Recentste nieuwsbrief Jurisprudentie CRvB

Deze nieuwsbrief komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd.

Nummer 1, gepubliceerde uitspraken januari, jaargang 2026

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt één keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in januari 2026 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.
Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl- U verlaat Rechtspraak.nl

Inhoud nieuwsbrief

Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CRVB:2026:68- U verlaat Rechtspraak.nl
Geen schending hoorplicht. Verzending naar BRP-adres in plaats van correspondentieadres.

Vaststaat dat de uitnodiging voor de hoorzitting in bezwaar is verzonden naar het in de BRP opgenomen woonadres van appellant. Dit is in overeenstemming met artikel 1.7 lid 1 Wet BRP. Bestuursorganen zijn op grond van die bepaling verplicht de gegevens die in de BRP zijn opgenomen te gebruiken, tenzij sprake is van een in het tweede lid van dat artikel genoemde uitzondering. Gesteld noch gebleken is dat één van die uitzonderingen zich voordoen. Dit betekent dat het dagelijks bestuur verplicht was de uitnodiging voor de hoorzitting bezwaar te versturen naar het adres dat in de BRP was opgenomen.
Awb art. 7:5

Arbeidsongeschiktheid

 

ECLI:NL:CRVB:2025:1878- U verlaat Rechtspraak.nl

Bijzonder geval. Geen hulp van anderen voor het aanvragen van toeslag. 

Het Uwv neemt geen bijzonder geval aan en kent de toeslag toe met een terugwerkende kracht van een jaar. De Raad volgt het Uwv hierin niet. Aannemelijk is dat appellant niet in staat was zelf een toeslag aan te vragen. Het Uwv heeft gesteld dat appellant voor het aanvragen van een toeslag hulp had kunnen inroepen van anderen, zoals de ambulante hulpverlener dan wel zijn gemachtigde, die bezwaar heeft gemaakt tegen de toekenningsbeslissing van de WIA-uitkering. Dit standpunt is onvoldoende onderbouwd.

TW art. 11

 

ECLI:NL:CRVB:2026:50- U verlaat Rechtspraak.nl

Integrale beoordeling na tweede aanvraag. Geen verslechtering rechtspositie. 

Bij besluit van 23 mei 2023 is geweigerd om appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Naar aanleiding van een nieuwe Wajong-aanvraag heeft het Uwv in bezwaar het standpunt ingenomen dat appellante – anders dan bij de eerste aanvraag – in januari 2023 beschikte over arbeidsvermogen. Appellante heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat Uwv uitsluitend had mogen beoordelen of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Door een volledige heroverweging te maken is appellante in een nadeliger positie gekomen omdat nu de tienjaarstermijn niet is gaan lopen. De Raad volgt appellante hierin niet. Er bestaat geen rechtsregel die zich verzet tegen een integrale beoordeling. Het staat niet vast dat sprake is van een verslechtering van de rechtspositie van appellante door het niet gaan lopen van de tienjaarstermijn. Het Uwv heeft er met juistheid op gewezen dat het Uwv bij een dergelijke beoordeling nog een zelfstandige beoordeling doet vanaf het moment van ontbreken van het arbeidsvermogen en dat het speculatief zou zijn om nu reeds aan te nemen dat het arbeidsvermogen na tien jaar inderdaad duurzaam ontbreekt.

Wajong art. 1a:1

 

ECLI:NL:CRVB:2026:60- U verlaat Rechtspraak.nl

Raad volgt deskundige dat er geen onderbouwing is voor de door Uwv aangenomen beperkingen.

Op basis van haar onderzoek en alle beschikbare informatie heeft de door de Raad ingeschakelde deskundige deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd waarom zij tot de conclusie is gekomen dat voldoende objectieve medische informatie ontbreekt om de gestelde forse beperkingen, waaronder de forse urenbeperking, te onderbouwen. Weliswaar heeft de deskundige in haar rapport niet uiteengezet welke beperkingen volgens haar zouden moeten worden aangenomen en dus ook niet hoeveel uren ex‑werkneemster volgens haar belastbaar was, maar dit is onder meer het gevolg van het ontbreken van voldoende medische informatie van behandelaars van ex‑werkneemster over de relevante periode. De Raad heeft geen aanleiding gezien om een psychiater als deskundige te benoemen om een psychiatrisch expertiseonderzoek te laten verrichten, reeds omdat ex‑werkneemster niet als belanghebbende deelneemt aan deze procedure, waardoor de in te schakelen deskundige zich zal moeten beperken tot een dossieronderzoek. De Raad draagt het Uwv op opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. Het Uwv heeft daarbij de mogelijkheid om alvorens opnieuw te beslissen een psychiatrisch expertiseonderzoek te laten verrichten om tot een juiste FML te komen. Op grond van artikel 27 van de Wet WIA is ex-werkneemster als verzekerde verplicht aan een dergelijk onderzoek mee te werken.

Wet WIA art. 4, 5

 

ECLI:NL:CRVB:2026:55- U verlaat Rechtspraak.nl

Einde WGA-uitkering en ingangsdatum IVA-uitkering. Geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Appellante stelt zich op het standpunt dat het recht op de WGA-uitkering van rechtswege eindigt op het moment dat ex-werknemer volledig en duurzaam en dus niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Dat betekent volgens haar in dit geval dat de WGA-uitkering te lang is verstrekt, waarmee het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet. De WGA-uitkering loopt bij het later ontstaan van een IVA-uitkering door tot het moment dat het Uwv het recht op een IVA-uitkering vaststelt. Appellante heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en dat onderbouwd met meerdere gevallen waarbij het Uwv een IVA-uitkering heeft toegekend met een terugwerkende kracht van meer dan 52 weken. Appellante heeft hiermee een begin van aannemelijkheid geleverd dat het Uwv het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het ligt dan vervolgens op de weg van het Uwv om dit te ontzenuwen. Het Uwv is hierin niet geslaagd. Bij gebrek aan een toereikende reactie van het Uwv op het onderbouwde beroep op het gelijkheidsbeginsel van appellante concludeert de Raad dat in dit geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De Raad kent aan ex-werknemer met ingang van 18 december 2014 een IVA-uitkering toe.

Wet WIA art. 48, 56, 64 lid 11 en 12

 

ECLI:NL:CRVB:2026:58- U verlaat Rechtspraak.nl

Amber. Aanvraag WIA-beoordeling.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv de ziekmelding van 9 oktober 2009 terecht niet als een zogeheten Amber-aanvraag heeft aangemerkt. Er zijn geen aanknopingspunten dat de ziekmelding op 9 oktober 2009 tevens als verzoek om een WIA-beoordeling had moeten worden aangemerkt. Het Uwv is er daarom terecht vanuit gegaan dat appellante niet eerder dan bij brief van 18 november 2019 om een nieuwe WIA-beoordeling heeft verzocht.

Wet WIA art. 64

 

ECLI:NL:CRVB:2026:48- U verlaat Rechtspraak.nl

Maatgevende arbeid. Soortgelijke arbeid.

Vast staat dat de functie van hulpinpakker, van waaruit appellante arbeidsongeschikt is geworden, niet meer bestaat. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor appellante soortgelijke arbeid bestaat met eenzelfde belasting en beloning. Dat betekent dat de hoofdregel – geschiktheid voor de maatmanarbeid betekent in beginsel geen arbeidsongeschiktheid – op appellante niet van toepassing is.
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 1 aanhef en onder j

Bijstand

ECLI:NL:CRVB:2026:38- U verlaat Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag. Bijzondere Bijstand voor kosten eerste huur, woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen. Geen bijzondere omstandigheden. Reserveren. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Consistente toepassing. Passeren gebrek. Verbetering van gronden.  
De beroepsgrond dat artikel 16 en 17 Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht (RBBU) niet de voorwaarde stellen dat voor de daarin aan de orde zijnde kosten niet kan worden gereserveerd, slaagt. Op grond van die bepalingen kan bijzondere bijstand worden verleend voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting, ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 35 lid 1 PW. Omdat bij de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden wordt betrokken of al dan niet had kunnen worden gereserveerd voor de kosten, houdt de Raad het ervoor dat op grond van voornoemde bepalingen uit de RBBU ook bijzondere bijstand kan worden verleend als voor de kosten wel had kunnen worden gereserveerd maar dit niet is gebeurd. De Raad passeert dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb en oordeelt dat het college (in zoverre) in overeenstemming heeft gehandeld met de RBBU.
PW art. 35

NOW

ECLI:NL:CRVB:2026:75- U verlaat Rechtspraak.nl

Vaststelling subsidie loonkosten. Strikte toepassing peildatum leidt tot onevenwichtige uitkomst.
De keuze van de minister voor oktober 2021 als referentiemaand, in samenhang bezien met de dwingend voorgeschreven peildatum van 14 december 2021, heeft er in de situatie van appellanten toe geleid dat 84% van de gehele loonsom over oktober 2021 niet bij de definitieve vaststelling van de NOW‑subsidie is meegenomen. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer € 1,8 miljoen. Met het hanteren van de peildatum wordt beoogd risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik van de NOW-6 regeling te verminderen. Niet in geschil is dat appellanten de lonen over oktober hebben betaald en dat geen sprake is van misbruik of fraude. Daar komt bij dat appellanten om hun aanspraken op subsidie op grond van de NOW-4 regeling veilig te stellen genoodzaakt waren om de loonaangiftes over september 2021 te doen vóór 15 november 2021. Deze samenloop van NOW‑regelingen met dwingend voorgeschreven peildata, tezamen met de door appellanten gehanteerde ‘loon over systematiek’ heeft in het geval van appellanten ertoe geleid dat het grootste deel van de loonsom over oktober 2021 niet bij de vaststelling van subsidie op grond van de NOW-6 is meegenomen. De Raad is van oordeel dat in dit geval het hanteren van de peildatum 14 december 2021 tot een zozeer onevenwichtige uitkomst leidt, dat het hanteren van deze peildatum in het voorliggende geval achterwege moet blijven.

NOW-6 art. 15, 17

Sociale voorzieningen

ECLI:NL:CRVB:2026:33- U verlaat Rechtspraak.nl

Verhuiskostenvergoeding. Passende bijdrage.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat appelante heeft gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing voor de inrichting van haar woning. Daarom is niet gebleken dat het college met de toegekende verhuiskostenvergoeding van € 3.000,- geen passende bijdrage heeft geleverd. De grond dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of er reden was voor afwijking van het standaardbedrag slaagt niet. Alle specifieke omstandigheden van appellante zijn in beeld gebracht en hieruit bleek geen reden om af te wijken van het standaardbedrag.

Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3

 

ECLI:NL:CRVB:2026:46- U verlaat Rechtspraak.nl

Weigering maatwerkvoorziening in pgb-vorm. Procesbelang. Geen verstreken periode.

Met het bestreden besluit heeft het college een aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb afgewezen. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Met het instellen van beroep en hoger beroep wil appellante bereiken dat aan haar alsnog een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Dit resultaat kan zij bereiken en het realiseren van dat resultaat zou voor haar ook feitelijk betekenis hebben. In dit geval is geen sprake van een periode die al verstreken is. Omdat het college heeft geweigerd aan appellante een maatwerkvoorziening te verstrekken is er geen voor de beoordeling van het procesbelang relevante periode aangevangen. Dit betekent dat appellante procesbelang heeft en dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beoordeeld vervolgens het beroep tegen het bestreden besluit. Het college was bevoegd om het gevraagde pgb te weigeren op de grond dat een eerder verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, omdat appellante en haar pgb-vertegenwoordiger niet in staat waren de aan het pgb verbonden taken goed te verrichten.

Wmo 2015 art. 2.3.6 lid 5 onder b, 2.3.10 lid 1 onder d; Awb art. 8:1

Studiefinanciering

Studiefinanciering

 

ECLI:NL:CRVB:2026:7- U verlaat Rechtspraak.nl

Studiefinanciering. Verlenging reisrecht wegens COVID-19.

Betrokkene heeft uit een aantal berichten die zij van de minister heeft ontvangen afgeleid dat zij nog een aantal maanden gebruik mocht blijven van haar reisrecht, ook als zij niet meer voor een opleiding ingeschreven stond. Dat had te maken met de zogenaamde coronaverlenging van het reisrecht. Volgens de Raad heeft zij uit de berichten waarop zij zich heeft beroepen, dit niet mogen afleiden. De berichten zijn destijds verzonden aan alle studenten in het hoger onderwijs aan wie de verlenging van het reisrecht werd toegekend, maar nadrukkelijk onder de voorwaarde dat gebruik daarvan slechts mogelijk is als er sprake is van een inschrijving op het moment van het gebruik van dat verlengde recht (en dus niet als er sprake was van een inschrijving op het moment van ontvangst van deze berichten). Het is ook niet zo dat, anders dan betrokkene stelt te hebben afgeleid uit de context en vorm van het besluit, de ‘coronaverlenging’ was bedoeld als algemene compensatie voor studenten omdat zij hun reisrecht tijdelijk minder konden gebruiken. De door de minister gegeven informatie biedt aan die stelling ook geen steun. Betrokkene is er verder op gewezen dat zij als zij klaar is met haar opleiding haar studiefinanciering moet stopzetten en dat dan ook het reisproduct moet worden stopgezet. Zou betrokkene zich hieraan hebben gehouden, dan zou zij bij de terugmelding van de stopzetting van haar studiefinanciering te horen hebben gekregen dat zij haar reisproduct moest stopzetten.

Wsf 2000 art. 5.2

Overige nieuwsbrieven

Nieuwsbrieven 2025

Nieuwsbrieven 2024

Nieuwsbrieven 2023

Nieuwsbrieven 2022

Oudere nieuwsbrieven?

Oudere nieuwsbrieven zijn terug te vinden op Archiefweb.

Rechtspraak archiefweb- U verlaat Rechtspraak.nl