Laden...

Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Nummer 12, gepubliceerde uitspraken december, jaargang 2025

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in december 2025 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.


Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl


Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2025:1681
    Onduidelijk waar bezwaar tegen is gericht. Tweemaal maken bezwaar tegen hetzelfde besluit. Zorgvuldigheidsbeginsel. Verplichting tot doen van navraag voor Uwv.
    Het had naar het oordeel van de Raad op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel op de weg van het Uwv gelegen om bij appellante na te gaan of zij daadwerkelijk beoogde bezwaarschriften in te dienen tegen de besluiten. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt in dit geval met zich dat het Uwv niet uitsluitend afgaat op de wijze waarop appellante haar bezwaar heeft geformuleerd, maar zich ook afvraagt wat appellante daarmee beoogt te bereiken. Als dat niet duidelijk is, had het Uwv daarover navraag kunnen doen bij appellante. Dat geldt te meer omdat appellante al bezwaar had gemaakt tegen deze besluiten, zodat een nieuw bezwaarschrift niet direct voor de hand lag en het Uwv wist dat de door appellante gekozen route voor haar tot niets zou leiden. Ook de inhoud en strekking van de bezwaarschriften van 9 juli 2023 is naar het oordeel van de Raad zodanig onduidelijk dat appellante met haar als bezwaarschrift aangeduide stuk mogelijk beoogde een verzoek om herziening in te dienen.
    Awb art. 3:2

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1668
    Korting op het AOW-pensioen. Herstel verzekerde tijdvakken in het besluit op bezwaar. Geen slechtere positie tov primaire besluit. Geen reformatio in peius.
    In deze zaak gaat het om een besluit tot toekenning van een AOW-pensioen met een korting van 10% vanwege vijf niet-verzekerde jaren. In het besluit op bezwaar heeft de Svb enkele perioden waarin betrokkene in het buitenland werkte alsnog als in Nederland verzekerde tijdvakken aangemerkt. Uit door de Duitse instanties tijdens de bezwaarprocedure aan de Svb verstrekte informatie bleek echter dat betrokkene in een periode die in eerste instantie door de Svb als verzekerd tijdvak was aangemerkt een Duitse werkloosheidsuitkering had ontvangen. Daarom heeft de Svb die periode in het besluit op bezwaar alsnog als niet-verzekerd aangemerkt. Als gevolg daarvan werd het aantal niet-verzekerde jaren niet verminderd en werd de korting op het AOW-pensioen gehandhaafd op 10%. Volgens de rechtbank leverde deze gang van zaken reformatio in peius op. De Raad gaat daar niet in mee. Het bestreden besluit heeft niet geresulteerd in een slechtere positie van betrokkene dan bij het primaire besluit. De korting bleef namelijk gehandhaafd op 10%. Los hiervan en strikt ten overvloede merkt de Raad op dat toen de informatie over de Duitse werkloosheidsuitering van betrokkene tijdens de bezwaarprocedure bij de Svb bekend werd, duidelijk werd dat het primaire besluit onjuist was, omdat daarin de genoemde periode ten onrechte als een verzekerd tijdvak was aangemerkt. De Svb zou daarom, als dit zou hebben geleid tot een verschil in de toe te passen korting, verplicht zijn geweest het recht op uitkering te herzien, ook als er geen bezwaarprocedure aanhangig was geweest. Er zou dan geen sprake zijn geweest van schending van het verbod van reformatio in peius.
    Awb art. 7:11

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1737

    Tijdelijke tegemoetkoming. Uitsluiting aspiranten is niet onrechtmatig.

    Aan politiemedewerkers met een LFNP-aanstelling is onder meer over het jaar 2022 een tijdelijke tegemoetkoming verstrekt, die bedoeld is als compensatie voor de extra belasting die samenhangt met de aanhoudende werkdruk in de uitvoering in de komende jaren. Aspiranten behoren niet tot de in de regeling beschreven doelgroep die in aanmerking komt voor deze tegemoetkoming. De Raad oordeelt met de rechtbanken dat deze regeling niet onrechtmatig is. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. De rechtbanken hebben terecht overwogen dat aspiranten in opleiding zijn en een leerfunctie hebben. Hieruit vloeit voort dat appellanten een andere verantwoordelijkheid hebben dan medewerkers in een LFNP-functie. Verder is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is mede van belang dat de regeling het resultaat is en de neerslag vormt van een na overleg met de politievakorganisaties gesloten arbeidsvoorwaardenakkoord. Anders dan appellanten hebben gesteld, is bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden wel degelijk aandacht besteed aan de groep van aspiranten. Er is evenmin sprake van strijd met het verbod op onderscheid naar duur van de aanstelling. Ook is de wijze van berekening van de tegemoetkoming (peildatumsystematiek) niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

    Politiewet 2012 art. 47c lid 2; Verzamelbesluit politie rechtspositie 2023 art. 5

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1800

    Ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding is onterecht. Er waren minder ingrijpende opties voorhanden.

    Uit het dossier rijst het beeld op van een arbeidsrelatie die al langere tijd onder druk staat. Zo zijn er vanaf 2013 vraagtekens geplaatst bij het functioneren van appellante, is er vanaf 2018 sprake van een moeizame re-integratie en is er tot slot een verzoek om een lange periode van (on)betaald verlof vlak voor het veronderstelde volledige herstel in de eigen functie. Dat verzoek was voor het dagelijks bestuur de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. Anderzijds had appellante in deze re-integratie te maken met drie opeenvolgende leidinggevenden, waarvan er zich twee niet alleen weinig coöperatief hebben opgesteld, maar al snel verwezen naar een passende functie buiten de organisatie. Daarmee heeft het dagelijks bestuur de druk die er toch al lag bij appellante onnodig verhoogd. Juist omdat de langdurige re-integratie op een haar na was afgerond en omdat de bedrijfsarts al eerder in het re-integratietraject mediation had geadviseerd, is de Raad het met appellante eens dat het niet op de weg van het dagelijks bestuur lag om in directe reactie op het verlofverzoek al naar het middel van ontslag te grijpen. Op dat moment was er geen sprake van een situatie dat van het dagelijks bestuur in redelijkheid niet meer kon worden verlangd de arbeidsverhouding met appellante voort te zetten. Er waren nog tal van andere, minder zwaar en verstrekkende, opties voorhanden, waaronder weigering van het verlof of mediation.

    CAR/UWO art. 8:8

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1801

    Functies ongeschikt vanwege infectiegevaar besmettelijke virussen.

    De functie medewerker huishoudelijke dienst is niet geschikt gelet op het infectiegevaar. Volgens de deskundige van de Raad kan onder de bewoners namelijk een besmettelijk virus voorkomen en vanwege de nierinsufficiëntie van appellante is dat een verhoogd risico waaraan zij niet moet worden blootgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geselecteerd binnen SBC-code 282102 (bezorger pakketten), maar de daarbij gegeven motivering is niet toereikend. Dat in het resultaat functiebelasting niet is vermeld dat sprake is van een verhoogd persoonlijk risico in de vorm van infectiegevaar is in dit geval niet doorslaggevend. Overleg tussen de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de verzekeringsarts bezwaar en beroep over een mogelijk verhoogd infectierisico was aangewezen. Niet is gebleken dat overleg op dit punt heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het bestreden besluit nog steeds niet voldoende is gemotiveerd.

    Wet WIA art. 4, 5

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1696

    Niet te veel auditieve en visuele prikkels in geduide functies.

    De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat in de voor appellant geselecteerde functies geen sprake van te veel auditieve en visuele prikkels. In de functies monteur printplaten en montagemedewerker is sprake van een rustige werkomgeving met achtergrondmuziek van een radio en van langslopende collega's. Het geluid van de radio kan worden gedempt door het dragen van gehoorbescherming, al dan niet met noise cancelling. Langslopende collega's zijn geen belemmering omdat de focus gericht is op het werkvlak vlak voor zich. In de functie medewerker binderij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat men werkt in een ruimte waar ongeveer tien man tegelijk werkzaam is. Men kan in dit werk een koptelefoon opzetten, waarbij onderling overleg met collega's mogelijk blijft. De arbeidskundig analist heeft toegelicht dat tussen de werkplekken schotten kunnen worden geplaatst, zodat een meer afgeschermd compartiment als werkplek ontstaat. Bij de plekken naar buiten gericht, kan men ook de luxaflex sluiten.

    Wet WIA art. 5, 6

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1794

    Toename uit zelfde oorzaak. Causaal verband.

    Uit de rapporten komt naar voren dat appellante steeds mentale/cognitieve klachten en vermoeidheidsklachten had, die door de artsen aan verschillende oorzaken en diagnoses worden toegeschreven. Gelet op de consistentie van deze klachten acht de Raad het aannemelijk dat appellante hierdoor steeds beperkingen in haar belastbaarheid had. Het Uwv heeft onvoldoende overtuigend gemotiveerd dat de in 2018 en 2019 aanwezige klachten uit een andere oorzaak voortkomen dan de vermoeidheidsklachten en de mentale klachten voorafgaande aan de beoordeling in 2016. Hierdoor is het Uwv er niet in geslaagd om buiten twijfel te stellen dat de oorzaak van de beperkingen door de vermoeidheidsklachten en de mentale klachten in 2018 en 2019 voortkomt uit een andere oorzaak dan de oorzaak van de beperkingen door deze klachten gedurende de wachttijd. Dit betekent dat het Uwv voor de data 17 mei 2018 en 1 juli 2019 voor deze klachten uit moet gaan van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.

    Wet WIA art. 55 

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1699

    Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor intakekosten bewindvoering. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Tegenwettelijk beleid. Geen geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Geen niet-verdisconteerde omstandigheden. Devolutieve werking hoger beroep. Schending motiverings- en gelijkheidsbeginsel.

    Tussen partijen is in geschil of voor de intakekosten aanspraak bestaat op bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. Het college heeft terecht aangevoerd dat in dit geval bijzondere omstandigheden daartoe ontbreken. Ook het evenredigheidsbeginsel noopt niet tot bijstandverlening, want van niet-verdisconteerde omstandigheden is geen sprake aangezien de essentie van art. 44 PW - degene die niet of niet tijdig zijn aanvraag indient verspeelt zijn rechten - de wetgever niet kan zijn ontgaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt wel. Uit de door betrokkenen overgelegde besluiten blijkt niet dat sprake is van een incidentele fout. Gebleken is dat het college bij herhaling – zoals ook in dit geval – met terugwerkende kracht bijzondere bijstand heeft toegekend voor een deel van de gevraagde bewindvoeringskosten en voor een ander deel niet. Dit betekent dat het college de gevraagde bijstand voor de intakekosten moet toekennen.

    Zie ook: ECLI:NL:CRVB:2025:1700, ECLI:NL:CRVB:2025:1701 en ECLI:NL:CRVB:2025:1702

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1704

    Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering. Draagkracht. Beroep op evenredigheidsbeginsel. Rechterlijke toetsing. Geen redelijke beleidsbepaling. Zelf voorzien. Afwijzing verzoek om digitale zitting.

    Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of besluit over draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter zoals voorheen te beoordelen of de bijstandsverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
    De in geding zijnde beleidsregel – waarmee voor een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in ongunstige zin wordt afgeweken van een aanvrager van bijzondere bijstand voor andere kosten – is niet gebaseerd op omstandigheden die betrekking hebben op het al dan niet zelf kunnen dragen van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, maar uitsluitend op het beheer van de gemeentelijke financiën. Daarom is het college met die beleidsregel buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1705

    Gedeeltelijke toekenning bijzondere bijstand. Kosten bewindvoering. Draagkracht. Beroep op evenredigheidsbeginsel. Rechterlijke toetsing. Geen onredelijke beleidsbepaling. Geen bijzondere omstandigheden. 

    Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of besluit over draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter zoals voorheen te beoordelen of de bijstandsverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
    Het door het college gemaakte onderscheid naar toepasselijke bijstandsnorm en de beslissing om een bedrag ter hoogte van 2,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm vrij te laten, is gebaseerd op het gangbare kostenpatroon van de betrokkene. In zoverre is uitsluitend in ogenschouw genomen wat betrokkene gelet op zijn leefsituatie en kostenpatroon van de noodzakelijke kosten zelf kan dragen. Niet kan worden gezegd dat het college, gezien de hem toekomende beoordelingsruimte, daarmee niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Appellant heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van de Awb van dat beleid had moeten afwijken.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1706

    Terugvordering van bijstand. Achteraf verkregen middelen. Onjuiste vermogensvaststelling. Geen geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Zelf voorzien.
    Het college heeft de berekening van het vermogen van appellante op de peildatum ten onrechte beperkt tot het door appellante ontvangen bedrag uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning en het banksaldo op de peildatum, minus leefgeld. Het college had ook moeten onderzoeken of appellante schulden had op de peildatum. Het college heeft bij de terugvordering met toepassing van art. 58 lid 2 onder f ten eerste geen blijk gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. Niet is vereist dat de betrokkene al bij de bijstandsverlening wordt geïnformeerd over een mogelijke latere terugvordering.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1772
    Uitvoering executoriaal derdenbeslag. Maandelijkse afdracht vakantiegeld. Buiten kader beslag getreden. Toewijzing verzoek om schadevergoeding. Instandlating rechtsgevolgen.
    Uitgangspunt is dat de vakantietoeslag niet maandelijks wordt uitbetaald, maar maandelijks wordt gereserveerd en eenmaal per jaar wordt uitbetaald in juni. Dit brengt mee dat de vakantietoeslag niet opeisbaar is in de maanden dat het wordt gereserveerd, maar uitsluitend in de maand waarin het wordt uitbetaald. De vakantietoeslag van appellante werd jaarlijks uitgekeerd. Als gevolg daarvan was er in de maanden waarin de vakantietoeslag moest worden gereserveerd dus ook geen aan appellante uit te keren vakantietoeslag om aan de deurwaarder af te dragen. Dit betekent dat het college met de maandelijkse afdracht van het vakantiegeld niet is gebleven binnen het kader van het beslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
    Appellante vordert de schade die zij ten gevolge van de maandelijkse afdracht van de vakantietoeslag lijdt, in totaal een bedrag van € 255,71. Het college heeft dit niet betwist, zodat het verzoek wordt toegewezen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1756

    Afwijzing aanvraag. Eenmalige energietoeslag 2022. Beleid. Studenten. Discriminatie. Opdracht nieuw besluit.
    Studenten in Rotterdam kunnen, net als personen die onder de reikwijdte van de beleidsregels vallen, te maken krijgen met gestegen energiekosten. Dat studenten als groep bezien mogelijk in mindere mate met gestegen energielasten te maken krijgen, maakt hun situatie in het licht van de opzet van de regeling niet zodanig anders dat het college studenten als niet vergelijkbare gevallen mocht aanmerken. Er is daarmee sprake van ongelijke behandeling, die bovendien onvoldoende objectief gerechtvaardigd en 'manifestly without reasonable foundation' is. De uitsluiting van de volledige groep studenten is namelijk geen redelijk en geschikt middel om een doelmatige besteding van middelen en het voorkomen van overcompensatie te bereiken. Hierbij is mede van belang dat een nadere categorische afbakening, zoals in ECLI:NL:CRVB:2024:304, eenvoudig mogelijk is.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1775
    Uitvoering executoriaal derdenbeslag. Maandelijkse afdracht vakantiegeld. Buiten kader beslag getreden. Toewijzing verzoek om schadevergoeding. Instandlating rechtsgevolgen. Uitgangspunt is dat de vakantietoeslag niet maandelijks wordt uitbetaald, maar maandelijks wordt gereserveerd en eenmaal per jaar wordt uitbetaald in juni. Dit brengt mee dat de vakantietoeslag niet opeisbaar is in de maanden dat het wordt gereserveerd, maar uitsluitend in de maand waarin het wordt uitbetaald. De vakantietoeslag van appellant werd jaarlijks uitgekeerd. Als gevolg daarvan was er in de maanden waarin de vakantietoeslag moest worden gereserveerd dus ook geen aan appellant uit te keren vakantietoeslag om aan de deurwaarder af te dragen. Dit betekent dat het college met de maandelijkse afdracht van het vakantiegeld niet is gebleven binnen het kader van het beslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
    Ter zitting heeft appellant toegelicht dat zijn schade ten gevolge van de maandelijkse afdracht van de vakantietoeslag € 268,60 bedraagt. Het college heeft dit niet betwist, zodat het verzoek wordt toegewezen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1889

    Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en griffierecht. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Geen geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Geen niet-verdisconteerde omstandigheden.

    Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen bijzondere omstandigheden op die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om eerder dan 13 juli 2022 een schriftelijke aanvraag in te dienen bij het college. Hij wist immers al in februari 2022, toen het verzoek tot onderbewindstelling werd gedaan, van het verwachte bewind. Ook het evenredigheidsbeginsel noopt niet tot bijstandverlening, want niet is geconcretiseerd gesteld welke bijzondere omstandigheden zich voordoen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1892

    Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten. Geen bijzondere omstandigheden. Voorzienbaarheid. Reserveren. Consistente toepassing tegenwettelijk beleid. Geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel.

    i. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden. Daarnaast is niet aan de voorwaarde van onvoorziene verhuizing van art. 15 onder b Richtlijnen bijzondere bijstand Utrecht (RBBU) is voldaan. De verhuizing was voorzienbaar, gelet op de problemen met de buren en dat appellant dat ook daadwerkelijk voorzag blijkt uit de inschrijving bij WoningNet in 2018. Appellant heeft niet voldoende onderbouwd dat hij voorafgaand aan zijn verhuizing, in ieder geval vanaf 2018, onvoldoende heeft kunnen reserveren. Appellant heeft verder een betalingsregeling met de verhuurder kunnen treffen voor zijn huurachterstand.

    ii. In art. 17 lid 1 onder a t/m f RBBU – wat tegenwettelijk begunstigend beleid betreft – gaat het om personen die uit een situatie komen waarin ze geen eigen woning hadden en daarom geen woninginrichting bezitten om een woning in te richten, dan wel om bijzondere redenen geen woninginrichting meer hebben als ze een nieuwe woning betrekken. De situatie van appellant was anders. Hij is van de ene woning naar een andere woning verhuisd en had dus al een ingerichte woning. Appellant kan daarom niet met de doelgroepen uit voornoemde bepaling worden gelijkgesteld.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1895

    Intrekking, terugvordering, invordering en verrekening van AIO. Schending inlichtingenverplichting. Vermogen in buitenland. Herhaling beroepsgronden. Bijkomende beschikking. Procesbelang. Beslagvrije voet. Gewenningsregeling. Zelf voorzien.

    Ter zitting heeft de Svb erkend dat het verrekeningsbesluit onjuist is gemotiveerd, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat niet in geschil is dat de Svb het aflossingsbedrag op de juiste wijze heeft vastgesteld. Wel heeft de Svb een te hoog bedrag ingehouden van het ouderdomspensioen van appellante. De Svb hanteert een gewenningsregeling en die was op appellante van toepassing, maar in de besluitvorming is daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. In de situatie van appellante heeft de Svb in de periode van augustus 2022 tot februari 2023 ten onrechte de volledige aflossingscapaciteit in plaats van 50% van appellante gebruikt ter verrekening van de vordering. In zoverre kan appellanten belang bij herstel van het onjuiste verrekeningsbesluit niet worden ontzegd. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat appellante vanaf augustus 2023 feitelijk minder heeft betaald dan de Svb op basis van de gewenningsregeling mocht verrekenen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1900

    Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten. Draagkracht kan niet worden vastgesteld. Inkomsten uit gokactiviteiten. Verwervingskosten. Geen bewijsnood. Geen vergoeding bezwaarkosten. Geen wijziging rechtsgevolg.

    Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de inkomsten uit gokken inkomsten zijn die kunnen worden aangewend voor de kosten van levensonderhoud en dus van belang zijn voor het bepalen van de draagkracht van appellant. Ook is terecht gesteld dat het voor het vaststellen van de draagkracht nodig was om inzicht te hebben in de mutaties en te beschikken over de mutatie-overzichten van de gokaccounts. De beroepsgrond dat appellant in bewijsnood verkeert omdat hij geen toegang meer had tot zijn accounts slaagt niet, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang meer had of kon krijgen tot zijn accounts.

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1717

    Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden. Algemeen verbindend voorschrift. Toepassingsbereik. Exceptieve en rechtstreekse toetsing.

    De Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden (Regeling) is een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin en geen beleidsregel. Op grond van de Regeling kan een tegemoetkoming worden verkregen als in de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015 dubbele premies zijn betaald. De regelgever heeft voor het toepassingsbereik van de Regeling bewust gekozen voor aansluiting bij de inwerkingtreding van Vo 883/2004 op 1 mei 2010. Tot 1 mei 2010 gold het Rijnvarendenverdrag en over de aanwijsregel in dat verdrag kon geen onduidelijkheid bestaan. De Rijnvarendenovereenkomst is pas later gesloten dan 1 mei 2010. Vanaf 1 mei 2010 had onduidelijkheid kunnen bestaan bij werkgevers en werknemers over de toepasselijke aanwijsregel. De keuze van de regelgever voor de datum 1 mei 2010 kan de exceptieve, terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. De weigering in het bestreden besluit om appellant over 1 januari 2007 tot 1 mei 2010 een tegemoetkoming toe te kennen omdat die periode niet binnen het toepassingsbereik van de Regeling valt, is niet in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.

    Kaderwet SZW-subsidies art. 1, 2, 3,9; Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden art. 1, 2

  • ECLI:NL:CRVB:2025:1712
    Afwijzing keukenaanpassing. Wlz-indicatie. Eigen verantwoordelijkheid. Met Wlz-pgb kan appellante beperkingen oplossen.
    Appellante behoort tot de categorie cliënten die op grond van artikel 8:6a van de Wmo 2015 aanspraak kan maken op de verstrekking van een hulpmiddel of een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015, hoewel zij in het bezit is van een Wlz-indicatie. De beperkingen die appellante ondervindt in het gebruik van de keuken, zoals het pakken en bereiden van eten en drinken, kan appellante dan ook ondervangen door daarvoor zorg in te kopen met haar Wlz-pgb. De keus van appellante om in de uren dat haar echtgenoot naar zijn werk is en zij alleen thuis is, geen zorg in te kopen die gericht is op ADL-ondersteuning, komt voor haar eigen rekening en risico.
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3, 2.3.5 lid 6, 8.6a

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1822
    Afwijzing Wlz-indicatie. Geen wapenongelijkheid.
    De medisch adviseur heeft toegelicht dat appellant weliswaar bekend is met de diagnose psychomotore retardatie eci, maar dat een dergelijke diagnose onvoldoende is om vast te stellen dat sprake is van een grondslag verstandelijke handicap. Daarbij heeft de medisch adviseur betrokken dat niets bekend is over de ontwikkeling van appellant. Uit wat appellant heeft aangevoerd, volgt niet dat in het medisch advies geen juist beeld wordt gegeven van de gezondheidssituatie van appellant of dat het medisch advies niet concludent of anderszins onjuist is. Het CIZ is niet gehouden tot het (laten) verrichten van nader onderzoek naar de medische situatie van appellant. Het is in de eerste plaats aan appellant zelf om zijn aanvraag voldoende te onderbouwen met medische gegevens. Dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om medische informatie te verkrijgen die naar zijn aard geschikt is om twijfel te zaaien, maakt niet dat sprake is van wapenongelijkheid. De Raad ziet daarom geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
    Wlz art. 3.2.1

     

     

    Volksverzekeringen

     

    ECLI:NL:CRVB:2025:1787

    Terugvordering. Voorkeur dat Uwv nieuwe beleidsregel formuleert met uitgangspunten over invulling dringende reden.   

    Het Uwv heeft de terugvordering verlaagd vanwege dringende redenen. Desgevraagd heeft het Uwv aangegeven dat men over een concept-beleidsregel, als opvolger van de Beleidsregels schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230), in overleg is met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Om in de tussentijd willekeur te voorkomen en de consistentie in individuele besluiten over de dringende reden te waarborgen, zijn regionale expertiseteams opgericht en zo nodig kan advies worden gevraagd aan een Landelijk Expertiseteam. Waar het gaat om de nadere invulling van de dringende reden na de uitspraak van de Raad van 18 april 2024 stelt de Raad voorop dat het uit een oogpunt van consistentie en voorspelbaarheid van besluitvorming de voorkeur verdient dat door het Uwv beleidsmatig uitgangspunten worden geformuleerd die in een beleidsregel worden neergelegd. Dat het Uwv tot op heden niet is overgegaan tot het formuleren van een dergelijke beleidsregel is weliswaar ongewenst, maar geeft geen reden om te oordelen dat de uitkomst van de door het Uwv in het geval van appellante gemaakte belangenafweging niet inzichtelijk of onevenredig is.

    Toeslagenwet art. 11a, 12, 20

     

Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb