Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 1, jaargang 2020

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 1, jaargang 2020

Nummer 1, jaargang 2020

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een paar uitzonderingen na, in de maand januari 2020 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2019:4351

    Vertrouwensbeginsel. Mededeling medewerker klantcontactcentrum. Verblijfsduur buitenland. Gerechtvaardigde verwachting. Geen zwaarwegende belangen.

    Vertrouwensbeginsel

    Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, omdat appellante in dit geval mocht afgaan op de mededeling van de medewerker van het klantcontactcentrum over de verblijfsduur in het buitenland. Er zijn geen zwaarwegende belangen op grond waarvan het college niet gehouden zou zijn aan de gerechtvaardigde verwachting van appellante te voldoen.

    ECLI:NL:CRVB:2020:87

    Schadeverhaal. Onderzoekskosten Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V.

    CAR/UWO art. 15:1:12 lid 1

    Het college heeft met toepassing van artikel 15:1:12, eerste lid, van de CAR/UWO appellant verplicht de schade te vergoeden die de gemeente heeft geleden als gevolg van het door appellant gepleegde plichtsverzuim, bestaande uit onder meer verduisterde contante betalingen, misgelopen betalingen en de kosten van onderzoek van Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. De Raad is van oordeel dat de vordering van de kosten van het onderzoek van Hoffmann het eerste onderdeel van de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan.

    ECLI:NL:CRVB:2020:142

    Bevorderingsperiodiek. Definitieve geschilbeslechting.

    Awb art. 8:41a

    De Raad stelt vast dat appellante het verzoek om een periodieke verhoging in de bezwaarfase heeft gedaan. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de Raad hierover oordelen, nu de korpschef op dit verzoek, ook wat betreft het verleden, inhoudelijk is ingegaan en voldoende samenhang bestaat met het reeds aan de orde zijnde besluit.

    ECLI:NL:CRVB:2020:10

    Beoordeling schadevergoeding in verband met onrechtmatige huisbezoeken.

    Awb art. 8:88 lid 1

    Er is geen grond om de schadevergoeding van € 200,- in verband met een onrechtmatig huisbezoek niet als billijke vergoeding aan te merken. Er is evenmin grond om de verzoeken om schadevergoeding in verband met de overige, gestelde onrechtmatige huisbezoeken toe te wijzen omdat de huisbezoeken niet hebben geleid tot een (onrechtmatig) besluit. Het verzoek om schadevergoeding in verband met de handelwijze van medewerkers van het college is terecht afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onrechtmatig handelen van de medewerkers.

  • Dubbele kinderbijslag. Verblijf in internaat. Afstandscriterium. Niet discriminatoir. Geen schending eigendomsrecht.

    AKW art. 7 lid 6; EVRM art. 14; EP EVRM art. 1

    Met ingang van 1 januari 2015 zijn de voorwaarden waaronder een verzekerde recht kan hebben op dubbele kinderbijslag aangescherpt. Een reden hiervoor was gelegen in een motie van de Tweede Kamer in het kader van een discussie over moskee-internaten. Een andere reden was de wens de regeling zo in te richten dat er een helder en concreet verband was tussen het uitwonend zijn en het volgen van onderwijs. Om dit te bereiken is onder andere als voorwaarde opgenomen dat er een afstand van ten minste 25 kilometer moet zijn tussen de onderwijsinstelling en het huis van de ouders of verzorgers. Als aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, wordt er reeds hierom door de wetgever onvoldoende noodzaak gevonden om het uitwonend zijn te financieren. Deze voorwaarde is objectief en algemeen geldend en is dus niet discriminatoir. Het criterium voldoet ook aan het proportionaliteitsvereiste en geldt bovendien voor alle rechthebbenden op kinderbijslag, zodat niet gezegd kan worden dat de maatregel gericht is op het ontnemen van eigendom aan een bepaalde groep personen. Op het niveau van de wet- en regelgeving is er dus geen schending van het recht op het ongestoord genot van eigendom. Evenmin kan tot het oordeel worden gekomen dat in de situatie van appellant er sprake is van een buitensporige last.

    ECLI:NL:CRVB:2020:4

    Geen strijd met de onschuldpresumptie. Sepot. Gebrek aan bewijs en vrijspraak echtgenoot.

    EVRM art. 6

    Geen strijd met de onschuldpresumptie. Uit het sepot in de strafzaak van appellante is niet op te maken wat de redenen voor de Officier van Justitie zijn geweest om over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. In de bestuursrechtelijke procedure worden minder strenge eisen aan het bewijs gesteld dan in de strafrechtelijke procedure. De onschuldpresumptie strekt niet zover dat appellante een geslaagd beroep kan doen op de vrijspraak van haar echtgenoot in een strafrechtelijke procedure.

    ECLI:NL:CRVB:2020:123

    Geen strijd met onschuldpresumptie. Veroordeling strafrechter.

    EVRM art. 6 lid 2

    De rechtbank heeft wat ten laste is gelegd bewezen geacht, namelijk dat appellant in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd. Vanwege deze veroordeling kan handhaving van de besluitvorming over de terugvordering van bijstand geen twijfel zaaien over de vraag of appellant voor onschuldig moet worden gehouden. Hieraan doet niet af dat de strafrechter bij het bepalen van de strafmaat is uitgegaan van een bedrag aan inkomsten van appellant dat aanzienlijk lager is dan de bij de bijstand van appellant in aanmerking genomen middelen.

    ECLI:NL:CRVB:2020:126

    Boete herzien door bestuursrechter. Beoordeling van hoogte terugvordering. Beroep op onschuldpresumptie.

    EVRM art. 6 lid 2

    Een door de bestuursrechter verlaagde boete leidt niet tot schending onschuldpresumptie indien dezelfde bestuursrechter de hoogte van de terugvordering niet wijzigt.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:33

    Wlz-behandeling. Onderzoek CIZ.

    Wlz art. 3.11 lid 1, 11.1.5 lid 1 onder a; Blz art. 5.2.1 lid 2

    CIZ beoordeelt of bij ministeriële regeling aan te wijzen personen met een somatische, psychogeriatrische aandoening of lichamelijke of verstandelijke beperking in aanmerking komen voor behandeling op grond van de Wlz.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:69

    Wijziging norm. Niet rechthebbende EU-partner. Informatie van staatssecretaris. Geen aanleiding voor afstemming 50% norm.

    PW art. 18 lid 1, 24

    Het college mocht afgaan op juiste toepassing van het unierecht door de staatssecretaris en behoefde niet nader in contact te treden met de staatssecretaris en/of zelf te beoordelen of de partner met de Hongaarse nationaliteit met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. De niet rechthebbende EU-partner heeft mogelijkheden om te werken en zou dus met appellant recht op bijstand kunnen krijgen zodat er geen bijzondere situatie is de bijstand van appellant die is verlaagd tot 50% van de norm, te verhogen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:73

    Ingangsdatum AIO-aanvulling. Melding/aanvraag om bijstand. Ambtshalve toegestuurd aanvraagformulier.

    PW art. 47a, 47d

    Het toesturen van een aanvraagformulier om een AIO-aanvulling aan te vragen op 2 november 2016 is een spontane serviceverlening van de SVB naar aanleiding van de inschrijving in de BRP op 19 oktober 2016 van de echtgenoot van appellante. Een dergelijk bericht is niet afkomstig van appellante of haar echtgenoot en kan reeds daarom niet worden aangemerkt als een melding om bijstand aan te vragen. Ook uit overige stukken is niet af te leiden dat appellante heeft verzocht om een AIO-aanvulling naar de norm voor gehuwden op de grond dat haar echtgenoot inmiddels rechtmatig in Nederland verblijft en dus wel rechthebbende is. Door het toezenden van het aanvraagformulier is in deze zaak daarom geen melding tot stand gekomen.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:38

    Uitsluitingsgrond. Verblijf in het buitenland. Dwingendrechtelijke bepaling.

    WW art. 19 lid 1 onder e, 20 lid 1 onder a

    Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is een dwingendrechtelijke bepaling die geen ruimte biedt om bij de toepassing ervan rekening te houden met de individuele omstandigheden en de redenen waarom appellant buiten Nederland heeft verbleven. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan dit aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Het feit dat sprake was van een tijdelijke noodsituatie, de woning vlak over de grens in Duitsland lag, appellant daar relatief kort heeft verbleven en het leven van appellant en zijn kinderen in de periode in geding gericht was op Nederland vormen geen bijzondere omstandigheden, die moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de dwingendrechtelijke bepaling als hier aan de orde.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:66 (zie ook het persbericht)

    Weigering DNA af te staan ten behoeve van DNA-eliminatiedatabank. Rechtspositionele gevolgen. Ontbreken wettelijke grondslag.

    Grondwet art. 11; Reglement DNA-eliminatiedatabank Forensische Opsporing Politie

    Appellanten is voor het afstaan van hun DNA geen keuze geboden op basis van daadwerkelijke vrijwilligheid. Appellanten hebben geen vrije keuze gehad, reeds omdat zij hun toestemming niet konden weigeren zonder (aanzienlijke) nadelige gevolgen. Nu in dit geval een wettelijke grondslag ontbreekt is de beperking door de korpschef van het grondrecht van appellanten op onaantastbaarheid van het lichaam in strijd met artikel 11 van de Grondwet. De grote mate van vrijheid van de korpschef bij de inrichting van zijn organisatie gaat echter niet zover dat daarmee een ongeoorloofde inbreuk gemaakt mag worden op de grondrechten van de politiemedewerkers. De korpschef mocht daarom niet besluiten om appellanten, vanwege hun weigering DNA af te staan, geen werkzaamheden te laten verrichten op de Maatwerk en Maatwerk-Plus plaatsen delict.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:145

    Ongeschiktheidsontslag.

    Barp art. 94 lid 1 onder g

    1. De rechtbank had gezien haar oordeel, dat de primaire ontslaggrond geen stand houdt, het beroep gegrond moeten verklaren en het bestreden besluit wat betreft die ontslaggrond moeten vernietigen, met een bepaling over proceskosten en griffierecht.

    2. De verweten gedragingen laten zien dat appellant de voor zijn functie vereiste grondhouding mist. Het beeld rijst op van een politieambtenaar die zijn emoties keer op keer niet in de hand heeft, niet of onvoldoende in staat is tot zelfkritiek en –reflectie, waarschuwingen in de wind slaat en herhaaldelijk niet in staat is gebleken de-escalerend op te treden. Het betoog van appellant dat de hem verweten gedragingen uitsluitend zijn privésfeer raken en geen verband houden met het werk wordt niet gevolgd. Het gaat hier om duidelijk grensoverschrijdend gedrag, dat is terug te voeren op zijn eigenschappen, mentaliteit en instelling. Ook houding en gedrag kunnen de conclusie rechtvaardigen dat van functieongeschiktheid sprake is. Dat is in dit geval aan de orde.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:59

    Uitwonendencontrole. Herziening. Hardheidsclausule. Onomstotelijk bewijs. Weging van bewijsmiddelen.

    WSF 2000 art. 1.5, 9.9

    Appellante heeft in de periode in geding op adressen in Arnhem, Utrecht en Amstelveen (tijdelijk) verblijf gehad. In Utrecht en Amstelveen heeft zij niet in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven gestaan. Ten tijde van de controle voldeed zij niet aan de voorwaarde dat zij feitelijk woonde op het adres waaronder zij in de BRP in Arnhem ingeschreven stond, omdat zij toen net was verhuisd naar een ander adres in die stad, maar nog niet was overgeschreven. Om aan herziening van de studiefinanciering te ontkomen, moest zij daarom onomstotelijk bewijs leveren dat zij voorafgaand aan haar verhuizing wel op haar BRP-adres hoofdverblijf heeft gehad en gehouden. Zij is daarin geslaagd. Aan de hand van reisgegevens en getuigenverklaringen, waaronder die van verschillende buren en vriendinnen en van haar Arnhemse werkgever, is duidelijk geworden dat appellante voornamelijk in Arnhem verbleef en dat zij haar hoofdverblijf niet heeft gehad in Utrecht en/of Amstelveen. Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, moet worden afgeleid dat zij is blijven wonen op het BRP-adres in Arnhem waar zij naartoe is verhuisd vanuit de ouderlijke woning. Dat zij af en toe ook in Utrecht en Amstelveen op door haar gehuurde kamers verbleef, doet aan deze conclusie niet af. De minister had daarom met toepassing van de hardheidsclausule van herziening moeten afzien.