Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 8, jaargang 2019

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 8, jaargang 2019

Nummer 8, jaargang 2019

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die in de maand september 2019 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2019:2973
    Geen dwaling, geen nova.
    Awb art. 4:6
    In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad stelt de Raad voorop dat de omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en te dien aanzien een vaststellingsovereenkomst sluiten, een geslaagd beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst niet uitsluit. In dit geval is er geen sprake van dwaling. Niet gebleken is dat appellant onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomst is aangegaan. Appellant heeft er, om hem moverende redenen, bewust voor gekozen om het tussen hem en de staatssecretaris bestaande geschil te beëindigen met de overeenkomst. Daarmee heeft hij zichzelf de mogelijkheid ontnomen om het ontslagbesluit ter toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen en zekerheid te verkrijgen over de rechtmatigheid ervan. De Raad is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd. De Raad is evenmin gebleken van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, die voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn om terug te komen van het bepaalde in de overeenkomst.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3089
    Volledige heroverweging in bezwaar.
    Awb art. 7:11
    Het in bezwaar geldende uitgangspunt van een volledige heroverweging ex nunc brengt met zich dat in beginsel bij die heroverweging getoetst moet worden aan de regelgeving en het beleid ten tijde van de te nemen beslissing op bezwaar. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om af te wijken van dit uitgangspunt. Wel kan in bijzondere gevallen aanleiding bestaan van dit uitgangspunt af te wijken. Van zo'n bijzonder geval is sprake als de belanghebbende door toepassing van het oude recht in een duidelijk gunstiger positie komt. Dit is hier niet het geval.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3090
    Beoordelingsvrijheid. Zelf voorzien.
    Awb art. 8:72 lid 3 onder b
    Dat het college beoordelingsvrijheid heeft bij de vaststelling of het in het belang van de dienst nodig is een ambtenaar te verplichten andere werkzaamheden te verrichten, hoefde de rechtbank er niet van te weerhouden zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 1 juli 2015 te herroepen. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het dienstbelang vorderde dat betrokkene fulltime bij [afdeling] werd geplaatst, omdat de daaraan door het college ten grondslag gelegde motivering ondeugdelijk is bevonden. Kennelijk heeft de rechtbank geen mogelijkheden tot herstel van dit gebrek gezien. Ook de Raad is van dergelijke herstelmogelijkheden, mede in aanmerking genomen de uiterst summiere motivering van het inhoudelijke deel van het hoger beroep, niet gebleken. De rechtbank mocht daarom zelf in de zaak voorzien.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:3018
    Toetsingskader duurzaam gescheiden leven
    AOW art. 1 lid 3 onder b
    Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
    25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) is van duurzaam gescheiden leven eerst sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden. Volgens eveneens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2400) kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van het huwelijk de betrokkenen de intentie hebben − al dan niet op termijn − een echtelijke samenleving aan te gaan, maar dat niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant (vergelijk de uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2951
    Woonvoorziening. Niet verhuisd naar geschikte woning.
    Wmo 2015 art. 2.3.5 lid 3
    Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de woning waarnaar appellante is verhuisd, niet geschikt voor haar was, omdat de woning voor
    € 38.295,- moet worden aangepast. Het college heeft voorafgaand aan de aankoop van de woning ook geen schriftelijke toestemming verleend om te verhuizen. Onder verwijzing naar de onder de Wmo 2007 gewezen rechtspraak ligt het onder deze omstandigheden op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat geen geschikte woning beschikbaar was.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3087
    Hotelovernachtingen in dit geval begeleiding in de zin van artikel 6 Bza
    Bza art. 6
    In het uitzonderlijke geval van appellante kunnen de dagelijkse hotelovernachtingen van appellante, waarbij de nachtportier van het hotel voorkomt dat appellante 's nachts gaat dwalen door de dan intredende dissociatieve stoornis, worden aangemerkt als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Bza.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2818
    Verhouding tussen besluitvorming op grond van de Wet BRP en de PW. Niet zorgvuldige, ongemotiveerde besluitvorming over intrekken, terugvorderen en boete. Wonen op uitkeringsadres. Opschortingsbesluit BRP. Nader onderzoek. Opdracht tot nemen nieuwe beslissingen op bezwaar geldt niet voor de boete. Boete wordt herroepen.
    PW art. 17 lid 1, 54 lid 3, 58 lid 1; Awb art. 8:72a
    College heeft met het opschortingsbesluit, dat is genomen op grond van de Basisregistratie Personen, en de daaraan ten grondslag liggende feiten onvoldoende onderbouwd dat appellante niet op het door haar opgegeven woonadres woont. Het geven van een opdracht een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het boetebesluit verdraagt zich in deze situatie niet met het bepaalde in artikel 8:72a van de Awb. De Raad zal daarom het boetebesluit herroepen.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2999
    Geen schending medewerkingsverplichting. Uitdrukkelijke mondelinge toestemming voor huisbezoek. Weigering formulier huisbezoek te ondertekenen. Informed consent op andere wijze vast te leggen.
    PW art. 17 lid 2, EVRM art. 8 lid 1
    Bij een uitdrukkelijk mondeling verleende toestemming voor een huisbezoek is ondertekening van het formulier huisbezoek niet noodzakelijk. De ondertekening van dit formulier dient slechts om de bewijspositie van het college te versterken, maar niet om het huisbezoek mogelijk te maken. Ook is ondertekening van het formulier huisbezoek niet nodig om uit het huisbezoek verkregen bewijs aan de besluitvorming ten grondslag te mogen leggen. De informed consent kan ook op andere wijze kan worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een door de betrokken medewerkers opgemaakt verslag.
     
    ECLI:NL:CRVB:2019:2891
    Geen afstemming bij de uit de omgangsregeling voortkomende verblijfskosten voor zoon.
    PW art. 18 lid 1
    De verblijfskosten van de zoon van appellant betreffen periodieke algemene kosten van bestaan die ten laste komen van de verzorgende ouder, in dit geval de ex-partner van appellant. Ook de omstandigheid dat de ex-partner niet bereid zou zijn om de verblijfskosten te dragen, kan niet tot bijstandsverlening leiden. Dit is een kwestie die de ex-partners zelf dienen op te lossen en maakt niet dat sprake is van een zeer bijzondere situatie die tot afstemming van de bijstand van appellant noopt. Van appellant mag worden verwacht dat hij van zijn ex-partner een bijdrage vraagt in de verblijfskosten van zijn zoon.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3052
    Boete. Normale verwijtbaarheid. Recidive. Verhoging benadelingsbedrag. Aflossen naar draagkracht. Verlenging maximale aflossingstermijn. Redelijke beleidstoepassing.
    PW art. 18a lid 5
    In verband met recidive is de hoogte van de boete vastgesteld op 150% van het benadelingsbedrag. Het college is binnen de grenzen van de redelijke beleidstoepassing gebleven door de maximale aflossingstermijn bij normale verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting te verlengen tot achttien maanden.
    Bij een ander oordeel zou aan de beoogde extra bestraffing die passend en geboden is voor het plegen van een herhaalde overtreding, gedeeltelijk geen betekenis meer toekomen.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3000
    Schending inlichtingenverplichting. Niet bij college gemeld vermogen. Mede-eigenaar van woning in verhuurde staat. Vaststelling omvang vermogen. Waarde in economisch verkeer bij vrije oplevering. (Redelijkerwijs) beschikken.
    PW art. 34 lid 1 onder a
    De waarde van de woning in verhuurde staat wordt vastgesteld aan de hand van de waarde bij vrije oplevering.
    -Dat de Afdeling Schulddienstverlening van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente in het kader van een schuldbemiddelingstraject al bekend was met de omstandigheid dat appellante onroerende zaken bezit, ontslaat appellante niet van de verplichting om bij de aanvraag om bijstand te melden dat zij mede-eigenaar is van een woning en volkstuinpercelen. 
    -Het standpunt van appellante dat het college ten onrechte is uitgegaan van de waarde van de woning bij vrije oplevering slaagt niet. De tekst en de bewoordingen van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en de PW zijn helder en laten geen ruimte voor misverstand. Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 34 van de WWB zijn geen aanknopingspunten te vinden om uit te gaan van een andere waarde dan de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering.
    -Het betoog dat het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering en de waarde in verhuurde staat als een op de woning drukkende schuld moet worden aangemerkt en daarom op de waarde van de woning in mindering moet worden gebracht, wordt niet gevolgd. Huur is immers een persoonlijk recht en geen zakelijk recht.
    -Het enkele feit dat de woning is verhuurd maakt niet dat appellante in de te beoordelen periode niet (redelijkerwijs) over de woning kon beschikken.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3050
    Nieuwe besluit ter uitvoering van de uitspraak van de Raad. Gebrek is niet hersteld. Herroepen besluiten.
    Awb art. 7:12; PW art. 17 lid 1, 34
    Het  college heeft nader onderzoek verricht ter uitvoering van de uitspraak van de Raad, waarbij de beslissing op bezwaar is vernietigd in verband met onrechtmatig verkregen bewijs ten aanzien van het bezit van een woning in Turkije. Uit de gegevens van het nieuwe onderzoek kan woningbezit in de te beoordelen periode niet worden afgeleid. Het gebrek in de besluitvorming is derhalve niet hersteld. Nu het college heeft aangegeven alleen bij onduidelijkheden nog onderzoek te doen, ziet de Raad aanleiding de besluiten te herroepen.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:3062
    Verlies hoedanigheid werknemer. Werkzaamheden in het economisch verkeer.
    WW art. 8 lid 1
    Appellant haalde gratis oude, afgedankte, onbruikbare laptops op bij particulieren. Vervolgens maakte appellant hier weer werkende laptops van, bijvoorbeeld door onderdelen van meerdere kapotte laptops te combineren. Daarna gaf appellant deze laptops zonder enige vorm van tegenprestatie en zonder enige garantie weg aan personen die geholpen werden door de Voedselbank en die zelf geen middelen hadden om een laptop aan te schaffen. Gelet op deze specifieke omstandigheden wordt het UWV niet gevolgd in zijn standpunt dat de betreffende werkzaamheden van appellant moeten worden aangemerkt als werkzaamheden in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW. Appellant heeft deze werkzaamheden ook niet hoeven melden in het kader van zijn inlichtingenplicht omdat die activiteiten niet relevant zijn voor zijn aanspraak op WW-uitkering.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2922
    Werknemerschap. Ontslagneming door bestuurder.
    WW art. 61
    De ontslagname van appellant als bestuurder heeft in beginsel tevens de beëindiging van de dienstbetrekking van appellant tot gevolg. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. Indien een statutair bestuurder eenzijdig zijn functie neerlegt, is voor effectuering van het ontslag aanvaarding van de ontslagneming door de rechtspersoon niet vereist. Geoordeeld wordt dat appellant met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met werkgeefster is overeengekomen dat zijn ontslagneming als bestuurder niet ook het ontslag in arbeidsrechtelijke zin betrof.
     
    ECLI:NL:CRVB:2019:2929
    Voorwaarde toestemming startersperiode. Structureel in bestaan kunnen voorzien.
    WW art. 77a lid 1 onder a
    Uit artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW vloeit voort dat het UWV, alvorens gebruik te kunnen maken van de bevoegdheid om de toestemming te verlenen, eerst moet vaststellen dat is voldaan aan de in onderdeel a van dat artikellid geformuleerde voorwaarde dat het aannemelijk is dat de werknemer in de toekomst met zijn werkzaamheden als zelfstandige structureel in zijn bestaan kan voorzien.
    Het UWV legt, blijkens de interne werkinstructie, deze vage norm zo uit dat de betrokkene zich geheel moet richten op het volledig werkzaam zijn als zelfstandige met als doel dat met het eigen bedrijf volledig in het eigen bestaan wordt voorzien. Deze door het UWV aan artikel 77a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW gegeven uitleg is juist.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:2869
    Als gedurende de wachttijd de ziekte verslechtert dan wel andere ziektebeelden optreden, schuift de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet op naar een nieuwe datum
    Wet WIA art. 13 lid 1, 23; Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
    Uit de artikelen 13 en 23 van de Wet WIA en het Besluit volgt dat voor de dagloonberekening moet worden uitgegaan van de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Als gedurende de wachttijd de ziekte, op grond waarvan de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, verslechtert dan wel andere ziektebeelden optreden, verschuift de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden niet, zolang de arbeidsongeschiktheid onafgebroken voortduurt. Het standpunt van appellant zou ertoe leiden dat in artikel 13 onderscheid wordt gemaakt tussen de eerste dag van arbeidsongeschiktheid die uiteindelijk leidt tot een WIA‑uitkering voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten en de eerste dag van arbeidsongeschiktheid die leidt tot een uitkering voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In de genoemde bepalingen is voor dit onderscheid geen steun te vinden.     

    ECLI:NL:CRVB:2019:2785
    Heroverweging vaste rechtspraak inzake de zogeheten 'mislukte werkhervatting'
    ZW art. 19 lid 5, 44
    Gelet op de overwegingen die ten grondslag liggen aan het per 1 januari 2011 laten vervallen van artikel 44 van de ZW en de daarmee vergelijkbare bepalingen in andere arbeidsongeschiktheidswetten, ziet de Raad aanleiding om niet langer vast te houden aan zijn rechtspraak dat ongeschiktheid bij indiensttreding met zich mee brengt dat het laatstelijk voor uitval verrichte - ongeschikte - werk niet als maatstaf arbeid in de zin van de ZW kan gelden.

    ECLI:NL:CRVB:2019:2949
    Aanzegjurisprudentie niet van toepassing ingeval van verzoek om terug te komen van een intrekkingsbesluit
    Wet WIA art. 5, 6; Awb art. 4:6
    De aanzegjurisprudentie ziet uitsluitend op een situatie waarin een uitkering wordt herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Het is vaste rechtspraak dat in die situatie het zorgvuldigheidsvereiste meebrengt dat het een verzekerde moet worden gegund om zich op een wijziging van de financiële situatie door een verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in te stellen. Voorts moet hem daarbij duidelijk zijn voor welke functies hij geschikt wordt bevonden, zodat hij zich kan oriënteren op passende functies op de arbeidsmarkt. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Betrokkene heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 24 juli 1996 tot intrekking van de WAO‑uitkering met ingang van 31 januari 1996. Inherent aan de beoordeling van een dergelijk verzoek is dat de medische en arbeidskundige herbeoordeling met terugwerkende kracht plaatsvindt en dat in dat verband functies worden geselecteerd per een datum in het verleden.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:3015
    Voorlopige voorziening; studiefinanciering voor buitenlandse opleiding; bijzondere situatie; toepassing hardheidclausule.
    WSF 2000 art. 2.14
    De adviezen van de Nuffic zijn niet bijzonder uitgebreid en bevatten (mogelijk) ook enkele onjuistheden met betrekking tot de inhoudelijke vergelijkbaarheid van de met elkaar vergeleken opleidingen, maar er is wel voldoende in uitgelegd waar in het onderwijssysteem in het Verenigd Koninkrijk de opleiding van verzoekster zich bevindt, dat de opleiding onderdeel is van een masteropleiding en tot vrijstellingen leidt bij een te volgen masterprogramma. Verder is inzichtelijk gemaakt dat het Postgraduate Diploma (formeel) geen recht geeft op toelating tot een PhD. Niet is gebleken dat de adviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De conclusie volgt logischerwijs uit de overwegingen. De adviezen kunnen de afwijzende beslissing in beginsel dragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal de minister zich echter nog wel over de toepassing van de hardheidsclausule moeten beraden. Diverse door verzoekster ingebrachte verklaringen bieden aanknopingspunten voor het aannemen van een zeer bijzondere situatie. Naar voren komt dat verzoekster een opleiding volgt die in hoog aanzien staat en die is ingebed in het kwaliteitszorgsysteem in het Verenigd Koninkrijk. De opleiding is qua inhoud vergelijkbaar met het in Nederland aan de UvA te volgen master's ⁺ programma Conservering en Restauratie. Verder behaalt verzoekster met haar opleiding een diploma dat formeel geen recht geeft op doorstroming naar een PhD, maar uit meer dan tien aangedragen voorbeelden blijkt dat voor die doorstroming in de praktijk van het desbetreffende vakgebied geen belemmering bestaat.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3046
    Omzetting prestatiebeurs. Buitenlands diploma. Studie wel afgerond, maar niet ingeschreven geweest.
    WSF 2000 art. 2.14, 5.7
    Het verzoek om de prestatiebeurs om te zetten in een gift is terecht afgewezen. Appellant heeft geen onderwijs in Engeland hoeven volgen en hij heeft dat feitelijk ook niet gedaan. Voor het verkrijgen van het diploma heeft hij, na enkele jaren zelfstudie en het opdoen van ruime praktijkervaring, na een eenmalige betaling van examengeld een compositie als eindwerkstuk ingeleverd. Dat werk is goed beoordeeld en heeft geleid tot afgifte van het diploma. Appellant heeft niet voldaan aan de vereisten die in artikel 2.14 van de WSF 2000 zijn vermeld, reeds niet omdat hij niet voor het volgen van onderwijs aan de opleiding in Engeland ingeschreven is geweest. De omstandigheden dat appellant veel tijd heeft gestoken in zijn studie en dat het behaalde examen van een hoog niveau is, leiden niet tot een ander oordeel.

    ECLI:NL:CRVB:2019:3092
    Uitwonendencontrole. Tijdelijk verblijf in buitenland. Brp-adres zelfde als dat van ouders.
    WSF 2000 art. 1.5
    De minister voert het beleid dat de studerende die gedurende maximaal acht maanden in het buitenland verblijft voor een onderdeel van een Nederlandse opleiding en in die periode in de brp onder het adres van (één van) zijn ouder(s) ingeschreven staat, voor die periode op aanvraag een uitwonendenbeurs wordt toegekend onder de voorwaarde dat de studerende de minister tijdig, dat wil zeggen binnen het studiejaar waar de toekenning van de uitwonendenbeurs betrekking op heeft, op de hoogte stelt van deze bijzondere situatie en daarvan bewijs levert. In zo'n geval wordt de studerende er geen verwijt van gemaakt dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.5 van de WSF 2000. Inhoudelijk bezien is dit beleid niet onredelijk. Wel onredelijk is de in het beleid gestelde formele voorwaarde dat de studerende lopende het desbetreffende studiejaar een op de bijzondere situatie toegespitste en onderbouwde aanvraag om een uitwonendenbeurs moet hebben gedaan, nu deze voorwaarde geen steun vindt in de wetsgeschiedenis en de minister niet duidelijk heeft kunnen maken welk redelijk doel is gemoeid met het stellen van deze voorwaarde. Zie ook ECLI:NL:CRVB:2019:3112.