Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 4, jaargang 2019

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 4, jaargang 2019

Nummer 4, jaargang 2019

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die in de maand mei 2019 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2019:1616

    Voor het in rekening brengen van kosten ontbreekt een publiekrechtelijke grondslag.

    Awb art. 1:3

    Een specifiek wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van kosten door het UWV aan een werkgever voor het beantwoorden van informatieverzoeken over uitkering of belemmering van werk van werknemers ontbreekt. In zeer bijzondere gevallen kan een beslissing van een bestuursorgaan die wordt genomen in het kader van een dat bestuursorgaan toegekende publieke taak die niet op een specifieke bevoegdheidstoekennende publiekrechtelijke grondslag berust, niettemin als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat het gaat om (facturering van) kosten die gepaard gaan met de verstrekking van bij het UWV als uitvoerder van de sociale verzekeringswetten berustende gegevens, maakt niet dat hier een zeer bijzonder geval aan de orde is.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1510

    Van een evident onredelijke weigering om terug te komen van een besluit is slechts in uitzonderlijke situaties sprake.

    Awb art. 4:6 lid 2

    Zelfs al zou met de overlegging van de stukken de verantwoording van het pgb van betrokkene aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen, dan betekent dat nog niet dat het zorgkantoor ook gehouden zou zijn om van het besluit van 20 april 2016 terug te komen. Vereist is dat in wat de betrokkene heeft aangevoerd, aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat (het gevolg van) de weigering het onjuist gebleken besluit te herzien, evident onredelijk is. Daarvan zal doorgaans slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, is dat hier niet aan de orde.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1473

    Niet ontvankelijk bezwaar. Geen concrete gronden. Aannemelijk maken verzending brief met verzoek om gronden. Geen schending equality of arms.

    Awb art. 6:5, 6:6; EVRM art. 6

    De vorderingen die appellant in bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag naar voren heeft gebracht bevatten geen concrete bezwaargronden. -Uit het in artikel 6 van het EVRM opgenomen beginsel van equality of arms kunnen geen concrete regels over bewijswaardering worden afgeleid.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1706

    Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard in verband met het ontbreken van een handtekening onder het bezwaarschrift.

    Awb art. 6:5

    De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking komt. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college appellante in de procedure nooit heeft gezien, ook niet bij de hoorzitting in bezwaar. Daarbij komt dat in het verslag van de hoorzitting is vermeld dat appellante tijdens het herindicatiegesprek met de medewerker van de gemeente heeft verklaard dat zij zorg in natura een prima oplossing vond en dat het bezwaar meer van de zoon van appellante afkomstig is. De omstandigheden dat het bezwaarschrift verzonden is vanaf het e-mailadres van appellante en dat de gemeente een e-mailwisseling heeft gehad over het bezwaarschrift met een e-mailadres op naam van appellante, betekenen evenmin dat de daarvan afkomstige e-mails door appellante zelf zijn verzonden.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1470

    Beslistermijn bij ontbreken adviescommissie. Dwangsom.

    Awb art. 7:10

    Niet in geschil is dat het college een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb heeft ingesteld. Uit artikel 7:10, eerste lid, en artikel 7:13, tweede lid, van de Awb vloeit niet voort dat de termijn van twaalf weken niet van toepassing is indien de mededeling, als bedoeld in artikel 7:13, tweede lid, van de Awb, niet is gedaan of pas is gedaan na het verstrijken van zes weken na het indienen van het bezwaarschrift. Indien een commissie is ingesteld, vloeit de twaalfwekentermijn direct voort uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb. De toepasselijkheid van deze termijn is niet afhankelijk van de mededeling aan de indiener van het bezwaarschrift dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:184. De ingebrekestelling is uitgebracht op een moment dat de beslistermijn nog niet was verstreken.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1710

    Onthouding kennisneming processtukken. Schending fundamenteel beginsel van procesrecht.

    Awb art. 8:29, 8:31, 8:42

    De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op stukken waarvan de Raad, anders dan de rechtbank, heeft beslist dat beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is. Dat betekent dat aan appellant in beroep bij de rechtbank en in bezwaar ten onrechte kennisneming van een deel van de processtukken is onthouden, wat een schending oplevert van een fundamenteel beginsel van procesrecht. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Ook het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De korpschef heeft de ranking niet opnieuw ingezonden. Dit betekent dat de korpschef niet heeft voldaan aan de voor een bestuursorgaan geldende verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. De Raad kan daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De korpschef heeft zijn standpunt dat appellant op basis van de uitkomst van de ranking niet wordt geplaatst in zijn belangstellingsfunctie, niet inzichtelijk gemaakt. Appellant heeft van meet af aan de uitkomst van de ranking betwist, zodat de Raad niet zonder meer kan uitgaan van de juistheid ervan. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, omdat een deugdelijke motivering ontbreekt.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1528

    Omvang geding.

    Awb art. 8:69

    De rechtbank is ten onrechte overgegaan tot beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar van werkgeefster tegen de invordering. Het beroep van werkneemster was gericht tegen het in het bestreden besluit vervatte besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering. Dit besluit was genomen in het kader van het bezwaar van werkgeefster tegen het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering. Dat in het bestreden besluit door het UWV tevens is beslist op het bezwaar van werkgeefster tegen de toerekening, het verhaal en de invordering maakt niet dat werkneemster tegen deze onderdelen kon opkomen. Werkneemster is immers geen belanghebbende bij deze onderdelen. Vaststaat dat werkgeefster feitelijk ook geen beroep heeft ingesteld tegen deze onderdelen. Daarom was de omvang van het geding voor de rechtbank beperkt tot het in het bestreden besluit opgenomen besluit over de beëindiging van de WGA-uitkering.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1712

    De rechtbank heeft ten onrechte ambtshalve schadevergoeding toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

    Awb art. 8:69; EVRM art. 6

    De rechtbank heeft ter zitting – waar van partijen alleen de SVB aanwezig was − de overschrijding van de redelijke termijn ter sprake gebracht. Vastgesteld wordt dat niet is gebleken dat betrokkene tijdens de rechtbankprocedure een beroep heeft gedaan op overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak moet om vergoeding van (immateriële) schade worden verzocht en moet dit verzoek in beginsel uiterlijk op de zitting worden gedaan (ECLI:NL:HR:2016:252, punt 3.13.1 en 3.13.2, en ECLI:NL:CRVB:2016:3743). Slechts wanneer er op het moment van de zitting geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en die overschrijding op dat moment ook niet is te voorzien, moet ambtshalve worden onderzocht of er aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2017:108 en ECLI:CRVB:2018:3110). Die situatie was hier niet aan de orde, omdat de redelijke termijn al tijdens de zitting van de rechtbank ruimschoots was overschreden. Geoordeeld wordt dan ook dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door de SVB te veroordelen tot schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1590

    Convenant heeft geen betekenis voor de toepassing van de woonlandfactor.

    AKW art. 12 lid 2; Convenant tussen Nederland en de Nederlandse Antillen inzake de export en handhaving van socialezekerheidsuitkeringen art. 4; Convenant tussen Nederland en Curaçao inzake de handhaving van socialezekerheidsuitkeringen

    Het Convenant met de Antillen en het Convenant met Curaçao zijn geen verdragen in de zin van artikel 94 van de Grondwet (Gw) maar een onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid, van het Statuut. Van verdragen in de zin van artikel 91 Gw is geen sprake, artikel 94 Gw is niet van toepassing in dit geding. Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan een bepaling van formele wetgeving wegens strijd met een bepaling in een onderlinge regeling in de zin van artikel 38, eerste lid, van het Statuut buiten toepassing mag worden gelaten.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1776

    Seksuele diensten. Zelfredzaamheid. Algemene dagelijkse levensverrichting.

    Wmo 2015 art. 2.3.5

    Appellant heeft verzocht om maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stelt bij een derde seksuele diensten te betrekken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant gevraagde ondersteuning niet kan worden aangemerkt als maatschappelijke ondersteuning van de zelfredzaamheid als bedoeld in de Wmo 2015. De ondersteuning in de zelfredzaamheid dient immers te zijn gericht op het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichting. In de wettekst en in de wetgeschiedenis heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de wetgever het vervullen van seksuele behoeften beschouwt als noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichting waarvoor het college maatschappelijke ondersteuning moet verstrekken. Dat de bevrediging van seksuele behoeften volgens een door appellant ingebracht deskundigenrapport volkomen normaal is, leidt niet tot een ander oordeel.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1426 met bijbehorend persbericht

    Niet professionele houding en ongepaste handelwijze sociaal rechercheur. Geen sprake van niet in vrijheid afgelegde verklaring. Onvoldoende feitelijke grondslag voor vaststelling woonplaats buiten de bijstandsverlenende gemeente. Geen zorgvuldige voorbereiding. Niet te houden aan opzegging bijstand.

    Awb art. 3:2, 7:12; PW art. 17 lid 1, 54 lid 3, 58 lid 1, 40 lid 1

    Hoewel de wijze waarop de sociaal rechercheur het gesprek met appellant over zijn woonsituatie heeft gevoerd onprofessioneel en ongepast is, kan niet worden gezegd dat appellant zijn verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd. Het standpunt van het college dat appellant zijn woonplaats niet meer had binnen de gemeente, is niet voldoende onderzocht en is niet gebaseerd op een voldoende feitelijke grondslag. Appellant is niet aan zijn opzegging van bijstand te houden nu hij hiertoe door de sociaal rechercheur is bewogen op basis van een onjuiste voorstelling van zaken.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1450

    Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand. Kosten contra-expertise in WIA procedure. Arrest Korosec. Equality of arms. Rol bestuursrechter. Niet noodzakelijke kosten.

    PW art. 35 lid 1

    Indien betrokkene zelf een (medisch) deskundige inschakelt, kunnen de kosten daarvan in beginsel niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 lid 1 van de PW worden aangemerkt. Het laten verrichten van een contra-expertise betreft dan een eigen afweging, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand kan worden verleend.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1553

    Afgewezen aanvraag. Recht niet vast te stellen. Onduidelijke woonsituatie. Aangemerkt als kostendelende medebewoner op uitkeringsadres.

    PW art. 11, 17 lid 1

    Dat het college in het kader van de beoordeling van het recht op bijstand van H tot de conclusie is gekomen dat appellant de kostendelende medebewoner van H is, betekent niet dat in het kader van de beoordeling van het recht op bijstand van appellant ervan moet worden uitgegaan dat appellant op het opgegeven adres woonachtig was en het recht op bijstand daarom kan worden vastgesteld. De uitkomst van de boordeling van het recht op bijstand van H staat los van de beoordeling van het recht op bijstand van appellant.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1591

    Buiten behandeling gestelde aanvraag. Opvragen gegevens over twee jaar voor aanvraag. Beroep op schending 8 EVRM.

    Awb art. 4:5 lid 1 onder c; PW art. 11, 17 lid 1; EVRM art. 8

    Het college kon in dit geval financiële gegevens verlangen over een periode van twee jaar vóór de aanvraag zonder in strijd te komen met artikel 8 van het EVRM


    ECLI:NL:CRVB:2019:1666

    Norm voor verblijf in inrichting. Zorgboerderij.

    PW art. 1f ten 2e, 23

    Omdat de zorgboerderij zich richt op het bieden van slaapgelegenheid en er tevens gedurende 24 uur per dag gediplomeerde arbeidskrachten zijn voor het bieden van zorg, is de zorgboerderij een inrichting als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder f, ten 2e, van de PW. Het college heeft de bijstandsnorm van appellant dan ook terecht gewijzigd in de norm voor verblijf in een inrichting.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1640

    Zorgplicht. Nazorg.

    Barp art. 1 lid 1 onder y

    Op de korpschef rust in beginsel de last om aannemelijk te maken dat de nazorg voldoende is geweest, uitgaande van de omstandigheden van het geval en van de toenmalige stand van de wetenschap. Indien dusdanige tekortkomingen naar voren komen dat deze als een schending van de zorgplicht moeten worden aangemerkt, wordt het causaal verband met de PTSS als een gegeven beschouwd, tenzij de korpschef aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan (na)zorg kan worden toegeschreven. Geconcludeerd moet worden dat de korpschef niet heeft aangetoond dat hij in de genoemde periode aan appellante voldoende (na)zorg heeft verleend. De korpschef heeft de gevraagde schadevergoeding daarom op onjuiste gronden afgewezen.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1654

    Terugplaatsing voor onbepaalde tijd. Onevenredig.

    Gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim, is het voor onbepaalde tijd terugplaatsen een te zware sanctie als niet tevens een termijn is bepaald waarop de oude functie kan worden hervat. Daarbij speelt een belangrijke rol dat in het geval van appellant sprake is van een aanzienlijk verschil tussen beide functies zowel ten aanzien van de aard van de werkzaamheden als de hoogte van de bezoldiging in combinatie met de status van het werk. Alles bijeen is de opgelegde maatregel hier onevenredig aan het plichtsverzuim.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1655

    Ontslag 'op andere gronden'. Impasse.

    CAR/UWO art. 8:8

    Ten tijde van het ontslag was in de tussen partijen bestaande arbeidsverhouding een impasse ontstaan. Dat geen sprake was van onverenigbaarheid van karakters of van onenigheid in het kader van de werkzaamheden, doet hieraan niet af. Doorslaggevend is dat, nu met het in rechte vaststaande besluit van 7 januari 2015 terugkeer in de oude functie niet meer in de rede lag, het college dat gedurende een geruime tijd vergeefs heeft getracht voor appellante binnen of buiten de gemeente een passende oplossing te vinden, uit het ontbreken van concrete verdere mogelijkheden heeft mogen afleiden dat van verdere inspanningen geen resultaat meer was te verwachten. Appellante heeft daartegenover geen concrete alternatieven aangedragen in de vorm van vacante passende functies.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1660

    Plaatsing. Garantiebepaling.

    Barp art. 55ob

    Vaststaat dat appellant is geplaatst op een lager functieniveau dan het niveau van de functie waarin hij voor de invoering LFNP was aangesteld. De Raad is van oordeel dat uit de tekst van artikel 55ob van het Barp en de toelichting daarop volgt dat de verplichting om een passende functie aan te bieden op het oorspronkelijke functieniveau pas ontstaat nadat iemand is geplaatst op een functie met een lagere salarisschaal. Anders dan appellant heeft betoogd, was de korpschef dus niet gehouden om appellant al direct bij het bestreden besluit te plaatsen op een functie met het oorspronkelijke functieniveau.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1597

    Nalaten passende arbeid te aanvaarden. Concreet aanbod. Omvang maatregel

    WW art. 24 lid 1 aanhef en onder b ten tweede, 27

    Appellant en [A] hebben onderhandeld over de omvang van de werkzaamheden. [A] zocht naar een medewerker voor 32 tot 40 uur, appellant wilde 16 uur werken, omdat hij het voornemen had om, naast een baan in loondienst, werkzaamheden als freelancer te gaan verrichten. Dit leidde ertoe dat [A] uiteindelijk op 9 juni 2016 een aanbod voor 24 uur per week heeft gedaan. Het is dat concrete aanbod dat appellant vervolgens op 10 juni 2016 telefonisch heeft afgewezen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:851). Enkele dagen later heeft [A] appellant nogmaals benaderd en gevraagd of hij wilde terugkomen van die eerdere afwijzing, maar appellant is bij die afwijzing gebleven. Gelet op artikel 27, tweede lid, van de WW was het UWV derhalve gehouden om de vermindering uit het elfde lid van dat artikel te laten plaats vinden op basis van 24 uur en niet op basis van het volledige aantal arbeidsuren.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1594

    Werkzaamheden als zelfstandige. Eindigen recht.

    WW art. 8 lid 3, 20 lid 1 aanhef en onder a, 20 lid 2

    Niet is gebleken dat de door appellant verrichte activiteiten, waaronder het geven van een workshop voor ontwerp en onderzoek, geen verband houden met zijn eigen bedrijf. Appellant heeft de door het UWV vastgestelde omvang van deze werkzaamheden op 25,50 uur per week niet betwist. Op grond van artikel 20, tweede lid, van de WW eindigt het recht op een WW-uitkering voor dit aantal uren. Appellant kan de hoedanigheid van werknemer voor dit aantal uren slechts herkrijgen indien de werkzaamheden als zelfstandige geheel en definitief zijn beëindigd. Daarvan is in het geval van appellant geen sprake, aangezien hij zijn bedrijf niet heeft uitgeschreven bij de KvK en ook de website van het bedrijf niet heeft opgeheven. Dit betekent dat het UWV zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op een WW-uitkering per 8 mei 2015 is herleefd voor 12,50 uur per week.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1620

    Schatten op feitelijk verrichte werkzaamheden en aangepaste beloning.

    Schattingsbesluit art. 9 onder h en i

    Voor de toepassing van artikel 9, aanhef en onder h en i, van het Schattingsbesluit gaat het niet om de vraag of de functie van adviseur B uitgeoefend in volle omvang passend is voor werknemer. Voldoende is dat de arbeid feitelijk wordt verricht en de betrokkene daartoe met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (zie ECLI:NL:CRVB:2011:BP8481 en ECLI:NL:CRVB:2017:4352). Er bestaat aanleiding om te twijfelen aan de duurzaamheid van de arbeidsverrichting in het werk in deze omvang. De door werknemer genoten verdiensten kunnen als representatief voor zijn resterende verdiencapaciteit worden aangemerkt.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1737

    Het alleen vermelden van functienummers van functies zonder naam- en adresgegevens van werkgevers is niet strijdig met artikel 6 EVRM en het beginsel van equality of arms.

    Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten art. 9

    Niet gezegd kan worden dat bij gebruikmaking van het CBBS, anders dan het geval is in de systemen in de door appellante aangehaalde uitspraken ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, en HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316, sprake is van besluitvorming die als gevolg van niet kenbare keuzes, gegevens en aannames onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is. Voor de toetsing van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is in beginsel niet nodig dat de namen en adressen van de werkgevers van de in het CBBS opgenomen functies bekend zijn. Als twijfel bestaat over de juistheid van in het CBBS opgenomen gegevens, kan van het UWV worden verlangd dat het de gegevens die zijn gebruikt in de beschrijvingen nader verduidelijkt en onderbouwt. In uitzonderlijke gevallen is denkbaar dat een voldoende motivering van een besluit met zich brengt dat het UWV namen en adressen van werkgevers verstrekt.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1500

     

    Datum in geding. Datum einde loongerelateerde WGA-uitkering. Beleid UWV.

    Wet WIA art. 56

    Datum in geding is niet 16 maart 2018, de datum van einde duur van de loongerelateerde WGA-uitkering, maar 16 december 2016, de in het bestreden besluit vermelde datum van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft toegelicht dat in (artikel 56 van) de Wet WIA staat dat de WGA-uitkering eindigt twee maanden na de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot minder dan 35%, maar niet eerder dan op de dag waarop de loongerelateerde WGA-uitkering  eindigt. Volgens het UWV moet deze bepaling ook worden toegepast als in bezwaar blijkt dat geen loongerelateerde WGA-uitkering had moeten worden toegekend. Abusievelijk is nagelaten om bij de aankondiging in het bestreden besluit van het einde van de WIA-uitkering per 16 maart 2018 te vermelden dat die beëindiging aan de orde zal zijn ingeval van onveranderde omstandigheden. Volgens beleid van het UWV wordt dit voorbehoud gemaakt en volgt er te zijner tijd nog een nader besluit als het einde van de loongerelateerde uitkering meer dan zes maanden in de toekomst ligt. Dat het bedoelde voorbehoud hier ontbreekt maakt niet dat het UWV iets anders heeft besloten dan wat is weergegeven en de in de primaire fase van toepassing zijnde datum in geding in bezwaar alsnog op een op dat moment nog zeven maanden in de toekomst liggend tijdstip heeft bepaald.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1744

    Anticumulatie. Regeling samenloop. Uitleg cao-bepaling. Kennelijk onredelijk.

    WAO art. 44; Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen met inkomen art. 2 lid 8

    1. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet aan een cao-bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven worden gegeven waarbij in beginsel de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van die cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt niet aan op de bedoeling van de cao-partijen, voor zover die bedoeling niet uit de cao-bepalingen kenbaar is, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:2687). Gelet op dit toetsingskader heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de in artikel 5.4 van de cao vermelde eenmalige uitkering niet kan worden gezien als een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 2, achtste lid, van de Regeling samenloop. 
    2. Volgens de rechtbank is door toepassing van de anticumulatiebepaling met de hoogte van het teruggevorderde bedrag sprake van een kennelijk onredelijk resultaat. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit voorts mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht (zie ECLI:NL:CRVB:2018:1675). Van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die aanleiding kunnen geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt, is niet gebleken. Voor het buiten toepassing laten van artikel 44, tweede lid, van de WAO is dan ook geen aanleiding.
  • ECLI:NL:CRVB:2019:1648

    Uitwonendencontrole. Onrechtmatig onderzoek. Nieuw onderzoek door dezelfde controleur(s).

    WSF 2000 art. 1.5, 9.9

    Na een eerder onrechtmatig onderzoek staat het de minister vrij om een nieuw op zichzelf staand onderzoek naar het recht op studiefinanciering te doen. De gegevens uit dit nieuwe onderzoek kunnen worden gebruikt om alsnog het recht op studiefinanciering op een juiste wijze vast te stellen. De controleurs hebben de student tijdens een nieuwe controle de inhoud van de bij de eerste controle onrechtmatig verkregen anonieme getuigenverklaringen voorgehouden. Omdat de controleurs aldus het onrechtmatig verkregen bewijs gebruikt hebben bij het nadere onderzoek, voldoet dat onderzoek niet aan de voorwaarde dat het voldoende op zichzelf staat. Het ligt niet voor de hand om (een) controleur(s) in een zelfde zaak onderzoek te laten verrichten waarin deze controleur(s) eerder onbevoegd onderzoek heeft (hebben) verricht.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1692

    Uitwonendencontrole. Verschil in beoordelingsmaatstaf bij tegenbewijs voor bewoning op controledatum en bij weerlegging wettelijk vermoeden.

    WSF 2000 art. 1.5, 9.9

    De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van het huisbezoek op het BRP-adres voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het BRP-adres. De Raad verbetert de gronden van de aangevallen uitspraak omdat de rechtbank het door appellant geleverde tegenbewijs heeft opgevat en beoordeeld als bewijs ter weerlegging van het wettelijk vermoeden in plaats van als bewijs van wonen op het BRP-adres op de datum van het huisbezoek. Nu appellant niet heeft gesteld dat de feitelijke situatie ten tijde van het huisbezoek – in relevante mate – afweek van (een deel van) de periode daaraan voorafgaand, speelt het wettelijk vermoeden geen zelfstandige rol bij de onderhavige beoordeling. Het belang van de vaststelling of het door de studerende geleverde bewijs betrekking heeft op de controledatum dan wel op (de weerlegging van) het wettelijk vermoeden ligt daarin dat volgens de bewijsmaatstaf voor beide gevallen anders is.


    ECLI:NL:CRVB:2019:1754

    Reisrecht. Stopzetten reisrecht als student niet (meer) beschikking heeft over OV-chipkaart.

    WSF 2000 art. 3.27

    Er is geen sprake van een situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend. De (onjuiste) veronderstelling van betrokkene dat hij door het blokkeren van zijn OV-chipkaart(en) tevens het reisrecht had beëindigd, komt voor zijn risico en rekening. Onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving levert geen overmachtssituatie op als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de WSF 2000. Bovendien is betrokkene over de bij het studentenreisproduct geldende rechten en plichten voldoende geïnformeerd, onder meer door de beschikbare informatie op de website van DUO en op www.studentenreisproduct.nl. Het is de Raad uit andere zaken bekend dat ten tijde hier van belang op laatstgenoemde website ook informatie beschikbaar was over hoe een student moet handelen indien een hij niet beschikt over een werkende OV-chipkaart.

  • ECLI:NL:CRVB:2019:1682

    Onschuldpresumptie. Hennepkwekerij. Vrijspraak. Geen benadelingsbedrag.

    WAO art. 29a, 44, 57; EVRM art. 6; Boetebesluit socialezekerheidswetten art. 2 lid 11

    Gelet op de genoemde grondslag van de bestreden besluiten kunnen, in dit geval, deze besluiten niet in stand worden gelaten zonder twijfel te doen ontstaan over de juistheid van het oordeel van de politierechter. Deze heeft immers de met de aanwezigheid van de hennepkwekerij samenhangende strafbare feiten uitsluitend bewezen geacht op de datum 7 mei 2015. Dat betekent dat onder deze omstandigheden het UWV bij de schatting van de omvang van de inkomsten niet heeft mogen uitgaan dat er sprake was van een gerealiseerde oogst en dat er geen sprake kan zijn van aan appellant toe te rekenen inkomsten omdat daarmee twijfel wordt opgeroepen over de juistheid van de vrijspraak van wat appellant in de strafzaak werd verweten. Daarom kan aan de grondslag van de bestreden besluiten niet worden vastgehouden zonder in strijd te handelen met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie. Op grond van het op 1 januari 2017 ingevoerde artikel 2, elfde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten geldt als uitgangspunt dat als een overtreding van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag de boete wordt vastgesteld op € 150,-, tenzij een afwijkend bedrag noodzakelijk is voor een evenredige boete. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dat betekent dat de boete moet worden vastgesteld op € 150,-.