Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 23, jaargang 2021

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 23, jaargang 2021

Nummer 23, gepubliceerde uitspraken 1e helft december, jaargang 2021

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt twee keer per maand uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een uitzondering na, in de eerste helft van december 2021 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2021:3038
    Wijziging rechtspraak over beoordeling woonplaats.
    PW art. 40 lid 1; BW art. 1:10 lid 1, 1:11 lid 2
    In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het BW. Ingevolge artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijke persoon zich te zijner woonstede, dat wil zeggen daar waar hij daadwerkelijk woont, en bij gebreke van een woonstede, ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Onder woonstede wordt een woning verstaan. De woonstede van een betrokkene is dan daar waar zijn hoofdverblijf is. Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, is dan ook, anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak, uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3058
    Afwijzing aanvragen. TOZO. Kosten bedrijfskapitaal. Liquiditeitsprobleem niet aannemelijk.
    TOZO art. 10 lid 1, 12 lid 1 sub b en c
    Een liquiditeitsprobleem betekent dat de zelfstandige (tijdelijk) over onvoldoende direct beschikbare geldmiddelen beschikt om aan de aan het bedrijf of zelfstandig beroep verbonden financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Om in aanmerking te komen voor bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal moet de zelfstandige hebben verklaard en aannemelijk gemaakt dat hij een liquiditeitsprobleem heeft. Appellant heeft met de door hem gegeven verklaringen en overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de coronacrisis onvoldoende geldmiddelen heeft om aan de financiële verplichtingen verbonden aan zijn bedrijf te kunnen voldoen, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Tozo. 

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3059
    Weigering verlenging BBZ. Weigering bijstand. Beroep op individualiseringsbeginsel, zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en menselijke maat slaagt niet.
    BBZ 2004 art. 1 sub b, 2 lid 1 sub b, 23 lid 1; PW art. 18 lid 1
    De in artikel 23, eerste lid, van het Bbz 2004 opgenomen termijn van 36 maanden is 1 februari 2018 op verstreken. Appellant niet voldoet aan de in dat artikel genoemde voorwaarden om voor verlenging van die termijn in aanmerking te komen. Die bepaling biedt het college geen ruimte om de termijn te verlengen in verband met de daling van de omzet van de onderneming. Appellant was steeds volledig beschikbaar voor de uitoefening van de onderneming. De beroepsgrond dat het college die termijn met toepassing van het in artikel 18, eerste lid, van de PW opgenomen individualiseringsbeginsel had moeten verlengen, slaagt niet. Artikel 18, eerste lid, van de PW biedt daartoe niet de mogelijkheid, omdat appellant geen recht heeft op voortzetting van bijstand op grond van het Bbz 2004. Deze afstemmingsbepaling kan pas worden toegepast nadat is vastgesteld dat een recht op bijstand bestaat. Nu appellant op grond van het Bbz 2004 geen recht heeft op verlenging van bijstand slaagt de beroepsgrond dat het college in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat niet in acht heeft genomen evenmin. Een betrokkene die voldoet aan de criteria van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bbz 2004 kan alleen in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van dit besluit eventueel aanspraak maken op bijstand ingevolge het Bbz 2004.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3063
    Afwijzing aanvraag. Betalingen uit een geldleningovereenkomst. Bron van de middelen.
    PW art. 31 lid 1, 32 lid 1, 34 lid 1
    Vaststaat dat betrokkenen hun onderneming aan A hebben verkocht voor een bedrag van € 11.000,-. Dit geldbedrag is afkomstig uit de verkoop van een vermogensbestanddeel. Dit geldbedrag moet worden aangemerkt als vermogen. Hieraan doet niet af dat betrokkenen en A, ter voldoening van de koopsom, met elkaar zijn overeengekomen dat betrokkenen A een geldlening van € 11.000,- verstrekken die in maandelijkse termijnen wordt afgelost. Deze constructie, die neerkomt op een betaling in termijnen, brengt niet mee dat het nog uit te betalen deel van de koopsom wijzigt van vermogen naar inkomen. De bron van het middel is en blijft de verkoop van de onderneming en blijft daarmee vermogen.


  • ECLI:NL:CRVB:2021:3037

    Ingezetene-begrip bij maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie.

    Wmo 2015 art. 1.2.1 aanhef onder a, 2.3.5 lid 1 aanhef onder a.

    Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft is bepalend de plaats waar hij daadwerkelijk woont. De vraag waar iemand woonplaats heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het college heeft op basis van het onderzoek van de sociale recherche terecht geconcludeerd dat appellant in de periode in geding niet zijn woonplaats had in Heerlen.

  • ECLI:NL:CRVB:2021:3152

    Geen ambtshalve toets onderzoek niet-geregistreerde verzekeringsarts. Hoorzitting niet gelijkgesteld met spreekuur

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3

    Tussenuitspraak. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1821) is de vraag of het medisch onderzoek is uitgevoerd door een geregistreerde verzekeringsarts niet van openbare orde en beoordeelt de bestuursrechter dit punt dan ook niet ambtshalve. In de primaire fase heeft geen spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts plaatsgevonden. In de bezwaarfase heeft ook geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. Appellante is wel verschenen op de hoorzitting, waaraan ook een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deelgenomen. Zoals volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1991) kan een hoorzitting niet met (de beslotenheid van) een spreekuur worden gelijkgesteld.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3113

    Ten onrechte herziening. Niet redelijkerwijs duidelijk dat geen recht op Wajong-uitkering bestond.

    Wajong art. 3:18

    Herziening Wajong-uitkering omdat appellante vanwege studie een financiële vergoeding van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft gekregen en daarom geen recht had op een uitkering. Het is aan het UWV om aannemelijk te maken dat het appellante redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat te veel uitkering is verstrekt. In dit geval is het UWV daarin niet geslaagd. Appellante had op het aanvraagformulier de haar op dat moment bekende informatie volledig ingevuld. Het had in de rede gelegen dat het UWV navraag had gedaan op de door appellante vermelde aanvraag om tegemoetkoming. Een dergelijke navraag is niet gedaan.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:2945

    Loonsanctie. Mogelijk loonwaarde van 65% van het loon verdiend. Geen bevredigend resultaat.

    WIA art. 25 lid 9

    Doordat werkneemster kort voor het einde van de wachttijd haar uren heeft uitgebreid naar 13 uur per week, is mogelijk sprake van een loonwaarde van (precies) 65% van het loon dat zij voor haar ziekte verdiende. Desondanks is geen sprake van een bevredigend resultaat in de zin van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter. Aan het einde van de wachttijd stond namelijk nog onvoldoende vast dat de werkhervatting van werkneemster een structureel karakter had. De wijziging van de arbeidsovereenkomst, waarbij de urenomvang definitief is teruggebracht naar 13 uur per week, is namelijk pas op 16 oktober 2018 tot stand gekomen en ging in op 1 oktober 2018, dus geruime tijd na het einde van de wachttijd. Evenmin is sprake geweest van een intensief re-integratietraject waarbij appellante al het mogelijke heeft gedaan om te komen tot werkhervatting die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werkneemster.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3031

    Geen spreekuur met verzekeringsarts. Geen (afdoende) motivering verzekeringsarts bezwaar en beroep. Door UWV ter zitting gegeven motivering. 

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 3

    Er is in de bezwaarfase geen spreekuurcontact geweest met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat geen dan wel een impliciete motivering voor het afzien van een spreekuurcontact. Aan de door de gemachtigde van het UWV ter zitting gegeven motivering dat gelet op het (dossier)onderzoek van de alle aan de verzekeringsarts ter beschikking staande gegevens volgens deze gemachtigde geen spreekuurbezoek vereist was, komt geen betekenis toe. Immers, op grond van de rechtspraak van de Raad moet deze motivering afkomstig zijn van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV en niet van een juridisch medewerker van het UWV.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3046

    Terugvordering voorschot.

    Wet WIA art. 77

    Bij voorschotverlening moet uitgangspunt zijn dat een bestuursorgaan de relevante omstandigheden in aanmerking neemt en dat de verlening op een zorgvuldige wijze plaatsvindt. Het UWV heeft dit in deze zaak onvoldoende gedaan. Ten tijde van toekenning van het voorschot per 16 september 2016 moest het voor het UWV duidelijk zijn dat per 26 september 2014 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Daarbij had het UWV zich moeten realiseren dat gelet op die datum de kans aanmerkelijk was dat de duur van de loongerelateerde uitkering inmiddels zou zijn verstreken en appellante in ieder geval niet meer voor een WIA-uitkering met een hoogte in dezelfde orde van grootte als het voorschot in aanmerking zou komen terwijl de kans dat appellante voor een WW-uitkering in aanmerking zou komen onwaarschijnlijk zou zijn. Hier komt nog bij dat het UWV buiten toedoen van appellante niet voortvarend op haar aanvraag heeft beslist en pas in januari 2017 de toekenningsbesluiten heeft genomen, waardoor het terug te vorderen bedrag (nog) hoger is geworden en deels is gebruteerd.

     

    ECLI:NL:CRVB:2021:3047

    Loonsanctie. Eerste en tweede spoor. Zelfstandige organisatie.

    Wet WIA art. 25 lid 9, 65; Beleidsregels beoordelingskader poortwachter

    De rechtbank moet voor de toepassing van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter worden aangemerkt als een zelfstandige organisatie. Appellant wordt gevolgd in zijn standpunt dat de re-integratie-inspanningen binnen de eigen rechtbank als activiteiten in het eerste spoor zijn aan te merken en de re-integratie-inspanningen daarbuiten als activiteiten in het tweede spoor. 

  • ECLI:NL:CRVB:2021:3138

    Betalingsonmacht. Bewijslastverdeling.

    WW art. 61

    Met de faillietverklaring van [BV 1] op 25 januari 2017 staat de betalingsonmacht per die datum in ieder geval vast. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraken van 1 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6301 en 5 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5107) is het, gezien het karakter van de in Hoofdstuk IV van de WW opgenomen regeling, in eerste instantie aan de werknemer om aannemelijk te maken dat de werkgever al vóór de faillissementsdatum in een blijvende toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen. Dit uitgangspunt brengt mee dat op het UWV de verplichting rust aanvullend onderzoek te doen indien de door appellant verstrekte gegevens wijzen in de richting van betalingsonmacht. Het enkel niet betalen van loon door de werkgever is onvoldoende om betalingsonmacht aan te nemen, omdat dat niet uitsluit dat sprake is van betalingsonwil. De omstandigheid dat de toegewezen loonvorderingen uiteindelijk tot het faillissement van [BV 1] hebben geleid, betekent niet dat [BV 1] reeds op de datum van het kortgedingvonnis betalingsonmachtig was, wordt daarom eveneens onderschreven.