Laden...

Nieuwsbrief Jurisprudentie 4, jaargang 2020

Dit is een afdruk van een pagina op Rechtspraak.nl. Kijk voor de meest actuele informatie op Rechtspraak.nl (http://www.rechtspraak.nl). Deze pagina is geprint op 01-01-1970.

Skip Navigation LinksOrganisatie > Centrale Raad van Beroep > Nieuwsbrief Jurisprudentie 4, jaargang 2020

Nummer 4, jaargang 2020

De Nieuwsbrief Jurisprudentie van de CRvB komt maandelijks uit en bevat een overzicht van de belangrijkste uitspraken die in de afgelopen maand zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit nummer bevat een selectie van uitspraken die, op een paar uitzonderingen na, in de maand april 2020 zijn gepubliceerd.

De uitspraken worden per (deel)rechtsgebied aangeboden. Door in onderstaande inhoudsopgave op het onderwerp van voorkeur te klikken komt u direct bij de uitspraken op het desbetreffende rechtsgebied. De essentie van de uitspraak wordt beknopt weergegeven. De link onder het ECLI-nummer leidt door naar de volledige tekst van de uitspraak.

Afzender: Wetenschappelijk Bureau, afdeling Informatie, Documentatie en Bibliotheek. Uw reactie graag naar: wb@rechtspraak.nl

 

 Inhoud nieuwsbrief

>Alles uitklappen
  • ECLI:NL:CRVB:2020:496

    Duuraanspraken-jurisprudentie. Eerste aanvraag. Verschillende aanspraken.
    Awb art. 4:6

    De rechtbank heeft overwogen dat appellant met een beroep op de duuraanspraken-jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2015:1) wil bewerkstelligen dat in de procedure over zijn IVA-uitkering van een hoger WW-dagloon wordt uitgegaan dan bij de in rechte vaststaande WW-besluiten is vastgesteld. De duuraanspraken-jurisprudentie biedt hiervoor naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten. Weliswaar is de achterliggende gedachte van die jurisprudentie dat bij een duuraanspraak in het verleden gemaakte fouten niet blijvend aan de aanvrager mogen worden tegengeworpen, maar deze stelregel ziet op fouten die bij vaststelling van die duuraanspraak in het verleden zijn gemaakt. Het voert te ver om in het kader van de procedure over de IVA-uitkering over te gaan tot herziening van besluiten die op grond van de WW zijn genomen en inmiddels in rechte vaststaan. Dat betekent dat slechts indien en voor zover het UWV bij de vaststelling van de IVA-uitkering van appellant fouten heeft gemaakt, aanleiding kan bestaan voor herziening voor de toekomst. Dat bij die vaststelling fouten zijn gemaakt, is echter gesteld noch gebleken. De Raad volgt de rechtbank en merkt daarbij op dat deze rechtspraak betrekking heeft op situaties waarin, nadat een beslissing over een (aanspraak op een) doorlopende periodieke uitkering is genomen, opnieuw een aanvraag over deze uitkering wordt gedaan. Daarvan is bij de WIA-aanvraag van 16 oktober 2015 geen sprake, nu dit een eerste aanvraag is.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:946

    Intrekking toeslag na terugkeer naar Turkije. Vrijwillig afstand gedaan van Nederlandse nationaliteit.

    Associatieovereenkomst EEG-Turkije art. 9; Aanvullend Protocol art. 59; Besluit nr. 3/80 art. 6; TW art. 4a

    Het feit dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft verworven en weer opgegeven, brengt niet met zich dat hij geen enkele aanspraak meer kan ontlenen aan het associatierecht. De aanspraken van appellant moeten dus op basis van het associatierecht, in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, worden beoordeeld. Op het moment van vertrek naar Turkije had appellant een verblijfsrecht in Nederland. Voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol moet de situatie van een Turkse werknemer die een verblijfsrecht in de gastlidstaat heeft op het moment van zijn vertrek uit die lidstaat, worden beschouwd als vergelijkbaar met die van een burger van de Unie die in die lidstaat verblijft. Nu het om vergelijkbare situaties gaat, concludeert de Raad dat artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80, gelezen in samenhang met artikel 59 van het Aanvullend Protocol zich niet verzet tegen een nationale bepaling als artikel 4a van de TW. Het UWV heeft dan ook op grond van artikel 4a van de TW de toeslag van appellant terecht beëindigd.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:926 en ECLI:NL:CRVB:2020:936

    Termijnoverschrijding bezwaar. Verzending besluit aannemelijk te maken. Geen deugdelijke verzendadministratie. Overdragen poststukken van college aan PostNL. Moment van aanbieden poststuk ter verzending. Ophalen en bezorgen poststukken door Van Straaten Post. Geen verband aanbieding aan – en ontvangst door Van Straaten Post.

    Awb art. 3:41, 6:7, 6:8

    Er is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie omdat er geen duidelijk verband verzekerd is tussen de aanbieding van de poststukken door PostNL en de ontvangst daarvan door Van Straaten Post op individueel niveau. Het college heeft het bezwaar vanwege termijnoverschrijding ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en dient opnieuw inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:880

    Kostendelersnorm. Commerciële huurrelatie. Commerciële huur. Overgelegde kwitanties. Twijfel bewijswaarde.

    PW art. 19a, 22a

    Met kwitanties heeft appellante niet aangetoond dat sprake is van een commerciële huurrelatie waardoor de kostendelersnorm niet op haar van toepassing is. Er kan getwijfeld worden over de bewijswaarde van de overgelegde kwitanties. Hiermee heeft appellante de betaling van de huurprijs niet aangetoond.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:873

    Ontslagen leden van de Cliëntenraad. Ontvankelijkheid Cliëntenraad. Reikwijdte van de op artikel 47 van de PW gebaseerde verordening. Correctie Widdershoven.

    PW art. 47; Awb art. 8:69a

    De ontslagen leden van de Cliëntenraad waren ten tijde van het instellen van beroep niet meer bevoegd om in de hoedanigheid van leden van het dagelijks bestuur de Cliëntenraad te vertegenwoordigen. Artikel 47 van de Participatiewet en de daarop gebaseerde verordening strekken niet tot bescherming van de individuele belangen van de leden van een cliëntenraad. In zijn conclusie van 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3680, heeft de advocaat-generaal Widdershoven geconcludeerd dat de schending van een norm die niet de belangen van een betrokkene beschermt -waardoor die schending niet tot vernietiging zou kunnen leiden - wel kan bijdragen aan het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of gelijkheidsbeginsel is geschonden. In dat geval zou het toch tot vernietiging van een besluit kunnen leiden. De enkele stelling van appellanten dat zij de mogelijkheid moeten hebben om hun naam te zuiveren en hun positie als lid te herstellen, kan niet leiden tot een correctie als hier bedoeld.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:834

    Onrechtmatig huisbezoek. Geen verboden vruchten. Geen schadevergoeding.

    PW art. 53a

    De resultaten van de na het onrechtmatige huisbezoek ingestelde onderzoeken zijn niet aan te merken als verboden vruchten. Er is geen aanleiding voor toekennen schadevergoeding voor onrechtmatig huisbezoek. Dat een redelijke grond aanwezig was maar het informed consent kan worden betwijfeld, betekent echter niet dat de bevindingen van dit huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven. Hoewel dat huisbezoek onrechtmatig was, leidt de schade die appellante daardoor mogelijk zou hebben geleden, gelet op de rechtmatigheid van de beëindiging van de bijstand van appellante met ingang van die datum, niet tot veroordeling van het college tot betaling van die schade.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:832

    Dringende redenen. Onaanvaardbare gevolgen. Aanhoudende druk. Suïcidepoging. Geen verschil voor afzien van boete en afzien van terugvordering. Geheel van terugvordering afzien.

    PW art. 58 lid 8

    Gelet op de gebeurtenissen na verzending van het terugvorderingsbesluit is aannemelijk dat de suïcidepoging van appellante een gevolg is geweest van de terugvordering. Dit betekent dat ten tijde van dit besluit dringende redenen aanwezig waren om van terugvordering af te zien. Aannemelijk is verder dat de onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering zich ook ten tijde van het bestreden besluit nog voordeden. De Raad ziet niet in waarom bij de boete de gevolgen wel onaanvaardbaar zijn en bij de terugvordering niet. Ook in het kader van de terugvordering moet daarom uitgegaan worden van onaanvaardbare sociale gevolgen voor appellante, die ten tijde van het bestreden besluit nog bestonden en dringende redenen vormden om geheel van terugvordering af te zien zoals bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW. 

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:878

    Verrekening schuld met AOW. Niet verstrekken informatie over vermogen. Schending inlichtingenverplichting. Verrekenen zonder acht te slaan op de beslagvrije voet.

    PW art. 60 lid 1, 60 lid 6

    Anders dan in zijn uitspraak van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3302, is de Raad nu van oordeel dat de bevoegdheid om te verrekenen of in te vorderen zonder acht te slaan op de beslagvrije voet, gebaseerd moet zijn op het niet verstrekken van informatie die noodzakelijk is om de hoogte van de beslagvrije voet te kunnen vaststellen. De bevoegdheid van artikel 60, zesde lid, aanhef en onder a en b, van de PW is immers gegeven met het doel een uitzondering op de beslagvrije voet in het leven te roepen voor die gevallen waarin de betrokkene niet de benodigde informatie verstrekt om te kunnen vaststellen of de beslagvrije voet wel in acht wordt genomen. Deze bevoegdheid bestaat daarom alleen in die gevallen en dus niet in alle gevallen waarin geen inlichtingen worden verstrekt over middelen, en in het bijzonder over vermogen en teneinde de betrokkene te dwingen zijn onroerend goed te verkopen om te bewerkstelligen dat de betrokkene zijn vordering voldoet. In dit geval heeft de gestelde schending van de inlichtingenverplichting geen betrekking op gegevens die noodzakelijk waren om de voor appellant geldende beslagvrije voet te kunnen vaststellen.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:1063

    Uitvoering aan door de rechtbank gegeven opdracht, medisch onderzoek, corona-uitbraak, voorlopige voorziening.

    Awb art. 8:72 lid 4, 8:84 lid 1

    De voorzieningenrechter acht het gelet op de door verzoeker - het college van burgemeester en wethouders - geschetste omstandigheden, in samenhang met de uitbraak van het coronavirus, zonder meer aannemelijk dat verzoeker meer tijd nodig heeft om een medisch adviseur te vinden die betrokkene kan onderzoeken. Toewijzing verzoek om een voorlopige voorziening.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:952

    Verwijtbare werkloosheid. Dringende reden. Niet meewerken aan re-integratie-verplichtingen. Wwz.

    WW art. 24 lid 2 onder a, 27; BW art. 7:629 lid 3 en 6, 7:669 lid 3 onder e; 7:678

    De arbeidsovereenkomst van appellant is met onmiddellijke ingang ontbonden, omdat appellant ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn re-integratieverplichtingen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar nalaten aan de zijde van appellant en heeft daarom geen reden gezien voor een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Bij de beantwoording van de vraag of de werkloosheid verwijtbaar is te achten mag het UWV uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, tenzij de werknemer kan aantonen dat die feiten niet juist zijn.

    Het standpunt van appellant dat hij door zijn medicijngebruik niet in staat was met de auto naar zijn werk te rijden wordt gelet op het voorgaande niet gevolgd. Ook het standpunt van appellant dat in redelijkheid niet van hem gevergd kon worden gebruik te maken van het openbaar vervoer wordt niet gevolgd. Niet gebleken is dat tegen deze reistijd in combinatie met de werktijd medische bezwaren bestonden. Daarbij dient bedacht te worden dat aan re-integratie volgens een opbouwschema nu eenmaal inherent is dat de reistijd in de eerste fase relatief lang kan zijn ten opzichte van de werktijd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat sprake is geweest van een dringende reden en de werkloosheid van appellant terecht als verwijtbaar heeft aangemerkt.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:904
    Inkomen in aangiftetijdvak. Eindejaarsuitkeringen.

    WW art. 47, 129b; AIB art. 4:1 lid 3 en lid 8

    In artikel 4:1, derde lid, van het AIB is de hoofdregel met betrekking tot het vaststellen van het inkomen neergelegd, namelijk dat het loon geacht wordt genoten te zijn in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Artikel 4:1, achtste lid, van het AIB geeft het UWV de discretionaire bevoegdheid om bij het vaststellen van het inkomen het in het aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan eindejaarsuitkering in aanmerking te nemen. Het UWV heeft zijn keuze om daarvan geen gebruik te maken met verwijzing naar het belang om een WW-uitkering, die doorgaans van beperkte duur is en veelal gepaard gaat met inkomstenverrekeningen, zo spoedig mogelijk definitief vast te stellen, deugdelijk gemotiveerd en inzichtelijk toegelicht. Dat deze keuze voor eigen risicodragers, zoals appellante, in bepaalde gevallen ongunstiger uitpakt dan een keuze waarbij zou worden uitgegaan van opgebouwde bedragen leidt niet tot een ander oordeel.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:817

    Maatmanarbeid. Arbeidspatroon.
    WIA art. 5 en 6; SB art. 1

    Gelet op de vaste rechtspraak inzake geschiktheid voor het eigen werk wordt geoordeeld dat appellante niet geschikt is voor haar maatmanarbeid, omdat zij niet in staat is die arbeid in de dagelijkse omvang te verrichten in overeenstemming met het voor haar voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid geldende arbeidspatroon van drie dagen van acht uren per dag. Dat de arbeidsovereenkomst inmiddels is verbroken, doet niet af aan het uitgangspunt dat de maatmanarbeid in beginsel alle facetten van het verrichte werk behelst, waaronder het concrete arbeidspatroon. Of herverdeling van werkzaamheden over meer dagen mogelijk of te vergen was, blijkt niet uit de voorhanden gegevens en is niet door het UWV onderzocht.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:1031

    Periodeloonvergelijking. Aangiftetijdvakken. Bepalingen van dwingend recht. Kennelijk onredelijk resultaat.

    WAO art. 44 lid 2; SB art. 10a; Gw art. 120

    Gelet op artikel 44, tweede lid, van de WAO moeten de loonbetalingen in december 2015 en in december 2016 bij de toepassing van artikel 44 van de WAO over deze maanden in aanmerking worden genomen en kunnen niet worden toegerekend aan een ander aangiftetijdvak. Artikel 44, tweede lid, van de WAO is een dwingende bepaling die het UWV geen ruimte geeft om hiervan af te wijken. De wetgever heeft op dit punt een bewuste keuze gemaakt en voor ogen gehad dat het UWV bij de verrekening van inkomsten uit arbeid zonder meer kan uitgaan van de opgave per tijdvak door de werkgever. Ook uit de wijziging van het Schattingsbesluit met ingang van 1 juli 2015 blijkt dat de kortingsbepaling van artikel 44, tweede lid, van de WAO moet worden toegepast over het tijdvak waarin van dat loon aangifte is gedaan, ook in het geval dit loon bijvoorbeeld betrekking heeft op in meerdere tijdvakken verrichte arbeid of als er sprake is van een nabetaling. Hieruit blijkt dat dergelijke nadelige effecten zijn meegewogen. Het is expliciet de bedoeling van de wetgever geweest om aan te sluiten bij de aangiftetijdvakken en de gegevens zoals opgegeven in de polisadministratie.

    Wetten in formele zin, zoals in dit geval de WAO, mogen op grond van artikel 120 van de Grondwet niet worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. De rechter mag niet treden in een belangenafweging die al door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn. Ten slotte is er in dit geval geen sprake van heel bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. Het enkele feit dat de werkgever in de periode in geding een loonbetalingstijdvak hanteert van vier werken en een loonaangiftetijdvak van een maand, is niet een zodanige omstandigheid.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:964

    Toetsingsmaatstaf bestuursrechter bij buitenwettelijk begunstigend beleid. Geen schending fundamentele rechten.

    Uitkeringsregeling Backpay

    De Uitkeringsregeling Backpay heeft het karakter van buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9383) dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden en is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast. De hier aan te leggen toetsingsmaatstaf betekent niet dat indien sprake is van een schending van fundamentele rechten, de rechter hieraan geen gevolgen zou mogen en moeten verbinden, maar van een dergelijke schending, in het bijzonder een schending van het discriminatieverbod, is in dit geval geen sprake. Het betoog van appellant, dat de weigering van de minister om appellant een eenmalige uitkering toe te kennen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, bouwt daarnaast voort op de - blijkens 4.1 - onjuiste veronderstelling dat op de Nederlandse Staat in juridische zin de verplichting rust tot terugbetaling van de tijdens de Japanse bezetting niet uitbetaalde salarissen. Het betoog kan reeds hierom geen doel treffen. Er bestaat geen aanleiding om, zoals namens appellant is verzocht, prejudicieel advies in te winnen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

     

  • ECLI:NL:CRVB:2020:980

    Stopzetten reisrecht. Inschrijving.

    WSF 2000 art. 2.8, 3.27

    Uit de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de WSF 2000 volgt dat voorwaarde voor het recht op studiefinanciering, waaronder een reisrecht, is dat de student is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse opleiding in het hoger onderwijs. Ingevolge artikel 7.32, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) vindt deze inschrijving plaats voor een (gedeelte van een) studiejaar. Ingevolge artikel 7.33 van de WHW geschiedt de inschrijving volgens door het instellingsbestuur vast te stellen regels. Deze systematiek brengt mee dat de student die een opleiding in het hoger onderwijs wil starten als ook de student die reeds een opleiding is gestart, maar deze in een volgend studiejaar wil voortzetten, er voor moet zorgen dat hij tijdig voldoet aan de door de onderwijsinstelling gestelde inschrijvingsvoorwaarden voor het betreffende studiejaar. Is daaraan niet voldaan dan bestaat geen recht op studiefinanciering, waaronder een reisrecht, en geldt de verplichting van artikel 3.27, eerste lid, van de WSF 2000. Het voorgaande betekent dat artikel 3.27, eerste lid, van de WSF 2000 niet alleen is geschreven voor de situatie dat de student is uitgeschreven omdat hij is gestopt met studeren, maar ook voor de situatie dat de inschrijving niet tot stand is gekomen.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:981

    Loskoppeling. Wezenlijk contact.

    WSF 2000 art. 3.14; Bsf 2000 art. 6, 9

    De loskoppelingsgrond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bsf 2000 is terug te voeren naar de Beleidsregels hardheidsclausule w.s.f. 'weigerachtige ouders'. Er wordt in die beleidsregel enkel gesproken van het ontbreken van – elk – contact vanaf het twaalfde jaar. Het woord wezenlijk komt in deze beleidsregel niet voor. In de nadien door de IB-Groep opgestelde beleidsregel hardheidsclausule WSF 'weigerachtige ouders' wordt gesproken van het ontbreken van wezenlijk contact, echter zonder dat uitleg wordt gegeven aan het begrip wezenlijk. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten dat met de toevoeging van het woord wezenlijk in deze beleidsregel een inhoudelijke wijziging van de betreffende loskoppelingsgrond als neergelegd in de eerdere beleidsregel is beoogd. Die aanknopingspunten zijn evenmin te vinden in de Nota van Toelichting bij artikel 9 van het Bsf 2000. De ontstaansgeschiedenis van de voorwaarde van geen wezenlijk contact, bezien in samenhang met het karakter van de regeling, leidt tot de conclusie dat met geen wezenlijk contact in artikel 9 van het Bsf 2000 bedoeld wordt dat het contact duurzaam, vanaf ten minste het twaalfde jaar, verbroken is. Indien er nog (enig) contact tussen ouder en kind plaatsvindt, ook als dit contact oppervlakkig van aard is, dan is sprake van wezenlijk contact in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 9 van het Bsf 2000.

  • ECLI:NL:CRVB:2020:955

    Dagloonverlagend effect is in overeenstemming met de bedoeling van de besluitgever.

    Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 6

    Het in de referteperiode opgenomen onbetaalde verlof heeft een nadelig gevolg voor het dagloon van appellante, omdat het opgebouwde bedrag aan eindejaarsuitkering daardoor niet is meegenomen. Dit is echter, zoals hiervoor is overwogen, het gevolg van correcte toepassing van het Dagloonbesluit en in overeenstemming met de bedoeling van de besluitgever. Deze toepassing van artikel 6 van het Dagloonbesluit is niet in strijd met het uitgangspunt van de WW dat de uitkering wordt gerelateerd aan het genoten loon, noch met het loondervingsbeginsel.

     

    ECLI:NL:CRVB:2020:956

    Dagloonverlagend effect geen reden om af te wijken van het Dagloonbesluit

    Dagloonbesluit werknemersverzekeringen art. 16

    De omstandigheid dat appellante aan het begin van het refertejaar twee weken WW-uitkering heeft ontvangen en vervolgens tot 16 februari 2015 geen loon heeft ontvangen, heeft voor haar een dagloonverlagend effect. De verwijzing door appellante naar de uitspraak van 26 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1475) levert geen grond op om af te wijken van artikel 13 van de Wet WIA of van de bepalingen voor het berekenen van het WIA-dagloon in het Dagloonbesluit.