Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 22

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 22

Nummer 22, gepubliceerde uitspraken 2e helft november, jaargang 2023

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de tweede helft van november 2023 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.

Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl 

 

 Inhoud nieuwsbrief ‭[2]‬

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2023:2114

    Beroep op verjaring. Dwangbevel. Civiele rechter bevoegd.

    Het beroep op verjaring ziet uitsluitend op de bevoegdheid van het UWV het bedrag van de terugvordering (thans nog) op appellant te verhalen. De gemachtigde heeft toegelicht dat het verzoek ertoe strekt dat voor recht wordt verklaard dat het UWV niet meer bevoegd is om nakoming van de verplichting tot (terug)betaling van appellant te verlangen, omdat de rechtsvordering daartoe zou zijn verjaard. De beoordeling van een beroep op verjaring van de bevoegdheid tot (het vorderen van) nakoming van een geldschuld behoort echter tot de bevoegdheid van de civiele rechter. Het bestuursprocesrecht voorziet niet in de gevraagde verklaring voor recht. De rechtbank heeft zich dan ook ten onrechte bevoegd geacht om hierover te oordelen. Appellant dient zich voor dit verzoek tot de burgerlijke rechter te wenden

    Awb art. 8:70, 8:71, 4:104

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2127

    Intrekking en terugvordering pgb. Belanghebbende. Bewindvoerder en mentor. “Namens zichzelf" ingediend bezwaarschrift.

    De bewindvoerder tevens mentor heeft aanvankelijk namens de budgethouder in deze hoedanigheid bezwaar aangetekend tegen het besluit tot intrekking van de pgb-verlening en terugvordering van het pgb. Nadien heeft zij nogmaals bezwaar aangetekend. De Raad stelt vast dat het tweede bezwaarschrift “namens zichzelf" als bewindvoerder en mentor is ingediend nu dat bezwaar is gehandhaafd nadat de budgethouder een vaststellingsovereenkomst met het zorgkantoor had gesloten. In deze hoedanigheid was de bewindvoerder tevens mentor geen belanghebbende bij het besluit. Van een eigen, rechtens relevant, belang van de bewindvoerder is niet gebleken. Het zorgkantoor heeft het tweede bezwaarschrift van de bewindvoerder tevens mentor ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.

    Awb art. 1:2 lid 1.

    Zie in vergelijkbare zin ook ECLI:NL:CRVB:2023:2124, 15-11-2023, waarin de bewindvoerder tevens mentor na zijn ontslag “namens zichzelf" bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit.

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2162  
    Recht om een zitting bij te wonen. Eerlijk proces. Procedure als geheel. Herstel in hoger beroep.
    De weigering van de rechtbank om appellant aan de zitting te laten deelnemen via een digitale verbinding is niet in strijd met artikel 6, eerste lid van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moet de gehele rechtsprocedure worden beschouwd. De Raad laat in het midden of appellant aan artikel 6, eerste lid van het EVRM een recht kan ontlenen om een zitting via een beeldverbinding bij te wonen. Appellant is in de procedure bij de Raad op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om via een beeldverbinding de zitting bij te wonen. Hiermee is op dit punt herstel geboden, zodat reeds om die reden van een schending van artikel 6, eerste lid van het EVRM geen sprake kan zijn. Dat appellant ervoor heeft gekozen de zitting bij de Raad niet, ook niet via een beeldverbinding, bij te wonen maakt dat niet anders. Deze beroepsgrond kan daarom niet tot vernietiging van de uitspraak leiden.
    EVRM art. 6

     

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2255

    Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Wel sprake van gerechtvaardigde verwachting, maar algemeen belang gaat voor.

    Het belang van appellant bij nakoming van de toezegging moet worden afgewogen tegen het algemeen belang van de commandant. Het belang van appellant is dat aan hem een geldbedrag in de vorm van een toelage wordt verstrekt. Het belang van de commandant bestaat uit het voorkomen dat in strijd met de Regeling een toelage wordt verstrekt. De Raad is van oordeel dat in dit geval het algemeen belang van de commandant voorgaat. Belangrijk hierbij is dat toekenning van de toelage aan appellant in strijd is met de Regeling. Daarnaast heeft de commandant bij brief van 2 maart 2021 appellant geïnformeerd dat de brief van 2 december 2020 ten onrechte aan hem was verzonden. In deze brief heeft de commandant uitgelegd hoe de vergissing heeft kunnen gebeuren. Ook van belang is dat nog geen uitbetaling van de toelage aan appellant had plaatsgevonden. Tot slot is van belang dat niet is gebleken dat appellant op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten waardoor hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Dit betekent dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2081

    Aanleren computervaardigheden. Functies.

    De grond van appellante dat gelet op de verklaring van haar werkgever zij met haar krachten en bekwaamheden niet in staat is om de geduide functies te vervullen, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat haar werkgever weliswaar heeft aangegeven dat het appellante slechts met moeite en veel hulp lukt de benodigde rapporten op te maken en de opgedane kennis van de systemen snel wegzakt, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat appellante niet in staat is de voor de geduide functies benodigde computervaardigheden te kunnen verrichten of binnen redelijke termijn te kunnen aanleren. Vaststaat dat er in de geduide functies geen ervaring is vereist, dus ook geen ervaring in het werken met computers. Voorts is gebleken dat appellante in het kader van de re-integratie vier keer een soort computercursus heeft gevolgd en zij niet onbekend is met het gebruik van een mobiele telefoon, het lezen van e-mail en het raadplegen van websites op internet.

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2043  

    Onschuldpresumptie. Beperking herzienings- en terugvorderingsperiode.

    In de woning van appellant is een hennepkwekerij aangetroffen, waarna zijn ZW- en WW-uitkeringen zijn herzien en teruggevorderd. In de strafzaak heeft de rechtbank appellant veroordeeld voor het opzettelijk telen dan wel aanwezig hebben van hennepplanten waarbij uit is gegaan van de periode van 23 juni 2015 tot en met 13 februari 2018. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de bewezenverklaarde periode beperkt. Sprake is van een voldoende verband ('link') als bedoeld in vaste rechtspraak van het EHRM. Gelet op de inperking door het gerechtshof had het UWV aannemelijk moeten maken dat toch sprake was van in totaal dertien oogsten en daarmee van schending van de inlichtingenverplichting over de periode van 23 juni 2015 tot en met 13 februari 2018. Hierin is het UWV niet geslaagd.

    EVRM art. 6 


  • ECLI:NL:CRVB:2023:2171

    Aanvragen om bijstand op onjuiste grond afgewezen. Duurzaam gescheiden leven.

    Appellant heeft aangevoerd dat hij duurzaam gescheiden leeft van Y en dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem en zijn echtgenote de wil bestaat om de echtelijke samenleving te verbreken. De motivering die het college heeft gegeven, biedt onvoldoende grondslag voor het standpunt dat appellant en Y in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefden. Met de eis dat appellant onomstotelijk bewijs levert van het duurzaam gescheiden leven, heeft het college bovendien een te zware bewijslast op appellant gelegd. Voldoende is dat hij feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit blijkt dat sprake is van duurzaam gescheiden leven. Het college zal nader onderzoek moeten doen naar de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven.

    PW art. 3, tweede lid onder b

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2111

    Aanvraag om tegemoetkoming op grond van de TONK-regeling ten onrechte afgewezen. 

    De TONK-aanvraag moet worden beoordeeld als een aanvraag om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. De woonkosten deden zich voor. Appellante was op basis van de huurovereenkomst verplicht € 800,- huur aan haar ouders te betalen. Dat appellante de huur feitelijk niet betaalde betekent niet dat zij hiertoe niet verplicht was. Het standpunt van het college miskent dat de TONK-regeling juist in het leven is geroepen voor situaties als die van appellante, waarin de huur niet meer kan worden betaald door een onverwachte aanzienlijke terugval in inkomen als gevolg van de coronacrisis.

    Het college hoefde bij de berekening van de draagkracht van appellante geen rekening te houden met de maandelijkse opslagkosten en de maandelijkse aflossingsbetalingen. Uit artikel 35, eerste lid van de PW is namelijk niet af te leiden dat behalve met het inkomen en het vermogen ook met de uitgaven moet worden rekening gehouden. Ook uit de beleidsregels volgt niet dat daarmee rekening moet worden gehouden en appellante heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zouden moeten zijn om van dat beleid af te wijken.

    PW art. 35, TONK-regeling 

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2202
    Hoogte dagloon IVA‑uitkering. Loonloze periode i.v.m. toepassing art. 33 WW. Strijd met evenredigheidsbeginsel.
    Toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit ten aanzien van belanghebbenden voor wie toepassing van artikel 33, eerste lid, van de WW leidt tot een loonloze periode in de referteperiode, heeft onevenredig nadelige gevolgen in relatie tot de met de in hoofdstuk 3 van het Dagloonbesluit te dienen doelen. Dit betekent dat de toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit in deze gevallen de exceptieve toets niet langer doorstaat wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Hieraan moet het gevolg worden verbonden dat artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit in het geval van appellante buiten toepassing moet worden gelaten, in zoverre dat de in de polisadministratie in de maand oktober 2017 verantwoorde WW-uitkering over de laatste maand van de referteperiode (september 2017) alsnog in de berekening van het dagloon moet worden betrokken.
    Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 15; WW art. 33 regeling 

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2195

    Bescherming budgethouder te goeder trouw in het Wlz-pgb-systeem. Handhaving bestaande rechtspraak. Bestuursrechtelijke besluitvorming kan niet worden gemist. Bescherming van budgethouder te goeder trouw voldoende geborgd.

    De Raad handhaaft zijn vaste rechtspraak over de bescherming van de budgethouder te goeder trouw in het Wlz-pgb-systeem. Deze bescherming vindt plaats in de fase van de invordering. Aan de vaste rechtspraak ligt ten grondslag dat de budgethouder te goeder trouw beschermd dient te worden. Als de onbekwaamheid van de budgethouder, en het daarmee samenhangende ontbreken van verwijtbaarheid bij de budgethouder zelf, zou maken dat onjuiste besteding van aan die budgethouder verstrekte pgb-gelden niet mag leiden tot benadelende pgb-besluiten, dan wordt daarmee een van de fundamenten onder het Wlz-pgb-systeem vandaan gehaald. Dit is in het huidige pgb-systeem geen aanvaardbare uitkomst. Dit is anders als het zorgkantoor de vordering op grond van het derdenbeding wil innen bij de zorgverlener. In dat geval zullen benadelende pgb-besluiten jegens de budgethouder te goeder trouw in beginsel achterwege kunnen – en moeten – blijven. De Raad oordeelt verder dat het zorgkantoor met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met de budgethouder om de vordering op de gewaarborgde hulp te verhalen juist bescherming aan de budgethouder te goeder trouw heeft willen bieden. De hierin gestelde voorwaarden acht de Raad niet onredelijk en in dit geval is niet gebleken dat het aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet van de budgethouder mocht worden verlangd. De Raad wijst er verder onder verwijzing naar de stand van de civiele rechtspraak op dat op dit moment niet kan worden gezegd dat benadelende pgb-besluiten per definitie overbodig zijn om daaruit voortvloeiende vorderingen via de civiele rechter bij derden geïnd te krijgen door het zorgkantoor. De slotconclusie is dat de bestuursrechtelijke besluitvorming enerzijds niet zomaar kan worden gemist, terwijl anderzijds de bescherming van betrokkene als budgethouder te goeder trouw ook met die besluitvorming voldoende is geborgd. De Raad handhaaft met deze uitkomst zijn vaste rechtspraak dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw plaats dient te vinden in de fade van de invordering.

    Awb art. 4:46, 4:48, 4:49, 4:57, 4:95; Rlz 5.20, 5.21.

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2172

    Goedkeuring zorgovereenkomst. Zorgverlener geen belanghebbende. Onvolkomenheden in de zorgbeschrijving.

    De zorgverlener is niet aan te merken als belanghebbende bij het besluit tot onthouding van de goedkeuring van de zorgovereenkomst. Het besluit van 23 juni 2021 is een eerste afkeuring van de zorgovereenkomst nu sinds de verhuizing van de budgethouder niet langer VGZ Zorgkantoor B.V. maar het zorgkantoor belast is met de verstrekking van het pgb. Het zorgkantoor heeft de goedkeuring van de zorgovereenkomst mogen weigeren vanwege onvolkomenheden in de zorgbeschrijving. Gezien het belang van dit element van de controle aan de voorkant, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat deze onvolkomenheden geen aanleiding kunnen vormen voor het weigeren van de goedkeuring.

    Awb art. 1:2 lid 1; Wlz art. 4.2.4; Rlz art. 5.16 lid 4.

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2109

    Buitenlandbijdrage. Woonlandfactor. Wet in formele zin. Toetsingsverbod artikel 120 Grondwet. Niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden. Strijd met hogere regelgeving of ernstige gebreken.

    De beroepsgrond van appellant dat in de woonlandfactor van 2018 ten onrechte niet alle zorgkosten van Nederland zijn meegenomen, leidt niet tot het door appellant kennelijk beoogde doel. De toetsing door de rechter van de uitdrukkelijk gemaakte keus van de wetgever om uitgaven voor zorg uit hoofde van de Zvw en Wlz, wetten in formele zin, bij de berekening van de woonlandfactor te betrekken, stuit af op het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Van bijzondere, niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing van de wet zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven is niet gebleken. Ook blijkt niet dat bijlage 4 bij de Regeling in strijd is met hogere regelgeving. Ook valt hieruit niet af te leiden dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van bijlage 4 bij de Regeling zodanig ernstige gebreken kleven dat die niet als grondslag kan dienen voor de voor appellant vastgestelde buitenlandbijdrage.

    Grw art. 120; Zvw art. 69 lid 3; Vo 883/2004 art. 30; Regeling zorgverzekering art. 6.3.1 lid 1, 6.3.1 lid 9, bijlage 4.

     

    ECLI:NL:CRVB:2023:2073

    Boete wegens het niet afsluiten van zorgverzekering. Verzekeringsplicht Wlz en Zvw. Bevoegdheidsverdeling Svb en CAK. Beroep op Vo 883/2004 slaagt niet.

    De verzekeringsplicht op grond van de Wlz wordt vastgesteld door de Svb. Verplichte verzekering op grond van de Wlz brengt van rechtswege ook verzekeringsplicht op grond van de Zvw met zich mee. Voor het CAK is dit besluit van de Svb leidend. Op het CAK rust daarom geen rechtsplicht om een zelfstandig onderzoek in te stellen naar de vraag of een persoon ingezetene is en verplicht verzekerd voor de Wlz alvorens een boete op te leggen. Het betoog van appellanten dat zij als inwonende gezinsleden van hun zoon op grond van Europees recht in Nederland aanspraak kunnen maken op verstrekkingen ten laste van België en daarom niet verplicht zijn een zorgverzekering af te sluiten, slaagt niet. Appellanten kunnen niet worden beschouwd als gezinsleden van hun zoon in de zin van artikel 17 van Vo 883/2004. Appellanten waren dan ook als ingezetenen van Nederland verplicht verzekerd voor de Wlz en op die grond ook verzekeringsplichtig voor de Zvw. CAK heeft terecht boetes opgelegd wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering.

    Zvw art. 2 lid 1, 9b; Verordening 883/2004 art. 1 aanhef onder i 1 ii, 17.

  • ECLI:NL:CRVB:2023:2184

    Studieschuld. Draagkrachtmeting. Aflosvrije periode. Informatievoorziening. Hardheidsclausule.

    Op de website 'Mijn schulden' in Mijn DUO is niet vermeld dat de terugbetalingsperiode wordt verlengd bij het inzetten van aflosvrije perioden. Maar die informatie is wel op een andere plaats duidelijk vermeld op de website van DUO. Appellante had de informatie ook uit diverse besluiten kunnen afleiden. Op de website van DUO wordt niet expliciet vermeld dat als een aanvraag om draagkrachtvaststelling niet tot het door de student gewenste resultaat leidt, de student alsnog ervoor kan kiezen om een aanvraag te doen voor een aflosvrije periode. Voor zover de beschikbare informatie geen eenduidig antwoord geeft ligt het op de weg van de student om gericht navraag te doen. Appellante heeft indertijd telefonisch contact opgenomen met DUO omdat zij de studieschuld niet kon terugbetalen. Haar is toen verteld dat zij online een aanvraag kon indienen om minder of niets terug te betalen en dat online daarover informatie beschikbaar is. Het had op de weg van appellante gelegen om opnieuw contact op te nemen met DUO en gericht navraag te doen toen het haar, op basis van de gevonden informatie, niet duidelijk was of zij na een aanvraag draagkrachtvaststelling die niet tot een voor haar passende terugbetalingsverplichting zou leiden, alsnog een aflosvrije periode kon aanvragen. De aanname van appellante dat deze mogelijkheid niet bestond omdat dit niet expliciet wordt beschreven in de door DUO verstrekte algemene informatie komt voor haar rekening. Er is geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

    Wsf 2000 art. 10a.5