Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 12, jaargang 2022

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 12, jaargang 2022

Nummer 12, gepubliceerde uitspraken 2e helft juni jaargang 2022

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de tweede helft van juni 2022 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.

Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2022:1254

    Beslistermijn beslissing op bezwaar. Coronapandemie.

    Awb art. 4:15 lid 2 aanhef en onder c, 7:14

    De hoorzitting stond gepland op 18 maart 2020. Dat was aan het begin van de eerste lockdown wegens de coronapandemie in Nederland en daardoor kon de hoorzitting niet doorgaan. De Raad is van oordeel dat hier sprake was van overmacht. Op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, hier van toepassing krachtens artikel 7:14 van de Awb, wordt de termijn om te beslissen van rechtswege opgeschort zolang het bestuursorgaan wegens overmacht niet in staat is een beslissing op bezwaar te nemen (zie ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949). De beslistermijn is dus vanaf 18 maart 2020 opgeschort. Op die datum waren er negen weken van de beslistermijn verstreken. Uiteindelijk heeft de hoorzitting plaatsgevonden op 29 april 2020. Op dat moment is de procedure voortgezet in de stand waarin deze zich op 18 maart 2020 bevond. De hoorzitting is gegeven de omstandigheden vanwege de eerste lockdown voldoende voortvarend gepland. Vanaf die datum begon de beslistermijn weer te lopen.


    ECLI:NL:CRVB:2022:1310 

    Jaarlijkse indexering smartengeld op grond van het Barp. Verschuldigdheid van wettelijke rente.

    Awb art. 4:87, 4:98, 4:102; Barp art. 54a

    Op 29 september 2017 heeft betrokkene verzocht om toekenning van smartengeld als bedoeld in artikel 54a van het Barp. Na een aanvankelijke buitenbehandelingstelling van de aanvraag heeft de korpschef in 2020 een bedrag aan smartengeld toegekend, geïndexeerd naar het jaar 2020. Verder heeft de korpschef geweigerd wettelijke rente te vergoeden.

    Het smartengeld wordt op grond van artikel 54a, vijfde lid, van het Barp jaarlijks geïndexeerd. Uit de Awb vloeit een gehoudenheid tot betaling van wettelijke rente voort. De Awb maakt geen uitzondering voor situaties zoals deze, waarin het effect van geldontwaarding ook al is ondervangen door middel van wettelijke indexering.

    Gezien de aanvraagdatum en de beslistermijn van acht weken had op 24 november 2017 op de aanvraag moeten zijn beslist. Op grond van de artikelen 4:87, 4:98 en 4:102 van de Awb gaat de wettelijke rente dan lopen vanaf 5 januari 2018. Op deze datum was er nog geen sprake van indexering naar het jaar 2020. De wettelijke rente dient vanaf de ingangsdatum 5 januari 2018 dan ook te worden berekend over het bedrag aan smartengeld dat verschuldigd zou zijn geweest met toepassing van het geïndexeerde maximumbedrag op die datum, dat wil zeggen het bedrag over 2018.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1355

    Prijsgegeven grondslag besluit

    Awb art. 8:69

    Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, handelt het bestuursorgaan in strijd met de goede procesorde als het de grondslag van het besluit vervangt door een grondslag die het bestuursorgaan in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Deze situatie doet zich hier voor. De SVB heeft in het bestreden besluit namelijk te kennen gegeven dat de bouwgrond en de landbouwgronden niet worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen van appellanten. De SVB heeft daarmee bewust en ondubbelzinnig de grondslag dat appellanten konden beschikken over vermogen in de vorm van bouwgrond en de landbouwgronden prijsgegeven. De SVB kan daar niet op terugkomen door in hoger beroep alsnog aan de besluitvorming ten grondslag te leggen dat het vermogen van appellanten wel met inachtneming van deze onroerende zaken wordt vastgesteld.

    N.B. Deze uitspraak is ook opgenomen onder de rubriek Bijstand.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:1300

    Bepaling hoogte smartengeld op grond van artikel 54a Barp. Eisen aan arbeidskundig onderzoek.

    Barp art. 54a; Rvbp art. 3, 4

    Uit de Rvbp blijkt niet dat het CBBS-systeem van het UWV of een vergelijkbaar systeem moet worden gehanteerd bij de vaststelling van het hier aan de orde zijnde tweede percentage. Dat neemt niet weg dat het rapport van een deskundige wel zorgvuldig, inzichtelijk en concludent moet zijn. De arbeidsdeskundige heeft los van enig systeem een viertal 'gangbare' functies genomen die betrokkene nog kan uitoefenen met de door de medisch adviseur vastgestelde beperkingen en met het opleidingsniveau. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens de gegevens van betrokkene en de functies ingevoerd op loonwijzer.nl en heeft deze loongegevens na een vergelijking met bestaande vacatures in zijn berekening meegenomen. Deze werkwijze is onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar.
    De arbeidsdeskundige heeft uiteindelijk met een nader rapport voldoende toegelicht in welke categorieën functies hij heeft gekeken, en is met een voldoende aantal functies gekomen, die met de bij betrokkene vastgestelde beperkingen passend zijn. Ook is hij ingegaan op de belasting in de functies. Daarbij zijn de invoergegevens bij loonwijzer en de uitkomsten benoemd en is toegelicht hoe tot de mediaan is gekomen. Nu deze gegevens aldus expliciet bekend zijn gemaakt en verifieerbaar zijn, terwijl het rapport nader schriftelijk is toegelicht, ook op het punt hoe tot de selectie van de functies is gekomen, is het nadere rapport wel voldoende gemotiveerd.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:1339

    Noodzakelijke begeleiding. 
    Wet WIA art. 5, 6
    De Raad acht sprake van een gebrek en dat betreft de wijze waarop de begeleidingsbehoefte is opgenomen in de FML. Van belang is hier dat zoals de Raad in zijn uitspraak van 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:913, heeft geoordeeld, het bij beoordelingspunt 1.9.3. van de FML gaat om de beschikbaarheid van een vangnet, zonder dat daar nadere eisen aan hoeven te worden gesteld. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschreven noodzaak van begeleiding op het werk blijft niet binnen het (in de uitspraak) beschreven leidinggevende en collegiale kader. De begeleidingsbehoefte die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beschreven impliceert een verdergaande begeleiding dan “gewoon" leiding geven en “gewoon" helpen door collega's en gaat daarom verder dan wat volgens de Basisinformatie CBBS past bij “dot 3" van item 1.9.3. van de FML.

    ECLI:NL:CRVB:2022:1291

    Onzorgvuldig onderzoek. De verzekeringsarts had door moeten vragen dan wel nader onderzoek moeten doen. 

    ZW art. 19

    Naar aanleiding van de ziekmelding van appellant heeft een verzekeringsarts hem telefonisch gesproken. Deze arts heeft de ziektewetclaim van appellant niet plausibel geacht waarop per 29 juni 2020 ziekengeld is geweigerd. De Raad acht het medisch onderzoek van het UWV onzorgvuldig. Het had op de weg van de primaire verzekeringsarts gelegen om bij appellant door te vragen dan wel nader onderzoek te doen naar het ontstaan en de aard van de kennelijk acuut ontstane (en verergerde) rugklachten. In bezwaar is tijdens een contact met de behandelend fysiotherapeut evenmin doorgevraagd. Dat onvoldoende duidelijkheid is verkregen over de ziekmelding van appellant is in dit geval het UWV aan te rekenen.

    ECLI:NL:CRVB:2022:1337
    Arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht. Recht op loon tijdens ziekte.
    ZW art. 29; BW art. 7:629
    Appellante was op 1 januari 2019 in dienst getreden bij ex-werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor bepaalde tijd, namelijk tot 1 augustus 2019. Appellante heeft zich per 18 maart 2019 ziek gemeld. Het UWV heeft terecht geweigerd appellante ziekengeld te betalen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 13 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2577) heeft een werknemer in een situatie als die van appellante op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW recht op doorbetaling van loon vanaf de ziekmelding tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, zolang de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voortduurt. Uit artikel 29 van de ZW vloeit voort dat in dat geval geen ziekengeld wordt uitgekeerd.

  • ECLI:NL:CRVB:2022:1351

    Herziening en terugvordering van bijstand. Lijfrente-uitkering, stortingen en bijschrijvingen. Vermogen van BV's.

    PW art. 32

    De lijfrente-uitkering is een middel dat periodiek (jaarlijks) wordt ontvangen, betrekking heeft op een periode waarover appellant een beroep op bijstand heeft gedaan en bedoeld is als aanvulling op het inkomen van appellant. De betaalde lijfrente-uitkering is daarom te beschouwen als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW en niet als vermogen. 

    De van de rekeningen van de BV's van appellant ontvangen bedragen zijn ook inkomsten in de zin van artikel 32 van de PW. Het vermogen van de BV's kan niet meer worden aangemerkt als vermogen van appellant. Dit is immers in het toekenningsbesluit bewust anders zo geregeld. Daarmee was het vermogen van de BV's toen geen beletsel voor bijstandsverlening. Appellant heeft deze situatie aanvaard. Daarom wordt appellant ook niet gevolgd in zijn stelling dat de van de rekeningen van de BV's ontvangen bedragen louter moet worden beschouwd als verschuiving van eigen middelen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1355

    Vermogen in het buitenland. OZB-register. Onverkoopbaar. Beschikken.

    PW art. 34

    Het geschil spitst zich toe op de vraag of de woning in Turkije in de te beoordelen periode een bestanddeel vormde van het vermogen waarover appellanten in die periode beschikten of redelijkerwijs konden beschikken. De omstandigheid dat een onroerende zaak in een OZB-register op naam van de betrokkene staat genoteerd rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij/zij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In deze situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn hierin geslaagd. Hun stelling dat uit het taxatierapport over de woning van 5 juli 2021 volgt dat de woning niet kan worden verkocht is aannemelijk. Uit het taxatierapport valt af te leiden dat de grond waarop de woning is gebouwd eigendom is van de Staat en dat degenen die een woning hebben gebouwd op die grond, waaronder appellant, weliswaar eigenaren van die woning zijn en om die reden 'vastgoedbelasting' betalen, maar hun woning niet kunnen verkopen. Om die reden is aannemelijk dat appellanten in de te beoordelen periode niet konden beschikken over de woning.

    N.B. Deze uitspraak is ook opgenomen onder de rubriek Algemeen bestuursrecht en bestuursprocesrecht.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1347

    AIO-aanvulling in de vorm van een lening. Beëindiging en terugvordering.

    PW art. 50 lid 1, art 58 lid 2

    Appellant heeft desgevraagd geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat ten behoeve van de SVB geen (extra) hypotheek op de woning kon worden gevestigd. Nu niet kon worden vastgesteld of appellant nog voldeed aan de voorwaarden om voor de AIO-aanvulling in aanmerking te komen, was de SVB bevoegd tot beëindiging daarvan over te gaan. De SVB heeft in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik kunnen maken. De SVB mocht verlangen dat appellant zou meewerken aan het vestigen van een hypotheek, die gericht was op zekerheid voor de nakoming van de verplichting tot terugbetaling van de gehele lening. Nu appellant die medewerking niet heeft verleend, heeft de SVB op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW de kosten van bijstand in redelijkheid kunnen terugvorderen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2022:1315

    Voorwaarden Tozo. Werkzaam als zelfstandige. Evenredigheidsbeginsel.

    Tozo art. 2 lid 1; Awb art. 3:4, tweede lid

    Artikel 2, eerste lid, van de Tozo moet zodanig worden uitgelegd dat een rechthebbende op 17 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was als bedoeld in artikel 1 om voor bijstand op grond van de Tozo in aanmerking te komen. De enkele inschrijving in het handelsregister op 17 maart 2020 is daarvoor dus niet voldoende. Het vereiste van deze inschrijving is in artikel 2 van de Tozo opgenomen om reden van eenvoudige verificatie dat een rechthebbende op 17 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was en doet er niet aan af dat de rechthebbende ook daadwerkelijk vóór 18 maart 2020 als zelfstandige werkzaam diende te zijn. Appellant voldoet niet aan die voorwaarde van artikel 2, eerste lid, van de Tozo.

    Het is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat in het kader van Tozo 2 en Tozo 3 de voorwaarde is gehandhaafd dat de rechthebbende al vóór 18 maart 2020 als zelfstandige werkzaam was. 

  • ECLI:NL:CRVB:2022:1382
    Rechtens onaantastbaar besluit. Ambtshalve herziening na uitspraak Raad. Mate van terugwerkende kracht ten voordele. Toepassing beleid. Geen fout SVB.
    AOW art. 13 lid 1 aanhef en onder b, 16 lid 2, 17 lid 3, SB1076
    In het voorliggende geval is geen sprake van een situatie die wordt bestreken door de beleidsregel inzake terugwerkende kracht bij een fout van de SVB. Het AOW-pensioen van appellant is namelijk steeds vastgesteld naar de actuele stand van de wetgeving en de beleidsregels. De SVB heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het geval dat voorligt moet worden beoordeeld aan de hand van de beleidsregel betreffende de situatie waarin, na een rechterlijke uitspraak, op een andere wijze uitvoering moet worden gegeven aan de wet- en regelgeving. In zo'n geval wordt de gewijzigde uitvoering in beginsel, en ook in deze situatie, toegepast vanaf de datum van de uitspraak in kwestie. Dit beleid is bij de Raad reeds eerder niet op bedenkingen gestuit, omdat er geen rechtsregel of norm valt aan te wijzen die de SVB verplicht om, naar aanleiding van rechtspraak, ambtshalve een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden, besluit te herzien met volledig terugwerkende kracht.

    ECLI:NL:CRVB:2022:1298
    Ingangsdatum AOW-pensioen. Aanvraag in andere lidstaat. Bijzonder geval. Verzekerde tijdvakken. Ingezetenschap. Evenredigheidsbeginsel
    Verordening (EEG) nr. 574/72 art. 36; Verordening (EG) nr. 987/2009 art. 45 lid 6; AOW art. 2, 3, 6, 16 lid 2; Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1968; SB1071
    Appellant heeft bij zijn aanvraag om ouderdomspensioen in Zwitserland in 2010 geen melding gemaakt van tijdvakken van wonen in Nederland. De SVB heeft die datum van aanvraag in Zwitserland terecht niet aangenomen als datum van aanvraag bij de SVB. Pas in 2019 heeft appellant tijdvakken van wonen, opleiding dan wel werken in Nederland doorgegeven aan het Zwitserse orgaan.
    De SVB heeft in overeenstemming met artikel 16, tweede lid, van de AOW het AOW-pensioen een jaar voorafgaande aan 25 november 2019 in laten gaan. Er was geen sprake van een bijzonder geval om een langere termijn te hanteren. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De uitspraak van de ABRvS (ECLI:NL:RVS:2022:285) noopt niet tot een evenredigheidstoets bij de vraag of sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 16, tweede lid, van de AOW. Een dergelijke toets kan wel worden aangelegd indien sprake is van een bijzonder geval en het gebruik van de bevoegdheid door de SVB om af te wijken van de termijn van een jaar ter beoordeling voorligt.