterlijke macht) en ten minste één griffier. In 2020 is een beperkt aantal verzoeken mondeling behandeld ten overstaan van een door de Ondernemingskamer op de voet van artikel 16 lid 5 Rv uit haar midden aangewezen raadsheer-commissaris.

    De voorzitter, de secretarissen en de administratief-juridisch medewerkers van de Ondernemingskamer vormen samen het bureau van de Ondernemingskamer. Het bureau is onder meer belast met de coördinatie van de lopende procedures, het onderhouden van de contacten met door de Ondernemingskamer benoemde personen (onderzoekers, bestuurders en anderen) en de externe representatie van de Ondernemingskamer.

    De bezetting van de Ondernemingskamer was in het jaar 2020 als volgt:
    Leden van de Rechterlijke Macht

    Voorzitter:
    • mr. G.C. Makkink
    • Raadsheren:
    • mr. M.M.M. Tillema
    • mr. C.C. Meijer
    • mr. A.W.H. Vink
    • mr. A.J. Wolfs
    • mr. J.M. de Jongh
    Plaatsvervangend-Raadsheren:
    • prof. mr. M.P. Nieuwe Weme
    • mr. H.J. Vetter
    Raden(-plaatsvervangers):
    • drs. P.R. Baart (tot december 2020)
    • prof. dr. mr. F. van der Wel RA
    • prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA
    • dr. P.M. Verboom
    • drs. M.A. Scheltema
    • mr. drs. B.M. Prins (tot oktober 2020)
    • drs. P.G. Boumeester
    • prof. drs. E. Eeftink RA
    • drs. J.S.T. Tiemstra RA
    • drs. C. Smits-Nusteling RC
    • mr. drs. G. Boon RA
    • prof. dr. mr. S. ten Have
    • mr. D.E.M. Aleman MBA
    • W. Wind
    • drs. V.G. Moolenaar
    • prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen
    • dr. M.J.R. Broekema (vanaf september 2020)
    • drs. A. Thomassen (vanaf september 2020)
    • drs. G. van Vollenhoven-Eikelenboom (vanaf september 2020)
    Secretarissen:
    • mr. M.A. Sterk
    • mr. F.L.A. Straathof
    • mr. S.C. Prins
    • mr. S.M. Govers
    • mr. B.J. Blok
    Administratief-juridisch medewerkers:
    • C.M.M. van Vlaanderen
    • I.E.G.M. Veerman-Tol

    4.2 Bezetting

    In 2020 was de bezetting van raadsheren en (plaatsvervangend-)raadsheren in de Ondernemingskamer 4,9 fte. Er waren in 2020 19 raden(-plaatsvervangers). De bezetting aan secretarissen was 4,8 fte en aan administratieve ondersteuning 1,6 fte.