Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 14, jaargang 2023

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 14, jaargang 2023

Nummer 14, gepubliceerde uitspraken 2e helft juli jaargang 2023

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de tweede helft van juli 2023 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek.

Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl 

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2023:1413
    Aanscherping lijn toetsing geschiktheid functies. Beroepsgronden zijn voortaan leidend.
    Ook bij de toetsing van de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zullen de beroepsgronden voortaan leidend zijn. Dit betekent dat de medische geschiktheid van de geselecteerde functies – met inbegrip van de signaleringen – alleen op de aangevochten beperkingen zal worden bezien. Daarbij geldt dat aangevoerde beroepsgronden ruim zullen worden uitgelegd. Het voorgaande beoogt geen wijziging te brengen in de rechtspraak over de wijze waarop in de bezwaarfase een volledige (medische en arbeidskundige) heroverweging van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van artikel 7:11 van de Awb door het UWV dient plaats te vinden.
    Awb art. 8:69; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 4, 5, 9

    ECLI:NL:CRVB:2023:1410
    Onafhankelijk deskundige niet gevolgd. Uit rapport blijkt niet dat deskundige kennis heeft genomen van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
    In dit geding ligt de vraag voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het rapport van de onafhankelijk deskundige blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en inzichtelijk en consistent is en de rechtbank terecht de conclusies van deze deskundige heeft gevolgd. Met het UWV worden die vragen ontkennend beantwoord. Daarvoor is redengevend dat het rapport van de deskundige er geen blijk van geeft dat de deskundige kennis heeft genomen van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 juli 2019 en 18 februari 2021. Het rapport van de deskundige bevat een samenvatting van brieven uit de behandelend sector, maar noemt geen rapporten van het UWV. Ook de inhoud van deze rapporten wordt niet door de deskundige kenbaar betrokken in de beschouwing, ook niet in zijn reactie van 4 november 2021 op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 oktober 2021. De conclusies van de deskundige kunnen daarom niet worden gevolgd.
    Awb art. 8:60; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art.  4

  • ECLI:NL:CRVB:2023:1256

    Nevenwerkzaamheden van politieambtenaar als tolk/vertaler in eigen organisatie. (Schijn van) belangenverstrengeling en risico op (imago)schade. Vrije keuze van arbeid.

    Betrokkene deed als ingehuurde 'schrijftolk' hetzelfde werk als in haar eigen functie, waarbij het gaat om het woordelijk of letterlijk uitwerken van politieverhoren. In zoverre is de zaak van betrokkene niet op één lijn te stellen met ECLI:NL:CRVB:2022:2320.
    De generieke belangenafweging van de korpschef gerelateerd aan de (neven)functie van de politieambtenaar is in dit kader niet onjuist. Ongeacht welke functie de ambtenaar binnen de politie vervult, moet (de schijn van) belangenverstrengeling en (imago)schade voor de politie worden voorkomen. Dit is onvoldoende gewaarborgd indien nevenwerkzaamheden worden verricht als tolk/vertaler voor de politie. Verder stelt de Raad vast dat het betrokkene nog steeds is toegestaan om nevenwerkzaamheden als tolk/vertaler te verrichten, alleen niet binnen de eigen politieorganisatie. De vrije keuze van arbeid wordt met de besluitvorming van de korpschef niet beperkt.

    De korpschef heeft gelet op de geboden afbouwperiode van zes maanden de toestemming om binnen de politieorganisatie nevenwerkzaamheden te verrichten als tolk/vertaler mogen beëindigen.

    Ambtenarenwet 2017 art. 8 lid 1 onder a

    ECLI:NL:CRVB:2023:1347

    Consignatiedienst. Geen arbeidstijd in de zin van artikel 2 van Richtlijn 2003/88/EG.

    De in dit geval opgelegde consignatiediensten zijn geen arbeidstijd in de zin van artikel 2 van de Richtlijn. Deze consignatiediensten, met daarbij onder meer de verplichting om na een oproep binnen een uur op de standplaats te zijn, zijn niet onredelijk. De Raad kan invoelen dat appellanten het als vervelend ervaren dat zij tijdens hun consignatiediensten vanwege de reisafstand niet thuis kunnen slapen. Dit is echter het gevolg van hun woonplaatskeuze en kan daarom niet van invloed zijn op het antwoord op de vraag of hun consignatiediensten als arbeidstijd zijn te beschouwen.

    Gedurende de consignatiediensten worden niet zodanige verplichtingen aan appellanten opgelegd dat zij daardoor objectief en aanzienlijk worden beperkt in hun mogelijkheden om tijdens de dienst de tijd waarin zij niet werken vrij in te vullen en aan hun interesses te besteden. De consignatiediensten zijn dan ook niet aan te merken als 'arbeidstijd' maar als 'rusttijd' in de zin van de Richtlijn en de rechtspraak van het Hof. Dit betekent dat bij deze consignatiediensten geen sprake is van aanwezigheidsdiensten als bedoeld in het nationale recht.
    Richtlijn 2003/88/EG art. 2; AMAR art. 54a onder j, art. 58a

  • ECLI:NL:CRVB:2023:1336 

    Geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
    In het geval van appellant waren er voor het UWV onvoldoende aanknopingspunten, alvorens tot intrekking en terugvordering van de Wajong-uitkering over te gaan, zelfstandig onderzoek te verrichten naar een eventueel Chavez-verblijfsrecht van appellant. Inmiddels heeft de staatssecretaris op het Chavez-verzoek van 14 december 2017 afwijzend beslist en ook een tweede Chavez-verzoek is afgewezen. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat in de periode in geding materieel sprake was van een Chavez-situatie, op grond waarvan sprake zou zijn geweest van rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Appellant heeft zijn Chavez-aanvraag pas ingediend op 14 december 2017, dus na 8 februari 2017 (de datum per wanneer de Wajong-uitkering is ingetrokken) en ook na de periode waarover zijn Wajong-uitkering is teruggevorderd (8 februari 2017 tot en met 31 oktober 2017). In het midden kan daarbij blijven of uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2021:2530) met zich brengt dat aan appellant vanaf 14 december 2017 uitsluitend vanwege een procedureel verblijfsrecht de uitsluitingsgrond van artikel 1a:6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wajong niet langer kon worden tegengeworpen. Daarbij komt dat appellant vanaf 9 november 2017 gedetineerd was tot en met – in ieder geval – 15 mei 2018, zodat vanaf die datum ook de uitsluitingsgrond van artikel 1a:6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong geldt.
    Wajong art. 1a:2, 1a:6, 3:18, 3:56

    ECLI:NL:CRVB:2023:1408
    Onderzoek in Thailand. Geen onderzoek door verzekeringsarts. Onderzoek zorgvuldig.
    Het in de uitspraak van 23 juni 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1491) neergelegde oordeel van de Raad kan niet geacht worden ook gelding te hebben in een situatie als die van appellant, woonachtig in Turkije
    Op grond van artikel 23 van het Administratief Akkoord wordt het medisch onderzoek in het kader van de Wet WIA van verzekerden die in Turkije wonen, op verzoek van het UWV uitgevoerd door het Turkse uitvoeringsorgaan voor sociale verzekering. Op grond van artikel 24 maakt het UWV in dat geval gebruik van de geneeskundige rapporten die door het Turkse uitvoeringsorgaan worden verstrekt. Dit brengt met zich dat in deze gevallen het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door in Turkije werkzame artsen, die niet de status van een in Nederland geregistreerd verzekeringsarts hebben. Vervolgens maakt een verzekeringsarts van het UWV op grond van het uit Turkije ontvangen medische onderzoeksverslag in het zogenoemde TH213-formulier, een beoordeling van de lichamelijke en psychische beperkingen van de verzekerde, die hij neerlegt in een FML. Deze primaire beoordeling, die is gebaseerd op en uitgevoerd volgens voornoemde regelgeving, is een andere situatie dan waarvan sprake is in de door appellant aangehaalde uitspraak van 23 juni 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1491). Daarom is er geen reden voor een fysiek onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep vanwege het enkele feit dat appellant in de primaire fase niet is onderzocht door een verzekeringsarts.
    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3

    ECLI:NL:CRVB:2023:1356
    Deskundige Raad. Vrijheid onderzoek zelf in te richten.
    Koerselman heeft, naar aanleiding van het verzoek van de Raad om een neuropsychologisch onderzoek en een IQ-onderzoek te verrichten, gesteld dat hij het recht heeft om zijn onderzoek zelf in te richten, voor zover hij daarmee blijft binnen de grenzen van wat op zijn vakgebied algemeen aanvaard is. Koerselman heeft het standpunt ingenomen dat er geen indicatie is voor het verrichten van een nader neuropsychologisch onderzoek en dat hij geen enkele indicatie ziet voor een IQ-onderzoek. De Raad acht het onderzoek van deskundige Koerselman voldoende zorgvuldig en zijn conclusies zijn voldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor zijn motivering om af te zien van neuropsychologisch onderzoek en onderzoek naar het IQ.
    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 4

    ECLI:NL:CRVB:2023:1423
    Verzoek herbeoordeling werkgever. Bijzonder geval.
    De Raad volgt de rechtbank niet in het oordeel dat de omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 24 februari 2021 heeft geconcludeerd dat de volledige arbeidsongeschiktheid per 14 november 2017 tevens duurzaam was, een omstandigheid is die moet leiden tot de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval als genoemd in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. De strekking van dit artikelonderdeel is immers juist dat, ook al is het recht ontstaan op een eerder moment, dit niet eerder kan ingaan dan 52 weken voor het verzoek om herbeoordeling.
    Wet WIA art. 64 lid 11, 64 lid 12 

  • ECLI:NL:CRVB:2023:1353
    Begrip verlof bij nul-urenovereenkomst.
    Tussen partijen is niet in geschil dat appellant werkzaam was op basis van een zogenoemde nul-urenovereenkomst. Uit de feiten en omstandigheden volgt dat appellant in de maanden augustus en september 2017 geen verlof genoot in de zin van het Dagloonbesluit. Van een vooraf overeengekomen arbeidstijd tussen werkgeefster en appellant was geen sprake, zodat er evenmin sprake was van een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak waarin appellant geen arbeid jegens werkgeefster heeft verricht. Het UWV heeft bij de vaststelling van het dagloon terecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat appellant in augustus en september 2017 minder heeft gewerkt.
    Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 1 onder j

  • ECLI:NL:CRVB:2023:1387
    Maatwerkvoorziening, ingangsdatum.
    Het college onderschrijft nut en noodzaak van de reeds gestarte ondersteuning (beschermd wonen) aan appellant bij [Stichting]. Ook was het doen van een eerdere melding in dit geval moeilijk te realiseren en wordt dit door het college onderkend. Verder geldt dat als de financiering van de voorziening in de vorm van verstrekking van een pgb had plaatsgevonden, verstrekking met ingang van de begindatum van het verblijf volgens het college in beginsel mogelijk was geweest. Onder deze omstandigheden heeft het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen ten onrechte niet verstrekt met ingang van de datum waarop het verblijf van appellant bij [Stichting] is aangevangen. 
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3



Nieuwsbrieven 2024