Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 6, jaargang 2019

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 6, jaargang 2019

Nummer 6, jaargang 2019

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die in de maand juli 2019 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 Inhoud Nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2019:2334
    Korting op AOW-pensioen. Geen verboden onderscheid tussen kinderen van diplomaten en kinderen van EU-ambtenaren.
    AOW art 6; EVRM art. 14
    Appellante heeft betoogd dat de uitsluiting van de AOW-verzekering tijdens de periode waarin zij in verband met het werk van haar vader voor de EEG in Brussel woonde, moet worden aangemerkt als discriminatie in de zin van artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag. Zij heeft zich daarbij vergeleken met kinderen van door Nederland uitgezonden diplomaten en militairen, die wel tot de kring van verzekerden zijn blijven behoren. Dit betoog wordt niet gevolgd. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:184) waarin een spiegelbeeldige situatie aan de orde was, wordt geconcludeerd dat de situatie waarin appellante zich tijde in geding bevond niet vergelijkbaar is met die van niet-ingezetenen die gezinslid zijn van een door Nederland uitgezonden diplomaat. Algemeen en internationaal gebruikelijk uitgangspunt bij uitgezonden diplomaten is dat zij (en hun gezinsleden) onder het socialeverzekeringsstelsel van de zendstaat blijven vallen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2292
    Boete van € 10,-. Geen draagkracht.
    WIA art. 91; Awb art. 5:40, 5:46
    Het zou in strijd met de tekst en de strekking van de artikelen 5:40, eerste lid, en 5:46, tweede lid, van de Awb en artikel 91 van de Wet WIA zijn indien in een geval als het onderhavige, waarbij betrokkene geen financiële draagkracht heeft, de boete achterwege zou moeten blijven. Draagkracht is slechts één van de in aanmerking te nemen factoren waarmee rekening dient te worden gehouden bij het vaststellen van een evenredige boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. Een (nog) lager bedrag dan € 10,- zou het punitieve karakter van de sanctie ondergraven, omdat het volledig afzien van boeteoplegging zou betekenen dat appellante op geen enkel moment een financiële sanctie ervaart voor de overtreding die zij heeft begaan en de prikkel tot nakoming van de inlichtingenverplichting daarmee volledig zou worden weggenomen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2428
    BRP-adres. Huisbezoek. Zaken herleidbaar tot studerende. Contra-indicaties.
    WSF 2000 art. 1.1, 1.5
    Zoals de Raad eerder heeft overwogen, biedt in een situatie dat uit het van een huisbezoek opgemaakt rapport volgt dat er van de studerende nauwelijks tot hem of haar herleidbare persoonlijke zaken zijn aangetroffen, zo'n rapport op die grond aanknopingspunten voor twijfel of die studerende op het BRP-adres woont. Als de getoonde zaken uit hun aard moeilijk of niet herleidbaar zijn tot een bepaald persoon, maar waarover door middel van een nader onderzoek naar de geloofwaardigheid van de verklaring van de studerende over die zaken wel meer duidelijkheid kan worden verkregen, mag van de controleurs worden verlangd dat zij nader onderzoek verrichten. Dit kan anders zijn indien sprake is van een contra-indicatie die aannemelijk maakt dat de getoonde kamer door een ander dan de studerende wordt bewoond.
    Op de als haar slaapkamer getoonde kamer werden (verder) geen tot appellante herleidbare spullen aangetroffen, terwijl zich daar wel spullen bevonden die aantoonbaar aan een ander toebehoorden. Er was voor de controleurs ten tijde van het huisbezoek daarom geen aanleiding een nader onderzoek te doen.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2189
    Uitwonendencontrole. Niet wonen op BRP-adres. Meerdere verblijfsadressen.
    WSF 2000 art. 1.5 lid 1 aanhef en onder a
    Uit de gegevens in het dossier, waaronder de in hoger beroep overgelegde reisgegevens van appellante, volgt weliswaar dat kan worden aangenomen dat appellante ten tijde van de controle niet op het adres van haar moeder woonde, maar dat maakt niet dat zij als uitwonende studerende kan worden aangemerkt. Daarvoor is immers tevens vereist dat zij feitelijk woont op het adres waaronder zij in de BRP is ingeschreven. Dat niet kon worden vastgesteld dat appellante ten tijde van de controle woonde op haar BRP-adres [adres 1] omdat zij, zoals zij het zelf omschrijft, ervoor heeft gekozen te wonen op meer adressen dan alleen het adres waaronder zij was ingeschreven, is, gelet op het feit dat iemand slechts onder één adres kan worden ingeschreven in de BRP, iets dat voor haar risico komt. Zouden de controleurs, zoals appellante heeft voorgestaan, de woonsituatie op [adres 2] mede bij de beoordeling hebben betrokken en zouden aldaar dan diverse aan appellante toebehorende spullen zijn aangetroffen, dan zou dat niet tot een andere conclusie hebben geleid, omdat die spullen zich dan zouden hebben bevonden op een adres waaronder appellante nu juist niet in de BRP was ingeschreven.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2261
    Uitwonendencontrole. Gesprek over woonsituatie in het Engels. Verklaring niet ondertekend.
    WSF 2000 art. 1.5 lid 1 aanhef en onder a
    Gelet op de duidelijke verklaring van de hoofdbewoonster dat appellante niet woont op het BRP-adres en zij appellante ook niet kent, bestond er geen aanleiding tot het doen van bijvoorbeeld onderzoek in de woning of een buurtonderzoek. Er zijn geen aanknopingspunten dat de hoofdbewoonster, op wiens verzoek het gesprek in de Engelse taal heeft plaatsgevonden, de vragen van de controleurs niet goed heeft begrepen. De hoofdbewoonster heeft expliciet verklaard dat zij alleen met haar man en kind op het BRP-adres woont en dat daar geen persoon met de naam [naam student] woont. De door de hoofdbewoonster gegeven persoonlijke reden om af te zien van ondertekening van de door haar gegeven verklaring is valide en doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. De hoofdbewoonster is nadien ook niet teruggekomen op de door haar afgelegde verklaring als weergegeven in het rapport.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2137
    Uitwonendencontrole. Inschrijving op zelfde adres als vader. Bevestiging vaste rechtspraak.
    WSF 2000 art. 1.5 lid 1 aanhef en onder b
    De feitelijke situatie in het voormalige schoolgebouw waar appellant woonde, waarvan de ter zitting gehoorde getuigen een beschrijving hebben gegeven, duiden weliswaar op een grote mate van zelfstandigheid van de wooneenheden in het gebouw, maar voor de hier te maken beoordeling is dat niet van belang. Evenmin is van belang dat, zoals in het geval van appellant mede door de afstand tussen de wooneenheden, geen voorzieningen behoeven te worden gedeeld met de ouder die onder hetzelfde BRP-adres ingeschreven staat. Voorts komt geen betekenis toe aan de omstandigheden die hebben geleid tot het gemeenschappelijke woonadres. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op, onder meer, de uitspraken van de Raad van 25 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9728, en 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2556. Dat de vader van appellant als beheerder van het pand door de verhuurder werd verplicht in het gebouw te gaan wonen en dat appellant daar op dat moment al woonde, maakt de beoordeling dus niet anders.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2138
    Uitwonendencontrole. Schuld opgelopen door laattijdige controle.
    WSF 2000 art. 1.5 lid 1 aanhef en onder b
    Appellante is er in het toekenningsbesluit op gewezen dat (de tijdigheid van) haar inschrijving in de BRP zou worden gecontroleerd, waardoor zij op de tijdige overschrijving extra alert had kunnen zijn. Het oplopen van een schuld bij een onjuiste toekenning komt voor risico van de studerende die – ook al is dat te goeder trouw geweest – bij de aanvraag een (juridisch) onjuist beeld heeft geschetst, zoals hier bij het doorgeven van uitwonendheid terwijl daarvan volgens de wettelijke bepaling geen sprake was. De passage uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de WSF 2000 in verband met het treffen van diverse maatregelen ter bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de uitwonendenbeurs waarop appellante heeft gewezen, maakt dat – gegeven de context van die passage – niet anders. Het gaat daar immers om (niet meer dan) de beschrijving van twee standaardsituaties waarbij wordt uitgelegd hoe een onterechte (continuering van) toekenning van een uitwonendenbeurs kan worden voorkomen. Aan de herzieningsbevoegdheid doet dit niet af.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2424
    Onderwijs buiten Nederland. Advies Nuffic.
    WSF 2000 art. 2.14
    Gelet op de door de Nuffic verstrekte informatie staat genoegzaam vast dat de door appellante gevolgde opleiding aan Instituut X niet behoort tot het hoger onderwijs in Italië en dat het aldaar behaalde diploma geen recht geeft op toelating tot vervolgopleidingen in het hoger onderwijs in Italië. Dat het diploma in een ander land kan leiden tot toelating aan een vervolgopleiding, kan worden aangenomen maar leidt niet tot een andere conclusie. Dat het Zweedse accreditatieorgaan de kwaliteit en het niveau van de opleiding van appellante van voldoende niveau vindt en dat daarvoor vanuit Zweden studiefinanciering wordt verstrekt, brengt niet mee dat de opleiding vanuit het buitenland geaccrediteerd is, zoals bedoeld in de Algemene waarderingscriteria, en al evenmin dat [Instituut] daarmee in Italië tot het hoger onderwijs zou behoren. De minister heeft, ook indien de bijzondere omstandigheden waarin appellante verkeert worden bezien, geen aanleiding hoeven zien om aan appellante met toepassing van de hardheidsclausule studiefinanciering toe te kennen.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2317
    Studentenreisrecht. Ondanks de nodige inspanningen toch verwijtbaar te laat stopzetten. Verschil vervangende OV-kaart en nieuwe OV-kaart.
    WSF 2000 art. 3.27 lid 3
    De Raad ziet geen reden voor twijfel aan de door betrokkene geschetste feitelijke gang van zaken betreffende zijn inspanningen en poging om het reisproduct tijdig stop te zetten. De Raad verbindt daaraan echter niet de conclusie dat sprake is van een situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend. De (onjuiste) veronderstelling van betrokkene dat toen bleek dat het reisproduct niet op de nieuwe OV-chipkaart stond, het reisproduct was beëindigd, komt volledig voor zijn risico en rekening. Dat betrokkene naar aanleiding van een advies bij een servicepunt van het regionale vervoersbedrijf HTM in september 2016 een nieuwe OV-chipkaart heeft aangevraagd in plaats van een vervangende OV-chipkaart, waar het reisproduct – anders dan op een nieuwe kaart – automatisch op wordt overgezet, maakt het voorgaande niet anders. Toen het betrokkene duidelijk werd dat het reisproduct niet op de nieuwe OV-chipkaart stond en hij het reisproduct om die reden dan ook niet, in afwijking van het aan hem gegeven advies, met die OV-chipkaart bij de automaat kon stopzetten, had het op zijn weg gelegen direct nadere informatie in te winnen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2050
    Beoordeling arbeidsvermogen Wajong 2015.
    Wajong 2015 1a:1 lid 1; Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 1a, 9 onder e
    De stelling van appellant dat hij zodanige kenmerken heeft, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem te werk te stellen, wordt verworpen. Artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit ziet op het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit. Deze bepaling ziet niet op de vaststelling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a van het Schattingsbesluit en 1a:1, eerste lid, van de Wajong.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2075
    Aanvraag regeling toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van Hoofdstuk 2 van de Wajong stuit na 1 januari 2015 af op art. 2:15 lid 4 Wajong 2015.
    Wajong 2015 art. 2:15 lid 4; Wajong art. 2:3 lid 2; Invoeringswet Participatiewet art. III onderdeel B
    In het midden wordt gelaten of appellant als gevolg van (na de beoordeling in 2014) toegenomen beperkingen alsnog als jonggehandicapte in de zin van Hoofdstuk 2 van de Wajong dient te worden aangemerkt. Artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong, zoals dat artikel luidt per 1 januari 2015, staat in dat geval immers in de weg aan het ontstaan van een recht op arbeidsondersteuning (en in het verlengde daarvan: recht op inkomensondersteuning), aangezien het recht op arbeidsondersteuning, gelet op het moment waarop de aanvraag daartoe is gedaan, zou ingaan na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet, te weten 1 januari 2015.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2078
    Herbeoordeling hoofdstuk 3 van de Wajong op grond van beoordeling arbeidsvermogen.
    Wajong art. 3:8 lid 1, 3:8a lid 1, 8:10b lid 1; Invoeringswet Participatiewet art. III onderdeel N
    Arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en die mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie, wordt met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. In dit geval heeft betrokkene mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2485
    Onder omstandigheden kan sprake zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het UWV jegens de (ex-)werkgever indien te lang een ZW-uitkering is verstrekt. Daarvan is in dit geval geen sprake.
    ZW art. 30b lid 1; Awb art. 8:88
    De Raad heeft eerder geoordeeld dat onder omstandigheden sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het UWV jegens de (ex-)werkgever indien te lang een ZW-uitkering is verstrekt. Gelet hierop is het mogelijk dat in een bestuursrechtelijke procedure een oordeel wordt gegeven over de zorgvuldigheid waarmee een beslissing tot beëindiging van een ZW-uitkering is voorbereid en de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd. Bij het ontbreken van de vereiste zorgvuldigheid of een draagkrachtige motivering is vernietiging van een beslissing op bezwaar mogelijk, zij het dat gelet op artikel 30b, eerste lid, van de ZW dan tevens moet worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven (ECLI:NL:CRVB:2016:4860). In de hier voorliggende zaak was werkgeefster als eigenrisicodrager volledig zelf verantwoordelijk voor de re-integratie van werkneemster. Van het niet op de hoogte zijn van de toekenning van de WIA-uitkering was geen sprake. Werkgeefster heeft niettemin niet eerder dan in 2015 verzocht om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster, aan welk verzoek het UWV heeft voldaan, met de beëindiging van de WIA-uitkering met ingang van 31 december 2015 tot gevolg. Er is dus geen sprake van een situatie zoals, als theoretische mogelijkheid, is beschreven in de hiervoor genoemde uitspraak, en ook niet van omstandigheden die daarmee op één lijn kunnen worden gesteld. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is terecht afgewezen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2385
    Opleggen maatregel na werkgeversberoep. Ingangsdatum.
    WW art. 23
    Op grond van artikel 23, eerste lid, van de WW vindt de verlaging van de uitkering, die voortvloeit uit een door de werkgever ingesteld beroep, niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de uitspraak van de rechtbank is gedaan. Een afschrift van de aangevallen uitspraak is aan partijen verzonden op 8 juli 2016. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door met toepassing van artikel 23, eerste lid, van de WW de verlaging van de uitkering te laten ingaan op 9 juli 2016.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2466
    Overname loondoorbetalingsverplichting. Sign on bonus.
    WW art. 64
    De sign on bonus is een vergoeding die appellant heeft ontvangen van zijn werkgever als een soort beloning voor het opgeven van zijn dienstbetrekking in Maleisië en het aanvaarden van het nieuwe dienstverband in Europa. Het totale, daarmee gemoeide bedrag van € 160.000,- werd verdeeld in vier gelijke delen van € 40.000,- over de eerste vier jaar van de arbeidsovereenkomst. Weliswaar waren er afspraken over de betaling van de sign on bonus over een periode die ook thans aan de orde is, maar daarmee is deze vordering niet toe te wijzen aan een periode bedoeld in artikel 64 van de WW (vergelijk de uitspraak van de Raad van 14 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1408). Dat betekent dat dit loonbestanddeel niet voor overname in aanmerking komt.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2174
    Conversie WW-uitkering. Geen herleving oud WW.
    WW art. 130z, 130aa; Besluit conversie WW

    Niet is voldaan aan de in artikel 130aa van de WW genoemde voorwaarde dat het eerstbedoelde recht – het oude WW-recht – bestaat of na 1 juli 2015 herleeft. Immers, het oude recht is per 13 juli 2015 volledig beëindigd. Door de duur van de werkhervatting van werknemer is per 1 februari 2016 een nieuw WW-recht ontstaan met een arbeidsurenverlies dat groter is dan het arbeidsurenverlies van het oude WW-recht, waardoor het oude WW-recht niet herleeft. Dit betekent dat niet wordt toegekomen aan omzetting van rechten als bedoeld in artikel 130aa van WW, of aan de toepassing van het Besluit conversie WW. Dat het Ministerie een andere uitleg voorstaat omdat anders voor een (grote) groep uitkeringsgerechtigden een ongewenste (financiële) situatie ontstaat, betekent niet dat de duidelijke bewoordingen in de overgangsbepalingen uit de WW die slechts tot één uitkomst leiden, anders uitgelegd moeten worden.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2181
    Ontslag op andere gronden. Ontslagvergoeding. Geen volledige vergoeding, maar compensatie.
    CAR/UWO art. 8:8
    1. Appellante heeft aangevoerd dat de ontslagvergoeding, zoals die is vastgesteld door de rechtbank, te laag is. Zij heeft een vergoeding berekend die neerkomt op een volledige schadevergoeding, als ware zij na 1 oktober 2016 in dienst gebleven. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak gaat het bij een ontslagvergoeding als hier aan de orde niet om een volledige schadevergoeding, maar om compensatie van het aandeel van het bestuursorgaan. In zijn uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044, heeft de Raad nadere uitgangspunten vastgesteld voor het bepalen van die compensatie. Gelet op deze uitgangspunten bestaat geen aanspraak op een volledige schadevergoeding.
    2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in deze zaak het aandeel van het bestuursorgaan binnen de bandbreedte van 80-100% valt.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2180
    Verstrekking politiegegevens, disciplinair onderzoek korpschef. Privacy. Belangenafweging.
    Wet politiegegevens art. 1, 15, 16 lid 1; Besluit politiegegevens art. 2:13 lid 1; Wet bescherming persoonsgegevens (Wpb) art. 8; EU-Handvest art. 7, 8; Richtlijn 95/46/EG art. 7
    1. Anders dan is overwogen in de uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1233, vindt de verstrekking van politiegegevens in een geval als dit niet plaats ten behoeve van de uitvoering van de politietaak en is de uitzondering van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wbp niet van toepassing. Hier gaat het immers om verstrekking ten behoeve van een disciplinair onderzoek aan de korpschef als werkgever van appellant.
    2. In dit geval doet zich de rechtvaardigingsgrond voor van artikel 8, aanhef en onder f, van de Wbp. De korpschef heeft een zwaarwegend belang bij een integere politieorganisatie. In dat kader is het ook van groot belang dat de korpschef kan onderzoeken of een politiemedewerker zich al dan niet schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee aan (ernstig) plichtsverzuim. Deze belangen prevaleren boven het belang van appellant bij bescherming van diens privacy. Hierin ligt besloten dat het beroep van appellant op artikel 8 van het EU-Handvest evenmin kan slagen.
    3. De Privacyrichtlijn onderwerpt de verwerkingen van persoonsgegevens niet algemeen aan een voorafgaand onderzoek; toezicht achteraf door de bevoegde autoriteiten moet in het algemeen als afdoende worden beschouwd. Van een verplichting tot voorafgaande toetsing is hier niet gebleken.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2132
    Aanvraag gehuwden. Wonen in verschillende gemeenten. Eén van beide colleges bevoegd tot bijstandsverlening.
    PW art. 3 lid 2, 11 lid 4, 40 lid 1, 43 lid 2
    Gehuwden, die niet in dezelfde gemeente wonen, bepalen zelf bij welk van de beide tot bijstandverlening bevoegde colleges zij gezamenlijk hun aanvraag om gezinsbijstand indienen. Het college waarbij de bijstand is aangevraagd dient vervolgens overleg te plegen met het andere college dat tot de bijstandverlening bevoegd is, en de colleges dienen onderling te bepalen welk van beide colleges het meest aangewezen is om het recht op bijstand te beoordelen en te worden belast met de bijstandverlening, al dan niet met uitvoeringstechnische en financiële steun van het andere college.
     
    ECLI:NL:CRVB:2019:2172
    Niet melden op geld waardeerbare activiteiten. Intrekken bijstand. Recht niet vast te stellen. Beroep op onschuldpresumptie.
    PW art. 17 lid 1, 54 lid 3; EVRM art. 6
    Het algemeen bestuur kon de bijstand intrekken op grond van schending van de inlichtingenverplichting zonder twijfel op te roepen over de juistheid van de gronden van de in het arrest van het hof vervatte vrijspraak.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2418
    Schending inlichtingen-en medewerkingsverplichting. Meewerken aan huisbezoek. Verstrekken informatie over aanwezige man tijdens huisbezoek. Te verbinden gevolgen aan het niet voldoen aan oproeping voor zitting bij de Raad. Niet voort te zetten huisbezoek.
    PW art. 17 lid 1, 17 lid 2
    Dat appellante tijdens het huisbezoek de identiteit van de aanwezige persoon in haar woning niet wilde prijsgeven betekent niet dat zij daarmee haar inlichtingen-en medewerkingsverplichting heeft geschonden. Omdat appellante en haar gemachtigde, hoewel daartoe opgeroepen, niet zijn verschenen op de zitting bij de Raad, gaat de Raad uit van de juistheid van het verslag van het huisbezoek, waaruit is op te maken dat het huisbezoek niet mogelijk was door de dreigende sfeer en houding van appellante.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2412
    Toepassing kostendelersnorm. Commerciële relatie tussen broers. Geen sprake van discriminatie.
    PW art. 22a lid 4 aanhef en onder b (tekst tot 1-1-2016); IVBPR art. 26; EVRM art. 14; art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM
    Er is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan opgenomen in de uitspraken van de Raad van 1 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3877 en ECLI:NL:CRVB:2016:3878), waarin is geoordeeld dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie bij toepassing van de kostendelersnorm in het geval van tweedegraads bloedverwanten. De uitspraak van de Raad van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487 en het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3081, waarin wel tot een ongerechtvaardigde discriminatie is geoordeeld, zien op een ander wettelijk kader.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2360
    Niet gemelde, op geld waardeerbare, activiteiten. Fysieke waarnemingen. Geen stelselmatige observaties. Vooronderstelling aanwezigheid op bestaande werkplek. Enkele ontkenning.
    PW art. 31, 33, 54 lid 3, 58 lid 1
    Dat appellant 's morgens met een koelbox en vaak in werkkleding in een bestelbus van het bedrijf, waar hij een werkervaringsplaats had gehad, stapte en daar aan het einde van de middag ook weer uitstapte, leidt tot de vooronderstelling dat appellant op een bestaande werkplek aanwezig was, waar hij op geld waardeerbare activiteiten verrichtte.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2313
    Herzien en terugvordering bijstand. Niet gemelde inkomsten uit muziekoptredens. Beroep op artikel 31 lid 2 onder g van de PW. Onbelaste vergoeding zoals bedoeld in Wet op loonbelasting 1964. Eindheffingsbestanddeel.
    PW art. 31 lid 2g; Wet op de Loonbelasting 1964 art. 31 lid 1f
    Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn inkomsten uit muziekoptredens niet op de bijstand in mindering gebracht mogen worden op de grond dat deze een onbelaste vergoeding betreffen, zoals bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2402
    Afgewezen aanvraag. Inkomsten boven de bijstandsnorm. Huuropbrengsten. Pandrecht.
    PW art. 31 lid 1, 33
    Een pandrecht van de bank op de vorderingen die appellante had of zou krijgen op haar huurder maakt niet dat zij niet vrijelijk kon beschikken over de huuropbrengsten uit haar koopwoning, die bij de beoordeling over de hoogte van het recht op bijstand in aanmerking worden genomen.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2219
    Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand woonkostentoeslag. Met ex-partner gekochte woning. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor betaling lening. Verbreking relatie. Gegevens van de ex-partner mochten worden opgevraagd. 
    WWB art. 35 lid 1
    Het college mocht bij de beoordeling van de aanvraag om bijzondere bijstand voor een woonkostentoeslag van appellante wel stellen dat het diende te beschikken over financiële gegevens van de ex-partner, mede-eigenaar van de woning, maar mocht niet verlangen dat de ex-partner (ook) een aanvraag om bijzondere bijstand zou doen. Voor de beantwoording van de vraag of in dit geval bij de bepaling van de woonkostentoeslag de kosten van de woning in aanmerking moeten worden genomen, en zo ja, tot welk bedrag, moet bezien worden of appellante aannemelijk gemaakt heeft dat haar keuze om na de verbreking van de relatie zelf in de woning te blijven wonen, waarbij zij alle kosten van de woning voor haar rekening neemt, geen vrije keuze is en dat dus de kosten van de woning (in zoverre) moeten worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van appellante.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2233
    Beëindigen woonkostentoeslag. Opgelegde verplichting. Accepteren huurwoning. Toekennen bijstand voor bepaalde periode. Geen belastend besluit tot beëindiging. Bewijslast rust niet op college. Beroep op art. 1 van het Eerste Protocol.
    PW art. 35 lid 1, 55
    Het college was bevoegd aan appellante de verplichting op te leggen dat zij een aangeboden huurwoning niet mocht weigeren. Het besluit tot toekennen van bijzondere bijstand voor een bepaalde periode betreft geen belastend besluit tot beëindiging van bijstand, zodat het college niet aannemelijk hoeft te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan. Bij een toekenning van een uitkering - zoals in de situatie van appellante het geval is – is geen sprake van een inbreuk op een bestaand eigendomsrecht. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de Mens beschermt artikel 1 van het EP niet het recht om zich eigendom te verwerven en kan aan dat artikel evenmin het recht op uitkering van een bepaalde hoogte worden ontleend.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2260
    Schending inlichtingenverplichting. Niet melden saldo op bankrekening. Overboeking saldo naar ouders. Intrekken, terugvorderen bijstand en herzien naar als lening te verstrekken bijstand. Niet voldaan aan toepassingsvoorwaarden 58 lid 1 PW. Geen wettelijke grondslag voor terugvordering.
    PW art. 48 lid 2 onder b, 58 lid 1
    Indien vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan de om niet verleende bijstand wordt herzien naar bijstand in de vorm van een geldlening, kan de bijstand niet worden teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 van de PW.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2229
    Bevoegdheid tot verrekenen. Verrekening met tussentijds onderbroken bijstand.
    PW art. 58 lid 4
    De verrekening van middelen met de bijstand op grond van artikel 58 lid 4 van de PW is onverkort mogelijk met tussentijds onderbroken bijstand.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2165
    Verrekening schuld met bijstand. Bewijslastverdeling. Onderzoek hoogte beslagvrije voet.
    PW art. 60 lid 4; Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering art. 475d
    Het college dient in het kader van de aflossing van een schuld door middel van verrekening met de bijstand eerst onderzoek te doen naar de hoogte van de toe te passen beslagvrije voet.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2016, ECLI:NL:CRVB:2019:2017, ECLI:NL:CRVB:2019:2018, ECLI:NL:CRVB:2019:2019
    Financiering bijstand aan gemeenten.  Toepassing nieuwe verdeelmodel per 1 januari 2015. Bevoegdheid toetsing bestuursrechter. Exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften. Tekortkomingen in model. Verdeelmodel blijft buiten toepassing.
    PW art. 69, 71, 74; Besluit PW art. 6, bijlage
    In geschil is de verdeling van het uitkeringsbudget voor 2015 voor gemeenten volgens een nieuw verdeelmodel, neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift. De bestuursrechter kan een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing laten (en het besluit waar de procedure over gaat vernietigen) als het voorschrift niet zorgvuldig is voorbereid of gebrekkig is gemotiveerd en de rechter om die reden dat voorschrift niet goed kan toetsen aan hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het nieuwe verdeelmodel bevat in die zin tekortkomingen die vooral de betrokken vier centrumgemeenten raakt, zodat het verdeelmodel in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten. De staatssecretaris wordt opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar over de bijstandsbudgetten over 2015 te nemen.
     
    ECLI:NL:CRVB:2019:2263
    Hoogte individuele inkomenstoeslag. € 50,-. Exceptieve toetsing. Geen leeftijdsdiscriminatie. Geen gelijke gevallen.
    PW art. 36; Verordening 2017; EVRM art. 14
    De beroepsgronden richten zich tegen het in artikel 5 van de Verordening 2017 vastgestelde bedrag van de individuele inkomenstoeslag van € 50,- en daarmee tegen de Verordening zelf. De in de Verordening gemaakte keuze om de individuele inkomenstoeslag vast te stellen op een bedrag van € 50,- kan de terughoudende, exceptieve toetsing doorstaan. Er is geen sprake van ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2362
    Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) in het kader van de Jeugdwet.
    Jw art. 2.3; Awb art. 3:2
    Voldoende zorgvuldig onderzoek van het college naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders van appellant om zelf jeugdhulp en ondersteuning te bieden.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2370
    Hoogte pgb en kosten naturavoorziening.
    Wmo 2015 art. 2.3.6
    De hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening voor een elektrische rolstoel is afgestemd op de kosten die het college zou moeten maken als de rolstoel in natura zou worden geleverd door leverancier X. Appellant wil een rolstoel van een andere leverancier, maar daarvoor is het pgb niet toereikend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij is aangewezen op een rolstoel van een andere leverancier dan X. Er is geen onderzoek hiernaar door het college vereist.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2221
    Afgewezen verzoek om vrijstelling betaling griffierecht. Uitkeringsspecificatie waarop is vermeld dat vakantiegeld aan deurwaarder wordt overgemaakt is een besluit. Beoordeling beslag op vakantiegeld.
    Awb art. 1:3; Wet op de rechtsbijstand art. 7b
    Er staat geen rechtsregel aan in de weg dat de griffier in het kader van een verzoek om vrijstelling griffierecht om een recente uitkerings- of salarisspecificatie vraagt en dat het verzoek wordt afgewezen als de rechtzoekende niet aan dat verzoek voldoet. De uitkeringsspecificatie waarop is vermeld dat het vakantiegeld in verband met het beslag aan de deurwaarder wordt betaald, is gericht op rechtsgevolg en in die zin een besluit. Het vakantiegeld was geheel voor beslag vatbaar.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2470
    Verstrekken van looncompensatie door de SVB, vaste gedragslijn.
    Awb art. 1:3, Rlz art. 5.23 lid 6
    Het verstrekken van looncompensatie aan de Wlz-pgb-houder in verband met ziekte van een zorgverlener is een besluit. Dit besluit wordt niet genormeerd door een algemeen verbindend voorschrift, zodat sprake is van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. De uitoefening hiervan wordt genormeerd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De SVB heeft hierbij veel ruimte voor het voeren van beleid. De vaste gedragslijn van de SVB over het verstrekken van looncompensatie is aan te merken als een invulling van deze beleidsruimte.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2218
    Geen deugdelijke feitelijke grondslag voor intrekking bijstand. De beweerdelijk bij rechtbank gedane mededeling is niet opgenomen in proces verbaal.
    Awb art. 3:2, 7:12; PW art. 34
    Het nadere besluit, waarmee de bijstand is ingetrokken, berust niet op een voldoende feitelijke grondslag nu dit ziet op een door appellant betwiste mededeling zoals die is vermeld in de aangevallen uitspraak, maar niet is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank. Hieruit volgt dat dit nadere besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke feitelijke grondslag.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2122
    Te laat bezwaar. Bekendmaking besluit per e-mail. Aanvang bezwaartermijn. Bewijslastverdeling.
    Awb art. 3:41 lid 1, 2:14 lid 1, 2:17 lid 1, 6:7, 6:8, 6:11
    Uit de tekst van de melding van Outlook blijkt dat het bericht van het college is doorgestuurd naar het e-mailadres van appellanten. Het college heeft met dit bericht van Outlook aannemelijk gemaakt dat het e-mailbericht een systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt. Het was dan ook aan appellanten te onderzoeken waarom het e-mailbericht hen niet heeft bereikt.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2437
    Te laat bezwaar. Bekendmaking besluit. Verblijf in Penitentiaire inrichting. Inschrijving BRP.
    Awb art. 3:41, 6:7, 6:8; Wet BRP art. 2.39, 2.40
    Ook bij verblijf in een penitentiaire inrichting rust de verantwoordelijkheid van een juiste inschrijving in de basisregistratie personen op de gedetineerde zelf. Dit betekent dat het college het besluit naar het in de basisregistratie personen opgenomen adres van appellant heeft kunnen sturen terwijl het college van de detentie van appellant op de hoogte was.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2320
    Niet tijdig beslissen. Tot besluitvorming manen. Voorwaarden ingebrekestelling. Dwangsom.
    Awb art. 4:17 lid 3
    De vermelding van het woord "herinnering" en de woorden "tot op heden heb ik geen beslissing op bezwaar ontvangen" op stukken die verband houden met de aanvragen om bijzondere bijstand dan wel met de bezwaren tegen de afwijzingen daarvan, zijn niet als een ingebrekestelling aan te merken.
                                                                                                    
    ECLI:NL:CRVB:2019:2262
    Verrekening kostenvergoeding voor bezwaarprocedure met onverschuldigd betaalde nabestaandenuitkering en ouderdomspensioen toegestaan.
    Awb art. 4:93; AOW art. 24a; ANW art. 54
    De SVB kan een opgelegde bestuurlijke boete op grond van artikel 45 van de ANW en artikel 17i van de AOW verrekenen met (onder meer) een uitkering op grond van de ANW en de AOW. Bij Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is in artikel 45 van de ANW en in artikel 17i van de AOW een tweede lid opgenomen, waarin is bepaald dat, onverminderd het eerste lid, appellant de bestuurlijke boete kan verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, op hem heeft. Artikel 45 van de ANW en artikel 17i van de AOW zijn in respectievelijk artikel 54 van de ANW en 24a van de AOW van overeenkomstige toepassing verklaard op beslissingen inzake terugvordering van onverschuldigd betaalde ANW en AOW-uitkering. Dit betekent dat voor verrekening van onder meer een verschuldigde kostenvergoeding met een vordering uit hoofde van onverschuldigd betaalde ANW en AOW-uitkering een wettelijke grondslag aanwezig is.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2304
    Niet verschijnen op uitnodiging voor gesprek.  Regelmatige aanbieding van brief. Kennisnemen. In ontvangst nemen van brief door vijftienjarige dochter.
    Awb art. 6:8
    De omstandigheid dat de vijftienjarige dochter van betrokkene heeft getekend voor de ontvangst van de brief met de uitnodiging voor een gesprek betekent niet dat betrokkene geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de brief.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2214
    Niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
    Awb art. 6:11
    Appellant kan niet gevolgd worden in zijn standpunt dat het college het bestreden besluit niet had mogen verzenden op de datum waarop hij na een daartoe verkregen verlof van het college met vakantie zou gaan. Naar vaste rechtspraak geeft de bekendheid van een bestuursorgaan met langdurige afwezigheid van een betrokkene in het algemeen geen rechtsplicht om niet over te gaan tot bekendmaking van een besluit aan die betrokkene. De Raad ziet geen reden te oordelen dat dit uitgangspunt hier niet van toepassing is. De omstandigheid dat het besluit al drie weken voor de verzenddatum was genomen, rechtvaardigt niet de conclusie dat het college het tijdstip van verzending zo heeft uitgekozen dat er een gerede kans zou zijn dat appellant geen of niet tijdig kennis zou krijgen van het bestreden besluit. Appellant heeft de handelwijze van het college misleidend en in strijd met de rechtszekerheid genoemd, omdat hij nog maar kort tevoren van de zijde van het college een (ander) besluit had ontvangen dat zowel per aangetekende post, per gewone post als per e‑mail naar hem was gestuurd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is niet onaanvaardbaar dat een bestuursorgaan de wijze van verzending van belangrijke brieven door de omstandigheden van het geval laat bepalen.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2430
    Ontheffing van werkzaamheden. Schadevergoeding. Gemis van vrije tijd.
    Awb art. 6:11
    Gemis van vrije tijd levert in een situatie als deze een voor vergoeding in aanmerking komende schadepost op. De Raad heeft eerder overwogen dat voor vergoeding in aanmerking komt de schade die is geleden door gemiste vrije tijd, waardoor de betrokken ambtenaar de gelegenheid is onthouden om die tijd te besteden aan door hem te bepalen ontplooiingsmogelijkheden of andere activiteiten. De Raad heeft aan de aard van de activiteiten geen beperkingen gesteld. Het gaat erom dat de betrokken ambtenaar de gemiste vrije tijd niet heeft kunnen invullen met activiteiten naar eigen keuze. Omdat de schade van appellant naar zijn aard niet kan worden berekend, zal de Raad de schade begroten. In lijn met zijn uitspraak van 2 april 2009 en de in die zaak toegekende vergoeding moet de schade wegens gemis van vrije tijd in dit geval worden begroot op een bedrag van € 500,- per maand voor de periode van 1 januari 2016 tot 1 december 2016 en voorts op € 330,- per maand voor de periode van 1 december 2016 tot 1 juli 2017.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2031
    Bevoegdheid bestuursrechter bij besluiten tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van een ondertoezichtstelling.
    Awb art. 7:1, 8:1, 8:5
    Het besluit tot jeugdhulp, bestaande uit een uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode waarvoor de machtiging uithuisplaatsing door de kinderrechter wordt verleend, is
    niet opgenomen in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (Bijlage 2 bij de Awb). Onder verwijzing naar de bedoeling van de wetgever en de rol van de kinderrechter in het systeem van rechtsbescherming, wordt geoordeeld dat geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2283
    Dat door administratieve onvolkomenheden niet aanstonds duidelijk was ten behoeve van welke beroepszaak het griffierecht werd betaald, is geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
    Awb art. 8:41
    Vast staat dat namens appellante vervolgens op 23 augustus 2017 het griffierecht is betaald. De rechtbank en appellante verschillen hierover niet van mening. Voorts staat vast dat de betaling van het griffierecht is geschied op de door de rechtbank aangewezen bankrekening. Daarmee is voldaan aan het wettelijke vereiste van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb. Dat daarbij door administratieve onvolkomenheden niet aanstonds duidelijk was ten behoeve van welke beroepszaak het griffierecht werd betaald, doet daar niet aan af. Daarbij wordt erop gewezen dat, afgezien van het bepaalde in artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb, de Awb of enige op de Awb gebaseerde regeling, geen nadere administratieve voorschriften geeft over de betaling van het griffierecht. Voor zover door de rechtbank nog werd getwijfeld over de bestemming van de betaling van appellante, had uit de e-mail van de gemachtigde van appellante van 24 augustus 2017, dus daags na de betaling, eenvoudig afgeleid kunnen worden ten behoeve van welke beroepszaak die betaling werd verricht.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2359
    Medeterugvordering. Intrekking en terugvordering herroepen in dictum. Uitgaan van dictum.
    Awb art 8:72; PW art. 59 lid 2
    In de motivering van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de zaak van de bijstandsgerechtigde de intrekking van de bijstand herroepen en overwogen dat van de terugvordering wordt afgezien op grond van dringende redenen. In het dictum heeft de rechtbank echter ook de terugvordering herroepen. Uitgegaan moet worden van dit dictum, zodat in de hoger beroepszaak van appellant tegen de medeterugvordering moet worden geoordeeld dat de medeterugvordering geen stand kan houden.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2013
    ABP Keuzepensioen. Schadevergoeding. Geen causaal verband.
    Awb art. 8:73, 8:88
    Daargelaten of, zoals appellant stelt, het college onrechtmatig heeft gehandeld, kan niet worden geoordeeld dat de door appellant gestelde schade in een zodanig verband staat met dat handelen dat deze het college als een gevolg daarvan kan worden toegerekend. De in 2013 verstrekte berekeningen zijn opgesteld in het kader van onderhandelingen over een ontslag per 1 januari 2016. Op de berekeningen is vermeld dat de genoemde bedragen een indicatief karakter hebben en dat er geen rechten aan kunnen worden ontleend. Hierbij is van belang dat het college geen bindende uitspraken kan doen over de hoogte van het keuzepensioen en de in dat verband verschuldigde loonheffing en premies. Appellant heeft ingestemd met het ontslag en heeft op dat moment het destijds genoemde indicatieve netto‑maandinkomen van € 1.725,96 toereikend geacht. De verkoop van de woning in Duitsland is in 2015, ongeveer twee jaar na de genoemde onderhandelingen, in gang gezet en hield blijkens de stukken mede verband met hoge woonlasten. In de omstandigheden van dit geval had het op de weg van appellant gelegen om voorafgaand aan de verkoop nadere informatie in te winnen bij, in de eerste plaats, het ABP over de precieze hoogte van het per 1 januari 2016 te ontvangen pensioen. Dit heeft appellant nagelaten.